Het lieve leven en hoe het te lijden: Jan Fabre

9 januari 1984: Het visioen van de martelaar. Mezelf masturberen tot ik bloed spuit. En met dat bloed tekenen.

Het zijn citaten uit ‘Nachtboek (1978-1984)’ van de jonge, honger lijdende en toen nog volslagen onbekende performancekunstenaar en beeldend kunstenaar Jan Fabre (55). Voor een dagboek had hij geen tijd. Maar ’s nachts, worstelend met een niet te cureren slapeloosheid, deed hij aan meedogenloos zelfonderzoek en schreef hij het resultaat op.

Die Nachtboeken – de eerste twee delen zijn onlangs bij De Bezige Bij uitgegeven – werpen een verbazend en verhelderend licht op het monstre sacré dat Jan Fabre vandaag is geworden. De zelfanalyse is totaal, meedogenloos en eerlijk als bloed. Ik besluit ze dan ook als leidraad voor deze aflevering van ‘Het Lieve Leven’ te gebruiken. De kunstenaar schrikt bij de confrontatie met z’n 20-jarige zelf: ‘Als ik díé jonge Jan Fabre vandaag zou tegenkomen, ik zou hem een flink pak rammel geven, zodat hij weer met beide voeten op de grond staat.’ Als dat geen levensles is!

HUMO Je komt uit de Antwerpse Seefhoek.

Jan Fabre «Het grootste deel van m’n jeugd heb ik doorgebracht in de Lange Beeldekensstraat. Vincent van Gogh heeft er ooit een ateliertje gehad. Op het einde van de jaren 70 heb ik die straat nog herdoopt in de Jan Fabrestraat. Mijn ouders vormden een prachtig koppel, een sterk voorbeeld van liefde en anarchie. Vader had academie gedaan en was communist, van huis uit. Zijn broer, mijn nonkel Jaak, zat tijdens de oorlog in het verzet. Mama stamde uit de Franssprekende Antwerpse katholieke bourgeoisie, ze werd ook Franstalig opgevoed en had aan een privéschool in Zwitserland gestudeerd.

'Nee aan het compromis. Het compromis is voor de lafaards, de broekschijters'

»Vader heeft mij in die jaren enorm beïnvloed. Hij nam mij al zeer jong mee naar de zoo, om er de dieren te tekenen. We gingen ook samen naar het Rubenshuis, waar hij mij leerde de grote meester te kopiëren. Van mijn mama kreeg ik de Franse cultuur ingelepeld: aan tafel vertaalde ze mij Baudelaire, Rimbaud, Verlaine, Boris Vian, Georges Brassens, Jacques Brel.

»Fysiek lijk ik op m’n papa. Maar m’n energie, m’n temperament en m’n verbeelding komen van mama. Haar meisjesnaam was Helena Troubleyn, en ik ben die naam blijven koesteren: mijn Antwerpse uitvalsbasis heet niet zonder reden Troubleyn/Laboratorium.

»Thuis was er nooit geld. Wij waren financieel arm, maar rijk aan verbeelding: de ene dag werd mama gevangen door de indianen en kwam papa haar bevrijden. Twee dagen later, bij het avondeten, was papa Marcus Antonius en mama speelde Cleopatra. Zo ben ik opgevoed. M’n ouders waren ook gezond seksueel met elkaar bezig, ze zaten voortdurend aan elkaar te frutselen en kusjes te geven.

»Een auto, dat was voor ons ondenkbaar. Mijn papa had een fiets, we gingen nooit op reis. Hij werkte als hovenier bij ’t stad, in de Kruidtuin. En die man versiert dus een prachtige vrouw! Ze zijn meer dan vijftig jaar samen gebleven. Mijn mama is gestorven aan liefdesverdriet: zes maanden na de dood van vader ging ze zelf. Schitterend koppel...

»Mama werkte niet: ze mocht niet van papa. Ze was zeer mooi en hij was jaloers, snap je. Later kwam uit dat vader haar telkens weer zwanger maakte als ze bijna werk had gevonden. Wij moesten soms vijf maanden wachten om een nieuwe onderbroek te krijgen. De dag dat het kindergeld eraan kwam, was het feest.

»Ik was als jonge gast van 19 in New York gaan wonen. Mijn moeder gaf me bij het afscheid goede raad mee: ‘Jan, verloochen nooit je afkomst. Wees trots, wees fier.’ En: ‘Woorden zijn een mooier ruilmiddel dan geld, vergeet dat nooit.’ Ik ben totaal onmaterialistisch opgevoed. Alles voor de schoonheid.»

