Het andere Frankrijk, deel 1: de leegloop van het platteland

Winkels die verdwijnen, dorpen zonder huisarts, een bevolking zonder jonge gezinnen. De Fransen spreken over ‘de verwoestijning’. Humo ging op zoek naar la France profonde. ‘Het enige wat hier nog groeit, is het isolement.’

'De bloemenwinkel is er nog. Die leeft van de verkoop van rouwkransen'

Onze route – 1.400 kilometer – doorkruist het midden van Frankrijk en zeven departementen nabij het Centraal Massief: Yonne, Nièvre, Allier, Puy-de-Dôme, Cantal, Creuse en Haute-Loire. Die departementen vormen Auvergne en een deel van de Bourgogne en Limousin.

[FOTOSPECIAL_36029]

Tonnerre is een Bourgondisch stadje met een keur aan historische gebouwen, maar in de binnenstad is er geen Bourgondisch leven. Om vier uur zijn de straten verlaten. Kinderen komen van school en lopen langs huizen met gesloten luiken, langs rijen van woningen waar geen auto geparkeerd staat. Een koppel duwt een buggy met boodschappen. Goedkope kleren, vermoeide gezichten. Ze komen van de Auchan-supermarkt, anderhalve kilometer buiten Tonnerre. Die Auchan heeft de kleine middenstand pijn gedaan. Er zijn veel gesloten winkels, nu met kamerplanten en knuffeldieren in het uitstalraam. In 200O woonden hier nog 6.000 inwoners, daarvan zijn er geen 4.900 meer over. In de hoofdstraat is er een Grand Café. In elke grootstad zou dit de place to be zijn, met de prachtige grote spiegels en de roodleren zitbanken. Hier ligt dat meubilair losgerukt en stukgehouwen op de tegelvloer. Een man vraagt waarom we dat oude opschrift fotograferen. Omdat we van oude opschriften houden. ‘Ik ben ook oud,’ zegt hij, ‘maar niemand houdt van mij.’ De verbijstering terwijl hij wegstapt. Zeggen voorbijgangers echt zulke peilloze dingen?


Vlaamse artsen

Décize (5.700 inwoners) ziet er druk uit, een nijver stadje aan een brug over de Loire. In 2012-’13 verbleef hier een jonge Vlaamse arts, Deborah De Mey (26). Ze kwam hier door toedoen van de Nederlander Jan van der Lee. Hij rekruteert Vlaamse en Nederlandse (para)medici voor gemeenten in het departement Nièvre die een tekort aan huisartsen en kinesisten hebben. Wie zich vestigt, krijgt gemeentelijke faciliteiten. De Mey ging erop in, ze houdt van ‘de rust op het Franse platteland’. De pas opgeleide arts werd in Décize verwelkomd met een groot artikel in de krant, maar na een jaar was ze weer weg: ‘Ik heb nog altijd een hart voor Frankrijk, maar ik vereenzaamde. Er woonden vooral oudere mensen. De twintigers die er nog verblijven, zijn probleemgevallen, langdurig werkloos of druggebruiker, jonge mensen zonder enig vooruitzicht. Wie vooruit wil in het leven, trekt daar weg. Op den duur voelde ik me sociaal geïsoleerd. In Décize zelf is niks te doen. Veel winkels gingen dicht en voor een muziekles of danscursus moest ik één uur rijden.’



Ze kwam in dorpen zonder huisnummers en was meer dan eens verrast over de slechte behuizing van haar patiënten. Niet dat die bewoners klaagden, ze leken gewend aan die eerder rommelige manier van leven. Ze zag ook nog veel onderlinge hulp: ‘Mijn secretaresse wist altijd een familielid of buurman te vinden om autoloze patiënten naar de consultatie te voeren.’ Voor zwangere vrouwen met weeën was de dichtstbijzijnde kraamkliniek wel één uur rijden.

Ze trof ook ‘een verouderde uitrusting’ aan in ziekenhuizen en dokterskabinetten, en ze had onenigheid met haar bejaarde patiënten, die gewend waren aan artsen die vlot slaapmiddelen en antibiotica voorschrijven (‘Zo conservatief ben ik niet opgeleid’).

'Ik vereenzaamde in dat dorp. Er waren amper jonge mensen. Wie vooruit wilde in het leven, trok daar weg'

Toen de patiënten wisten van haar vertrek, praatten ze haar een schuldgevoel aan. ‘Dat ze naar mij gekomen waren omdat ik jong was; ze gingen ervan uit dat ik lang zou blijven. ‘Gij laat ons in de steek. Iederéén laat ons in de steek!’’ Na haar kwam een jonge Spaanse arts. Die werd volgens de krant ‘overstelpt met patiënten’, want in een nabijgelegen stadje had een Roemeense arts er de brui aan gegeven.

