Help! Mijn mama is psychisch ziek

In Vlaanderen zijn er zo’n 400.000 Kopp-kinderen (Kinderen van Ouders met Psychische Problemen) jonger dan 22 jaar, die nog thuis wonen of grotendeels afhankelijk zijn van hun ouders. Roos is één van hen.

Roos «Het was alsof er 100 kilo van mijn schouders viel toen ze me zeiden: ‘Het ligt niet aan jou. Je moeder is anders.’ Maar tegelijk vond ik het vreselijk. Het heeft nog maanden geduurd voordat ik echt wou beseffen: mama is psychisch ziek en zal nooit genezen. Ik ben lang blijven hopen dat alles goed zou komen.»

‘Kinderen als Roos worden thuis serieus op de proef gesteld,’ zegt Ben Kwanten, die jaren als begeleider bij Bijzondere Jeugdzorg werkte. Daar zag hij hoe men vaak vergat dat ouders die psychisch in de knoei zitten en in het dagelijks leven niet goed meer functioneren, ook kinderen hebben. Er moest dus een manier gevonden worden om te voorkomen dat die zélf ook in de problemen kwamen. In 2002 richtte Kwanten mee KOPP-Vlaanderen op, dat – onbegrijpelijk maar waar – pas sinds dit jaar officieel erkend wordt door de overheid.

Ben Kwanten «In Vlaanderen zijn er zo’n 400.000 KOPP-kinderen onder de 22 jaar die nog thuis wonen of nog grotendeels afhankelijk zijn van hun ouders. Die kinderen hebben daar niet allemaal evenveel last van, maar zeker één op de drie ontwikkelt zelf een stoornis, of gedragsproblemen, of krijgt het moeilijk op sociaal vlak. Dat zijn er dus véél, en het is belangrijk dat die kinderen opgemerkt worden.»

Roos had het geluk dat het CLB onraad rook, toen ze langs haar neus weg vertelde dat ze zich thuis moeilijk op haar schoolwerk kon concentreren omdat er veel stress was.

Roos «Ze begonnen door te vragen. Toen ik vertelde dat mijn mama bij het lezen van de krant opeens kon denken dat alles wat erin stond over háár ging, daar dan heel kwaad van werd en dat soms op mij uitwerkte, zijn ze hulp gaan zoeken.»

HUMO Je was toen 14. Had je tot dan echt geen moment het idee dat er thuis iets niet helemaal in orde was?

Roos «Ik wóú dat niet zien. Ik wou zo graag dat mijn mama normaal was. Ik heb ook geen vader – die heb ik nooit gekend. Bij mijn familie kon ik niet terecht. ‘Je moeder is nu eenmaal zo,’ zeiden ze, meer niet. Mijn moeder wou zelf ook niet inzien dat er iets aan de hand was. Nog steeds niet. Ik wou ook alleen maar met een psycholoog praten op voorwaarde dat mijn mama daar niet van op de hoogte was. Ik wist dat ze me anders zou zien als iemand die overliep naar de vijand, en dan zou ik thuis niet meer binnen mogen.»

De psycholoog van Roos (die anoniem wil blijven) «Ik heb daarmee ingestemd, maar heb er wel aan toegevoegd dat ik zou ingrijpen als ik vond dat de situatie onhoudbaar werd voor Roos. Weet je nog, Roos? Hoe verwonderd je was dat het in dat eerste gesprek alleen maar ging over hoe jíj je voelde? Je was 14 jaar lang opgegroeid met het idee: alles draait om mama. Je hebt hier moeten leren wat normaal is en wat niet. Voor jou was dat niet altijd duidelijk.»

Roos «Ja. Dat je naar de dokter moet gaan als je ziek bent, bijvoorbeeld. Ik wist dat niet. Mijn moeder ging nooit met me naar de dokter. Vaccins heb ik niet gehad, omdat mijn mama bang was dat daar vijandelijke stoffen in zaten.»

De psycholoog «Jij bent vaak ziek naar school gegaan.»

Roos «Ook omdat er al heel veel moest gebeuren vooraleer ik een dag vrijwillig thuisbleef. Daar was ik de hele tijd aan het inschatten hoe mijn mama dacht. Ik wou op de dingen anticiperen in de hoop te kunnen ingrijpen, zodat ze minder extreem zou reageren en niet kwaad zou worden. Ik moest me ook dag in dag uit afvragen: eet ze wel genoeg? Heeft ze haar rekeningen betaald? Heeft ze niks stoms gedaan? Ik probeerde alles onder controle te houden. En er waren wel zeldzame goeie momenten met mijn moeder, maar ik had nooit het gevoel dat ik bij haar terechtkon.»

