'Het incestdagboek': de angst, de walging en het genot van misbruik

‘Het incestdagboek’ beklemmende lectuur noemen is een understatement. De schrijfster, een anonieme Amerikaanse vrouw van begin 40, beschrijft akelig gedetailleerd hoe haar vader haar seksueel misbruikte van haar 3de tot haar 21ste. Humo brengt een voorpublicatie, die – u bent gewaarschuwd – niet voor tere zielen is bestemd.


Naast onderstaande voorpublicatie brengt Humo online de film 'Nooit meer zwijgen'. In deze mini-documentaire van Bart en Mariska Beckers is het Carolien (22) die nooit meer wil zwijgen over hoe ze tussen haar 10 en haar 13 verkracht werd door de toenmalige vriend van haar mama. Haar stiefpapa had de kleine Carolien verteld dat de depressies van haar mama haar schuld waren, maar dat hij wel een manier wist waarop ze het goed kon maken. 'Ik wist niet wat seks was, maar als kind doe je alles voor je mama. Zo is het begonnen.' Bekijk deze hier.

---

'Mijn vader beheerste mijn gedachten, mijn lichaam, mijn begeerte. Ik wilde hem. Ik ging terug voor meer'

Zoals bij elk anoniem verhaal kan je je afvragen: ‘Is dit echt?’ Die bedenking had de Amerikaanse uitgeverij ook verwacht toen ze het dagboek uitbracht, maar redactrice Lorin Stein gelooft wat de anonieme vrouw schrijft: ‘Ik heb geen enkele twijfel over haar eerlijkheid of helderheid van geest. We hebben oude vrienden van haar geïnterviewd, aan wie ze jaren geleden over het misbruik had verteld.’

Wij legden ‘Het incestdagboek’ voor aan Line De Vlamynck. Als psychologe en seksuologe werkt ze vooral met slachtoffers van zedenfeiten.

HUMO Leest ‘Het incest-dagboek’ als een waarachtig verhaal?

Line De vlamynck «Moeilijke vraag, ik ken haar natuurlijk niet. Ik geloof het verhaal van ieder slachtoffer, maar het boek begint wel erg cassant. Even heb ik getwijfeld: ‘Is het een goedgeschreven verhaal van iemand die zich probeert in te leven in een incestslachtoffer?’ Maar naarmate ik verder las, ebde die twijfel weg. Op het genot na vertelt ze wat iedereen beleeft die zoiets meemaakt. Haar schuldgevoel, de onderdrukte angst, meedoen, zoeken naar controle, de zelfverwijten, de walging voor zichzelf in plaats van de dader, het uit haar lichaam treden om de pijn niet te voelen, de zelfverwonding, tot zelfs de jaloezie tegenover haar moeder om vaders aandacht... Dat alles zien we bij wel meer slachtoffers. Zij vertelt het gewoon rauw, zonder zichtbare emotie.»

★★★

‘Eén van de therapeuten die ik heb voorgelogen, was een mooie vrouw met een vader die nog bij Freud had gestudeerd. Ik vond haar aardig, totdat we dichter bij de incest kwamen. Tijdens mijn studie ging ik altijd op donderdagmiddag naar haar toe. We draaiden om mijn familie heen en ik loog over mijn relatie met mijn vader. Op een dag zei ze dat ze bang was dat ik mezelf zou verwonden. Ze wilde dat ik naar een psychiater ging met wie ze samenwerkte, die me medicatie kon voorschrijven. Ik ben haar spreekkamer uitgelopen en heb haar nooit meer gezien. De weken daarna heeft ze een paar keer een voicemail ingesproken omdat ze wilde weten of het wel goed met me ging. Ik heb nooit teruggebeld.

