Het andere Frankrijk (2): 'Een doodskist is hier makkelijker te krijgen dan eten'

Terwijl de grote Franse steden op stelten staan door stakingen en vakbondsacties en het EK met rasse schreden nadert, reist Humo door zeven Franse departementen nabij het Centraal Massief waar la désertification rurale, de verwoestijning van het platteland, heeft toegeslagen. ‘In ons dorp is er amper werkloosheid: elke werkzoekende trekt hier weg.’

'Van de twintig kinderen uit de basisschool is niemand gebleven. C'est triste de venir ici'


Lees ook het eerste deel: Het andere Frankrijk, de leegloop van het platteland »

De mijn van St-Éloy-Les-Mines (departement Puy-de-Dôme) is in 1978 gesloten. De hoofdstraat kreeg een goedkope troost, een sokkel met een heel grote mijnlamp. In de randgemeente Montaigut zijn de huizen zwart beroet. Een oudje komt buiten, een heksje met één tand: ‘Hier is niks meer sinds de mijn gesloten is, c’est une ville morte.’ Het vroegere Hôtel de France is een woonhuis. Met een klap trekt de bewoner het raam open, z’n kaalkop brult door de hele straat dat we moeten stoppen. Wat er dan mis is met het fotograferen van die openbare gevel? Dat het zijn eigendom is, dat is er mis! En als we slaag willen, dan kunnen we die krijgen.



De deur van een boucherie hangt nog overeind met planken en dun glas. De overbuurman zegt dat het nog bewoond is ‘door een gebrekkige die blij is dat hij tussen die schappen kan wonen. Elders is men misschien beschaamd om zo’n vervallen woonst, hier haal je je schouders op, je hebt een dak en vier muren, dat is het enige wat telt’.



In de avond stortregent het. De ruitenwissers snokken door de harde vlagen. De boerderij ligt afgelegen op een heuvel. Na de buiige kou is er de warme eetkamer en de lange tafel. We vertellen Bernard en Christiane Thomas dat we in de laatste 80 kilometer amper vijf auto’s en één tractor zijn gepasseerd, en dat tussen zeven en acht ’s avonds. Bernard beaamt: ‘Als ik ’s avonds terugkom van een vergadering, vraag ik mij soms ook af: waar is iedereen?’



En dat je vooral koeien en bomen ziet bewegen. Menselijke beweging is een rariteit. ‘Een buurman zei het onlangs: toen de wegen nog erbarmelijk en vol putten waren, was er volop verkeer; nu de wegen impeccable zijn, is er niemand meer om erop te rijden.’



Verneugheol heeft een bevolkingsdichtheid van acht inwoners per vierkante kilometer. Bernard Thomas (63) is melkveehouder én de burgemeester ‘van 250 inwoners en 2.000 stuks vee’. Verneugheol is een kerkdorp, maar de dichtstbijzijnde pastoor woont op 36 kilometer en komt eens om de drie maanden een zondagsmis opdragen: ‘Eigenlijk dient de kerk alleen nog voor begrafenissen.’

Bernard is 25 jaar burgemeester. In het begin had hij twee huwelijken per jaar. Nu eentje om de drie jaar. En dit jaar is er één geboorte, maar er zijn al jaren geweest zonder geboorte.


Zonder telefoon

Over de werkgelegenheid in het dorp kan hij kort zijn: ‘François Hollande zegt dat de werkloosheid gedaald is. Ik kan hem gelijk geven. Wij hebben amper werkloosheid omdat elke werkzoekende hier wegtrekt.’ In Verneugheol zijn er vier werkgevers: landbouw, bosbouw, onderwijs en thuiszorg, ‘niet bepaald sectoren die het breed hebben’. Ook de middenstand loopt terug: ‘Toen ik burgemeester werd, had je nog drie cafés, een kruidenier en een tankstation. Dat is intussen allemaal weg.’

Voorlopig zijn er nog twee huisartsen, op tien kilometer. ‘Dat is onze grootste angst,’ zegt Christiane, ‘oud worden en geen dokter hebben.’ Als die artsen wegvallen, is er pas één op 25 kilometer.