Roemeense artsen, of artsen uit andere Europese crisislanden zoals Spanje en Portugal, zijn geen zeldzaamheid in Frankrijk. In 2012 was 7 procent van de Franse huisartsen een buitenlander, een derde van hen was Roemeen. In de Haute-Loire hoorden we het verhaal van een gemeente die zonder huisdokter dreigde te vallen. Geen enkele Franse arts wilde werken op dat platteland. Vier leden van de gemeenteraad reden het lange eind naar Roemenië. Daar vonden ze een dokter die wilde komen, één jaar gratis huisvesting was beloofd. De arts kwam, en was na een half jaar weer weg, ‘ze voelde zich niet thuis’.

Bij de zoektocht worden soms paardenmiddelen ingezet. In 2010 lanceerde het departement Allier een campagne waarbij met Wanted-posters jonge huisartsen werden gezocht. De premie was niet min. Voor een beginnende geneeskundestudent was er een beurs van 38.000 euro, op voorwaarde dat hij zich na zijn studie in een zone sous-médicalisée zou vestigen, en dat voor minstens zes jaar. Dertien studenten schreven zich in.

'Tonnerre, vier uur 's middags: kinderen gaan naar huis langs huizen met gesloten luiken'


Vlees aan huis

Langs de hoofdstraat van Pontaumur (700 inwoners, departement Puy-de-Dôme) ligt de boucherie-charcuterie van de familie Chazot. Beenderzagen en vleeshaken hebben hun plek tegen de witte faience, naast de opgezette koppen van hert en everzwijn. We moeten gelijk mee aanschuiven aan de minuscule keukentafel, het houten blad met kaas en salami, donker brood en rode wijn, een tableau van Robert Doisneau. De wijn klokt in de glazen, ‘à votre santé, messieurs, en neem zelf het mes, bedien u naar believen’. Zo ontbijten hier vader Raymond (84), zoon Jean-Paul (56) en schoondochter Eliane (51). Een drie-eenheid van arbeidsvreugde en liefde voor de stiel: ‘We hebben alleen maar goed en deugdzaam vlees, we stoppen al onze tijd erin.’

In de week staan ze elke morgen op om halfvijf, zaterdag is de drukste dag, dan beginnen ze om halfvier. Zes dagen per week zijn ze open, en als de klanten hen om vijf uur bezig zien, mogen ze al aankloppen. Eliane zegt: ‘Wij zijn dino’s, gedoemd tot uitsterven. Geen enkele jonge gast wil nog zoveel uren werken. Zo’n familiezaak kan blijven bestaan omdat wij onze uren niet tellen. Eén werkkracht aannemen is voor ons onbetaalbaar, dan moeten we sluiten.’

Om halftien vertrekt Raymond met de camionette. Vijf voormiddagen per week, elke dag 20, 30 kilometer ver omdat er nog amper slagers zijn. Het is een vertrouwd beeld op het Franse platteland. Dagelijks zijn vele honderden camionettes onderweg om kleinere dorpen en gehuchten te bevoorraden met brood, vlees, zuivel en kruidenierswaren.

In de verte schittert het besneeuwde Sancy-massief, 3 kilometer buiten Pontaumur draaien we in een zijweg naar een boerderij. Hij claxonneert drie keer, schudt een emmer vleesafval voor de hond leeg, opent het luik en hangt een kraaknet schort om: ‘Ik maak me graag mooi pour les dames!’ Een stramme boer en boerin komen buiten op platgelopen pantoffels, ze gaan bij de toonbank staan keuren alsof het een echte winkel is. De mussen sjilpen op het erf, de koeien loeien achter dikke muren, tijd loopt hier nog op kalenders en lange dagen.

In 1957 bracht Raymond zijn vlees rond in een ijzeren kist op de achterbank. In 1963 kocht hij een Renault Estafette, zijn eerste camionette, en sindsdien heeft hij er zeven versleten.

Hij spreekt van een flinke terugloop, zijn cliënteel wordt ouder en sterft uit. In hun huizen komen nieuwkomers uit de steden. ‘Die gaan voor alles naar de supermarkt. Dat doet pijn, want mijn prijzen zijn zelfs goedkoper dan de supermarkt, en mijn kwaliteit is beter: ik kies mijn slachtdieren zelf bij de veehouders.’