In alle sprookjes over incest tussen vader en dochter – ‘Het meisje zonder handen’, ‘Bontepels’, de oorspronkelijke versie van ‘Assepoester’, ‘Ezelsvel’ en de verhalen over de heilige Dymphna, de beschermheilige van de incestslachtoffers – zijn de dochters allemaal zoals je zou verwachten: onthutst door de seksuele avances van hun vader. Ze doen alles wat in hun macht ligt om eraan te ontkomen. Maar ik niet. Een kind kan niet ontsnappen. En later, toen ik het wel kon, was het te laat. Mijn vader beheerste mijn gedachten, mijn lichaam, mijn begeerte. Ik wilde hem. Ik ging naar huis. Ik ging terug voor meer.

De laatste keer dat ik seks met mijn vader had, was in het strandhuis van onze familie, toen ik 21 was. Daar zat ik een week met mijn vader en mijn broer, die toen net 19 was. We waren in geen jaren een week lang met ons drieën bij elkaar geweest. Ik had mijn vader helemaal niet vaak meer gezien sinds ik op mijn 17de uit huis ging. Ik was al jaren niet meer in het strandhuis geweest. Het grijze houten huis aan het water met de dakspanen, de vele veranda’s en de witte luiken. Met de Amerikaanse vlag aan de oude vlaggenstok naast het witte hek van de voortuin.

Die week met mijn vader en mijn broer droeg ik een blauw bikinitopje. Het broekje was felrood. Mijn vader wilde me. Ik voelde zijn blikken op mijn schouders, mijn hals, mijn benen, borsten en heupen. Ik nam een andere houding aan als ik wist dat hij keek. Ik wilde sexy zijn. Ik liep anders als ik wist dat hij me nakeek terwijl ik over het pad van het huis naar het water liep. Ik wilde hem ook. Ik was geen kind meer. Niet eens een puber. Ik was volwassen. Ik had een vrouwenlichaam.

We gingen bridgen met de mensen van het huis verderop. Ze vertelden hoe ik als klein meisje op het strand speelde – hoe dol ik op de hoge golven was – en kenden verhalen over mijn grootouders uit de tijd dat die het huis kochten, in de jaren 60. Als kind had ik alle zomers in dat huis doorgebracht, als klein meisje had ik boven in dezelfde kamer geslapen. Mijn weinige fijne jeugdherinneringen spelen zich grotendeels in dat huis af.

De eerste twee avonden kon ik niet stoppen met masturberen bij de gedachte dat mijn vader zo dichtbij was. Aan de andere kant van het huis, alleen, in het bed met het walnotenhouten hoofdeinde. Ik kon er niets aan doen. Ik wilde dat hij me kwam neuken en tegelijk ook niet. De derde nacht kwam hij.

Ik herinner me hoe mijn vader de oude, zware deur van mijn slaapkamer openduwde. Ik wilde dat hij die deur opendeed. Ik wilde dat hij binnenkwam. Ik wilde hem die kamer met de geel met blauwe sprei en de ingebouwde boekenkasten met de door mijn grootvader aangeschafte complete werken van Sir Walter Scott horen binnenkomen. In die kamer met de witte gordijnen met de rode zeilbootjes erop, het patrijspoortvormige spiegeltje met de lijst van ahornbladeren, de kast met de gele regenjassen en de legergroene kaplaarzen en de grote flanellen overhemden op houten hangertjes.

Mijn vader trok het dekbed weg en zag mijn 21-jarige lichaam. Ik was naakt en ik was nat. Ik wilde zijn grote, harde pik in me. Ik was heel erg nat. Ik wilde hem helemaal in me. Ik was nog nooit zo geil geweest. Mijn hele lichaam was één en al seks. Mijn vader had van zichzelf ook een lustobject voor mij gemaakt. Ik objectiveerde hem net zoals ik mezelf voor hem objectiveerde. Ik kreeg een heftiger orgasme dan ik later in de twaalf jaar van mijn huwelijk ooit zou krijgen. We zeiden niets. Geen woord. Toen stapte hij mijn bed uit, liep mijn kamer uit en de gang in, terug naar zijn eigen bed. Er werd nooit een woord over die nacht gezegd.

Hij neukte me en hij liet me klaarkomen. Zoenen deden we nooit. We zoenden die nacht niet en ook niet toen ik een puber was, of toen ik 11 was of 10, of 9 of 8 of 7 of 6 of 5 of 4 of 3. Hij heeft zijn tong nooit in mijn mond geduwd.