HUMO Dat lijkt me doodvermoeiend.

De psycholoog «Inderdaad. Roos is heel sterk, maar dat heeft ook een keerzijde. Haar mama heeft van haar dingen gevraagd die je eigenlijk niet kunt verwachten van een 13-jarige. Ze heeft heel lang op de grens van wat ze aankon geleefd. Pas toen ze hier al een paar weken kwam, heeft ze in een opwelling toegegeven: ‘Ik hou dit niet vol.’»

Roos «Door mijn mama kwam ik vaak in situaties terecht waarin ik mezelf moest forceren om dingen te doen die ik echt niet wou doen. Dan moest ik bijvoorbeeld voor de derde keer iets terugbrengen naar een winkel, waar de mensen natuurlijk kwaad werden op mij. Ik moest altijd alles oplossen voor haar en omdat ik dacht dat dat normaal was, deed ik op school hetzelfde. Als er iets georganiseerd moest worden, zei ik altijd meteen: ‘Ik doe het wel.’ Of ik dat nu aankon of niet. En op den duur werd het vanzelfsprekend dat ik ook dáár voor alles zorgde. Ik heb moeten leren zeggen: ‘Nu is het genoeg, eventjes rust.’»

HUMO Leden je schoolresultaten er niet onder?

Roos «De school was mijn toevluchtsoord. Ik stortte me volledig op mijn schoolwerk. Voor mij was dat een manier om even in een andere wereld te verdwijnen – wég van alle druk en stress om me heen. De zomervakantie was altijd de moeilijkste periode om te overbruggen. Twee maanden thuis: ik zag daar zo tegen op. Het enige wat me hielp om de dag door te komen, was de gedachte: ‘Als ik 18 ben, kan ik hier weg!’»

De psycholoog «Op een gegeven moment vond ik dat het te ver ging en heb ik Roos in contact gebracht met Bijzondere Jeugdzorg. Die hebben toen naar Roos’ moeder gebeld om te zeggen dat Roos op internaat zou gaan.»

HUMO Met jouw toestemming, Roos?

Roos «Ja. Ik was zó moe. Ik zal nooit de dag vergeten waarop de Bijzondere Jeugdzorg belde en tegen mijn mama zei dat het voor mij niet meer leefbaar was thuis. Ze werd ontzettend boos. Het bevestigde natuurlijk haar overtuiging dat iedereen in de buitenwereld haar tegenwerkte. Nu was ík ook nog naar de vijand overgelopen. Ze kon het maar niet geloven. Ik voelde me afschuwelijk en had het gevoel dat ik haar verraden had. Toen ik weg was, ontwikkelde mama ook nog een drankprobleem: ze is een paar keer opgepakt en naar het ziekenhuis gevoerd. Ik ben haar eens moeten gaan halen in het midden van mijn examens.»

HUMO Ben je kwaad op haar?

Roos «Ik voelde wel woede, maar ik wist dat ze er niks aan kon doen. Op haar goeie momenten – als ze lief was – dacht ik: ‘Dit is wie ze echt is.’ Dus ja, ik was kwaad, maar op haar ziekte, niet op haar.»

De psycholoog «Dat Roos zo rationeel en zo sterk is, heeft haar gered. Ze kón haar angsten en verdriet niet toelaten en heeft dat ‘voelen’ helemaal moeten uitschakelen om het thuis te kunnen volhouden.»

Roos «Ik vind het nog steeds heel moeilijk om tegen vrienden te zeggen dat het even niet goed me me gaat, laat staan dat ik hen om hulp vraag. Ik heb dan altijd het gevoel dat ik me opdring of dat ik aan het zagen ben.»

De psycholoog «Als kind heeft ze geleerd: ik kan met mijn gevoelens bij niemand terecht. Ze durft ook nog altijd niet te veel te voelen Ze moet nu leren om haar gevoelens toe te laten, om kwetsbaar te durven zijn. Maar dat is natuurlijk doodeng.»

Roos «Omdat ik echt niet weet of ik ermee zal kunnen omgaan. Vroeger stopte ik alles weg; nu ben ik bang dat er, als ik me laat gaan en begin te voelen, in één keer zo veel naar boven komt, dat ik overspoeld word en de teugels verlies. Maar ik probeer het toch, stapje voor stapje.

