Het gevangenisleven zoals het is: lees het dagboek van Filip Meert

Pedofielen, moordenaars, junkies, hufterige cipiers, de isoleercel… Voor Filip Meert hebben ze geen geheimen meer. De Antwerpse ondernemer werd in 2001 veroordeeld voor btw-fraude en zat vier jaar in de gevangenis. Voor Humo hield hij een dagboek bij van zijn hereniging met de schimmelige binnenkant van de Antwerpse Begijnenstraat.

'Op de vloer van de douches ligt een laag van schuim en schaamhaar, de muren hangen vol snot en sperma'


12 oktober, 15 uur

Fuck the system

De wachtkamer in de Begijnenstraat is een voorbereiding voor de verveling die me te wachten staat. Twee betonnen banken, vastgenageld aan de grond, meer is er niet. Een uur zit ik al naar het plafond te staren. De bekladde muren vol haatslogans zijn de enige prikkels voor mijn vertragende brein. Ik sta op en lees ze: ‘All cops are bastards’, ‘Fuck the system’ – opnieuw en opnieuw.

Zes maanden heb ik gekregen. In dit land sta je dan na een maand weer buiten. Het is niets, in vergelijking met de 45 maanden die ze me vijftien jaar geleden hebben laten uitzitten, voor mijn onbestaande aandeel in een btw-carrousel met gsm’s.

De voorbije dagen hebben velen me gevraagd of ik niet bang ben om weer tussen de griezels te gaan zitten. Maar ik weet dat ik me kan afsluiten in de gevangenis, ik ken de routine. En ik ben twee meter. Waarom zou ik bang zijn?


12 oktober, 17 uur

Ballen als mandarijnen

Voor je op cel mag, moet je door ‘het bad’. Ik kleed me uit, geef mijn kleren af en douch me achter een gordijn. De cipier checkt mijn voetzolen. Sommigen worden met handschoentjes onderzocht tot aan hun prostaat, maar deze mens weet waarschijnlijk dat ik niks met drugs te maken heb. De gevangeniskleren zijn nog altijd een klucht. Niks is op maat. De katoenen broek komt tot net onder mijn knieën. Op de rug van mijn hemd loopt een naad die een eerdere scheur camoufleert. Mijn sokken, schoenen en onderbroek mag ik aanhouden. Dat is nieuw. Ik weet nog dat ik hier de vorige keer een losse boxershort kreeg waar je met zes man in kon. Mijn ballen hingen eruit als mandarijnen in een netje. In Merksplas kreeg ik onderbroeken waar de sporen van de vorige nog in te zien waren. Dat is gelukkig voorbij.


12 oktober, 19 uur

Alleen in de cel

Onverwachte meevaller: ik zit voorlopig alleen in de cel. Als ik mijn armen spreid, raak ik beide muren aan.

Met twee op elkaar gepakt leven, op een kamer van twee meter bij vier, is een merde. Ik herinner me jaren geleden nog mijn eerste avond hier. De deur die achter me dichtviel, de wetenschap dat ik niet meer weg kon, het kneep m’n keel dicht. Daar zat ik, opgescheept met een Chinees die geen woord Engels sprak. Vlak voor elk middagmaal deed hij een grote boodschap, die rook alsof hij dode hond had gegeten. In die stank moest ik dan eten. Als ik er iets van zei, lachte hij alleen maar: ‘Yes, yes.’ Er zijn gedetineerden die liever niet alleen zitten, voor het sociale contact, maar ik wil geen zever over het kaske van de tv. De ene wil slapen, de andere wil porno kijken. En als er bij een celcontrole drugs worden gevonden, word je allebei gestraft.


12 oktober, 21 uur

Autospiegel

De vloer van mijn cel is proper, maar de afbladderende muren zijn even lelijk als vroeger. Ze hangen vol graffiti, kauwgom, schimmelplekken en tandpasta, de lijm van de gevangenis. In ‘De afspraak’ zie ik mezelf opnieuw de gevangenis binnengaan, begeleid door camera’s.