'Als ik me verplaats, heb ik drie gsm's bij me. Je komt vaak in een blinde vlek en dan is het uitvissen welke operator daar aanwezig is'

Christiane: ‘Met alles is het behelpen. Zo is er een slechte dekking van de gsm-operatoren. Als ik me in de streek verplaats, heb ik drie gsm’s bij me. Je komt vaak in een blinde vlek en dan is het uitvissen welke operator daar wel aanwezig is.’

Bernard: ‘Als het netwerk in de stad uitvalt, dan haalt het de kranten hoe kwaad, gefrustreerd en ongelukkig iedereen is. Wij zijn geen ‘mindere’ mensen, wij voelen ons ook slecht als we onze kinderen, ouders of vrienden niet kunnen bereiken. Maar blijkbaar tellen wij niet mee. Hier functioneert het netwerk nooit naar behoren. Vandaar dat de vaste telefoon nog een noodzaak is. In 2013 had één van onze gehuchten een telefoonpanne door een blikseminslag. Vijf huishoudens zaten zonder vaste telefoon. Niemand kwam de lijn herstellen. Ik schreef mails naar Orange, ze antwoordden niet eens. Pas na een maand was het in orde. Natuurlijk hebben onze inwoners dan het gevoel dat ze in de steek worden gelaten. Internet is ook zo’n probleem. Alle administratie van de gemeente, alle paperassen als landbouwer moet je online indienen. Maar het internet is hier tergend traag.’

Christiane: ‘Vaak valt het uit of loopt het vast. Dat ronddraaiende strandballetje, dat is hét icoon van het platteland. Rondjes draaien en geen meter vooruit raken.’


Proteststem

Om administratief sterker te staan hebben de meeste dorpen zich verenigd in een intercommunale. Verneugheol zit met elf andere dorpen in zo’n intercommunauté, zo groeperen ze toch 4.000 inwoners, maar het is een voortdurend schrap zetten.

Bernard: ‘Dat is uitputtend, altijd in het defensief zijn en weinig vooruitzichten zien. Dat zorgt voor metaalmoeheid, bij bestuurders en bij bewoners. Nogal wat mensen worden fatalistisch, ze raken gedemotiveerd. Dat maakt het niet gemakkelijk om burgemeester te zijn. Veel van je inwoners zijn bokkig, recalcitrant. Ik zie dat aan het stemgedrag. Op het platteland was er alsnog meer burgerzin: meer mensen gingen stemmen dan in de stad. Dat is gedaan. De helft gaat nog maar stemmen, en vaak brengen ze een proteststem uit: eens ferm uithalen naar het politieke establishment. Zelfs in dit kleine dorp met zo goed als geen criminaliteit haalt het Front National 14 procent van de stemmen.’

Verneugheol telt nog zes verenigingen, waaronder het feestcomité, het oudercomité, de jagersclub en natuurlijk de bejaardenbond. Bernard: ‘Maar toen onze kleinzoon wilde voetballen, moest zijn vader hem 25 kilometer ver brengen voor de trainingen. Eigenlijk is er geen enkele activiteit die de jongeren hier houdt. Jonge mensen voelen zich aangetrokken door de stad. Daar is altijd volk, altijd beweging, daar gebeurt altijd iets. Het platteland is dood in hun ogen. Voor een deel is dat zo. Ik merk dat bij onze gepensioneerden, die weten eigenlijk niet wat te doen. We hebben zelfs een leerkracht die níét met pensioen wil gaan. Hij blijft werken, hij is bang van de verveling in zo’n stil dorp.’

Toch behoudt het platteland nog zijn qualité de vie, zegt Bernard. ‘Er is veel onderlinge hulp en het leven is goedkoper. Je haalt je melk en vlees rechtstreeks bij de boer, je hebt zelf groenten, kippen en een boomgaard, dat houdt het draaglijk. En er zijn geen verlokkingen zoals in de stad. Geen restaurants, cinema’s of luxewinkels. Je kunt dat als een tekort zien, maar eigenlijk is het gezond voor je budget. Je hebt ook nergens parkeerkosten.’