»Ik heb gelukkig ook goeie kwaliteiten aan mijn jeugd overgehouden. Ik ben er onafhankelijk door geworden, zelfstandig en sterk. In die zin ben ik bijna dankbaar voor wat ik heb meegemaakt. Ik studeer nu. Mijn punten zijn niet meer zo extreem hoog als vroeger, omdat leren geen vlucht meer is. Ik maak tijd voor mijn vrienden en ik ga ook uit. Ik droom van een carrière in het buitenland, want het huisje-boompje-beestje-ideaal zegt me niks. Ik denk niet aan kinderen. Mijn hele leven heeft al in functie van iemand anders gestaan; nu wil ik dat het in functie van mezélf staat.»

Zorgenkind

Kwanten «Wat mij raakt in het verhaal van Roos, is dat de mama op een gegeven moment in het ziekenhuis opgenomen werd, dat Roos haar daar als jonge tiener is gaan halen en dat er kennelijk toch nooit een dokter is geweest die dacht: ‘Oei, die dochter, hoe zou het daarmee zijn?’

»KOPP wil de kinderen bereiken via de artsen die de ouders behandelen. In het begin probeerden we hen rechtstreeks, via de scholen, aan te spreken. Tot we beseften dat je onmogelijk om die ouders heen kunt. Maar hun behandelaars stonden niet te springen: zij vonden het moeilijk om tegen hun patiënten, die het al lastig hebben, te zeggen: ‘Ouder zijn, kun je dat wel in je huidige situatie?’ Die mensen vallen al op zo veel terreinen uit, dat het hard lijkt om dan ook nog over falend ouderschap – voor mensen zónder geestelijke problemen al een gevoelig thema – te beginnen. Maar we hebben hier al zo vaak gezien dat kinderen van ouders die in behandeling zijn later zelf problemen kregen. En het is dát wat we proberen te voorkomen. In Zweden zijn hulpverleners verplicht om het bij de start van een behandeling van een ouder over de kinderen te hebben. Ik ben daar ook voorstander van. Gelukkig zijn er in Vlaanderen meer dan zestig instellingen die hun patiënten bij de intake vrijblijvend een gesprek over de kinderen aanbieden. En het merendeel van de ouders is hun daar alleen maar dankbaar voor. Ze zitten allemaal met het gevoel dat het hun niet meer lukt om voor hun kinderen te zorgen zoals ze zouden willen; ze zijn dus blij dat ze kunnen praten over wat ze wél nog voor hen kunnen doen.»

HUMO Wat kunnen ze doen?

Kwanten «Om te beginnen moet je je kind uitleggen wat er met je aan de hand is – wat een depressie, paranoia of een psychose is. Zo voorkom je dat ze het op zichzelf gaan betrekken. Als kinderen zien dat het niet goed gaat met hun moeder of vader, proberen ze daar een verklaring voor te zoeken. Dat is eigen aan de mens: snappen waarom iets gebeurt geeft een gevoel van veiligheid. De kans is groot dat ze de oorzaak onterecht bij zichzelf gaan zoeken: ‘Het zal aan mij liggen dat mama zich niet goed voelt. Ik gedraag me niet goed, mijn punten zijn niet oké en ik maak te veel ruzie met mijn broer.’ Iemand moet hun duidelijk zeggen: ‘Het heeft niets met jou te maken.’»

HUMO Je eigen psychose aan je kinderen uitleggen: ik kan me voorstellen dat niet iedere ouder dat kan.

Kwanten «Daarom is het belangrijk om in de directe omgeving een vertrouwenspersoon – de andere ouder, een buur, een leraar – te vinden bij wie je kind terechtkan als jij er even niet voor hem bent.

»Een kind moet ook gewoon kind kunnen zijn. Veel KOPP-kinderen doen wat Roos heeft gedaan en gaan voor hun ouder zorgen – haar of hem troosten en helpen in plaats van buiten te spelen of naar vriendjes te gaan.»

HUMO Ze worden de ouder van hun ouder.

Kwanten «Ja. Terwijl het net belangrijk is dat ze buitenkomen en zich voldoende ontspannen, als tegengewicht voor de dingen waar ze thuis mee geconfronteerd worden. Maar daar komt het vaak niet van, en dan raakt zo’n kind nog geïsoleerd ook.