Een maand de bak in voor een kapot autospiegeltje, kan het absurder? De man die me op de A12 van mijn Vespa probeerde te rammen, werd niks ten laste gelegd. Het is de logica van justitie. Natuurlijk was het stom om zijn autospiegel eraf te slaan, maar sinds mijn eerste kennismaking met de gevangenis heb ik een kort lontje en reageer ik slecht als me onrecht wordt aangedaan. Minnelijke schikking, werkstraf, enkelband, ik heb het allemaal geweigerd. Ik aanvaard geen gunsten van een rot systeem dat de realiteit aanpast aan het buikgevoel van speurders en rechters.

Mijn zaak in het kort? Ik ben indertijd veroordeeld op basis van één vooringenomen verhoor, en een valse verklaring van een getuige die later door de mand viel. Het was een voorbeeldproces. Het Antwerpse gerecht stond, na enkele missers, onder druk om te bewijzen dat het fraudezaken wél kordaat kon aanpakken. Met 26 mensen zaten we in de beklaagdenbank. Dat daar een onschuldige bij kon zijn, interesseerde niemand. Politie en gerecht hebben me nooit een eerlijke kans gegeven. Ze hebben het onderzoek doelbewust gemanipuleerd om me erbij te lappen. Al vijftien jaar vecht ik voor de herziening van mijn zaak, maar die komt telkens terecht bij het Antwerpse Hof van Beroep, dat me eerder heeft veroordeeld. En daar wil men de eigen beerput niet opentrekken. De Antwerpse advocaat-generaal Flor De Mond heeft het me ooit letterlijk gezegd: ‘Jij kunt niks doen, de zaak komt toch altijd terug naar ons, tot je het beu wordt.’

Daarom ben ik in oorlog met justitie. Die strijd heeft me nu opnieuw in de gevangenis gebracht. Ik laat er mijn lief (ex-Miss België Alizée Poulicek, red.) voor achter, haar zoontje Raphael en onze baby Max. Het valt me zwaar, maar ik heb geen keuze. De staat wil nog altijd 16 miljoen euro van me, de intresten lopen elke dag op. Door die schadeclaim heb ik levenslang gekregen. We kunnen niet samenwonen, ik kan geen zaak opstarten, geen toekomst opbouwen. Het moet ophouden. Er moet een onafhankelijke herzieningscommissie komen, die gerechtelijke dwalingen kan rechtzetten, net zoals die in onze buurlanden bestaat. Ook de Hoge Raad voor Justitie is daar voor. Minister van Justitie Koen Geens aarzelt, omdat de magistratuur zich verzet. Met mijn actie wil ik druk zetten. Het is een offer voor de goede zaak. Ze hebben me indertijd kapotgemaakt, maar ik ben geen autospiegel: ik sla terug.


13 oktober, 6.30 uur

Lichtflits

Om zes uur zwaait de deur open. ‘Goeiemorgen,’ roept een stem. Ik heb slecht geslapen. De eerste dagen willen ze nagaan of ik geen zelfmoordneigingen heb. Elk kwartier floept het licht aan en komt er iemand controleren of ik nog leef. Vannacht werd ik er gek van. Elke keer als ik was ingedommeld, werd ik door die lichtflits weer uit mijn slaap gerukt. Mijn bloed kookte, maar ik probeerde kalm te blijven. De adrenaline zou mijn nachtrust nog meer verstoren. Ik heb mezelf geblinddoekt met een handdoek en heb zo toch nog wat kunnen slapen.


13 oktober, 11 uur

Bij de directrice

Zoals elke nieuwkomer krijg ik een onderhoud met de directrice. Dit is mijn moment. Ik wil tonen dat ik niet ben gekomen om in mijn cel te liggen janken. Ze doet alsof ze niet weet waarvoor ik hier ben en wijst me kordaat een stoel aan. Ze wil laten zien wie de baas is. ‘U moet zes maanden doen, na één maand kan u vertrekken, zijn er nog vragen?’ Ja, die zijn er. Ik wil weten of ik alleen in mijn cel zal kunnen blijven. ‘Dat kan ik niet garanderen, maar u moet zich in elk geval aan de regels houden,’ zegt ze. Ik antwoord dat ik dat zal doen, maar dat ik dat dan ook van haar verwacht. De cellen in de Begijnenstraat zijn volgens de internationale regels te klein om er meer dan één mens in te steken. Als ze me dat lapt, dient mijn advocaat onmiddellijk een klacht in tegen minister Geens. Ze lacht nerveus. ‘Oei, oei.’ Pers en commotie, daar heeft elke gevangenisdirecteur een bloedhekel aan. ‘Hier zit een venster voor u,’ zeg ik. ‘Een spiegel naar de buitenwereld. De pers wil graag weten wat er met mij gebeurt. En als dit gesprek te snel gaat voor u, laat ik de weergave ervan straks wel even mailen. Puntjes op de i voor mij? Geen probleem, maar dan ook voor justitie.’