Nieuwkomers

Elk jaar telt Verneugheol nieuwkomers. Sommigen blijven, anderen zijn na een jaar alweer weg. ‘Ze komen uit Lyon, Bordeaux of Parijs en ze komen af op de goedkope huizen. Een Hollands koppel van 55 woont hier al bijna tien jaar. Zij vinden hier álles, zeggen ze, want ze wilden weg van de stad met haar drukte en lawaai. Dat is de paradox. Door het verlies van winkels en diensten vinden mijn oorspronkelijke inwoners dat hun qualité de vie is afgenomen. De nieuwkomers zeggen net het tegendeel: zij vinden dat hún levenskwaliteit is toegenomen. De rust en de natuur zijn voor hen een verademing, en dat ze voor werk en winkels een uur moeten rijden naar Clermont-Ferrand, dat vinden ze nog te doen.’

'Zelfs in dit kleine dorp met zo goed als geen criminaliteit haalt het Front National 14 procent van de stemmen'

We kunnen logeren op de boerderij, de familie heeft chambres d’hôte. Het avondmaal is copieus, de bedden bieden solide nachtrust. Bernard is ’s ochtends vroeg in de stal. Hij sluist de mest weg onder het buizenlicht. Er is alleen het rinkelende kopschudden tussen de ijzeren spijlen, de geur van ammoniak, de gedempte drukte van zo’n grote stal met grote dieren. Hij vertelt over de extreme zomerdroogte in 2015. Van eind juni tot midden september hield een hittegolf aan en viel er nauwelijks regen. Z’n koeien wilden op den duur niet meer uit de stal. ‘Ze weigerden naar de wei te gaan. Ze aten niet meer en gaven geen melk meer. Zes weken lang. Dat zijn zes weken zonder inkomsten, alleen maar uitgaven.’

Als ik naar de toekomst vraag, is die ook geen zegen: ‘Ik run deze boerderij met mijn dochter en schoonzoon, maar onze kleinzoon van 17 neemt het bedrijf niet over. Die gaat studeren en in de stad werken. Dat is de toekomst. Na 150 jaar zal het gedaan zijn met onze boerenfamilie.’

De zwaluwen blijven kriskras boven de koeienlijven vliegen; iets zegt dat zij van géén ophouden weten.


Front National

Bernard sprak over de opkomst van het Front National. Die is opvallend in deze dunbevolkte regio. Bij de regionale verkiezingen in 2010 haalde het FN een score tussen de 5,5 en de 13 procent. Bij de régionales eind 2015 gingen ze fors vooruit. In acht departementen nabij het Centraal Massief haalde het FN tussen de 17,3 en de 31,3 procent en kwam het zo bij de grootste drie partijen. Soms ver(drie)dubbelde de score tegenover 2010: Nièvre (van 13,9 naar 31,36 procent: het FN werd de grootste partij), Creuse (van 6,86 naar 23 procent), Allier (van 9,24 naar 24,65 procent). Blijkbaar ligt daar een bitter reservoir dat Marine Le Pen heeft aangesproken: in haar campagne sprak ze vaak over ‘la désertification des campagnes’ en het gebrek aan openbare dienstverlening.

De opdeling stad-platteland is een oude breuklijn, maar ze komt in alle hevigheid weer opzetten. Hetzelfde gebeurt in de Verenigde Staten, waar populist Donald Trump ook de ‘vergeten burgers’ van de uitgestrekte, rurale binnenlanden weet aan te spreken.

In de hoofdstraat van Bort-les-Orgues treffen we een grote modewinkel, met allang gesloten rolluiken en het aandoenlijke opschrift ‘Aux Dames Françaises’. In dit provincienest heeft een kleermaker ooit fijne Franse snit verkocht. Nu kijken de voorbijgangers tegen spaanderplaten aan. In de jaren 60 had Bort-les-Orgues 5.000 inwoners, nu nog 2.800.