Rijdende bank

In Bussières staan tien huizen en kraait een haan. De boerin loopt moeizaam met een stok. Bijna al zijn klanten zijn vrouwen van boven de 60. Velen betalen nog met een cheque, een waardepapier dat uit een boekje wordt gescheurd en met trage vingers wordt ingevuld.

'Leven in de stad, dát is pas onhoudbaar: bedelaars, geweld, lawaai, files. En dan ook nog aanslagen!'

In Saint-Avit stopt hij op het marktplein. Hij wijst naar de huizen met de gesloten luiken, ‘dat waren allemaal klanten’, nu hangen er plakkaten ‘À vendre’. Raymond wijst het huis aan van een klant die hij niet kan vergeten. Op zijn claxonneren en deurkloppen werd niet opengedaan, ‘ik zag nochtans een kotelet klaarliggen in de braadpan’. Toen hij de deur openduwde, lag de vrouw op de vloer, het gas van het butaanfornuis was uitgewaaid, ze was gestikt. Die plotse dode maakte een diepe indruk op hem; hij wijst op z’n voorhoofd: ‘J’ai toujours la photo.

We stoppen bij een boerenhuis. De zoon is 50 en woont bij z’n invalide moeder. Hij koopt voor 30 euro vlees en schrijft een cheque van 65 euro, Raymond geeft 35 euro cash terug: ‘De mensen vertrouwen die plastic bankkaarten niet. Ik ben dus ook een rijdende bank.’ En hij neemt brieven mee naar het postkantoor.

Om één uur zijn we terug. Er is veel werk: zondag is de jaarlijkse benefiet voor de brandweer, dat betekent voor 250 personen varkensgebraad met aardappelfeuilleté. Tussendoor is er apéro, Jean-Paul pakt grote glazen en schenkt porto alsof het limonade is. Het leven is goed. We klinken op een weerzien. Bij het buitengaan zegt Eliane: ‘Après nous, c’est fini.’


Extreem landelijk

Aan de rand van een bos eten we stokbrood en plakken paté van het huis. In het hoge gebladerte hoor ik een vreemd krassen. De grote zwarte vogel met de lange snavel is geen kraai, maar een raaf. Het is de vogel van de fabels, de galgen en de verlaten slagvelden. In België is hij uiterst zeldzaam, in het Centraal Massief komt hij tot in de steden.

We rijden langs de grens van de Creuse, één van de dunst bevolkte departementen in Frankrijk. In 2014 is een sociaalgeografische kaart gemaakt met de meest kwetsbare rurale gebieden. Het hele departement Creuse ligt erbinnen, samen met grote delen van Auvergne. De kaart staat in een uitgebreid rapport van Alain Bertrand, PS-senator uit de Lozère. Hij bedacht de term hyper-ruralité of extreme landelijkheid. In doorsnee zijn het gebieden met een bevolkingsdichtheid van 22 inwoners per vierkante kilometer – ter vergelijking: in onze ‘dunbevolkte’ Westhoek wonen 183 inwoners per vierkante kilometer. Het zijn ‘verwoestijnde streken’ (afgeleid van de term désertification rurale) waar de bevolking veroudert, waar de dorpscentra leeglopen en soms verloederen, waar weinig huisartsen of ziekenhuizen zijn, waar de kleine middenstand het moeilijk heeft, waar amper bankautomaten of tankstations zijn, waar weinig of geen openbaar vervoer is, waar internet en gsm’s gebrekkig functioneren, en waar allerlei publieke voorzieningen stilaan worden weggesaneerd of teruggeschroefd. Kortom, ‘het enige wat daar nog groeit, is het isolement’.

Die hyper-ruralité beslaat 26 procent van het Franse grondgebied, maar er woont slechts 5,4 procent van de bevolking of 3,4 miljoen Fransen. Die populatie wordt ongelijk behandeld, zegt Bertrand, ‘wat indruist tegen de republikeinse egalitaire grondwet’. In zijn rapport (2014) vraagt hij dringend bescherming van die kwetsbare hyperrurale gebieden: ‘Nu is de Franse staat urbano-centré: alle middelen gaan naar de grootsteden. Want daar draait de geglobaliseerde economie, daar zijn de grote bedrijven en de grote zakencijfers, daar wonen de meeste mensen, daar kan men het beleid voor grote groepen standaardiseren. Wij liggen hopeloos verspreid, wij worden stilaan sous-citoyens dans un sous-territoire.’