»Als er íéts is waar wij de kinderen die hier komen van proberen te overtuigen, dan is het dat ze niet altijd thuis moeten blijven, dat ze recht hebben op een eigen leven. Maar dat is moeilijk: die reflex om voor hun ouders te zorgen verander je niet zomaar.»

KOPP-jobs

Peters dochtertje is nu 12 jaar. Toen hij drie jaar geleden werd opgenomen met een zware depressie, bood het ziekenhuis aan om met haar te praten.

Peter «Ik schrok er natuurlijk van dat ze me zeiden dat mijn toestand mogelijk gevolgen kon hebben voor mijn kind. Ik voelde me op dat moment zo slecht en zo angstig dat ik geen beslissingen kon nemen, maar ik ben heel blij dat mijn vrouw op dat aanbod is ingegaan. Het leven van mijn dochtertje was ingrijpend veranderd – ze zag me alleen nog in het ziekenhuis, wanneer ze me kwam bezoeken – maar ze sprak daar nooit over. Alles ging goed, zei ze altijd, met haar was er niks aan de hand. Maar ik had al gemerkt dat ze zich steeds vaker in haar kamer terugtrok, en dat gedrag herkende ik. Ik ben ook heel gesloten. Ja, dan begin je na te denken: aanleg voor depressie is voor een stuk erfelijk.

»Toen ze met de psycholoog van KOPP ging praten, bleek dat ze met veel vragen zat: ‘Komt papa nog terug naar huis? Zullen papa en mama samenblijven? Wanneer zal alles weer zijn zoals vroeger?’ Na een tijdje begon ze mij vragen te stellen: ‘Wat doe jij hier eigenlijk?’ Ik heb haar toen rondgeleid in het ziekenhuis. ‘Ah,’ zei ze toen, ‘ga jij met een psycholoog praten? Ik ook!’ Ze vond dat cool. Achteraf hoorde ik dat als mensen haar vroegen of haar papa aan het werk was, ze antwoordde: ‘Ja, papa werkt aan zichzelf.’»

HUMO KOPP-kinderen vragen zich vaak af: ‘Kan ik ook krijgen wat mijn mama of papa heeft?’

Kwanten «Ja, daar zijn ze bang voor. Ze menen dingen bij zichzelf te herkennen en dan panikeren ze. Elke puber voelt zich weleens slecht of loopt weleens rond met het gevoel dat alles mislukt. Als zo’n jongere al jaren een depressieve ouder heeft, is de link snel gelegd. Je moet hun dan duidelijk uitleggen dat ze waarschijnlijk een iets grotere genetische aanleg hebben voor de ziekte van hun vader of moeder, maar dat dat absoluut niet wil zeggen dat ze die ook zullen ontwikkelen. Dat hangt af van een heleboel factoren, en er zijn ook een heleboel dingen die je kunt doen om het risico te verkleinen: je mag je niet isoleren, je moet op zoek gaan naar mensen met wie je over je angsten kunt praten, ervoor zorgen dat je een eigen leven leidt en niet alleen maar bezig bent met vader of moeder, enzoverder.

»Weet je, het is niet toevallig dat veel KOPP-kinderen later een job in de hulpverlening uitoefenen. Ze hebben van kleins af aan geleerd om heel veel rekening te houden met iemand anders, zich in te leven in de ander. Allemaal kwaliteiten die ze in die sector kunnen gebruiken – maar bijvoorbeeld ook als journalist of acteur.»

Valse hoop

Marlies is 19 en studeert voor opvoedster. Haar moeder kampt met een zware depressie en een drankverslaving.

Marlies «Ik heb eerst een modeopleiding gevolgd, maar ik heb het gevoel dat ik in de zorg meer kan betekenen. Ik ben natuurlijk het resultaat van wat ik allemaal heb meegemaakt, al is het wel zo dat mijn oudere zus helemaal anders op de situatie heeft gereageerd dan ik. Zij kon veel beter afstand nemen en ze belde vaak naar mijn oma: ‘Mama is weer niet goed, kom ons halen!’ Terwijl ik dacht: ‘Nee! We mogen haar nu niet alleen laten. Wie weet wat ze zichzelf aandoet.’ Maar zij zei dan: ‘Wij moeten voor onszelf zorgen en mama moet haar plan maar trekken.’ Ik wou zo graag dat mama beter werd en daarvoor deed ik alles wat ik kon. Toen ze begon te drinken, goot ik constant flesjes bier leeg en vulde die met water. Als ze boodschappen wou doen, zei ik snel: ‘Ik zal het wel doen, mama.’ Om te voorkomen dat haar buiten iets zou overkomen. Ik bleef ’s nachts wakker omdat ik bang was dat ze van de trap zou vallen. Alleen als ik bij mijn vader was – mijn ouders zijn gescheiden – en ik niks voor haar kon doen, had ik het gevoel: ‘Oké, nu mag ik slapen.’»