HUMO In je ‘Nachtboek 1978-1984’ treed je naar voren als een zeer energieke, dynamische maar ook getormenteerde jongeman. Hoe is die bezetenheid in jou geslopen?

Fabre «Ik lag niet overhoop met m’n ouders, ik lag overhoop met de maatschappij. Ik herinner mij een ongelooflijke woede, een niet te temmen colère. De culturele wereld was snobistisch, achterbaks, vals, zat vol fijne maniertjes. Toen ik m’n dagboeken herlas, herkende ik een jonge gast die hopeloos met iedereen én met zichzelf in de knoop lag. Iemand die twijfelt over alles. Het is een lang en hard gevecht geweest.»

HUMO Net dat gevecht, zoals je het in je ‘Nachtboek’ hebt opgeschreven, vind ik prachtig. De jonge, nog niet beroemde Jan Fabre is een fantastische kerel. Opmerkelijk: hij lijdt in hoge mate aan slapeloosheid.

Fabre «Die slapeloosheid is genetisch, mijn mama had het ook. Soms belde ze mij midden in de nacht op, zomaar, om wat te praten. Als kind kreeg ik al slaappillen: tranquillizers en barbituraten waaraan je verslaafd raakt. Ik was een ADHD-geval, nog vóór de naam bestond. Mijn hele jeugd heb ik op slaappillen geleefd, straf spul zoals Rofinol. Later puurde ik er kunst uit: als je drie etmalen aan één stuk wakker bent gebleven, zie je dingen die een gewone sterveling niet ziet. Er zat ook een grote angst bij. Met het ouder worden heb ik geneeskundige hulp gezocht. Ik leerde me te ontspannen, op een juiste manier adem te halen. Stilletjesaan is die angst een vriend geworden. Het gebeurt nog altijd dat ik twee, drie nachten helemaal niet slaap. Maar ik heb het leren aanvaarden.»

'Ik was een ADHD-geval, nog vóór de naam bestond. Mijn hele jeugd heb ik op slaappillen geleefd, straf spul zoals Rofinol'

HUMO Je hebt nog een ander probleempje: je tenen zijn naar het schijnt voortdurend piano aan het spelen, ook in je slaap.

Fabre «Dat is een neurologische eigenaardigheid, ’t zit in mijn hersens. Vanuit m’n brein worden voortdurend onwillekeurige impulsen naar m’n tenen gestuurd, zodat die almaar in beweging blijven. Het is onbeheersbaar. De neurologen weten waar precies het in m’n hersens zit, maar het valt niet te opereren. Ik heb een tijd inspuitingen gekregen om die spiercontracties tegen te gaan; dat maakte de zaak alleen maar erger. Er leeft in mij een niet in te tomen alertheid, een extreme vitaliteit. En die alertheid kan ik ’s nachts niet stilleggen.»


★★★

‘Antwerpen, 25 maart 1978. Nachtelijke actie.

Ik ben op de Groenplaats aan het tramhokje van tram 2 op mijn knieën gaan zitten en heb mijn neus in één van de sporen gestoken. Ik heb met mijn neus de sporen gevolgd tot aan het tramhokje van de VIIde Olympiadelaan. Ik heb er vier uur, zesendertig minuten en twaalf seconden over gedaan. Ik ben nu thuis. Mijn knieën, nek en neus doen extreem pijn, maar ik zal goed slapen.’

Fabre «Zulke dingen deed ik toen. Het was één van mijn eerste performances, er bestaan foto’s en een filmpje van. Ik had een vriend bij me die alles op 8 mm heeft vastgelegd. (Wijst naar z’n neus) Als je goed kijkt, zie je dat ik m’n neus toen behoorlijk heb gekwetst. Maar als jonge kunstenaar heb je dat ervoor over.»

HUMO Je had het in je boeken over ‘de kinderlijke mentaliteit’ die je wil behouden. Uit je werk blijkt een hoge mate van manipulatie maar tegelijk van onschuld, twee attributen die eigen zijn aan het kind.

Fabre «Ik zeg altijd: ‘It takes a lifetime to become a young artist.’ Ja, dus: ik ben nu jonger en kinderlijker dan ik ooit ben geweest. Vrijer, opener. Je kunt het zo stellen: die dagboeken zijn door een ouwe vent geschreven. Het echte kind Jan Fabre staat hier voor jou.»