13 oktober, 14 uur

Geen water

Ik krijg geen drinkwater en dat werkt op mijn systeem. Bij het binnenkomen heeft een cipier me stiekem een fles gegeven, uit sympathie. Zonder hem zat ik nu al 24 uur zonder water. Zijn collega’s doen moeilijk. Gisteren hebben ze gezegd dat ik maar uit mijn lavabo moet drinken, maar dat kraantjeswater is smerig. Het smaakt naar de verroeste metalen buizen uit 1855, waar het doorheen stroomt. En in de mini-lavabo hebben honderden voorgangers gepist.

'Niemand verlaat de gevangenis als een beter mens' Met vriendin Alizée Poulicek

Ik duw op de bel en zeg tegen de cipier dat ik geen beest ben dat uit een zeikbak drinkt. Ik wil nú een fles water. Hij murmelt dat ik die morgen in de kantine kan bestellen. Dan heb ik ze volgende week! Ik laat de vleugelchef erbij roepen. Een nog grotere klootzak, zo blijkt. ‘Ik heb geen tijd voor een lul,’ snauwt hij. Excuseer? Ik doe een stap naar voren en ga neus aan neus met hem staan. ’t Is te zeggen, hij moet een flink eind naar boven kijken. ‘Hoe noemt u mij?’ Hij zegt dat hij ge-lul heeft gezegd en vraagt of ik stront in mijn oren heb. Na een fikse scheldpartij gebaar ik dat hij mijn cel uit moet. En dan begaat hij een blunder. ‘U hoort het, collega’s, als meneer Meert nog eens op zijn bel drukt, gaan we allemaal voor hem springen.’ Onversneden sarcasme, maar ook een voorbeeld van mentale foltering. Bij een brand zit ik in de rats als cipiers niet meer reageren op mijn bel. Ik dien een rapportbriefje in bij de directie. De volgende dag ontvangt de directrice me opnieuw. Ik leg haar uit dat de chef zich bezondigt aan psychologische spelletjes, en dat dat verboden is. Ze geeft toe dat dat niet kan. Ik zal hem niet meer te zien krijgen.


13 oktober, 18 uur

Zelfmoord in de cel

Tijdens de wandeling val ik snel terug in mijn gewoonte van vroeger: twee rondjes lopen en fitnessoefeningen. Ik herken oude bekenden. Sommige gedetineerden doen gouden zaken. Alles wordt geregeld in de bak: drugs, gsm’s en – gelukkig voor mij – ook drinkwater. Voor sommigen hier ben ik een held, omdat ik het systeem aanval. Ze komen hun dossier uitleggen en hulp vragen. Maar wat kan ik meer voor hen doen dan zorgen dat die herzieningscommissie er komt?

Ik krijg ook nieuws te horen dat de media niet heeft gehaald: een jongen van 23 heeft onlangs zelfmoord gepleegd in zijn cel. En ook de stalker van Bart De Wever zou zich van kant hebben gemaakt. Is dat de bedoeling van ons gevangenissysteem, mensen tot wanhoop drijven tot ze het opgeven? Een deel van de publieke opinie wil dat gevangenen afzien als beesten. Die mensen moeten beseffen dat de bak niet vol zit met verkrachters en moordenaars. Ik zie vooral schrijnende gevallen, mensen die fouten hebben begaan omdat ze verslaafd of straatarm zijn. Sommigen rillen van de afkick. Begeleid hen toch. Laat bijna-alfabeten een taal leren. En zet drugsdealers niet bij drugsverslaafden in de cel. Een drugsvrije vleugel voor mensen die willen afkicken, zó moeilijk kan dat toch niet zijn?


14 oktober, 21 uur

Homo, homo!