'De laatste keer dat ik seks met mijn vader had, kreeg ik een heftiger orgasme dan ik later in de twaalf jaar van mijn huwelijk ooit zou krijgen'


Vroegrijpe peuter

Die week op het eiland heb ik Katherine Huntington, een huisvriendin en buurtgenote, de waarheid verteld over de seks met mijn vader. Ik heb haar verteld wat er gebeurde toen ik klein was. Ik durfde niet te vertellen wat er de afgelopen nacht was gebeurd – maar ik nam haar wel in vertrouwen over mijn kinderjaren. Ik was niet de enige die haar een bijzondere vrouw vond. Ze was in alles het tegengestelde van mijn moeder – buitengewoon capabel, warm, onafhankelijk. Iedereen aanbad haar. Ik keek naar haar op en wilde net zo worden als zij. Toen ik klein was, gaf ze me het gevoel dat ik bijzonder was. Ze vroeg mijn mening over van alles en hurkte bij me neer om naar me te luisteren. Toen ik een puber was, zei ze dat ik slim en moedig was.

Mijn grootouders waren hecht met haar ouders bevriend geweest. Ik was bevriend met twee van haar kinderen en een neefje en nichtje. Ik vond het fijn bij haar en haar familie. Ik wilde dat ze zich ook over mij ontfermde.

Die week met mijn vader en mijn broer vroegen Katherine en haar man me op een avond te eten. Ik vroeg Katherine of ik haar even onder vier ogen kon spreken. Natuurlijk, zei ze, en we gingen naar boven, naar haar slaapkamer. We gingen zitten op haar enorme witte bed met de vele zachte kussens in linnen slopen. Ik hield één van die kussens tegen mijn borst gedrukt toen ik haar vertelde dat ik als klein meisje door mijn vader was verkracht. Ik zei dat ik het gevoel had dat ik gek werd en niet wist wat ik moest doen. Ze boog zich naar me toe en ik dacht dat ze me in haar armen zou nemen, maar ze legde een hand over mijn mond. ‘Zet je eroverheen,’ zei ze. ‘Niet meer over praten. Je moet het vergeten en je eroverheen zetten.’ Toen vertelde ze dat zijzelf als kind was aangerand. Ze zei dat haar ouders ervan wisten en er niets aan hadden gedaan. ‘Maar die dingen moet je vergeten, je moet je eroverheen zetten,’ zei ze. Ze zei dat ik naar huis moest gaan, naar mijn vader, en er nooit meer over praten. Daarna was het tussen ons nooit meer zoals vroeger. Ze was niet langer aardig tegen me en ontliep me de rest van de vakantie.

Op een middag, ongeveer een jaar na die week op het eiland, sprak ik mijn vader aan op onze incestueuze relatie. Hij was met mijn broer gaan tennissen. We lieten mijn broer achter en gingen wandelen door de buitenwijk waar mijn vader woonde. Mijn vader zei dat ik hem als klein meisje had verleid. Ik herinnerde hem eraan dat ik nog maar een peuter was toen het begon. Hij antwoordde dat ik zo’n slim, vroegrijp kind was, zo nieuwsgierig naar alles, en dat ik wilde dat hij me aanraakte, ik zei dat hij eens moest voelen hoe zacht het was. Hij was in die tijd zo eenzaam doordat mijn moeder ziek was en in het diepst van haar depressie zat, en hij zei dat ze koud en wreed tegen hem was. Het enige wat haar interesseerde, waren paarden en de steeplechase, ze vroeg nooit naar zijn leven of zijn interesses. Ze kleineerde hem – zijn baan, zijn kleren. Ze wilde meer geld, ze wilde dat hij haar gelukkig maakte, en hij werkte zo hard en verdiende nooit genoeg. Hij zei dat hij in die tijd altijd doodmoe was en dat ik het enige lichtpuntje in zijn leven was. Hij zei dat hij er spijt van had. Hij klemde zijn kaken op elkaar, sperde zijn ogen wijd open, keek naar de grond en herhaalde dat hij er spijt van had.

