Het Grote Vogelweekend: vogelen in 't stad

‘Sst, ik hoor een ijsvogel.’ Stijn en Annelies tuiten hun lippen, tjilpen zelf even en turen vervolgens geconcentreerd door hun verrekijker in de hoop een glimp op te vangen van het fel blauw-oranjegekleurde visetertje. In de aanloop naar Het Grote Vogelweekend van Natuurpunt kreeg Humo een snelcursus vogelen aan de luchthaven van Deurne, of all places, en viel van de ene verbazing in de andere. ‘Wist je dat een torenvalk het plasspoor van een woelmuis kan zien?’

Een ongeschonden natuurgebied kun je het braakliggende terrein aan de rand van Mortsel en Deurne bezwaarlijk noemen. Her en der liggen weggeworpen drankblikjes, enkele plassen vormen een minisluikstort en op de achtergrond taxiet een vliegtuig over het tarmac. Toch komen doorwinterde vogelaars Stijn Baeten (25) en Annelies Jacobs (24) van Natuurpunt, beiden uit Mortsel, hier het vaakst observeren en tellen.

Stijn Baeten «Dit is de laatste open ruimte vlak bij de stad Antwerpen waar je ook nog akkervogels vindt.»

Annelies Jacobs «Ze zijn gewend geraakt aan de vliegtuigen; je merkt dat de vogels hier tijdens het broedseizoen veel luider zingen dan hun collega’s op het platteland.»

Een ideale plek dus om te leren luisteren en kijken als voorbereiding op Het Grote Vogelweekend dat Natuurpunt met steun van Humo organiseert op 17 en 18 januari. Bedoeling is dat iedereen dan een halfuur uittrekt om de vogels in zijn tuin te observeren en te tellen, en die waarnemingen doorgeeft. Zo kan Natuurpunt een overzicht krijgen van hoeveel vogels er in een tuin zitten – vorig jaar gemiddeld nog maar 28 tegenover 37 enkele jaren geleden – en hoe het gesteld is met de al jaren felgeplaagde huismus, de pimpelmees of het prachtige vuurgoudhaantje. Mensen met een vijver in hun tuin hebben misschien zelfs het geluk de exotisch getinte ijsvogel aan te treffen. De meeste ijsvogels leven in de tropen, maar de vrij schuwe ondersoort Alcedo atthis ispida komt ook in België en Nederland voor.

Stijn «Dit jaar heb ik er op mijn tochten al meer dan veertig gezien omdat het een vrij zachte winter is, maar twee jaar geleden telde ik er amper tien. Als het ijs op vijvers te dik is, vinden de viseters geen voedsel. Omdat ze ook niet ver weg kunnen trekken, stort de populatie bij een strenge winter ineen. Om te overleven hebben ze meerdere broedsels per jaar.»

Annelies «Soms kun je ze ook in de stadsparken van Antwerpen, het Rivierenhof of langs de fortvijvers zien.»

Stijn «Het is natuurlijk gemakkelijker om ze te vinden als je hun gezang herkent. De ijsvogel fluit kort en heel schel. Twie! Twie! Als ik dat hoor, weet ik meteen wat ik moet zoeken.»

HUMO Trainen jullie je gehoor?

Annelies «Ik beluister vaak vogelgeluiden op YouTube om bij te leren. Mijn ouders moeten daar altijd om lachen.»

Stijn «Bij mij zijn ze het gewend dat ik al fietsend getjilp beluister op mijn mp3-speler.»

Annelies «Ken je Shazam, de software die muziek kan herkennen? Er is intussen ook een app ontwikkeld om het gezang van vogels te identificeren. Je moet gewoon onder de struik gaan staan met je iPhone, wachten tot ze beginnen te fluiten en de app zoekt in de database welke vogel het is. Al werkt het nog niet perfect.»

HUMO Jullie besteden veel tijd aan vogels spotten. Hoe is die fascinatie begonnen?

Annelies «Mijn grootmoeder gaf mij als kind een natuurencyclopedie vol tekeningen van vogels. Ik zat de hele tijd achter het raam te wachten tot ik er trots één kon aankruisen.»

Stijn «Bij mij ging het net zo. Had ik er één gezien, dan ging ik op zoek naar de volgende. Ik ben al sinds mijn elfde gefascineerd door vogels.»

Annelies «In dat boekje van mijn grootmoeder las ik dat de slechtvalk de snelste vogel ter wereld is. Ik begon meteen te fantaseren dat die in Amerika of Afrika voorkwam, maar nee: die vogel leefde hier gewoon in Mortsel, op de schoorsteen van Agfa Gevaert. Dat vond ik zo cool: het snelste dier ter wereld in mijn dorp!»


