Het leven zoals het is: Belgische militairen op buitenlandse missie (slot)

Niet alleen in eigen land waakt het leger over onze veiligheid, onze soldaten gaan ook in het buitenland de strijd aan tegen onrecht en terreur. Humo sprak met Belgische militairen over hun uitheemse avonturen. In het laatste deel halen Els en Benny herinneringen op aan hun strijd tegen de taliban in Afghanistan en reist Roger terug naar het Congo van 1960, toen het koloniale tijdperk op zijn einde liep: ‘Whisky gemixt met cola is goed tegen diarree en malaria.’

Lees ook deel 1, deel 2 en deel 3 »

''We worden zoals de blanken en halen geld af in de bank,' riepen de Congolezen. Maar ze vergaten dat ze geen rekening hadden'


Els & Benny ‘String op het strand’

Els Foblets (44) en Benny V. (44) leerden elkaar in 2009 op een missie in Afghanistan kennen.

Els Foblets «Mijn standplaats was Kaboel, waar ik als public affairs officer werkte. Van daaruit reisde ik naar de plaatsen waar Belgische soldaten gelegerd waren. Zo kwam ik ook in Kunduz terecht, waar Benny zat. Ik weet niet meer waarom, maar we hebben toen e-mailadressen uitgewisseld. Drie maanden later reisden we terug naar België en hier sloeg de vonk over. Sindsdien zijn we een koppel. Benny heeft nu zes buitenlandse opdrachten achter de rug, maar ik ben gestopt na die ene.»

Benny V. «Ik ben twee keer in Kosovo, twee keer in Afghanistan en twee keer in Jordanië geweest. Omdat ik nog operationeel ben, heb ik mijn familienaam liever niet in Humo. Op missie spreek ik met de lokale bevolking nooit over mijn leven thuis. Of ik getrouwd ben, kinderen heb, waar ik woon: niemand hoeft dat te weten. In die periode zit ik ook nooit op Facebook. Vier of zes maanden lang post ik geen enkel bericht. Er zitten nu collega’s in Mali en hun Facebookpagina’s staan vol foto’s en filmpjes. Ondertussen weten ook mensen met minder goede bedoelingen dat ze in Mali zitten, en via hun Facebookprofiel kennen ze hun adres en hun hele familie.»

Els «Ik ben het tegengestelde van Benny, ik ben een flapuit. De Afghaanse collega’s mochten alles van mij weten. Ik ben heel actief op Facebook, via mijn account was iedereen dus op de hoogte toen Benny de laatste keer in Jordanië zat (lacht).»

HUMO In juni 2009 was er veel commotie nadat bekend was geraakt dat Belgische militairen in de buurt van Kunduz urenlang onder vuur van de taliban hadden gelegen.

Benny «Ik was één van hen. Die aanval werd inderdaad breed uitgesmeerd in de media. In de maanden ervoor hadden sommigen schamper gedaan over de Belgen in Afghanistan: ‘Oké, ze zijn er om de bevolking te beschermen, maar er gebeurt toch nooit iets.’ Toen er eindelijk actie was, schrok iedereen zich een bult.»

HUMO Wat is er precies gebeurd?

Benny «We waren samen met Afghaanse militairen op patrouille en werden plots onder vuur genomen. Dat was de eerste keer sinds de moord op de tien Belgische para’s in Rwanda in 1994. Daarom was er zo’n gedoe in de pers. Of die ervaring me getraumatiseerd heeft? Helemaal niet. De eerstvolgende keer dat je er weer op uit moet, sta je er wel even bij stil. Maar het hoort erbij.»

Els «Benny is opgeleid als para, hè. Ik hou me vooral bezig met administratief werk, het personeelsbeleid en de pr. Sinds mijn missie in 2009 heb ik zelfs geen wapen meer vastgehad. Ik kwam in Kunduz aan na dat incident, en er hing een heel ontspannen sfeer.»

HUMO Jullie hebben terug-geschoten. Hebben jullie toen mensen geraakt?

Benny «Waarschijnlijk wel, maar zeker weten we dat niet. Op zo’n moment ga je dat niet checken. Toen we na dat vuurgevecht terug op de basis kwamen, riep de korpscommandant iedereen naar de bar. Hij sloot de deur en zei: ‘Nu gaan we praten.’ We hebben er een uur of drie gezeten. Er is gelachen, maar ook gehuild. We kwamen opgelucht weer buiten. Een week later reden we terug uit, en iedereen was paraat.