De leegloop op het platteland is al langer aan de gang. Vijftig jaar geleden sprak men al over la diagonale du vide: dunbevolkte departementen die zich uitstrekten van de Belgische grens (nabij Bouillon) tot in het zuidoosten. Dat zuidoosten lijkt zich te herpakken, maar tussen de Franse Ardennen en het zuiden van het Centraal Massief schijnt de leegloop te verergeren: door de crisis, het gebrek aan werk en de malaise in de landbouw. Die malaise treft de hyperrurale gebieden dubbel zo hard, want vaak werkt 30 procent van hun actieve bevolking in de landbouw – in heel Frankrijk ligt het gemiddelde aantal landbouwers onder de 2 procent.

De PS-senator hekelt ook de heilige wet der getallen. ‘Te weinig klanten in het postkantoor: men sluit. Te weinig reizigers op de bus: men schaft af. Te weinig verkeer geteld op de wegen: men snoeit in het onderhoud. Die afbraak van diensten leidt tot een afbraak van het sociale weefsel en tot meer sociale problemen die opvang vergen. Conclusie: door die verwaarlozing wordt niks bespaard. De overheid haalt zich alleen maar grotere kosten op de hals.’


50 huizen te koop

In Saint-Saulge blaast de wind witte bloesem door de uitgestorven straten. Het is stil op dit middaguur, zo stil dat je in de huizen de vorken en messen hoort, de sourdine van de gedekte tafel.

In haast alle dorpen treffen we nog handgeschilderde opschriften: Boucherie. Charcuterie. Boulangerie. Bar Tabac. Epicerie. Opschriften van de jaren 60 en 70, en soms van voor de oorlog, als we de buren mogen geloven. De gevel is vaak nog hun enige reden van bestaan: de boucherie zelf is al lang verdwenen. De deur heeft een dof hangslot, de ramen zijn dichtgespijkerd, gras groeit op de vensterbanken. Zo is het verval, het komt niet langs de deur, maar altijd langs de ramen naar binnen.

De Morvan is een schaars bevolkte streek van Bourgondië. Met heuvels tot 900 meter en met dichte bossen, waar het maquis duizenden verzetsstrijders kon verzamelen in de Tweede Wereldoorlog. De weg leidt door langgerekte, roerloze bossen. Op zo’n nachtelijke baan mis ik de gele koplampen van de Franse wagens. Die bundels en kegels, afstekend tegen de duisternis. Ik heb ze al voor ogen van in 1962. Frankrijk was toen nog een stripverhaal van Michel Vaillant.

’s Morgens duwen we de deur open in de Vival-superette van Brassy. Jean-François runt de zaak samen met zijn twee bejaarde ouders. In 2000 deed hij nog zes dagen per week thuisbezorging met een bestelcamionette, nu nog drie dagen. De laatste tien jaar sterft ook zijn cliënteel uit: ‘Er zijn dorpen waar ik nog maar één klant heb. In die zestien jaar is mijn omzet gehalveerd.’

Lormes (1.300 inwoners) ligt in het noordoosten van de Morvan. Het lijkt een welvarend centrum met enkele moderne winkels. Maar in het centrum wijst een vrouw op de grote zaak met tuingerief en huishoudwaren die uitverkoop houdt (‘gebrek aan klandizie’). Ze ziet het afkalven: ‘Als in een dorp met 1.300 inwoners vijftig huizen te koop staan, dan zegt dat genoeg.’

'Raymond Chazot rijdt vijf dagen per week rond met verse vleeswaren. 'Goedkoper dan de supermarkt, en beter van kwaliteit.''

Het stadje heeft ook een oudere winkelstraat met meerdere lege uitstalramen. Twee zestigers maken een sombere optelsom: ‘Het hotel gaat stoppen, maar vindt geen overnemer. Ook één van de twee beenhouwers stopt, maar zonder opvolging. En de winkel van jacht- en hengelgerief is al langer gesloten.’

Volgens hen is Lormes een slaapdorp geworden. ‘De mensen komen er wonen voor de rust, maar gaan elders werken en winkelen, dat nekt de middenstand. Of ze vertrekken als jong gezin naar de stad, en als ze financieel geslaagd zijn, dan komen ze terug. Maar dan zijn het geen jonge gezinnen meer die een dorp levend houden.’

Een opvallende volhouder is de bloemenwinkel: ‘Zijn omzet realiseert hij niet op feest- en verjaardagen. Hij verdient zijn kost vooral door de vele overlijdens. Dan is het hier de gewoonte om met de buren, het gehucht of het dorp een rouwkrans te kopen. Zo’n krans met een deftig lint, van les amis du village.’


