Herman Brusselmans en vriendin LenaBeeld Johan Jacobs Humo 2020

krasse knarrenHerman Brusselmans

Herman Brusselmans (62): Leven, liefde, werk

Ik ben altijd bezig geweest. Dat begon al goed op de kleuterschool. Daar leerde ik de taal- en cijferkundige finesses, bestudeerde het spelen met de blokken, slaagde er met vrucht in om zindelijk te worden, en ontplooide me op het muzikale gebied (triangel). Juffrouw Anita was heel tevreden, en zei tegen m’n ouders: ‘Dat jongetje zal het ver schoppen.’ Maar toen kreeg ik een zenuwinzinking, en gedurende de eerste jaren van de lagere school ging het niet al te best. Juffrouw Brijs kreeg er een punthoofd van. Ze noemde me lamzak, luiaard, niksnut, en nagel aan haar doodskist. Dat kon me niks schelen. Ik was depressief. Toch haalde ik in het eerste, tweede en derde leerjaar nog ongeveer negentig procent van de punten. Ook dat kon me niks schelen, en ik wilde dood. Dat wilde ik niet meer vanaf m’n verliefdheid op het elfjarige meisje Wendy. Ik wandelde met haar in het bos, we liepen hand in hand langs de boorden van de Durme, en we holden achter elkaar door het vochtige gras van het natuurreservaat. Toen verhuisde de familie van Wendy, met zijzelve incluis, naar Australië, waar haar vader een bonobokwekerij begon. Maar ik was uit het psychische dal gekropen, en de twee- de helft van de lagere school was een fluitje van een cent. Meester Boel zei tegen m’n ouders: ‘Hem een genie noemen is overdreven, maar ’t is alleszins geen dommerik.’ Dat bleek mede op de middelbare school waar ik op een keer in de les wiskunde een onmogelijk op te lossen vraagstuk oploste. Ik ben vergeten hoe het precies in elkaar zat, maar de uitkomst was alleszins x tot de tweede min y gedeeld door de vierkantswortel van z. De directeur van het Heilig Hart Instituut te Hamme, broeder Etienne, zei tegen m’n ouders: ‘Hij moet het niet te hoog in z’n bol krijgen, maar wat is die jongen een ongelooflijk talent.’ Dus moest ik wel naar de universiteit gaan, als allereerste Brusselmans die ooit de binnenkant van een dergelijke kennistempel kon bekijken. Ik koos voor Germaanse Filologie, richting Nederlands en Engels, omdat ik ondertussen de literatuur ontdekt had, en zelf schrijver wilde worden. Professor Schrickx vroeg op het examen aan mij wat de overeenkomst was tussen het woord ‘intimacy’ in het werk van William Shakespeare en de opgang van het middeleeuwse toneelspel waarin geen vrouwen mochten meespelen van de twaalfde tot de vijftiende eeuw. Ik antwoordde: ‘Daar is geen enkele overeenkomst tussen’, en dat bleek het juiste antwoord. Ik gaf nog wel meer juiste antwoorden tijdens de examens en haalde m’n diploma met de hoogste onderscheiding. Toen ging ik de werkloosheid in, zoals ongeveer iedereen in het begin van de jaren tachtig. Doch ik bleef niet bij de pakken zitten, en solliciteerde me een punthoofd. Toen vond ik algauw een baantje, als bibliothecaris van de Rijks- dienst Voor Arbeidsvoorziening in Brussel. Het was een boeiende job. Ik gaf boeken te leen aan mensen, en als ze die gelezen hadden, brachten ze deze boeken terug, en ik zette ze op de plank, waar ze tevoren ook al gestaan hadden. Ja, boeiend, maar op den duur verlies je de kijk op de interessante aspecten van dit soort werk, en je wil wat anders. Ik was inmiddels begonnen met boeken schrijven, die nog gepubliceerd werden ook. Ik dacht: zou ik kunnen overleven, moreel en financieel, door full time Vlaams auteur te worden? Ik besloot om het een kans te geven, en ik vestigde mij in 1987 als professioneel letterkundige op m’n thuisadres in Gent. Dag en nacht zat ik te schrijven, met slechts af en toe een pauze om te eten en drinken, te slapen, naar het toilet te gaan, en aan m’n vrouw Gerda te vragen of ze wat stiller wilde praten met haar vriendinnen, want door hun gekrijs werd m’n concentratie immers verstoord. Gerda en ik scheidden van elkaar in 1991, maar ik had algauw een nieuwe vrouw, Tania. Ook zij praatte stil met haar vriendinnen, zodat ik kon doorgaan met schrijven. Ik schreef columns, verhalen, romans, gedichten, toneelstukken, essays, en drie boeken over de Tweede Wereldoorlog, die alle drie eindigden met de zelfmoord van Hitler, die ik in m’n drie nawoorden toejuichte, want ik ben van linkse, antifascistische signatuur, zoals een schrijver hoort te zijn. Op m’n veertigste had ik al rond de vijfendertig afzonderlijke werken geschreven, op m’n vijftigste rond de zestig, op m’n zestigste rond de tachtig, en God weet waarom, maar in de tussentijd had Tania me verlaten, en was ik vrijgezel, eenzaam, mager, wanhopig, langharig, bijna bejaard, en zinnens om de hele zooi uit te zingen met een valse, krassende stem. Toen kwam de prachtige jonge vrouw Lena in m’n leven. Zij redde mij uit de poel des drijfzands, en aan de horizon gloorde weder het licht. Nochtans werd ik er niet jonger op, en tegenwoordig ben ik op weg naar de drieënzestig. Dat kan me nauwelijks deren, ik zit opnieuw vol levensmoed, heb zin in vanalles, en barst van de arbeidskracht.

Ik schrijf meer dan ooit tevoren, werk momenteel aan m’n vijfentachtigste boek, getiteld De dansende eeuweling, en die titel is niet zomaar bij me opgedoken, ik gebruik ‘m omdat ik inderdaad zinnens ben om honderd jaar of ouder te worden, en op weg daarnaartoe te blijven dansen. Maar niet alleen zal ik dansen, tevens zal ik doorgaan met schrijven. Het is de bedoeling en de hoop dat ik daarbij geen hinderpalen tegenkom, en dan zeker niet de hinderpaal van de opklimmende leeftijd, want ik wil schrijven tot m’n vijfenzestigste, en dan tot m’n zeventig- ste, tot m’n tachtigste, tot m’n negentigste, tot m’n honderdste, en ook op die hoge ouderdom zal ik de professionele schrijver zijn die ik al was op m’n dertigste. Of ik veel of weinig geld blijf verdienen, dat speelt een kleine rol, het belangrijkste is dat de steeds ouder wordende knar die ik ben zich blijft amuseren, zich blijft heruitvinden, zich blijft vermaken met dans, geschrijf, de liefde, en de muziek, daar immers op m’n bureau voor altijd de triangel ligt die ik in de kleuterschool met veel overtuiging en drang bespeelde, en thans nog geregeld ter hand neem. Let op, het zou kunnen dat ik door ziekte of dood in m’n gangen word gedwarsboomd, maar voor het zover is zal ik niet stil- staan, niet gaan nederliggen, of niet verzinken in de lethargie van de versleten mens. Leven, liefde, en werk! En een wandelingetje met het nieuwe hondje is ook oké.

Dit artikel kwam tot stand in samenwerking met de VDAB. Kijk nu op https://www.vdab.be/blijf-actief

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234