»Bij de para’s leer je in je opleiding met stress om te gaan. Eerst breken ze je, daarna bouwen ze je weer op. Op mijn laatste commandokamp ben ik 10 kilo afgevallen, omdat ze stelselmatig de porties verkleinden. Ik moest leren functioneren met een minimum aan voedsel. Uit honderd militairen in burger haal je de para’s er zo uit.

»Wij kunnen tegen een stootje en daarom ook hoor je ons op missie niet snel over onze huisvesting klagen. Als ik vertrek, bereid ik me altijd voor op het ergste. Zo valt het nooit tegen. De slechtste plek waar ik tot nog toe heb geslapen, was tijdens de eerste missie in Jordanië. Daar riskeerde je geëlektrocuteerd te worden tijdens het douchen omdat er een stopcontact in de muur van de douchecabine zat. Maar ik had een dak boven mijn hoofd, ik lag droog en ik kreeg eten en drinken. Dus was ik gelukkig.»

HUMO In Jordanië zijn de Belgische F-16’s gestatio-neerd die bommen in Irak en Syrië droppen. Doden ze mensen?

Els «Nee, ze redden mensen.»

Benny «Als de piloot in zijn cockpit een spelend kind ziet, duwt hij niet op het knopje om de bom te lossen. Een piloot bombardeert trouwens nooit op eigen initiatief, daarover beslissen een aantal verantwoordelijken. Maar als hij een slecht gevoel heeft, dropt hij niet.»

Els «Het zijn geen cowboys.»

Benny «Een Belgisch precisiebombardement is anders dan een Russisch. We hebben allemaal de beelden gezien van de precisiebombardementen van de Russen in Syrië: in een straal van 500 meter lag alles plat.»

'Bij de para's leer je in je opleiding met stress om te gaan. Eerst breken ze je, daarna bouwen ze je weer op.'

HUMO Waarom zijn jullie destijds bij het leger gegaan?

Els «Ik had een bachelordiploma communicatie, maar tot grote ergernis van mijn ouders heb ik daar niets mee aangevangen. Ik was het type van twaalf stielen en dertien ongelukken. In mijn vrije tijd was ik aan het feesten of het slapen. Ik had nood aan structuur, en op mijn 29ste ben ik bij defensie gegaan. Ik wilde eerst kok worden in het leger, want ik ben een kookfanaat. Maar op de eerste dag zeiden ze: ‘Je hebt levenservaring en een hoger diploma, waarom zou je geen officier worden?’ Ik heb me dat nooit beklaagd. Nu ben ik kapitein en werk ik bij de luchtmachtschool.»

Benny «Bij ons in de straat woonde een paracommando, hij was de beste vriend van mijn vader. Hij zat veel in Afrika en dat sprak mij aan. In 1992 wilde mijn moeder me inschrijven aan de hogeschool, maar ik had ondertussen testen bij het leger afgelegd. In augustus ging ik binnen.»

HUMO Uw moeder vond dat niet fijn?

Benny «Nee, en na 26 jaar is ze nog niet bijgedraaid, want ik ben veel weg. Vier jaar geleden heb ik de para’s ingeruild voor de luchtmacht, maar ik ben toch nog vier maanden per jaar van huis.»

Els «Hij heeft ook co-ouderschap over een dochter van 11.»

Benny «Dat verwijt mijn moeder me soms. Ik heb altijd gezegd dat ik op missie ga zolang mijn dochter niet klaagt. Ze is pas twee jaar geleden beginnen te zeuren, toen ik in Jordanië was.»

Els «Ze was toch heel flink? Maar plots begon ze je te missen.»

Benny «Als ik in 2000, op mijn eerste missie in Kosovo, een mail wilde versturen, moest ik die op een floppydisk zetten en aan de eenheidsadjudant afgeven. Die stuurde je bericht dan naar het e-mailadres van je keuze. Nu is er overal wifi. Mijn dochter ziet me via FaceTime bijna elke dag. Dat maakt het gemis toch draaglijker. Het grootste nadeel van die bereikbaarheid is dat de communicatie niet aan banden gelegd kan worden als er iets ernstigs gebeurt. In 2000 sloten ze na een incident de communicatie met België gewoon af. Vandaag kan iedereen overal het internet op, of je nu in Mali, Afghanistan of Irak zit.»