HUMO Kun je begrijpen dat ik meer gefascineerd word door de jonge, lijdende Jan Fabre, dan door de geslaagde artiest van middelbare leeftijd?

Fabre «Dat begrijp ik best. Alleen: geslaagd voel ik mij helemaal niet. Ik heb eerder het gevoel dat het voor mij nog allemaal moet beginnen. Projecten die ik twintig jaar terug op papier zette, kan ik nu rustig gaan uitvoeren. Ik heb voor mezelf een luxesituatie geschapen waarin ik mij gesteund weet door een aantal galeristen of intendanten wereldwijd, die mijn sculpturen of installaties willen financieren. Die vrijheid is er pas de laatste zeven jaar gekomen. Enorm spannend voor een kunstenaar: eindelijk kun je je dromen realiseren. Waar je vroeger een maquette van maakte, kan nu levensgroot worden neergezet.»


★★★

‘Brugge, 15 mei 1978. Ik heb Gillettemesjes gekocht. En op mijn hotelkamertje heb ik mezelf gesneden in mijn voorhoofd. Het bloed van mijn denken laten druppelen. Het is een serie mooie tekeningen geworden.’

Fabre «Daar zijn m’n eerste bloedtekeningen ontstaan, ja. Brugge, de Bloedprocessie. Ze zijn de voortzetting van een eeuwenoude traditie in de kunst. Zelfs de holbewoners schilderden al met hun eigen bloed. En de oude Vlaamse meesters vermengden het bloed van mensen en dieren in hun verf om speciale bruintinten te bekomen. Vergeet niet: ik ben nog in de oude school opgeleid. Pas later ben ik m’n eigen lichaam gaan exploreren.»

HUMO Je tekent niet alleen met je eigen bloed, maar ook met je sperma. Uit je Nachtboeken blijkt trouwens dat je altijd een overtuigd masturbeerder bent geweest.

Fabre «Dat is van dezelfde orde als het bloed. Mijn sperma, mijn urine, mijn speeksel komt uit mij, is een deel van mijn lichaam. Dus kan ik het gebruiken om ermee te schilderen. Het is een onderzoek naar m’n lichaamsvochten. Tranen heb ik ook gebruikt. Alles, eigenlijk.»

HUMO Hoe kwam je aan die tranen? Huil je vaak?

Fabre «Het gebeurt af en toe wel, ja. Je hebt irritatietranen, tranen veroorzaakt door uien. Je hebt tranen van verdriet, die ik ook gebruik. Vervolgens heb je spirituele tranen; die vloeien bij momenten van grote ontroering: als ik naar mooie muziek luister, of een prachtig schilderij zie. Wat blijkt? Spirituele tranen bevatten het meeste zout. Prachtig, hè. Ik heb het door wetenschappers laten analyseren. Dat hoort allemaal bij m’n grote onderzoek van het lichaam. Bijna al m’n werk draait omheen dat lichaam.»

HUMO Ook stront en diarree zijn lichaamsvochten. Ooit iets mee geprobeerd?

Fabre (ontwapenend) «Dat stinkt, hè. ’t Sprak mij niet meteen aan. Maar zweet heb ik gebruikt, ja.»

HUMO Snot? Oorsmeer? Tenenkaas? Haarschilfers?

Fabre «Je brengt me op een idee. Met oorsmeer heb ik al gewerkt. Ik heb ook lange tijd m’n afgeknipte nagels verzameld. De vraag daarbij is altijd: hoe werkt m’n lichaam, hoe zit het in mekaar, wat scheidt het af? Wat voor laboratorium is het? Wat zijn de valstrikken van dat lichaam? Wat betekent z’n verpakking?»

HUMO Je vader zei graag: ‘Jan, als je proeft, proef dan langzaam.’ Een wijze levensraad.

Fabre «Absoluut. Over langzaam proeven gesproken: ‘Mount Olympus’, de productie die nu loopt, heb ik drie jaar geleden opgezet. We hebben twaalf maanden gerepeteerd. In het jachtige leven van vandaag is dat enorm veel tijd. Het is ook duur. Economisch gaat het zeer slecht, zeker in de theaterwereld. Zelf klaag ik niet, ik kom nog aan de bak, ik krijg m’n producties nog geplaatst. Maar ’t is duidelijk minder. Tien, twaalf jaar terug: dat was één groot feest, man.»