De avond valt boven Riom-ès-Montagnes (departement Cantal). Een wervende naam, maar hij dekt een woordeloos stadje en een Hôtel de la Gare dat geen hotelkamers meer heeft, en ook geen station.

'Elders is men misschien beschaamd om zo'n vervallen woonst, hier haal je je schouders op. Je hebt een dak en vier muren, dat is wat telt' De opgedoekte boucherie van Montaigut


Schoolafstand

De weg leidt door een verlaten landschap en over de Col de la Besseyre. Vlakbij de col ligt Trizac (965 meter). Dat bergdorp met z’n 500 bewoners zien we ’s morgens ontwaken.

Zes uur. De maan schijnt nog op de leien daken, koud water stroomt door de eeuwenoude lavoir, en in de bakkerij brandt licht. De bakkersvrouw laadt warme baguettes in de camionette. Ze zijn de enige bakkerij in de wijde omtrek: ze bedienen vijf grote dorpen waar geen bakker meer is. Elke dag honderd kilometer, zes dagen per week.

Tegen de muur van het gemeentehuis knippert het groene licht van de openbare defibrillator. Hij hangt in veel dorpen, hij is nodig op die plaatsen waar het na een hartfalen lang wachten is op een dokter of een ambulance.

Om halfacht verzamelen de schoolkinderen in het bushokje. Ze moeten naar Mauriac of Riom, slechts twintig minuten met de car scolaire. Het wordt moeilijker als ze naar het hoger middelbaar gaan. In de Cantal zijn er genoeg afgelegen dorpjes zoals Trizac waar het dichtstbijzijnde lycée op één à twee uur rijden ligt. Voor die leeftijd (vanaf 15 jaar) is er geen schoolvervoer, openbaar vervoer ontbreekt, en ouders sturen hun kinderen op internaat om zich de kilometers te besparen. In Frankrijk gaat gemiddeld 8 procent van de lycée-scholieren op internaat; in het landelijke Auvergne (met ook de Cantal) is dat 20 procent. Zo’n internaat is een zware uitgave voor een gezin en sinds de crisis van 2008 gaan sommige ouders toch weer zelf rijden, elke dag tot drie uur schoolpendelen met de auto, in de winter vaak meer.

Nabij Trizac zijn er nog uitgestrekte alpages, bergweiden met berghutten (burons) waar ’s zomers de koeien worden geweid en kaas wordt gemaakt. Louis knipt de verroeste afrastering van de weidepalen. Hij heeft veertig jaar koeien gehoed op de alpage, hij hield ervan. ‘Sommige van die burons staan er al van de 15de eeuw. Maar die traditie is gedaan. Niemand wil nog vier maanden op zo’n berg hokken. Nu rijden ze naar de koeien met een quad.’ De 81-jarige zegt dat Trizac al twee jaar geen dokter meer heeft. De oplossing is simpel, zegt Louis: ‘On peut pas devenir malade.’


SuÏcide

Nog dieper de Cantal in, tot waar de rotsen de wolken raken. In Clavières (220 inwoners) komt een man met een vlechtje naar zijn tuinhek, benieuwd naar de bezoekers. Patrick heeft jaren in Parijs gewoond en is nu terug in zijn geboortedorp. Dat loopt leeg: in de twaalf huizen naast het zijne woont nog één iemand. In zijn jeugd waren er veertig kinderen in het dorp. Nu blijven er amper gezinnen over: ‘Nog hoogstens tien kinderen, het jongste is 11, daarna is er niks meer.’ Gelukkig heeft het dorp nog zijn rondrijdende kruidenier: ‘Hij en hij alleen zorgt ervoor dat dit nog geen spookdorp is.’ Clavières, 5 inwoners per vierkante kilometer.