Els «De communicatie afsluiten willen ze vooral om de families te beschermen, zodat er geen ongefilterde berichten of geruchten verspreid worden.»

Benny «‘Alles wat je in de pers over onze missie leest, is niet waar, tot ik het bevestigd heb,’ zeg ik mijn moeder en Els altijd. Van een mug wordt snel een olifant gemaakt, en voor hetzelfde geld stelt een zogenaamd incident niets voor. In 2009 raakte mijn moeder in paniek toen de journaals in België breed uitpakten met dat incident met de taliban. Ik heb haar ’s avonds meteen gebeld om haar gerust te stellen.»

HUMO Die hinderlaag in Kunduz had ook slecht kunnen aflopen.

Benny «Je denkt altijd: mij zal dat niet overkomen. Niemand had zo’n hinderlaag verwacht. Op dat moment zaten we er al drie maanden. De Duitsers reden één keer naar buiten en hadden meteen prijs. De Belgen was tot dan toe nooit iets overkomen. Het is geen toeval dat wij op missie bijna nooit in conflicten belanden. In operaties tonen de Belgen veel respect voor de lokale bevolking. Anderen denderen met 120 km per uur door een dorpje waar moeder de vrouw haar was aan het ophangen is. Wij rijden er altijd stapvoets door.»

HUMO Dat wordt erin gestampt?

Benny «Nee, Belgen zijn beleefde mensen. Als je jezelf nederig opstelt, krijg je ook veel meer gedaan van de plaatselijke bevolking.»

Els «Amerikanen gedragen zich anders. Ik moest van de luchthaven van Kaboel naar het hoofdkwartier, amper een paar kilometer verder. Ik nam achteraan in een gepantserd voertuig plaats en de chauffeur zei: ‘Sit back and relax.’ Hij gaf gas en remde niet één keer, want een voertuig dat stilstaat, is een zwak voertuig.»

''Veel Afghanen nodigden me uit op de thee, want ze waren dat niet gewend, een vrouw die rookt en drinkt.'' Els Foblets

HUMO Voelden jullie nooit vijandigheid?

Benny «Ik niet.»

Els «In Kaboel waren veel Afghanen in de eerste plaats erg nieuwsgierig. Ze nodigden me uit op de thee, want ze waren dat niet gewend, een vrouw die rookt en drinkt. Ik vind: als je vier maanden in Afghanistan zit, is het ook de bedoeling dat je iets van de lokale bevolking leert. Je wilt weten wat hen drijft en waarom ze het met die taliban zover hebben laten komen. Ze appreciëren het dat je in hen geïnteresseerd bent.»

Benny «De situatie in Afghanistan is te vergelijken met die in België. Ze hebben altijd te veel toegelaten, en op een bepaald moment was het te laat. Ik ben rechts, maar absoluut geen racist. Ik kom goed overeen met onze Turkse buurman, maar wat die Islam-partij wil, gaat regelrecht in tegen de grondwet. Zo is het in Afghanistan ook begonnen.»

Els «Altijd hebben we daar discussies over, want hij is rechts en ik ben links. Gelukkig is een goede militair geen beleidsmaker. Wij zijn altijd loyaal aan onze bazen.»

HUMO Was u de enige vrouw op missie in Afghanistan?

Els «Ik zat in een detachement van driehonderd mannen, de Ardense Jagers, en we waren met drie vrouwen. Ik arriveerde in Kaboel en de detachementscommandant verwelkomde me met: ‘Ik hou niet van de luchtmacht en in het leger is geen plaats voor vrouwen.’ Ik dacht: ‘Oei, hij is precies nogal sceptisch.’ (lacht) Ik besloot hem zoveel mogelijk tegemoet te komen. Vandaag is die man korpscommandant. Toen hij het bevel van zijn huidige eenheid overnam, was ik op de plechtigheid uitgenodigd. Het zal indertijd in Afghanistan dus wel meegevallen zijn. Het hielp ook dat ik verbaal ben. Op het einde van die missie, toen de mannen al drie maanden van huis waren, kletste er weleens iemand op mijn achterste. Maar hij werd direct gecorrigeerd door de collega’s. En als die kerels aan het sporten waren in hun bloot bovenlijf, dronk ik mijn cola in hun buurt op. Want ook ik was al drie maanden van huis (lacht).»