'Mijn moeder was zeer jaloers op m'n vriendinnetjes. Dan pakte ze mijn hand vast en bracht ze die naar haar borsten: 'Zijn die van mij niet groter, Jan?''

Een tongzoen van mama

HUMO Op 13 juni 1978 noteer je: ‘Mijn familie is een Griekse tragedie. Mijn moeder was dronken en probeerde mij te tongkussen.’ Straffe kost.

Fabre «Echt gebeurd. Niet gezond, hè. Mijn moeder was niet alleen intelligent, maar ook zeer sexy. Haar invloed was enorm. En ja, er was zeker sprake van een sterke moederbinding. Maar tot een echte tongzoen is het nooit gekomen, laat staan tot incest. Mijn moeder was altijd zeer jaloers op m’n vriendinnetjes. Dan pakte ze mijn hand vast en bracht ze die naar haar borsten: ‘Zijn die van mij niet groter, Jan? Een kinderhand is gauw gevuld...’ Ik was toen een jaar of 17. Ze zei ook: ‘Als ik jonger was, zou ik het wel weten: ik zou je snel versieren.’ Verliefd op haar eigen zoon, ja.»

HUMO Op 18 juni 1978 duiken in je Nachtboeken je blauwe bic-tekeningen op, waarmee je wereldberoemd zou worden.

Fabre «Die tekeningen zag ik als een performance: eind jaren 70, begin jaren 80 kopieerde ik met een blauwe bic klassieke schilderijen, het resultaat hangt nu in verschillende topmusea. Het was makkelijk en bijna gratis: overal slingert wel een bic rond. Veel goedkoper dan houtskool. Een bierviltje op café: voilà, daar ontstond weer een nieuw kunstwerk. Ik had geen geld voor verf. Ik ging werken in een restaurant op de Suikerrui om een minimum aan materiaal te kunnen kopen. Die bics zijn er dus uit pure armoe gekomen. Maar ik werd snel verliefd op het materiaal en ben het blijven gebruiken.»

HUMO Het blauw van een echte bic hééft iets. Magische kleur.

Fabre «En die kleur is uniek: je kunt ze in druk zeer moeilijk reproduceren. De scheikunde van de bic-inkt is wonderbaarlijk.»

HUMO Is om het even welke balpen goed voor jou?

Fabre «Nee, het moet een Bic Cristal zijn: met een zeskantige, doorzichtige, kristalheldere buis. De Bic Classique, met het blauwe bovendeel en het klipje om ’m in de bovenste zak van je jasje of hemd vast te houden, voldoet ook.»

HUMO Je schrijft: ‘Ik wil duiken in het diepblauwe.’

Fabre «Blauw in de schilderkunst, dat is een verhaal apart. In primitieve schilderijen zit geen blauw: de schilders beschikten niet over het juiste pigment. Het eerste blauw, ultramarijn, kwam er op basis van gemalen lapis lazuli, een zachte edelsteen die uit Afghanistan werd aangevoerd. Onlangs, na twintig jaar, ben ik weer bic-tekeningen gaan maken: twee permanente werken, voor de koninklijke trap van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten te Brussel en voor de hal van het Musée d’Art Moderne van Saint-Etienne.»


★★★

‘Antwerpen, 1 juni 1978. Vandaag heb ik vanaf twaalf uur de straten, deuren, huizen en standbeelden in mijn favoriete stad gekust. En om de tien minuten riep ik: ‘Ik hou van u. Je t’aime. Ich liebe dich. I love you.’ De politie heeft me opgepakt. Ze zagen dat ik niet dronken of stoned was. Ze wilden mij naar de zwakzinnigenafdeling van het Stuivenbergziekenhuis brengen.’

Fabre «Is echt zo gebeurd. Veel mensen vragen mij: ‘Waarom doe je dat?’ Ik ken zelf het juiste antwoord niet, alleen: ik doe het niet om te provoceren. Ik heb altijd gewerkt vanuit de noodzaak, het onderzoek, het experiment. Nieuwsgierigheid, dat is mijn echte drijfveer, tot op de dag van vandaag. Ik heb nooit rondgelopen met het idee: hoe ga ik de goegemeente nu weer eens van haar melk brengen? Ik word over de hele wereld geïnterviewd en dan vragen ze mij vaak: ‘Meneer Fabre, u bent een vernieuwende, avant-gardistische kunstenaar. Waarom?’ Terwijl ik nooit in zulke termen over mezelf heb gedacht. Ik wil niets vernieuwen, ik creëer uit een diepe noodzaak.»