Om acht uur ’s avonds gaan de deuren op slot. Als de cipiers één cel weer openen, wordt de hele gevangenis ontgrendeld en dat mag alleen als ze met zes bewakers zijn. De consequentie is: als iemand ’s nachts zijn polsen doorsnijdt, ligt hij dood te bloeden zonder dat er iemand komt helpen. Elke nacht is er wel iemand bij wie de stoppen doorslaan. Junkies die flippen en op de deur beginnen te kloppen. Mannen die ruzie krijgen. Of een paniekaanval. De eerste keer was dat angstaanjagend, nu hoor ik het nog amper. Op mijn vleugel zit iemand die elke avond ‘homo, homo!’ roept als de cipier hem goedenavond wenst en zijn deur vergrendelt. Het is een lichtpuntje in mijn dag. Tegen achten zet ik er zelfs mijn tv voor stiller. Zo vaak valt er hier niet te lachen.

In Merksplas werd je binnenstebuiten geklopt als je een cipier uitschold. Dan stormden ze met z’n vijven je cel binnen. Twee cipiers zochten me voortdurend. Tijdens celcontroles lazen ze mijn brieven en goten ze het zoutvat leeg. Na een ongestoord bezoek hielden ze me tegen voor een drugsonderzoek. Ik moest me uitkleden, op mijn knieën hurken en naakt rondhuppelen als een konijn, terwijl zij me stonden uit te lachen. Ik kon niet anders dan gehoorzamen, anders pakten ze mijn privileges af. Na een woordenwisseling met één van hen, vloog ik voor acht dagen in het cachot: een kleine cel zonder ramen waar de stront aan de muren plakte. Er was geen tv, geen toilet, geen spiegel, geen mogelijkheid tot bezoek. Overdag mocht ik niet op het bed liggen, alleen rechtstaan of op een stoel zitten. Kakken moest op een emmer. Het was putje winter en berekoud. Eén keer per dag, om zes uur ’s morgens, mocht ik even buiten op een kleine koer. Acht dagen heb ik geen licht gezien. Het was de dood.

De cel ernaast was ook een cachot. Bij het binnenkomen hoorde ik daar iemand zingen. In het begin vond ik dat irritant. Maar na twee dagen was ik zelf aan het zingen. Je moet íéts doen, anders word je gek. Ik wou niet gekraakt buitenkomen. Dat was het moment waarop ik ben beginnen te háten. Als 90 procent van mijn lichaam uit water bestaat, dan is die andere 10 procent pure haat die zich voor altijd heeft vastgezet. Ik hoop dat ik die twee klootzakken buiten nooit tegenkom, anders loopt het fout af.

Een ex-celgenoot heeft één van hen eens teruggepakt. Na elk bezoek plukten ze hem eruit voor een naaktfouille. Dan moest hij zijn onderbroek afgeven, zodat ze konden nagaan of er drugs in zaten. Hij was dat beu. Tijdens het bezoek zei hij tegen zijn vriendin dat ze hem onder tafel moest doen klaarkomen. Met een volgekwakte onderbroek keerde hij terug. Bij de naaktfouille duwde hij ze met die binnenkant vol sperma in de hand van de cipier. Daar hebben we wéken plezier van gehad.

Gelukkig is de mentaliteit hier anders. De meeste cipiers zijn vriendelijk. Als ze beloven om iets te doen, dóén ze het ook. In Merksplas probeerden ze me constant te kraken met valse beloftes.


16 oktober, 9 uur

Ontmenselijking

Niemand verlaat de gevangenis als een beter mens. Elke dag is het vechten tegen de fysieke en geestelijke aftakeling. Het is krankzinnig wat er hier aan pillen wordt geslikt, vooral antidepressiva en pijnstillers. De kar met medicatie is groter dan die met eten.

Op de psychologische dienst zeggen ze twee dingen: verzorg je hygiëne en onderhoud je contacten met de buitenwereld. In de praktijk krijg je één hemd per week en mag je maar drie keer per week douchen. Als je op vrijdag aan de beurt was, moet je wachten tot maandag. De douches zijn smeriger dan een festivaltoilet. Op de vloer ligt een permanente laag van schuim en (schaam)haar, de muren hangen vol snot en sperma. Er wordt tegen de sterren op gerukt. Verzorg je hy-giëne? We worden hier ontmenselijkt.

Die contacten met de buitenwereld zijn ook niet evident. Bellen kost een fortuin, en naast je familie mag je maar drie vrienden op de bezoekerslijst zetten. Zij moeten speciaal naar de gevangenis komen om een bezoek vast te leggen. Alizée is de moeder van mijn zoon, maar wordt niet beschouwd als familie. Ik heb dus maar twee vrienden op de lijst kunnen zetten. Hoe kan ik dan mijn sociale contacten onderhouden?