Een dag na dat gesprek zei hij weer dat hij berouw had over alles wat hij had gedaan. Hij huilde en zei dat hij er spijt van had dat hij bij mij had gehaald wat hij van mijn moeder nodig had. Een dag daarna belde hij om te vragen of ik kon komen praten. Als ik hem ervan bleef beschuldigen dat hij me zou hebben verkracht, zei hij, dan was ik zijn dochter niet meer. Dan was ik dood voor hem. Ik kan alleen maar aannemen dat hij met een advocaat had gepraat, dat hij daardoor nu termen als ‘beschuldigen’ en ‘zou hebben’ in de mond nam en onze incest niet meer toegaf maar ontkende. Hij had de hele familie over mijn ‘beschuldigingen’ verteld. Mijn grootvader wilde me laten opnemen, maar er was geen aanleiding. Op mijn verjaardag belde mijn tante me ’s morgens heel vroeg om te zeggen dat ze aan de kant van mijn vader stond. Dat was in de tijd dat mijn broer met zijn studie stopte. Hij had altijd viool gespeeld, hij was een serieus violist, maar ineens speelde hij niet meer. Hij sloot zich dagenlang op in zijn kamer. Hij huilde en zei dat hij niet meer wist wie hij moest geloven. Op een avond vertelde hij dat hij zelfmoord had overwogen om alles wat er in ons gezin was gebeurd.

Mijn vader sprak er ook over met zijn vrienden. Eén van hen nodigde me uit voor een kop koffie. Hij zei dat hij er voor me was, dat hij mijn pijn begreep. Huilend vertelde hij dat hij als kind was misbruikt. Van koffie gingen we over op wijn. Hij vertelde over zijn pijn, zijn stilzwijgen en wat dat bij hem had aangericht.

Een maand nadat ik mijn vader met de incest had geconfronteerd, nam hij ontslag op zijn werk en ging hij op reis. Maandenlang hoorde ik niets van hem, tot ik een kaart van hem kreeg uit Australië. Voorop stond een jong konijntje in een wei met wilde bloemen. Binnenin had hij geschreven: ‘Van harte beterschap.’

Ik voelde me volledig verantwoordelijk voor de crisis waarin mijn broer was terechtgekomen. Hij leek met de week depressiever en angstiger te worden. Ik werd bang dat hij er een eind aan zou maken. Ik zei dus dat hij niet moest tobben, dat het niet echt was gebeurd. Ik zei dat ik door iemand anders moest zijn verkracht. Daarna begon het weer beter met hem te gaan. We hebben er sindsdien nooit meer over gesproken.

Toen mijn vader terug was, nodigde ik hem uit voor een etentje in een restaurant waar ik graag kwam en we namen een salade met biet en rucola vooraf. Ik zei tegen mijn vader dat ik waarschijnlijk door iemand anders was verkracht en dat ik het niet meer over het verleden wilde hebben. Ik zei dat het niet meer uitmaakte. Mijn vader zei niets. Toen vroeg hij of ik zin had om over een paar weken naar de film te gaan. Ik zei ja, al had ik er geen zin in, maar ik was opgelucht dat alles in het gezin weer normaal was.

'Hij zei dat hij er niets aan kon doen omdat ik zo mooi was en het zo lekker was. Hij zei dat hij ziek was'


Bad vol bloed

Als ik sliep, kwam mijn vader mijn kamer in. Soms penetreerde hij me, soms masturbeerde hij op mijn lijf. Hij zei dat hij er niets aan kon doen. Hij zei dat het mijn schuld was. Het moet wel mijn schuld zijn geweest. Hij zei dat hij er niets aan kon doen omdat ik zo mooi was en omdat het zo lekker was. Hij zei dat hij ziek was. Een zwak slachtoffer van zijn eigen begeerte. En ik voelde ook begeerte; ik voelde mijn wildheid. Soms reed ik tegen zijn harige dij op. Dat deed ik omdat het lekker was.