Benny «Ze hebben het altijd over de mannen, maar in operaties zijn er ook vrouwen die rondfladderen. Ik was ooit op oefening in Kaapverdië. Eén van de vrouwen in het gezelschap ging in haar string op het strand liggen. Als je met tweehonderd para’s op stap bent, doe je zoiets niet. Doe dat in België na de werkuren, maar niet tijdens een operatie.»


Roger Sobrie ‘Meisjes op de loop’

In 1956 twijfelde Roger Sobrie (77) tussen een opleiding tot cameraman voor het nieuwe medium televisie of een carrière als onderofficier.

Roger Sobrie «Mijn buurjongen was twee jaar ouder en zat op de militaire school. Hij liep rond in uniform en maakte indruk. Ik was nog geen 16 toen ik meedeed aan het ingangsexamen van de school voor onderofficieren in Zedelgem. Ik hoorde er niets meer van en schreef me toen maar in voor een cursus voor het gloednieuwe beroep van tv-cameraman. Vlak voor het nieuwe schooljaar kreeg ik toch bericht uit Zedelgem: ik was geslaagd. Ik ging het leger binnen en ben er tot aan mijn pensioen in 1997 gebleven. Op het einde was ik adjudant-majoor.»

HUMO Had u het als 16-jarige moeilijk om zich aan te passen aan de leger-discipline?

Sobrie «Nee, de tijden waren anders. Op school had de leraar altijd gelijk, je ging nooit in discussie met hem. De legerdiscipline borduurde daarop voort. Ik was een brave jongen. Ik haalde soms wel kattenkwaad uit, maar ik kleurde nooit buiten de lijntjes. Twee jaar later studeerde ik af en na een opleiding aan de infanterieschool in Aarlen kwam ik bij de militaire politie terecht. In 1958 begon ik als sergeant in de kazerne van de militaire politie aan de Antwerpse wijk Luchtbal. Onze belangrijkste taak was de controle van de dienstplichtigen. Tijdens hun vrije dagen of verloven moesten ze altijd verplicht in uniform naar huis, waar ze geüniformeerd moesten blijven rondlopen. Natuurlijk trokken de meesten hun burgerkostuum aan. Wij controleerden hen als ze de kazerne of de trein verlieten.

»Ik escorteerde op de motorfiets ook militaire transporten van Antwerpen tot Smeermaas, aan de Nederlandse grens. Ik reed met een Saroléa (legendarisch Belgisch motorfietsenmerk, red.). Onze eigen technici hadden er blauwe lichten op gemonteerd. Een sirene hadden we niet, we behielpen ons met de claxon: ‘Tuut-tuut!’ (lacht)»

HUMO Begin 1959 riep de compagniecommandant u bij zich: u moest voor zes maanden naar Congo.

Sobrie «Ik was een vrijgezel van amper 18 en het avontuur trok me aan. Ik zou gestationeerd worden in de militaire basis van Kitona, in Beneden-Congo. De para’s en commando’s waren daar gelegerd en als MP’er moest ik hen controleren. Mijn taak zou dezelfde zijn als in Antwerpen: erop toezien dat ze zich niet misdroegen.»


Stoom aflaten

HUMO Congo werd op 30 juni 1960 onafhankelijk. Hing er in het voorjaar van 1959 al onrust in de lucht?

Sobrie «Er werden besprekingen over de onafhankelijkheid gevoerd en de kranten besteedden daar aandacht aan. Ik wist dus dat er iets op til was, maar ik stond daar verder niet bij stil. Er waren geen opstanden en de mensen kwamen niet op straat. En de Belgische militairen zaten al een paar jaar op de basis van Kitona.

»We vertrokken vol goede moed met een vliegtuig van Sabena. Het was erg koud toen we instapten. We droegen onze zware kledij, met alles erop en eraan. In onze koffer zat een zomerkostuum voor de tropen, dat defensie speciaal had laten maken. We hadden ook korte broeken en een speciale hoed.»

HUMO Een tropenhelm?

Sobrie «Nee, een vilten hoed. De kolonisten droegen tropenhelmen. Ons vliegtuig tankte bij in de Libische hoofdstad Tripoli en van daaruit vlogen we naar Leopoldstad, het huidige Kinshasa. Het was 30 graden, maar we mochten ons uniform niet uittrekken. Een Flying Boxcar, een vliegtuig waar de para’s uit sprongen, bracht ons naar Kitona.