Weg uit Eeklo

Lormes heeft al jaren een Belgische huisarts, Maryse Nuytten (57). Na haar praktijk in Eeklo ging ze in 2000 met haar gezin in Frankrijk wonen. Zes jaar werkte ze in Corsica, ongeveer negen jaar in Lormes.

In Lormes zijn drie huisdokters, ze maken lange dagen en lange afstanden: ‘Mijn patiënten wonen in een straal van 30 kilometer. Op een dag leg ik makkelijk 160 kilometer af.’ Dokter Nuytten houdt van rijden en ze komt graag in al die dorpen, cafés, boerenhuizen en kleine mairies, ‘dat is een wereld die me bevalt’.

Er was een periode dat Lormes slechts twee artsen telde. ‘La catastrophe! dan ben je één op de twee nachten van wacht. Nu zijn we met drie dokters, een hele verbetering, je bent slechts één op de drie nachten van wacht.’ Veel jonge Franse huisartsen zitten echter niet te wachten op zo’n werktempo en zulke lange verplaatsingen, dát platteland schrikt hen af. Terwijl Nuytten een groot voordeel ziet: ‘Wij krijgen een kilometervergoeding van de staat, daarmee kan je je ereloon prima opkrikken. Op sommige dagen verdien ik meer dan in Eeklo, en daar zag ik méér patiënten per dag.’

Niet alleen de huisartsen, ook de jonge specialisten laten het platteland links liggen. Lormes heeft een klein regionaal hospitaal, met vijftien ziekbedden, een revalidatieafdeling en een rusthuis. ‘Daar zijn de meeste jonge artsen van Maghrebijnse afkomst. Waar zijn de jonge Franse specialisten? In de grootsteden!’

Jonge artsen verkiezen de grootstad om de verkeerde redenen, zegt Nuytten: ‘Ze denken: weinig verplaatsingen en veel patiënten, maar door het karige Franse ereloon worden ze gedwongen om te veel patiënten te zien per dag. Slecht voor de patiënt én voor de dokter, zo raak je vlugger in een burn-out.’ Zelfs in het kleine Eeklo zag ze dokters die vijftig consultaties op een dag deden: ‘Dat is geen kwaliteitsgeneeskunde, dat is médicine de merde.’ Dat in veel Franse dorpen Zuid- en Oost-Europese dokters werkzaam zijn, ‘is inderdaad pijnlijk, het geeft onze mensen de indruk dat de Franse artsen het platteland in de steek laten’. In Corsica is het nog erger, daar zitten zelfs stadjes van 5.000 inwoners zonder huisarts.

De huisartsenschaarste doet zich niet alleen voor op het platteland. ‘Ook armere steden worden gemeden. Huisartsen die daar met pensioen gaan, vinden ook geen vervanger meer.’

Een dokter is cruciaal, zegt ze: ‘Als de dokter wegvalt, dan worden de jonge gezinnen ongerust. Ouders met kleine kinderen willen een dokter in de buurt. En dus trekken ze weg. De school ontvolkt. De school wordt gesloten. Daardoor trekken nog meer gezinnen weg, waardoor de winkels sluiten en de bevolking veroudert.’ Zo liggen de dominostenen van de leegloop.

Ik vraag dokter Nuytten of ze veel armoede ziet op het platteland. ‘Armoede? Dat is blablabla van de media! De echte armoede, die zie je in de steden. Hier hebben de mensen nog een moestuin en valt er goed te leven. Hier is ook nog een gemeenschapsgevoel met veel onderlinge hulp.’

Dat het Front National in korte tijd veld wint op het platteland, komt dat niet door de verwaarlozing? Het FN wint overal, zegt ze, ook in de steden.

Ik toon Le Figaro, met een grote reportage over die extreem landelijke departementen: ‘Voyage dans la France désertée’. Ze wuift het artikel weg: ‘Dat is propaganda. Dat zijn burgemeesters die in Parijs gaan klagen in de hoop meer subsidies los te weken.’