Plasspoor

‘Kijk, een roofvogel,’ wijzen ze, en ze grijpen naar hun verrekijker. Spits kopje: check. Lage staart: check. Snelle vleugelslag: check. Scherpe vleugels: check. ‘Een torenvalk – wil je ook eens kijken? Die zijn vrij gemakkelijk te herkennen. Valken vliegen heel anders dan buizerds of grote roofvogels. Ze gebruiken hun vleugels meer, waardoor ze veel wendbaarder zijn.’

Annelies «Ze jagen op woelmuizen. Soms zie je een torenvalk langs de weg bidden op 30 meter hoogte – dan blijven ze stil in de lucht hangen door hun vleugels snel te bewegen en hun staart te spreiden – waarna ze plots trefzeker naar beneden duiken. Hoe ze zo’n klein beestje vanaf die hoogte kunnen zien was lang een raadsel. Intussen weten we dat ze UV-licht kunnen waarnemen en zo het plasspoor van die woelmuizen zien oplichten in het donker. Dan is het plots makkelijker: ze hoeven het spoor maar te volgen.»

Stijn «Wij kunnen UV-licht niet onderscheiden, maar pimpelmezen kunnen dat wel. Daarom zien wij geen verschil tussen een mannetje en een vrouwtje, maar herkennen zij een wijfje vanop meters afstand. Hun verenkleed reflecteert een heel ander licht.»

Annelies «Zodra je je ogen en oren openhoudt, ontdek je een heel nieuwe wereld. Als je langs de snelweg een grote, bruine roofvogel ziet, is dat bijvoorbeeld bijna altijd een buizerd. Die eten alle doodgereden dieren langs de kant op. En de kraaien proberen hen weg te pesten.»

Stijn «Mobbing noemen we dat.»

Annelies «Kleine zangvogels spannen ook samen tegen roofvogels.»

Stijn «Als er een roofvogel nadert, brengen merels een heel hoog geluid voort. Sperwers kunnen die hoge tonen moeilijk lokaliseren, maar andere zangvogels zoals koolmeesjes kunnen dat net wel. Zo waarschuwen ze elkaar, terwijl de roofvogel zelf niet weet dat zijn prooi allang beseft dat hij eraankomt. Geweldig toch hoe inventief ze zijn?»

Hun enthousiasme werkt aanstekelijk. Na een tijd lijkt het geraas van de voorbijsnellende auto’s en zelfs van een opstijgende vliegtuig vreemd genoeg naar de achtergrond te verdwijnen, het lijkt of ons gehoor zich plots beter bewust is van het gekwetter en getjilp in het struikgewas. Plots horen we links en rechts en voor en achter ons in de struiken allerlei vogels zingen. ‘Is dat ’m, de ijsvogel?’

‘Nee, dat is een kokmeeuw.’

‘O, maar een kokmeeuw,’ leest Annelies de teleurstelling van ons gezicht af. ‘Iedereen denkt: meeuwen zie je toch overal. Maar de voorbije jaren is die populatie broedvogels wel gehalveerd.’

Stijn «Door ze te ringen, kunnen we nu volgen waar ze heen trekken. Het grappige is dat ze helemaal naar Spanje vliegen om het volgende jaar bijna op exact dezelfde grasspriet als het jaar voordien te komen broeden.»

Annelies «Mensen klagen ook vaak dat het stikt van de duiven. Die zijn erop vooruitgegaan, onder andere dankzij de enorme hoeveelheden maïs op de akkers, een belangrijke voedselbron. Nu durven ze het brood bijna van je bord te stelen als je op een terras zit, maar vijftig jaar geleden zág je ze niet in de stad.»

Stijn «Vandaag vind je ook in elke tuin merels die behoorlijk brutaal kunnen zijn. Maar honderd jaar geleden was de merel nog een erg schuwe bosvogel. In Polen vind je ze nog altijd alleen in grote bossen en kun je ze niet eens op 100 meter naderen. Hier kun je ze een stuk appel toewerpen, ze vliegen niet weg. Om hier te kunnen overleven, moesten ze wel migreren naar dorpen en steden.»

HUMO Steeds meer vogels verdwijnen, tegelijk doen een aantal soorten het dankzij beschermingsmaatregelen beter. Is er een lijn in te trekken?

Annelies «Dat verschilt erg van soort tot soort. Generalisten zoals merels of mezen zijn erg flexibele soorten die zich goed aanpassen aan hun omgeving. Zij kunnen makkelijker overleven als de omgeving verandert. Specialisten stellen echter hoge eisen aan hun omgeving en kunnen enkel onder zeer strikte omstandigheden overleven. Als hun habitat verdwijnt of verandert, krijgen ze het vaak moeilijk. Vooral bij de trekvogels naar Afrika is dat zo.