HUMO Jan Hoet zaliger bekende in ‘Het Lieve Leven’ dat hij z’n kunstenaarsaspiraties had opgeborgen toen hij ontdekte dat hij niet creëerde, maar alleen anderen kopieerde.

Fabre «Ik vond dat nogal romantisch klinken van de Jan. Ik snap wel wat hij bedoelt, hoor. Kijk, ik heb zelf in opdracht van m’n vader schilderijen van Rubens gekopieerd, van Van Gogh, van Dürer. Precies door dat kopiëren heb ik de genetische lijn van die kunstenaars ontdekt. Ik ken de kunstgeschiedenis zeer goed. Als kunstenaar mag je nooit van jezelf denken dat je in een vacuüm leeft en dat je per se origineel moet zijn. Kunstenaars die dat van zichzelf denken, zijn doorgaans níét origineel (lacht). Je moet als kunstenaar stevig in de traditie verankerd staan. En van daaruit vertrek je dan om je eigen ding te doen. Dat is ook wat ik in het Louvre heb gedaan: mijn werk is er geplaatst naast dat van de oude meesters. Een beginnende kunstenaar wil zich meten met het verleden en begint bijna noodzakelijk met kopiëren. Ik vind: je begint te kopiëren om te kunnen falen. Uit dat falen komt dan misschien je eigenheid. Dat had Jan Hoet blijkbaar niet begrepen.»

HUMO Je hebt enige tijd als reclameschilder gewerkt, bij Blommaert in Borgerhout.

Fabre «Ik hou goeie herinneringen aan Blommaert over. Hij was groot geworden met het schilderen van reclameborden voor de cinema: Humphrey Bogart en Lauren Bacall, levensgroot. En levensecht. Ik heb er enorm veel geleerd. Letters schilderen uit de hand: begin er maar aan! Blommaert maakte ook de reclamepanelen die rond de botsauto’s hingen: The Everly Brothers, Elvis, Roy Orbison. Het zijn ideale oefeningen voor de pols. Je schildert met het platte penseel. En het moest vooruitgaan!»


★★★

‘8 augustus 1978. Amsterdam zindert van vrouwelijke energie, en ik trakteer mezelf drie keer op vanilleseks. Ik ben eraan verslaafd.’

HUMO Wat is vanilleseks?

Fabre (lacht hartelijk) «Dat je penis afgezogen wordt. En dat er dan vanille uit komt. Ik ging nooit naar de hoeren, daar was ik te trots voor. Een vrouw verover je niet met geld, maar met wie je bent, met wat je kunt, met je charme.»

'Urine, bloed en zweet vertellen ons over de kwetsbaarheid van ons lichaam. Dát is wat ik op scène wil laten zien.'

HUMO Even verder klinkt het: ‘Ik kijk graag naar porno. Ik geniet van vrouwen die vol lust en overtuiging penissen afzuigen.’ En, nu komt het: ‘Ze lijken op zingende engelen.’ Een prachtig beeld!

Fabre «Ik kijk nog altijd graag naar pornofilms. Ik ben veel op reis, en wat doe je ’s nachts, alleen, als je niet slapen kunt? Porno vertelt een eigen verhaal: dat van het hunkerende lichaam. Hoe dat lichaam verandert en gemanipuleerd wordt. Prachtig om te zien! In Tokio is de porno helemaal anders dan hier in het Westen. Ik leer nog altijd veel van porno, maar ik kan me tegelijk best voorstellen dat veel vrouwen niet van porno gediend zijn: geen enkel probleem.»

HUMO Het naakte komt vaak voor in je werk. Is ook dat níét provocerend bedoeld? Ik denk nu aan de scène in de voorstelling ‘Orgy of Tolerance’, waarin mannen en vrouwen zich masturberen op het podium, weliswaar met een witte onderbroek aan.