Aardbeienjam was de lievelingsjam van mijn vader. Toen ik een jaar of 5 was, smeerde hij aardbeienjam op zijn penis en vroeg hij of ik het eraf wilde likken. Ik herinner me de zoete slijmerige substantie van het fruit die zich vermengde met de zoete slijmerige substantie van de man.

Ik mishandelde mijn poppen. Ken had geen penis, dus werd mijn Barbie door de dinosaurussen van mijn broertje geneukt. De hoorns van de pentaceratops ramden hard tegen haar plastic kruis. Ik knipte haar haar af. Ik verfde het groen en rood met voedingskleurstof. Ik onthoofdde haar door haar kop eraf te trekken. Ik haatte haar. Ik schaamde me voor haar; ze was walgelijk.

Ik had een boek waarin werd uitgelegd hoe baby’s worden gemaakt. Er stonden anatomische tekeningen van een man en een vrouw in. Ik weet nog dat ik me afvroeg waarom er niet ook een plaatje van een klein meisje stond bij het stuk over de penis die in de vagina gaat.

Soms werd mijn vader erg vrolijk van het neuken met mij. En soms werd hij er erg kwaad van. Als ik aan die keer in bad terugdenk, kan ik het alleen van bovenaf zien en naar ons allebei kijken, of vanuit het perspectief van mijn vader. Ik zie het doodsbange meisje. Ze schuift in het badwater bij hem vandaan. Maar ze kan nergens heen. De badkuip is zo glad dat bewegen lastig wordt en het water klotst heen en weer als ze het probeert. Hij is woedend en duikt op haar af terwijl zij huilt en in het badwater rondglibbert. Er zit bloed in het water. Ze zit in een bad vol bloed. Haar eigen bloed. Hij heeft het haar weer aangedaan, is te diep naar binnen gegaan, heeft haar te hard geneukt en nu bloedt ze. Daar is hij kwaad om. Ik vermoord je als je het aan iemand vertelt. Ik vermoord je ik vermoord je ik vermoord je.

Voor mijn 18de verjaardag stuurde mijn moeder me negen tekeningen in een bruine envelop, kopieën van zelfportretten die ze had gemaakt toen ze mij verwachtte – elke maand één. Bij de tekeningen zat een kopie van een dagboekaantekening van mijn vader, van twee dagen na mijn geboorte. De kopie was op roze papier gemaakt en de aantekening telde drie alinea’s. Hij schreef over de kou, het voorjaar, de manier waarop de maan aan de hemel hing in de nacht dat ik geboren werd. Mijn vader schreef dat hij zo blij was dat hij een kind had. De laatste woorden van de aantekening waren: ‘Op een dag gaat dit kind neuken.’

Mijn vader wilde me neuken en soms wilde hij me vermoorden. Soms allebei. Ik weet niet hoe vaak hij me met een mes heeft gesneden. Soms dreigde hij me te vermoorden en soms sneed hij in mijn spleetje. Probeerde hij me te besnijden? Misschien probeerde hij mijn genot weg te snijden, zijn genot weg te halen.


Het trillende jachtmes

Toen ik 2,5 jaar was, werd mijn broertje geboren. Het was een gecompliceerde bevalling. Daarna is mijn moeder nooit helemaal hersteld, zei mijn vader. Ze had ook last van iets wat een postnatale depressie kan zijn geweest, maar nooit als zodanig werd gediagnosticeerd. Al na een paar maanden had ze geen melk meer voor mijn broertje, waarschijnlijk doordat ze nauwelijks at. Ze was het liefst alleen, of – als ze zich goed genoeg voelde – bij haar paarden. We maakten haar niet gelukkig. Ze huilde veel en haar verdriet was bodemloos. Soms haalde ze vals naar ons uit, soms was ze lief. In mijn herinnering was ze alleen gelukkig als ze bij haar paarden was of voorbereidselen voor Kerstmis maakte.

Mijn vader keek hongerig naar me. Hij keek minachtend naar mijn moeder. Hij vond dat ik voor hem was geboren. En ik vond dat mijn broertje voor mij was geboren. En wie was er voor mijn moeder geboren? Niemand. Behalve haar paarden. Ze vertelde ooit lachend aan een vriendin dat ze bijna elke nacht van paarden droomde en nooit over ons. De steeplechase was haar grote liefde.