'Toen de wegen nog erbarmelijk en vol putten waren, was er volop verkeer; nu de wegen impeccable zijn, is er niemand meer om erop te rijden'

Hier, in het departement Haute-Loire nemen land- en bosbouw 80 procent van het grondgebied in en die kwetsbare sectoren bepalen allicht ook de duistere kant van het departement. Binnen de regio Auvergne heeft de Haute-Loire de meeste zelfmoorden: gemiddeld 260 zelfdodingen per jaar, veel mannen: 35,8 op 100.000. In Vlaanderen, waar men ook spreekt van een hoog suïcidecijfer, is de ratio voor mannen: 24,8 op 100.000. De Nièvre, een ander departement van het Centraal Massief, doet het nog slechter: 42,5 zelfmoorden op 100.000 mannen. Een Frans onderzoek (2015) stelde dat het zelfmoordcijfer op het platteland ‘elk jaar hoger is dan in de grootsteden’.

Ook in Vlaanderen is er meer suïcide in de rurale regio’s van West-Vlaanderen. De oorzaken klinken vertrouwd: het isolement op het platteland, de problemen in de landbouw en het feit dat boeren moeilijker over hun problemen praten.

'Na 150 jaar zal het gedaan zijn met onze boerenfamilie' Bernard Thomas


La France profonde

Craponne-sur-Arzon ligt in het laatste licht van de dag. Ooit was het een trekpleister met zijn laatmiddeleeuwse gebouwen, 19de-eeuwse herenhuizen en karakteristieke winkels. Nu lijkt die binnenstad op een abusievelijk achtergelaten filmdecor. De winkels tonen lege etalages, de o is uit ‘Coiffeur’ getuimeld, en vele huizen hebben ‘À vendre’ tegen de afgesloten blinden. De blaffende hond, de torenklok die galmend negen slaat, het gevoel alsof de stadspoorten gesloten zijn, niemand meer op straat. Er is nog één winkelstraat waar een koppel voorbijwandelt. Een kwartier later blijken zij de laatste levende zielen die ik zag, dus zoek ik ze op in het eethuis waar ze zijn binnengestapt. Als ik opper dat het hier tamelijk stil is, knikt de man: ‘U wil zeggen dat het hier dood is.’ Twintig jaar geleden had dat oude stadsdeel nog ‘volop handelaars en onderneminkjes, nu is alles dicht’. In 1996 had Craponne nog 3.000 inwoners, intussen zijn er 1.000 weg. ‘Dit is la France profonde dat veel Fransen nooit zullen bezoeken. Werk is er alleen nog in de landbouw en in de zagerijen. Jongeren van 18 wéten: als we een inkomen willen hebben, moeten we hier weg. Ouders weten dat ook: je hebt kinderen, je brengt ze groot en na hun 18de zie je ze alleen nog in de vakantie en met de feestdagen.’

Het eethuis sluit. Verderop in de straat zou nog een snackbar zijn. Op een vaag verlicht uithangbord lees ik ‘Pommes Frites’, bij nader toezien blijkt het ‘Pompes Funèbres’ te zijn (‘24/24 bereikbaar’). Een doodskist is hier makkelijker te krijgen dan warm eten.


18.000 euro per arts

We slapen in een klein hotel, met ansichtkaarten in een piepende molen. Zo’n passagehotel waar onzichtbare vrachtwagens al om halfzes door de kamer komen gereden. Aan de overweg, waar de slagboomkettingen nog een ijzeren gordijn vormen, komen vrachtwagens met stofwolken over de sporen gerammeld. Vlakbij is er een grote zagerij, de zoete geur van vers zagemeel en een man die planken verstouwt. Hij is van het nabije stadje La-Chaise-Dieu, ‘daar marcheert niks meer, zelfs vaklui in de bouw vinden geen werk’. Zijn zoon is stukadoor, die zoekt al vijf jaar naar werk.