Fabre «Ach, die scène was simpelweg geïnspireerd op een sketch van Monty Python. ’t Was plezant, ’t was ironisch: een Olympische discipline om zo veel mogelijk en zo snel mogelijk klaar te komen. En verder: het naakte lichaam is één van de mooiste kostuums waarmee je een mens op het podium kunt zetten. Het naakte lichaam, de huid, de spieren, het skelet, dat is toch fascinerend? Een lichaam zweet, ruikt, beweegt, ontbindt, wordt gekwetst, rust uit, pist. Maar dat stoppen wij allemaal weg. Urine, bloed en zweet vertellen ons over de kwetsbaarheid van ons lichaam. Dát is wat ik op scène wil laten zien. De schoonheid van die kwetsbaarheid. Ik zie daarbij echt niet in waarom naakt zou provoceren.

'Onze maatschappij zit in een regressie: homo's worden in elkaar geslagen, vrouwen in een kort rokje worden uitgescholden voor hoer'

»A propos, ik vind dat het taboe op naakt de laatste decennia almaar groter wordt. Jij en ik zijn kinderen van de jaren 60, toen bloot doodgewoon was. Onze maatschappij zit in een regressie: homoseksuelen worden in elkaar geslagen, vrouwen in een kort rokje worden uitgescholden voor hoer. Laat je als vader je dochtertje van 10 naakt in je tuin lopen, dan ben je een pedofiel. Heeft het te maken met de economische en politieke problemen? Ik zou het niet weten. Ik vind wel: als kunstenaar mag je met taboes geen rekening houden. Je moet je eigen onderzoek doen.»

HUMO De jeugd is preutser geworden. Hoe vind jij nog jonge dansers om op een podium uit de kleren te gaan?

Fabre «Dat vind ik een vreemde vraag. Het impliceert dat ik mijn dansers zou dwingen. Er staan vaak vier generaties bij mij op de planken, er zijn mensen bij van 50, 60 jaar. Ik heb audities gedaan, ik heb meer dan 1.500 kandidaten gescreend in heel Europa. Jonge acteurs en dansers. Uit die 1.500 heb ik er twintig gekozen. Die haal ik naar hier voor een maand training. En ten slotte blijven er twee, drie over. Sommige mensen staan al twintig jaar bij mij op de scène, zij kennen mijn taal, ze nemen mij en zichzelf zeer serieus. Zij onderzoeken hun eigen fysieke en mentale grenzen. Wel, die superprofs moet ik vaak waarschuwen: ‘Mannekes, ga niet te ver, dit is geen performance, dit is theater.’ Snap je nu waarom ik je vraag vreemd vind? Ik hoef mijn mensen niet ‘zover te krijgen’, ik rem ze net af, ik toom ze in. Er gebeurt nooit iets tegen een acteur z’n zin. Alles is gebaseerd op wederzijds vertrouwen. Bij mijn dansers en acteurs gaat het niet zozeer om talent, dan wel om attitude. Ik wil mensen met de diepe honger om zichzelf te onderzoeken en af te tasten. Ze moeten krijgers van de schoonheid zijn.»

HUMO Zie je ook jezelf zo: als een krijger van de schoonheid?

Fabre «Ik ben eerder een ridder van de wanhoop.»

HUMO Wat is de kern van die wanhoop?

Fabre «Ik hou van de wanhoop, omdat het woord ‘hoop’ erin zit. Het zoeken naar hoop maakt je af en toe wanhopig. Je moet door de wanhoop heen om de hoop te ontdekken.»

HUMO ‘La vie commence au delà du désespoir,’ zei Sartre.

Fabre «Voilà. Als kunstenaar besef je dat je meestal faalt. Pas als je gaat beseffen dat het falen een onlosmakelijk onderdeel van je parcours als kunstenaar is, ben je ernstig bezig.»


Even de beentjes schuren

HUMO Soms zijn de quotes in je ‘Nachtboek’ zo sterk dat ze onwaarschijnlijk worden. Neem deze: ‘Vanmorgen weer wakker geworden, nog in kostuum, in mijn badkuip. Het water was ijskoud.’

Fabre «Al zeer jong besefte ik dat ik gedoemd was om beroemd te worden. Dus legde ik al mijn belevenissen vast, met het oog op later. Wakker worden in een ijskoud bad, dat heb ik vaak meegemaakt. Je zit onder de slaappillen en de tranquillizers en je zinkt weg in een pseudocoma, zo gaat dat. Twee Rofinols, vervolgens met een volle maag het warme bad in, en zoef, je glijdt weg. Die warme baden neem ik voor mijn onwillekeurige spiersamentrekkingen, zie je. Als ik tegenwoordig een hotel neem, is het eerste waarnaar ik kijk: is er een groot bad? Ik breng ’s nachts vele uren in bad door: schrijven, denken, warm water laten bijlopen, lezen, tekenen. Vaak neem ik een plank mee, waarop ik kan werken. Vandaar ook mijn kunstwerken waarin de badkuip een rol speelt. Ik word ook wel ’ns wakker op straat, in een café of restaurant, of op een vreemde wc.