»Van het wilde korhoen weten we dat die soort hier binnenkort verdwenen zal zijn. Tot eind jaren 80 vond je die op de Kalmthoutse heide, maar door de zure regen in die periode, de hoge stikstofuitstoot in landbouw, transport en industrie, en de opwarming van het klimaat is die omgeving te sterk veranderd voor hen. In België is er nu nog maar één plek waar nog tien wilde korhoenen zitten, iets boven Malmédy. Als die één winter te weinig voedsel vinden, of het veengebied brandt af in de lente, is het gedaan.»

HUMO De klassieke vraag: was het vroeger beter?

Stijn «Vroeger had je meer verschillende kleine populaties vogels die meer verspreid voorkwamen over kleinere gebieden, omdat de landbouw toen ook veel kleinschaliger en diverser was. Op één plaats had je een akker met veldleeuweriken of patrijzen, verderop een bos met spechten en boomklevers, dan weer heidegebied met korhoenen. Als toen één stuk bos of akker verdween, kon je nog terugvallen op de populatie in het bos verderop. Omdat landbouw nu veel grootschaliger en monotoner is geworden, krijg je een veel homogenere omgeving met één grotere populatie verspreid over een groter gebied. Maar als zo’n gebied verdwijnt, blijven er weinig andere populaties over om op terug te vallen. Dan kan één slechte winter dramatisch zijn. Specialisten worden vervangen door algemenere soorten die minder kieskeurig zijn, met een verarming van de soortenrijkdom tot gevolg.

»Sommige specialisten zie je verdwijnen, maar evengoed kunnen ze plots aansterken. De grote zilverreiger kwam hier tien jaar geleden haast niet meer voor, maar dit najaar heb ik er al vijftig zien langs trekken. Hun sierveren waren in het begin van de vorige eeuw zo gegeerd om dure hoeden of luxekledij mee te tooien dat ze bijna waren uitgeroeid. Dat kostte het leven aan honderdduizenden vogels. Maar stilaan komt die soort weer algemeen voor.»


Gebroken ruggengraat

Wie natuurspektakel wil zien, hoeft niet per se ver te gaan. We rijden van de luchthaven naar Antwerpen-centrum, waar je sinds enige tijd in het broedseizoen zelfs beelden kunt schieten die kunnen concurreren met Discovery Channel. ‘Enkele jaren geleden kocht ik een grootlens in een fotowinkel vlak bij de kathedraal van Antwerpen,’ vertelt Annelies als we op de Antwerpse Handschoenmarkt postvatten tussen de toeristen. ‘Om te oefenen wou ik alvast wat duiven fotograferen. Maar toen ik naar boven tuurde, zag ik plots hoe een slechtvalk pijlsnel dook en – pats! – een duif uit de lucht ving. Zomaar voor mijn ogen!’

Stijn (bewonderend) «Dat heb ik nog nooit gezien.»

HUMO En heb je een spectaculaire foto als bewijs?

Annelies (lacht) «Dat is helaas niet gelukt.»

Stijn «Zo’n slechtvalk is één blok spieren. Als je in een val 350 kilometer per uur wilt halen, moet dat wel. En als die slechtvalk de ruggengraat van zijn prooi met één klap probeert te breken, dan moet hij natuurlijk zelf wel bestand zijn tegen die klap.»

HUMO Lukt het de valk altijd om die ruggengraat te breken?

Stijn «Meestal zit hij ernaast. Aan die snelheid is het erg moeilijk om je richting nog bij te sturen. Als meeuwen zien dat er een slechtvalk aankomt, kantelen ze vaak, waardoor de slechtvalk hen mist.»

Annelies (tuurt naar boven) «Vandaag hebben we geen geluk, maar in het broedseizoen zie je de valk voortdurend rond de kathedraal cirkelen op jacht naar voedsel voor zijn jongen. In de jaren 60 was de slechtvalk bijna verdwenen door DDT. Dat insecticide maakte de eierschalen zo dun dat ze snel braken en veel broedsels mislukten. Gelukkig is dat nu verboden en zijn de slechtvalken beschermd. In de jaren 90 zijn op veel plaatsen broedkasten gehangen, onder meer op de Boerentoren in Antwerpen, en dat begint vruchten af te werpen. Vandaag zijn er meer dan zestig koppels in Vlaanderen.»

Terwijl Stijn met zijn telescoop de kathedraal afspeurt, stoot hij Annelies aan: ‘Stel je voor dat we de zeldzame rotskruiper hier terug zouden zien.’