Niet ver daarvandaan ligt Brioude. Ik ken Brioude uit een relaas van de Antwerpse dokter Wim Galle. Na 25 jaar Belgische artsenpraktijk wilde hij ‘de stap zetten naar Frankrijk’. Op een migratiebeurs in Nederland kwam hij in contact met de gemeente Paulhaguet (regio Brioude), die zocht al lang een huisarts. Hij mocht een weekend op prospectie komen: ‘Ik kreeg een rondleiding langs de bestaande medische diensten van de streek, en daarna een ontvangst op het gemeentehuis met zowat een erehaag van burgemeester en raadsleden. Dan op restaurant waar ik echt gesoigneerd ben. Zo gesoigneerd dat ik verlegen was om te zeggen dat ik toch nog een andere regio verkoos, een streek met meer bergen…’ Galle was ook afgeschrikt door het hoge aantal consultaties en de vele wachtdiensten: ‘Het kwam neer op dag en nacht werken.’

Galle ging langs in mei 2015, een jaar later hebben ze in Paulhaguet nog altijd geen vervanger voor hun twee huisartsen, die dit jaar met pensioen gaan. Na le docteur Galle heeft Paulhaguet zelfs ‘niemand meer gezien’. De gemeente heeft nochtans een wervende vierkleurenbrochure naar alle geneeskundefaculteiten in Frankrijk gestuurd, met opsomming van alle faciliteiten én alle recreatie in de buurt (‘Dokters! Kom naar het groene Paulhaguet!’), maar zonder resultaat: ‘We staan met de rug tegen de muur. We zien nog maar één uitweg: een rekruteringsbureau aanspreken, wat heel duur is.’ In april 2015 gaf Le Figaro het voorbeeld van een gemeente die 36.000 euro betaalde aan een rekruterings-bureau, 18.000 euro per gerekruteerde arts. Het bureau zou in Roemenië, Spanje en Portugal zoeken.


Bon vivant

Menat (departement Puy-de-Dôme) ligt op onze weg naar de Creuse. Het heeft een scheefzakkend Restaurant du Progrès en een buurman die mistroostig antwoordt op de vraag hoe het is om hier te wonen. ‘C’est un trou, c’est perdu.’ Herfst en winter zijn hier somber, ‘het is alsof je in een koude gootsteen woont’. Vijf jaar geleden is Maurice hier ‘kleiner komen wonen’ nadat zijn vrouw gestorven was. Je woont in een dorp, zegt hij, maar met straten waar niemand nog wil komen wonen. Hier zijn nog jonge mensen, mét werk zelfs, maar geen één die wil bouwen of renoveren in dat oude dorp, ‘allemaal zoeken ze een terrein daarbuiten, een nieuwe verkaveling waar licht en ruimte is. Kijk naar die hoofdstraat, kijk naar die afbrokkelende huizen. Dat kan de jonge mensen niks schelen, dat mag voor hun part allemaal omvallen en in elkaar stuiken; ook de gemeente onderneemt niks’. Maurice is 76, te oud om nog te verhuizen, ‘ik zit in de val, je suis bloqué, je suis piégé’.

Het is alsof die bitterheid moet worden rechtgezet. Buiten Menat staat een oldtimer minicamion, een Renault Goélette uit 1956 met Bruno Dreux (56) breedlachend aan het stuur.

Hij is niet van Menat, maar van de stad Clermont-Ferrand en hij heeft hier ‘het goede leven’ ontdekt. Hij heeft weinig contact met het dorp, dat zijn geborneerde keikoppen die diep over hun glas gebogen zitten en alleen over jagen en vissen kunnen spreken. ‘Volg mij!’ Hij slingert twee kilometer de heuvels in en stopt bij z’n massief natuurstenen huis. Een theatrale duw tegen de voordeur en die zwaait open: ‘Voilà, messieurs, hier kun je wonen zonder je deur op slot te doen.’ Dat kan natuurlijk niet in de stad, daar is hij gevlucht voor het lawaai, de pollutie en ‘de schadelijke golven van gsm-masten’. Hij werkte in een drukkerij, zwaar werk, en dat heeft hij achter zich gelaten. Nu is hij hier de bon vivant, met ‘vriendinnen, drank en feesten!’