17 oktober, 19 uur

Pedo’s

Het nieuws maakt me razend: twee tieners hebben een Vlaamse internetpedofiel ontmaskerd. Hij is aangehouden en op dezelfde dag weer vrijgelaten. Nu blijkt dat hij dezelfde dag nog nieuwe feiten heeft gepleegd. Voor hem was er geen plaats in de gevangenis, voor mij wel. Hallucinant.

In Brugge hebben ze me ooit op de gang van de pedo’s gestoken, om me te doen bekennen. Daar heb ik gezien dat een pedofiel nooit verandert. In de maatschappij doen ze zich voor als deftige mensen, maar zet ze bij elkaar en je hoort de goorste dingen. Als ze mosselen krijgen, grappen ze tegen elkaar over de geslachtsorganen van kinderen, en op zondagochtend kijken ze met het kwijl in de mond naar de kinderprogramma’s. Walgelijk.


18 oktober, 15 uur

Eerste bezoek

Ik krijg mijn eerste bezoeker na een week. Sneller ging niet, want bezoek moet vooraf aangevraagd worden. Alizée heeft Max meegebracht. Het doet deugd om hen nog eens te kunnen vastpakken. In de cel probeer ik zo weinig mogelijk aan hen te denken. Reclame voor pampers zap ik weg. Ik wil niks zien dat me sentimenteel maakt. Zo houd ik het schuldgevoel weg. Laat ik hen in de steek? Nee, ik doe dit ook voor hun toekomst, zodat we samen onder hetzelfde dak kunnen wonen en de kinderen later iets kunnen erven. Aan Raphael hebben we verteld dat ik in een kasteel met bewakers moet werken. Als hij de volgende keer mee op bezoek komt, is hij een ridder die de heksen moet verjagen. Volgens Alizée is hij mee met dat verhaal.

'Een drugsvrije vleugel voor mensen die willen afkicken, zó moeilijk kan dat toch niet zijn?'


19 oktober, 11 uur

Ben Crabbé

Eten betekent afleiding. Ik kijk uit naar elke maaltijd, ook al is het troep. ’s Morgens om halfzeven: boterhammen met confituur uit kleine potjes – de kleur verschilt, de smaak is altijd dezelfde. Na dat ontbijt kruip ik terug in bed, in de hoop dat ik nog wat kan slapen. Als je slaapt, ben je buiten. Daarna kijk ik naar de heruitzending van de journaals en ‘Terzake’. Om tien uur: soepbedeling, mijn belangrijkste maaltijd van de dag, wegens lekker en gezond. Ik wil hier niet vet worden. Het warme middagmaal is een pak minder. Ik heb al drie keer zuur vlees laten liggen. Eén beet en mijn instinct zei: blijf eraf, hier sterf je van.

Halféén: ‘Blokken’, populair in elke cel. Ben Crabbé hoorde vijftien jaar geleden al bij mijn gevangenisroutine. Zaterdag is een dag van opperste verwarring, omdat er dan geen Ben Crabbé is. Na het middagnieuws probeer ik opnieuw te slapen. In de late namiddag bel ik naar Alizée of mijn vader. Daarna hebben we wandeling en kruip ik in bed.


20 oktober, 14 uur

Routine

‘Dagen passeren hier als traag achter elkaar rijdende zwarte limousines. Mijn leven, emoties en ervaringen zijn getrechterd in routine. Ik haat die routine, omdat ze een schaduw heeft gemaakt van wie ik eigenlijk was, een lauw afkooksel van mijn vroegere ‘ik’. Maar routine helpt me ook te vergeten dat ik besta, en dat is hier een kunst op zich. Zo kun je later alles minimaliseren tot een hersenspinsel.’ Ik schreef dit ooit in Merksplas, vandaag voel ik me exact hetzelfde.