»De basis had een militair vliegveld met een munitiedepot. Er huisden verschillende bataljons commando’s, samen met administratief personeel. Je had er ook zwarten, die vooral in de keuken meehielpen. Zij hadden hun eigen woningen en die werden elke ochtend geïnspecteerd door de blanken. Alles moest netjes schoongemaakt zijn.»

HUMO Hoe was de sfeer?

Sobrie «Elke dag was er ontspanning op de basis en werd er een andere film vertoond. Uitgaan mocht niet, behalve als je daarvoor de toelating had. Maar het dichtstbijzijnde dorpje lag een paar kilometer verder in de brousse. De basis in Kitona was volledig zelfvoorzienend, met een eigen waterzuiveringsstation, een elektriciteitscentrale en een hospitaal. Zwarte mensen uit de omgeving waren ook in het ziekenhuis welkom.

'Natuurlijk dachten we soms aan vrouwen, maar in de buurt viel niets te beleven. En als een groepje meisjes ons zag, zetten ze het op een lopen.'

»Op sommige dagen aten we mosselen, die rechtstreeks met het vliegtuig uit België kwamen. We betaalden daar een zacht prijsje voor. Ze werden in Oostende geoogst en anderhalve dag later lagen ze op ons bord. ’s Avonds speelden we Monopoly, dat was razend populair. Rond halfzeven was het donker, dan zaten we samen en dronken we een pint. Af en toe dronk er weleens iemand te veel, maar het alcoholgebruik bleef binnen de perken. Er heerste tucht en discipline.»

HUMO Een collega van u getuigde eerder in deze reeks dat er in Duitsland stevig gedronken werd. In Congo niet?

Sobrie «In Duitsland leefden vooral oudere militairen met hun gezinnen. Wij in Kitona waren allemaal jong, er waren nog geen grote drinkebroers bij. De overgrote meerderheid was jonger dan 25. De kantines gingen ’s avonds om tien uur dicht. En in Duitsland was de sterkedrank taksvrij. Wij betaalden ook niet veel, maar onze keuze was beperkt tot water, frisdrank, een biertje of whisky. Gemixt met cola was dat trouwens gezond: goed tegen diarree en malaria. Oké, misschien werd er af en toe overdreven, en soms gingen een paar militairen zonder toelating naar het dorp. Vaak werden ze dan verraden door zwarten. Anderen zagen de Belgen graag komen. Zij hadden bier fris staan en verdienden zo een cent bij. Maar eigenlijk was dat verboden. Eén keer per week reed een vrachtwagen met militairen met verlof naar de stad Vista. Daar was een hotel waar ze een pint mochten drinken. De burgers en de kolonisten kwamen daar ook.»

HUMO Daar was ook de hoerenbuurt?

Sobrie «Die bestond niet. De aalmoezeniers drongen er trouwens altijd op aan om dat soort vertier links te laten liggen. Natuurlijk dachten we soms aan vrouwen. We maakten er grappen over, maar in de buurt viel niets te beleven. Wij patrouilleerden in de dorpen en als een groepje meisjes ons zag, zetten ze het op een lopen. We lieten stoom af door veel te sporten en voetbal te spelen.

»Vista lag aan de Atlantische Oceaan. De kolonisten uit de omgeving kwamen daar op zaterdag en zondag en bleven er soms slapen. De para’s dansten er in het weekend met de Belgische meisjes die in de week op internaat zaten in Leopoldstad. Er werd verbroederd, maar voor de rest gebeurde er niets, want de ouders van de meisjes waren altijd in de buurt.»

HUMO Had u Congolese vrienden?

Sobrie «Niet echt, al had ik wel contact met Congolezen. Ze kwamen hun diensten aanbieden, zoals de was doen. Samen met een kameraad nam ik zo’n jongen in dienst. Wij noemden hem onze tsji tsji boy, onze loopjongen, maar we betaalden hem het gangbare loon voor zijn werk. ’s Avonds trok het zwarte personeel naar de cités indigènes, hun eigen wijken. De militairen moesten daar wegblijven, behalve wij, agenten van de MP, want wij moesten er patrouilleren om op overtredingen te controleren.»


Veel angst

HUMO Wanneer begon u iets te merken van de nakende onafhankelijkheid?

Sobrie «In de lente van 1960 sijpelden er een paar berichten binnen. Zo was er in Leopoldstad een opstandje geweest waarbij het Congolese leger had moeten ingrijpen. We schonken er weinig aandacht aan, maar in mei begonnen we met oefeningen om wegversperringen op kruispunten te installeren, om zo demonstranten tegen te houden.