»Later ben ik performances op Rofinol gaan doen. Ik slikte enkele Rofinols en vocht dan en plein public tegen de slaap. Moet je ook ’ns proberen. Er bestaan films van, te zien in mijn tentoonstelling ‘Stigmata’ in het M HKA.»

HUMO Veel van je performances neigen naar zelfdestructie.

Fabre «Néé! ’t Gaat om onderzoek. Om ‘zien wat met je gebeurt als...’ Ik vind het eerder getuigen van levenslust en vitaliteit. Ik kom wel uit een conceptuele generatie, maar (met grote nadruk) ik ben géén conceptueel kunstenaar. Ik wil vanuit de ervaring wijzer worden.»

HUMO Waar ligt de grens? Jezelf in brand steken om te ervaren hoe dat voelt?

Fabre «Pas op: dat is vast al eens gebeurd. Als jonge gast ligt je grens veel verder, natuurlijk. Twee jaar terug heb ik een performance gedaan die ik als jonge kerel al eens had uitgevoerd: met schuurpapier heb ik de huid van m’n benen geschuurd, om te zien wat eronder zat. Er is een film van gemaakt, trouwens. Man, ik heb drie maanden afgezien. Het zand van het schuurpapier was diep in de lederhuid gedrongen. Er diende een dokter langs te komen om de wonden te verzorgen. Als 18-jarige haalde ik m’n schouders eens op bij zo’n situatie, maar niet als man van middelbare leeftijd. Het was ook mijn manier om tegen m’n jonge artiesten te zeggen: ‘Kijk, zo doe je dat.’ Ik voed mijn dansers en acteurs met m’n eigen ervaringen.»

HUMO Wat leert zo’n performance je?

Fabre «Dat je lichaam een levend object is. En dat een dood object, een tekening, een sculptuur, een levend lichaam kan worden. Die twee zijn uitwisselbaar.»


★★★

‘Antwerpen, 1 september 1979. Twee weken lang bereid ik me voor om te vechten. En een pak rammel te krijgen. Het is nu één uur ’s nachts. Tegen drie uur wil ik vechten. Om mijn tomeloze dwangmatigheid te verwoesten. Ik ben opgekleed en klaar om te gaan.’

Fabre «Ik deed aan gevechtssporten, taekwondo en kendo. Ik was snel en dapper, maar meestal de smalste: ik kreeg enorm veel rammel. Maar ik was niet bang. Ik koos altijd de grootste en struiste uit in het nachtleven. En die ging ik uitdagen.»

HUMO Ook dat was een performance?

Fabre «De performance is mijn natuur. Alles is een performance.»

HUMO Ook dit interview?

Fabre «Ook dit interview. Kendo heb ik 25 jaar gedaan. En ik was goed, geloof me. Maar in Japan sloegen ouwe pees van 80, 90 jaar me in elkaar. Het leerde mij nederig te zijn en mijn agressiviteit te beheersen. Ik ben niet zo trots op mijn cafégevechten, hoor. Als ik een goed pak rammel had gekregen, was ik voor een tijd weer wat rustiger. ’t Is zelfgenezing. Ik wilde mij altijd meten, ook als kunstenaar. Mij meten met de geschiedenis, met kunstenaars van wie ik dacht dat ze beter waren.»

HUMO Tijd voor de conclusie. Wat is de levensles uit dit alles?

Fabre «Ik denk: als je ergens voor gaat, doe het dan tot op het bot. Anders kun je beter zelfmoord plegen. Ofwel totaal leven, ofwel níét leven. Als kunstenaar ga je voor het volle pond. Punt. Je moet bereid zijn er de consequenties van te dragen. Zeg nee aan het compromis. Het compromis is voor de middelmatigen, de lafaards, de broekschijters. Het compromis staat in de weg van het sublieme. De ernst, ook, waarmee je je kunst bedrijft. Volledig, dag en nacht, altijd in focus. Zonder die ernst en dat compromisloze vergeet je het maar beter.»


Bekijk een interview met Fabre over 'Mount Olympus':

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234