Ik zie het beeld van mijn vader die het mes boven mijn hoofd houdt en ik ben niet bang. Verdoofd, maar niet angstig. Maar als ik aan de geluiden terugdenk – zijn voetstappen in de gang naar mijn kamer, de deur die opengaat, zijn ademhaling, het schurende geluid als het metalen lemmet uit de schede werd getrokken – bevries ik en treed ik uit mijn lichaam. Het was een jachtmes, dat hij ook gebruikte als we gingen kamperen. Hij sleep er punten mee aan de wilgentakken waar we marshmallows op prikten om ze te roosteren. Hij sneed er touw mee om de tent bij storm te zekeren. Mijn vader haalde het mes tevoorschijn met die dode, kille blik in zijn ogen en opeengeklemde kaken. Maar dan zag hij dat ik wakker was en naar hem keek terwijl hij dat mes boven me hield. Hij wendde zich af, het mes trilde in zijn hand en hij liep mijn kamer uit met de schede van het mes in de ene hand en het trillende mes in de andere. Ik heb laatst een verhaal gelezen over een vrouw die haar twee dochtertjes in hun slaap had vermoord. Ze herinnerde zich er niets van. Nu wilde ze weten hoe het met haar dochtertjes gaat. Ik moest aan mijn vader denken. Zou hij het zich herinneren als hij me met dat jachtmes had doodgestoken? Misschien niet. Misschien zou hij zich achteraf hebben afgevraagd hoe het met me ging.

'Voor mijn moeder was ik de andere vrouw. Ze zei vaak tegen me dat ze wilde dat ik nooit geboren was'


Een onplezierig nest

Mijn moeder hield niet van kamperen. Ze haatte de blokhut in Maine. Ik weet nog dat mijn vader op de houtkachel het avondeten klaarmaakte. Zij hield niet van eten dat op een houtkachel was klaargemaakt. Ze was niet graag ver van haar paarden. Mijn vader was dol op petroleumlampen als het donker werd en mijn moeder vond ze vreselijk en miste haar huis met elektrisch licht. Ze was ook bang dat we er eentje vergaten uit te blazen en dat de blokhut dan zou afbranden.

Ik herinner me de roodgestreepte overtrek van de matras in het bed waarin ik sliep. Mijn vader trok mijn broek en onderbroekje uit. Ik herinner me dat ik op mijn buik lag en in de knoop van de matras beet terwijl mijn vader iets bij me naar binnen duwde. Ik voelde dat hij zijn penis tussen mijn billen wreef. Ik ging met mijn tong over de knoop waarin ik beet. Ik herinner me de smaak van de matras. Rokerig canvas. De geur van de matras. Oude stof, rook van het houtvuur, schimmel.

Een muis die in een warm nest woont waar hij goed te eten krijgt, waagt zich buiten en gaat snel weer naar huis als hij schrikt. Een muis met een onplezierig nest – waar hij pijn en honger lijdt – die buiten zijn nest een plek met warmte en eten vindt, gaat óók terug naar huis als hij schrikt, net als de andere muis. Uit experimenten met andere dieren bleek hetzelfde – als een dier bang is, gaat het naar huis, hoe angstaanjagend het daar ook is.

Toen ik nog heel klein was, kon ik niet slapen door mijn nachtmerries en plaste ik elke nacht in bed. Ik ben een paar keer in de supermarkt op een vriendelijk ogende onbekende afgestapt om te vragen of ik met hem mee naar huis mocht. Op school was ik lastig. Ik sloeg de jongens. Ik tekende opgerolde cobra’s in bedden en meisjes die op hoge gebouwen werden gespietst. Toen we met het hele gezin naar Boston en New York gingen, deed mijn hele lichaam pijn, want elke keer dat ik naar die grote, hoge gebouwen keek, kreeg ik het gevoel dat ze me gingen neuken. In groep drie, vier en vijf vroeg ik me de hele tijd af of ik zwanger was. Ik masturbeerde obsessief. Ik had open zweren aan mijn handen doordat ik ze zo vaak waste dat ze gingen bloeden.