21 oktober, 22 uur

Junkies

Ik heb nergens zin in, zelfs de tv verdraag ik niet. Ik staar naar het plafond en vraag me af of dit het moment is waarop een junkie zijn arm afbindt en het bruine gif in zijn aderen schiet, om de verveling te verjagen. Ik leef hier tussen de junkies. Zombies zijn het, met rotte tanden en ingevallen kaken. Soms vriendelijk, soms agressief, maar altijd bedelend en op zoek naar drugs, als hyena’s die een prooi afkluiven. Na een succesvolle vangst verdwijnen ze voor een paar dagen in hun grot om dan lijkbleek en fel vermagerd terug te keren. Af en toe wordt er eentje naar buiten gedragen na een overdosis, of met overgesneden polsen. Maar niemand doet er wat aan. Er wordt gesmokkeld bij het leven. Een joint is gemakkelijker te krijgen dan een sneetje kaas. Drugs worden gedoogd om gevangenen kalm te houden. Wie iets anders beweert, liegt.


22 oktober, 5 uur

Stilte

De stilte zet je meer gevangen dan de vergrendelde deur. Ze zuigt alles op. Ze vult mijn hele cel en beneemt me de adem. Ik lig in een doodskist van verveling, eenzaamheid en verdwaalde gedachten. Het totale niets. Is er leven na de dood? Velen achter deze muren moeten hopen van wel, hoe houden ze dit anders vol? Maar hopen is hier vooral wanhopen: 23 uur per dag vechten tegen gedachten die als een wilde horzel door je hoofd zoemen. Wat doe ik hier?


23 oktober, 16 uur

Verveling

Mijn telefoons naar het thuisfront worden langer. Alizée is een belangrijke werkopdracht misgelopen. Heeft het te maken met het feit dat ik in de gevangenis zit? Ik wil niet dat zij daardoor haar job verliest. Mijn vader zegt dat ze het niet gemakkelijk heeft. Maar wat kan ik doen? Twintig uur per dag op bed liggen en films kijken. Mijn machteloosheid groeit. Ik weet dat ik rustig moet blijven, dat ik mezelf niet mag opfokken. Maar ik heb te veel energie om constant binnen te zitten, in dit stinkende hol. Mijn koelkast is een stort. Het deken op mijn bed is in geen honderdvijftig jaar gewassen. Als ik de waterkoker aanzet, wordt het plafond vochtig en druipt de nicotine gewoon naar beneden. En nóg ruik ik mijn eigen stank, ik ben vies van mezelf.


24 oktober, 15 uur

Tweede bezoek

Het tweede bezoek van Alizée bezorgt me nog meer stress. Ze heeft Max en Raphael bij zich. Ik excuseer me omdat ik zo stink, mijn laatste douche was drie dagen geleden. Ze lacht en knikt. Ik verdeel mijn aandacht over de kinderen en probeer Raphael te entertainen, zodat hij niet beseft wat er gaande is. Hij moet blijven geloven dat hij en ik ridders in een kasteel zijn. Een goed gesprek met Alizée lukt daardoor niet. Ik zie haar lijden. Bij het afscheid huilt ze. In de lange gang zie ik haar sukkelen met de maxicosi, terwijl ze Raphael aan haar hand meetrekt. Hij wil teruglopen. Ik zwaai naar hem. Hij blijft maar roepen: ‘Papa! Papa!’ Ik lach als een clown, maar vanbinnen huil ik. Terug in m’n cel vraag ik de chef of ik mag bellen, omdat ik voel dat Alizée aan het breken is. De telefoon op onze vleugel is kapot. Fuck!!! Twee uur later kan ik haar toch bereiken. Ik bel ook mijn vader en een vriend om te vragen Alizée extra te steunen. Ik ijsbeer en pieker, niets helpt.


25 oktober, 21 uur

Buiten

De directrice ontvangt me voor de derde keer. Ze heeft blijkbaar gezien dat Alizée huilend de gevangenis verliet. ‘Zou u niet beter vertrekken, zodat u er kunt zijn voor uw vrouw en kinderen?’ vraagt ze. ‘U kunt nog altijd een enkelband vragen.’ Ik zeg dat ik erover zal nadenken. Via de telefoon overleg ik met Alizée en mijn vader. We zijn het erover eens dat het geen zin meer heeft om te blijven. Mijn punt is gemaakt: ik heb de media gehaald met mijn pleidooi voor een herzieningscommissie. Ik kan mijn strijd nu beter buiten de muren verderzetten.

De ontvangst thuis is warm. Ik neem algauw een douche en kruip in bed. En dit keer niet om naar het plafond te staren.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234