Annelies (tegen Humo) «Normaal zit die enkel op schuine rotswanden in de Alpen, maar op 30 december kregen we bericht dat er één gesignaleerd was in Dinant.»

Stijn (met een brede glimlach) «En dus stonden wij op oudejaarsdag met vijftig vogelaars naast elkaar door een telescoop te turen naar huizen en rotswanden aan de Citadel.»

HUMO Dan zijn jullie eigenlijk ook twitchers, vogelaars die alles laten vallen als er een bericht binnenloopt dat er ergens een zeldzame vogel te bewonderen is?

Stijn «Zo veel mogelijk zeldzame soorten proberen te zien is een hobby op zich. En als ik een zeldzame soort kan zien, zal ik dat zeker proberen. Al tel ik evengoed alle watervogels in een gebied voor het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, en geniet ik ook van het kijken naar soorten die overal voorkomen»

HUMO Wat is de zeldzaamste soort die je al hebt gezien?

Stijn «De bonte tapuit, een kleine zangvogel die normaal enkel in Oost-Europa voorkomt. Hij is sinds 1830 nog maar twee keer gesignaleerd in België. Ik was degene die hem de tweede keer zag. Dat veroorzaakte behoorlijk veel stress.»

HUMO Waarom stress? Je zou toch gewoon blij moeten zijn?

Stijn «Ja, maar je kunt wel beweren dat je die vogel hebt gezien, je moet het ook kunnen bewijzen. Anders is die waarneming niet veel waard. Soms zie je een vogel maar vijf seconden en moet je snel observeren. Ik had dus absoluut een foto nodig en dat is gelukt.»


Tits and boobies

Onze laatste stop is de Wolvenberg, een goed verscholen natuurgebied – het enige in de Antwerpse binnenstad – vlak bij het station van Berchem, geprangd tussen de drukke Singel en de overvolle ring. Zodra je de berm in stapt en tussen de bomen aan de rand van de plassen staat, waan je je ver van het drukste verkeersknooppunt van het land.

‘Hoor je dat? Twee mezen zijn tegen elkaar aan het zingen,’ zegt Stijn. ‘Vogels hebben een heel repertoire: de contact-, bedel- of alarmroep, maar ook gezang om hun territorium af te bakenen of om partners te lokken. Ik heb één keer de opwindingsroep van koolmezen gehoord, de geluidjes die ze maken vlak voor ze paren. Dat hoor je zelden of nooit. Bijzonder was dat. Weet je trouwens hoe mezen in het Engels heten?»

HUMO Euh, nee.

Stijn «Tits. En de koolmees is the great tit. En de jan-van-gent heet booby. Als koolmees of pimpelmees te gewoontjes klinkt, kun je dus ook de Engelse naam gebruiken (lacht).»

HUMO Heb je ook al veel vogels zien paren?

Annelies «Duiven al héél vaak. Ze duwen hun achterste omhoog en het mannetje kruipt erop. Een paar seconden en het is voorbij.»

Stijn «Vogels paren heel anders dan wij. De meeste vogels hebben elk een cloaca, mannetjes én vrouwtjes. Die gaatjes moeten ze gewoon tegen elkaar duwen. Behalve eenden. Die hebben een penisachtige uitstulping van anderhalve meter.»

HUMO Pardon?

Stijn «Onder water zie je dat natuurlijk niet gemakkelijk, maar het is echt waar. Ik wist dat ook niet, ik heb het geleerd in de les biologie. Omdat de vrouwtjes telkens wegzwemmen, hebben de mannetjes íéts nodig om hen te kunnen bevruchten. Met zo’n reuzenpenis kunnen ze de paring toch een beetje afdwingen.»

Thuis zoek ik het even op. Inderdaad, de reuzenpenis van de eenden is berucht, al vallen de uiteindelijke afmetingen toch wat tegen: gemiddeld is die 10 tot 30 centimeter lang. De Argentijnse stekelstaarteend is de onvervalste kampioen: die heeft er één van 42,5 centimeter.

Ik ontdek voorts dat de eendenpenis ‘gedraaid’ is met allemaal ‘richels’ en ‘knobbels’ erop om meer houvast te hebben, en dat zijn reuzengeslacht na het broedseizoen weer verdwijnt. O ja, en de lengte zou afhankelijk zijn van het aantal concurrenten. Als bijvoorbeeld een toppereend veel concurrenten heeft, kan zijn geslacht 15 tot 25 procent langer zijn dan wanneer er geen kapers op de kust zijn. Wow. Of hij nu anderhalve meter of een halve meter lang is: ons beeld van het rustig dobberende koppeltje eenden zal nooit meer hetzelfde zijn.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234