Maar voor mijn moeder was ik de andere vrouw. Ze zei vaak tegen me dat ze wilde dat ik nooit geboren was.

Als straf bond mijn vader me op een stoel vast. Soms zette hij die stoel in de kast. Na een tijd leerde ik dat ik niet moest gillen. Ik leerde dat mijn vader me er uiteindelijk altijd wel weer uit liet.

'Ik ben een paar keer in de supermarkt op een vriendelijk ogende onbekende afgestapt om te vragen of ik met hem mee naar huis mocht'


Vastgebonden en opgesloten

Mijn moeder gaf mij de schuld van alles wat er bij ons thuis fout ging. Volgens haar was het zelfs mijn schuld dat mijn vader voor zijn 30ste helemaal grijs was geworden. Ze schold me uit voor hoer, bitch, fucking bitch en stuk stront. Dat stuk stront vond ik het ergst. Misschien was ik wel echt een hoer, een bitch en een fucking bitch. Maar een stuk stront was ik niet.

Ik herinner me dat mijn moeder me vaak voorhield dat het in het leven om twee dingen gaat: seks en doodsangst.

Mijn vader is mijn geheim. Het is mijn geheim dat hij me heeft verkracht. Maar het geheim onder dat geheim is dat ik het soms fijn vond. Dat ik het soms wilde en hem soms verleidde om me te neuken. Ik ben bij therapeuten, psychologen, psychiaters en psychoanalytici geweest en daar heb ik verteld dat ik mijn grootouders miste. Ik heb over de drie gestorven vriendinnen gepraat die ik zo miste. Ik heb verteld dat mijn moeder me een harde klap in mijn gezicht gaf en toen huilend op de grond in elkaar zakte en zei dat ze verschrikkelijk was, een verschrikkelijk slechte moeder. Dan troostte ik haar en zei dat het niet erg was, dat het niet zo’n pijn deed en dat er niets aan de hand was. Aan een paar therapeuten heb ik verteld dat mijn vader me heeft misbruikt. Als ze daarop door wilden gaan, brak ik het gesprek af. Aan niet één heb ik de hele waarheid over mijn vader en mijzelf verteld.

Vandaag heb ik in een boek over foltering gelezen dat hoe vaker een gevangene verkracht wordt, hoe groter de kans wordt dat ze daar genot bij voelt. Genot als overlevingsstrategie. Hoe vaker ze verkracht wordt, hoe meer genot. Betekent dat dat ik het grootste genot ter wereld heb gevoeld? Mijn lichaam is één en al verrukking. Ik raak opgewonden terwijl ik dit schrijf. Ik denk aan mijn vader en word nat. Ik denk aan mijn vader en voel hem in mijn spleet.

Genot als overlevingstactiek. Mijn vader is mijn seksuele genot. Ik ben vastgebonden en hij voert me zijn zaad. Hij voert me wat hij net in zijn hand heeft gespoten. Dat grote genot van ons barst uit in licht. Ik voel God in mijn zwellende hart. Ik slik zijn zaad door en zit vastgebonden op de stoel en er schieten lichtstralen uit mijn hoofd en mijn gezicht.

Als ik daaraan denk, krijg ik een warm, zacht, zoemend gevoel. Vastgebonden en opgesloten in de kast op hem wachten, wachten tot mijn vader me komt redden nadat hij me pijn heeft gedaan. Hij kwam me redden. Wat was ik opgelucht. Zo blij toen de kastdeur openging en hij me losmaakte, terwijl hij me daar eerst had achtergelaten nadat hij me zijn zaad had gevoerd. Hij maakte de knopen in het koord los waarmee ik aan de stoel vastzat. Hij liet me los, ik mocht weglopen. Ik rende het zonlicht in.

Hoe had ik niet van de man kunnen houden die me had bevrijd?’

