null Beeld

Herman Brusselmans: 'Het publiek'

Door het terugverlangen naar 1967 word ik nog meer bezwaard dan door wat dan ook.

Met de song ‘Streets’ van Kensington op repeat zat ik ’s nachts op m’n Ikea-bank. Hier en daar zullen een paar tienduizenden verdwaalde zielen opmerken: zit jij werkelijk naar de song van een Hollandse groep te luisteren, de song van een paar pipo’s uit het ontoereikende Utrecht? Ja, daar zit ik naar te luisteren. Het is in mijn oren een topsong, waarvan de intro weliswaar gejat is van Therapy?, maar dat mag van mij. Je kunt beter jatten van Therapy? dan van om het even wie. In de clip bij ‘Streets’ zie je twee prachtige meisjes, een blondine en een brunette, en er wordt lichtelijk gesuggereerd dat ze iets lesbisch met elkaar hebben, maar hun relatie lijkt hoe dan ook gestoeld op diepe vriendschap en uitgewisselde puurheid. Ik zou die meisjes graag in het echt zien, hen ontmoeten, met hen praten. Vooral de brunette zou ik graag in m’n buurt voelen opduiken. Ik ken een boel Nederlanders, onder wie beleidsmensen, verantwoordelijken en geconnecteerden, en het moet toch mogelijk zijn om via hen uit te vinden wie de brunette uit ‘Streets’ is, en haar vervolgens uit te nodigen hier in Gent, iets te gaan eten in Het Keizershof, daarna naar m’n kleine doch gezellige loftje blablabla, en op m’n Ikea-bank voelde ik veel pijn, angst en verlangen naar de dood. Het is niet anders, het leven heeft het met mij gehad en vice versa. Ik kan naar ‘Streets’ luisteren zoveel ik wil, en brunettes ontmoeten à volonté, en onderwijl sigaretten roken tot m’n longen knarsen, maar door dat alles zal ik niet gered worden. Het enige alternatief voor de dood is de terugkeer naar 1967, toen ik een gastje van 10 jaar was en nog niet bevroedde dat je als man van 57 kunt verlangen naar het niets – hoewel ik, achteraf bekeken, met m’n grootouders voorbeelden genoeg tot m’n beschikking had. Alle vier m’n grootouders waren het tegenovergestelde van levensgenieters. Ze waren aan de drank, ze zaten vol demonen, ze overwogen zelfmoord, ze waren gevuld met woede, haat en diepe, diepe tristesse. M’n vader had het ook, maar minder, en m’n moeder had het ook, en zij verbeet het en probeerde de negativiteit te vervangen door zorg, liefde en hoop. Zij stierf jong. Als iedereen mij achterlaat, wat iedere dag gebeurt, dan zie ik m’n moeder voor mij in 1967, in de zomer van dat jaar. M’n moeder draagt haar bloemetjesjurk, en ze glimlacht, en haar hart en haar ziel schrijnen, maar ze blijft glimlachen. Mama, bedankt dat je glimlacht, en bedankt dat de zon schijnt, en bedankt dat alles goed is. Maar alles was níét goed, en gelukkig had ik nog niet de kracht om dat onder ogen te zien. Eigenlijk word ik door het terugverlangen naar 1967 nog meer bezwaard dan door wat dan ook. Het blijft hier ondanks alles de opklimmende, vermaledijde 21ste eeuw, en straks ben ik 60, en zit ik nog steeds op de Ikea-bank, en verschijnt er geen enkele brunette uit een Hollandse clip in m’n buurt. Ik maak mee hoe de uren zichzelf opstapelen, en wat is hier in godsnaam aan de hand? Ik heb de neiging om naar buiten te gaan, maar de junikilte heerst, en allicht is nergens een ander wezen van vlees en bloed te bespeuren, tenzij misschien een boze rat, die de oevers van de Leie beu is, en maar eens de stad probeert, misschien valt daar wel wat te knabbelen, aan de pezen en spieren van een door de duisternis lopende eenzaat, een man tegen wie iemand van wie hij hield, laatst zei: ‘Ik vind het niet leuk dat je mij aanraakt.’ Dat zei ze op het Veerleplein, onder de open zon, en dat ze het zei lachte ik weg, grapjes van ex-geliefden onder elkaar, weet je wel, maar ik vond het níét grappig, natuurlijk niet, het kwetste mij, en ik zei: ‘Je tram is daar.’ Ze stapte op de tram, en zij in de tram en ik op het Veerleplein wuifden nog even vaagweg naar elkaar. Later zit ik, in de nacht van Kensington, op de Ikea-bank, en het is nog maar vier uur, en ik heb voor de rest niet veel omhanden, want ik heb besloten om geen nachtromans meer te schrijven. Ach, iedereen heeft het wel gehad met die nachtromans van mij, het zijn er gewoonweg te veel, en ik wil nu alleen nog maar dichter worden, maar nu nog niet, nog even wachten tot het eerste gedicht zich aanbiedt als een kogel die m’n brein in tweeën splijt. Ik blijf maar luisteren naar ‘Streets’, en het drumwerk is heel goed, en ineens, voor de duizendste keer, wilde ik dat ik een drummer was van een groep, en die groep staat op het podium, en het publiek van een miljoen mensen gebaart bijna ongemerkt naar mij dat het me graag ziet.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234