»Eind juni kregen we bezoek van een paar zwarten die ons welgezind waren. ‘On va faire l’indépendance,’ zeiden ze. Toen vroegen we ons voor het eerst af wat de gevolgen konden zijn. Er was een protocol getekend dat de Belgen toestemming gaf om nog jaren in Congo te blijven om de zwarten op te leiden. Alles leek aanvankelijk bij het oude te blijven. We patrouilleerden nog steeds zonder pistool, met alleen onze matrak bij ons. Tot een paar zwarten riepen: ‘We worden zoals de blanken en halen geld af in de bank.’ Ze redeneerden: ‘Door de onafhankelijkheid zullen we dezelfde rechten als de blanken hebben en kunnen we net zo doen als zij.’ Maar ze vergaten dat ze geen geld op een rekening hadden staan.

»Er kwam een missionaris langs, een pater op een motor in een lange witte pij en met een tropenhelm op het hoofd. ‘De mensen zijn niet gelukkig,’ zei hij. Hij vertelde over verschillende incidenten elders in Congo. Toen kwamen de officiële nota’s met berichten over schermutselingen. We kregen het bevel om alle uitgangen op de basis af te sluiten. Maar wat er precies aan de hand was, wisten we niet. De communicatie verliep mondjesmaat. Tot op een bepaald moment Belgen en Portugezen uit de buurt bij ons kwamen aankloppen. Ze waren halsoverkop weggevlucht van hun plantages en zochten een veilig onderkomen.»

''Mosselen uit Oostende lagen anderhalve dag later op ons bord in Congo. We betaalden daar een zacht prijsje voor.'' Roger Sobrie

HUMO Ze vreesden voor hun leven?

Sobrie «Ja. Congolezen hadden hen bedreigd: ‘We nemen de boel over, want nu is alles van ons.’ Zo begon de onrust ook in het Congolese koloniale leger, de Force Publique. Op de dag van de onafhankelijkheid werd een majoor bedreigd door de zwarten die tot dan zijn schoenen hadden gepoetst. Gewone soldaten of korporaals werden benoemd tot kapitein of commandant, en de officieren die bij ons aan de militaire school hadden gestudeerd, verloren hun gezag.

»Vanuit Brussel kregen we het bericht dat de basis in Kitona een opvangcentrum werd. Van daaruit zouden alle Belgen die dat wilden, met vliegtuigen geëvacueerd worden. Hun auto’s moesten ze achterlaten. Toen wisten we dat het menens werd.»

HUMO De Belgen die vertrokken, waren alles kwijt?

Sobrie «Ja. Ze hadden hun auto’s volgeladen, maar ze mochten alleen een koffer meenemen. ‘De rest wordt later opgestuurd,’ kregen ze te horen. Die auto’s zijn daar gewoon blijven staan. Het waren er enorm veel. De kolonisten hadden jachtwapens en die werden op de basis verzameld. Ook de Force Publique werd ontwapend door de para’s en er kwamen vrachtwagens met nog meer wapens binnen. De goede exemplaren gingen terug naar België. De oudere, waaronder heel wat uit de Eerste Wereldoorlog, werden ter plaatse vernietigd. In een grote put tien kilometer verder werd alle munitie opgeblazen.

»Maanden aan een stuk vlogen Belgen terug naar huis met Sabena-vliegtuigen. Het was chaos, er was paniek. Sommige mensen vertelden dat ze aangevallen waren. We hoorden van verkrachtingen en brandstichtingen, maar die verhalen kwamen van ver. In onze buurt was het fysieke geweld minimaal. Er werd vooral geroepen en gedreigd, maar de schrik zat er goed in.»

HUMO Ook bij u?

Sobrie «Nee, wij deden gewoon ons werk. We vingen die mensen op, registreerden hen en zetten hen op het vliegtuig. Maar in oktober 1960 liep de toestand snel uit de hand en werd de basis overgenomen door troepen van de Verenigde Naties, vooral Marokkaanse militairen die behalve hun uniform helemaal niets hadden. De Belgische overheid schonk het voertuigenpark van het Belgische leger aan de VN, en ook de achtergelaten auto’s van de burgers. De para’s waren al weg, en de militaire politie, wij dus, verliet als laatste Congo.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234