★★★

Een heftig relaas. ‘Nooit eerder is zo’n directe confrontatie op papier gezet,’ zo meldt de uitgever. Dat vindt ook seksuologe Line De Vlamynck.

De Vlamynck «Het is niet uitzonderlijk dát er genot is – er zijn veel gevallen bekend van verkrachtingen waarbij iemands lichaam, hoe hard hij of zij zich ook verzet, toch reageert op een bepaalde stimulans. Alleen heb ik dat genot en het verlangen ernaar nog nooit zo uitgesproken verwoord gezien.

»Het is één van de ultieme taboes. We letten er ook maar beter mee op, omdat het zo graag wordt gebruikt door mensen die incest of pedofilie niet zo erg vinden: ‘Zie je wel, dat kind genoot ervan. Kinderen hebben wél seksualiteit.’ Dat is mijn enige angst bij dit boek: ik hou niet van censuur, maar het is belangrijk dat de lezer focust op de pijn tussen de regels. Ze schrijft wel over genot – en dan nog op een choquerende, plastische manier – maar daaronder zit veel pijn. Dat ze niet begreep waarom papa met een mes in haar stak, dat ze als kind bang was dat hoge gebouwen haar zouden verkrachten, dat ze haar handen tot bloedens toe waste. Alleen beschrijft ze het als harde feiten, zonder erover te klagen. Zo lijkt ze bijna geen slachtoffer meer, maar dat is ze absoluut wel.»

HUMO Ze gaat het genot uiteindelijk zelf opzoeken. Is dat een extreme vorm van het stockholmsyndroom, waarbij gijzelaars sympathie voor hun gijzelnemer gaan voelen?

De Vlamynck «Daarmee kan je het zeker vergelijken. Het stockholmsyndroom gaat ook over hoe een machteloos slachtoffer toch controle probeert te krijgen. Seks is haar enige zekerheid. Hoe slechtgezind, boos of agressief haar vader ook is, het enige wat altijd helpt, is hem haar lichaam geven. Met seks kan ze ervoor zorgen dat haar vader kalm wordt, dat hij gelukkig wordt, dat hij de strop van rond zijn nek haalt en geen zelfmoord pleegt.

»De incest was de enige aandacht, liefde, warmte en bevestiging die ze als kind kreeg. Ook dat zie je wel vaker. Ik heb iemand in begeleiding die door zijn moeder is mishandeld, maar door zijn vader is misbruikt. Moeder was heel kil en keek niet naar hem om. Voor een kind is dat soms nog pijnlijker dan fysieke mishandeling. Als vader ’s nachts aan hem kwam friemelen, was dat de enige warmte die hij in zijn leven had. Hij voelde wel dat het niet klopte, maar als kind dacht hij bijna: ‘Oef, ik krijg een knuffel.’

»Je kunt je afvragen waarom de schrijfster zo wil choqueren, maar ik kan het best begrijpen. Het betekent dat ze op het punt is gekomen waarop ze denkt: ‘Het wás zo.’ Waarschijnlijk heeft ze zich eerst duizend keer afgevraagd: ‘Heb ik er nu echt van genoten? Werd ik daar nu echt opgewonden van?’ Maar na alle schaamte en schuldgevoel heeft ze de moed gevonden om te zeggen: ‘Zo is het gegaan. Het is misschien ongemakkelijk voor jou als lezer, maar het is nog véél ongemakkelijker voor mij.’ In haar traumaverwerking lijkt me dat een gezonde stap.»

HUMO Zal het boek, zoals de uitgever hoopt, andere slachtoffers helpen?

De Vlamynck «Ik kan me voorstellen dat het sommigen deugd zal doen te lezen dat er anderen zijn die het ook zo ervaren hebben, en dat het bij haar erger was: ‘Zij heeft nog méér meegedaan met haar dader, dus bij mij valt het nog mee.’ Maar ik kan me net zo goed inbeelden dat het boek sommige slachtoffers nog harder zal raken dan de doorsneelezer.»

Bewerking: Hanne Van Tendeloo



Anoniem, ‘Het incestdagboek’, Prometheus

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234