Zijn geld verdient hij als chineur, sjacheraar: hij koopt en verkoopt oude voertuigen, klokken, schilderijen, boeken en meubelen. ‘Ik hou van dingen met een ziel en een karakter. Ik ben anti-IKEA. Zo’n bedrijf verkoopt geen meubelen, dat is alleen maar fast wood.’

We zullen de tafel buitenzetten en een glas drinken. Hij gooit zijn armen wijd open in de zon, ‘Ah, le soleil!’, plukt een jonge netel die hij met smaak verorbert, en dan weer zijn armen breed: ‘Ici, c’est le paradis!’ Daarop moeten we klinken. En zeker begrijpt hij het doel van onze reportage, ‘maar ik ben ook la campagne, ik maak ook deel uit van die vie rurale! Het platteland, dat zijn ook gelukkige mensen die hier hun rust en bestemming hebben gevonden.’

'Bruno Dreux is gevlucht voor het lawaai, de pollutie en 'de schadelijke golven van gsm-masten' in de stad'


Parijs in het dorp

Op weg naar Chamboncard (departement Creuse) is er een gevelgrote reclame voor L’Auberge de la Vallée, te bellen op telefoonnummer N° 52. Zo’n kort nummer, dat moet van voor de oorlog zijn. In de voorbije dagen hebben we ze vaak gezien, die groot geschilderde reclames over de volle zijkant van een huis. Ze bestonden al zeventig jaar toen ze rond 1960 uit de mode raakten. Het is waarachtig erfgoed, de nalatenschap van een aparte handenarbeid. De schilders (les pignonistes!) zijn allicht dood, de auberge is gesloten, maar de verf is uitermate onverwoestbaar, een uitroepteken aan de wand.

In Chambon-sur-Voueize is de stilte er één van zwaluwen en een hoog ronkend vliegtuig. In dit dorp met 930 inwoners zijn veel gesloten winkels. Jean-Claude Butte (67) heeft nog een Zadelmakerij & Stoffeerderij. Vijfentwintig jaar geleden had Chambon nog vijf fabriekjes die werk gaven aan driehonderd mensen; al die bedrijfjes zijn failliet of opgeslorpt, nu rest er nog ééntje.

Een jong stel komt de straat ingewandeld, aan hun kleren te zien zijn ze van de stad en komen ze op vrijdag het weekend doorbrengen bij de ouders. Die intuïtie klopt: Alexia Aubelle en Florent Guignard wonen in Parijs; hij is ondernemer-uitgever, zij is consultant in de sociomedische sector. Alexia is van Chambon. Twintig jaar geleden waren al die gesloten winkels nog open, maar toen begon de neergang. De generatie van haar ouders is nog grotendeels gebleven, maar haar generatie – ze is 30 – is uitgezwermd. Van de twintig kinderen uit de basisschool is er niemand gebleven. Ze geeft toe, ‘c’est triste de venir ici’.

Alexia heeft een fijn boeket, ze lacht timide om het aan vreemden te vertellen, morgen is het hun burgerlijk huwelijk ‘en voor zo’n gelegenheid kom je altijd terug naar je ouders en familie’. In september trouwen ze voor de kerk en is hier het feest. Dan zal het druk zijn, al die Parijse vrienden in dit vereenzaamde dorp. En jazeker dat het wringt, om hier op grote gelegenheden te komen en dan het dorp toch de rug te keren.

Florent denkt aan een toekomst waarin de gemeente huizen opkoopt, renoveert en tegen lage huurprijzen aanbiedt aan jonge gezinnen. ‘Misschien komen hier wel jonge migranten?! Die willen nog de handen uit de mouwen steken en iets opbouwen!’ Alexia heeft meer vertwijfeling: ‘Ik heb hier al zo vaak met al mijn goeie wil gestaan. Dat ik denk, wat kan ik doen? Wat kan ik voor mijn dorp betekenen? En dat is het moeilijke. Als ons dorp als zoveel dorpen bergaf gaat, hoe moet je die val dan keren?!’

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234