HUMO Toen je moeder werd opgenomen, heeft ze ermee ingestemd dat iemand met je zou praten.

Marlies «Ja, omdat ze tijdens haar heldere momenten altijd veel spijt had van hoe ze zich had gedragen. Dan zei ze: ‘Ik ga iets aan mijn probleem doen.’ Dat was zo erg: elke keer gaf ze ons valse hoop, en elke keer geloofde ik haar. Maar twee dagen later lag ze weer in de zetel – helemaal weg. Op den duur ga je denken: ‘Ik moet die sorry’s niet meer hebben!’ Maar telkens wanneer ik besloot haar niet meer te helpen, voelde ik me zo schuldig dat ik het toch opnieuw deed.»

HUMO Werd je niet boos?

Marlies «Ja. Boos en moe. Ik had ook geen zin meer in studeren en dat zag je aan mijn punten. De school heeft me toen gevraagd om te vertrekken: leerlingen als ik waren niet goed voor hun reputatie.»

HUMO Hoe gedroeg je je daar?

Marlies «Ik had me helemaal afgesloten. Ik had nog wel mijn vader en mijn scoutsvrienden van vroeger, maar verder vertrouwde ik niets van wat op me afkwam. Zodra iemand contact zocht, raakte ik uit evenwicht en duwde die persoon weg. Ik liet niets of niemand toe. Thuis trok ik me terug in mijn kamer, om keiharde muziek op te zetten of op de muren te schrijven en te tekenen. Daarna ben ik schilderijen gaan maken. Vreemde beesten, felle kleuren en ook beelden van mijn mama, alleen op een weg die nergens heen leidt. Ik schilder nog steeds. Zonder dat schilderen weet ik niet wat er in mijn hoofd allemaal gebeurd zou zijn.»

HUMO Maar nu praat je ook.

Marlies «Ja, dat heb ik bij KOPP geleerd. Ik weet ondertussen dat ik voor mijn eigen leven moet kiezen en dat mijn mama niet op de eerste plaats mag komen.

»Ik woon nu fulltime bij mijn vader. Dat is heel moeilijk geweest, want ik had het gevoel dat ik haar vreselijk in de steek liet. Ik moest mezelf er constant van weerhouden haar te bellen. En dan belde ze zelf: ‘Marlieske, kom je niet langs?’ En dan begon het gevecht in mijn hoofd. Maar na verloop van tijd lukte het me om net als mijn zus te zeggen: ‘Het is genoeg geweest, mama, laat me nu doen.’»

HUMO Heb je de gesprekken hier bij KOPP nog nodig?

Marlies «Neen. Het gaat goed met me. Ik krijg tijdens mijn opleiding veel psychologie en kom in mijn boeken dingen tegen die ik herken – dat kinderen heel loyaal zijn tegenover hun ouders omdat ze hen nodig hebben, en daarom voor hun ouders beginnen te zorgen als het niet goed met hen gaat. Maar ik voel dan ook: ik ben daar klaar mee. Ik heb gemerkt dat veel studiegenoten voor deze richting hebben gekozen omdat ze hopen zo zichzelf te kunnen helpen. Ze hebben het vaak over hun problemen, maar ik heb daar geen nood meer aan.

»Ik heb nu ook een relatie. Dat heeft lang geduurd hoor, voor ik iemand genoeg vertrouwde. Het is moeilijk om opnieuw vertrouwen te schenken als je je leven lang tevergeefs op iemand hebt gerekend. Ik ben mijn vriendin heel dankbaar dat ze zo veel geduld met mij heeft gehad. We zijn nu twee jaar samen en pas sinds een halfjaar durf ik te denken: ‘Als ik bel, weet ik zeker dat ze er voor me is.’ Het moment dat ik dát voelde, ben ik haar om de hals gevlogen en heb ik gejubeld: ‘Ik kan het! Ik vertrouw je! Ik kan het!’»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234