Er valt een ongemakkelijke stilte. Ik denk dat ze ons ziet als te veel beïnvloed door Het Negatieve Verhaal, waardoor zij zich schrap zet en ultrapositivo wordt. Isolement bij de boeren? ‘Bwoh, dat zijn enkelingen, en hoeveel mensen zijn er niet eenzaam in de stad?!’ Toegenomen zelfmoorden bij de boeren? ‘Dat cijfer gaat omhoog en weer omlaag. Waarom zou je dat koppelen aan een malaise op het land?! Dat is onzin, een zelfmoord is persoonlijk.’ En dat we maar eens navraag moeten doen in Louvain-la-Neuve, hoeveel zelfmoorden daar zijn bij de studenten en hoogopgeleiden!

Altijd weer dat zeuren en klagen, zegt ze. Diezelfde opmerking hoorde ik ook al in de steden. Daar vindt men dat die ‘plattelanders’ te veel aan gezeur en zelfbeklag doen. Men spreekt zelfs smalend van la campagne pleureuse, het huilerige platteland. Nuytten zit op dezelfde lijn: ‘Mensen die klagen, willen soms niet zien dat hier une qualité de vie is.’ Gisteren sprak ze nog een Hollandse, zij vindt het hier ‘het paradijs’! Ook zijzelf en haar man zijn ‘heel gelukkig’.

Ik vertel van de jonge dokter in Décize die zich geïsoleerd voelde en weer vertrok. Dat kan, zegt ze, het is alleszins moeilijker als je hier alleen komt en niet met een gezin. ‘Maar het ligt ook aan jezelf. Op het platteland mag je niet opzien tegen afstanden. De stad bougeert van zichzelf. Maar hier op de buiten moet jij bougeren. Je moet inspanningen leveren om een netwerk op te bouwen. Als je ergens heen rijdt, moet je aan buren en kennissen vragen of ze niet meerijden. En als zij ergens heen gaan, zullen ze jou ook vragen. Zo bouw je een netwerk op. Maar je moet uit je pijp komen. Niks wordt je in de schoot geworpen.’


Leegloop van de stad

Vindt zij het dan niet lastig dat een man met een hoogzwangere vrouw een uur moet rijden naar de dichtstbijzijnde kraamkliniek? Och, zegt ze, een vrouw bevalt zelden in dat eerste uur. Dan zal ik nu maar de hoofdredactie bellen, zeg ik, blijkbaar zijn hier amper problemen. Daar moet ze om lachen, maar ik moet één ding wel goed onthouden: ‘Focus zo niet op dat platteland. Leven in de stad, dat is pas vreselijk.’ Ze heeft drie jaar in het centrum van Lyon gewoond: ‘Een half miljoen inwoners, verschrikkelijk! Bedelaars, daklozen. Familiaal geweld. Vechten en gillen op straat. Drukte. Lawaai. Verkeersagressie. En dan nog veel huur moeten betalen voor een appartementje van niks. Dat noem ik la désertification. Dat noem ik een onhoudbare toestand.’

'Tonnerre is een Bourgondisch stadje met een keur aan historische gebouwen, maar in de binnenstad is er geen Bourgondisch leven'


Ze was ook een jaar dokter in Saint-Quentin, Noord-Frankrijk, 55.000 inwoners. ‘Daar had ik een chauffeur die ook bodyguard was, anders kon je je ’s nachts niet in die wijken met de hoge betonblokken wagen.’ En zelfs in zo’n kleine stad zat ze heel vaak in de file, ‘een merde, een vreselijk tijdverlies!’

Ze zag in België ook hoe stadsmensen in het weekend naar de kust willen: ‘Staan ze daar opnieuw in de file!’ Ze zegt het haast triomfantelijk. Zij wil in elk geval niet meer terug naar dat hectische België, dat is een te stedelijke samenleving geworden.

‘En trouwens! Veel jonge mensen komen terug van het idee dat de stad een hogere qualité de vie heeft. In de grootsteden is het duur wonen, is het dicht opeengepakt leven, zijn er ook bedrijven die sluiten, en zijn pendelaars evengoed een uur onderweg naar hun werk. En dan heb je nog de aanslagen. Hoeveel mensen zijn niet bang om de straat op te gaan?!’

Dat is haar diagnose: het platteland is gezond, de stad is ziek. ‘De vele goedkope huizen hier, dat gaat de mensen weer naar het platteland brengen. Sinds oktober moeten we niet meer met een modem inbellen om op het internet te kunnen. Lormes is één van de pilootgemeentes met snel internet (ADSL). Dat zal de jonge hoogopgeleide gezinnen naar hier brengen. Dan kunnen ze thuiswerken en tegelijk van de rust van het platteland profiteren.’ En dan komt de ommekeer: ‘Gedaan met de leegloop van het platteland. Dan begint de leegloop van de stad!’

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234