null Beeld

HET LIEVE LEVEN EN HOE HET TE LIJDEN: Reinhilde Decleir

Het is hartverwarmend om bij actrice en regisseuse Reinhilde Decleir op audiëntie te mogen. Zij is het soort madam bij wie je de niet te bedwingen aandrang voelt haar je misère te vertellen – je zak leeg te schudden, zou ze zelf zeggen. Legendarisch is haar rol van Moemoe in de prachtreeks ‘Van vlees en bloed’. En zo komt ze ook in het ware leven over: als een wat strenge, maar o zo warme Italiaanse mama.

Haar kinderen, dat zijn de kansarmen, de van de truck gevallen ongeluksvogels, de in hun geest en hun hart geblesseerden, die wij gemakshalve sociale gevallen noemen en met wie ze het theaterensemble Tutti Fratelli heeft opgericht. Maar: ‘Zijn wij niet allemaal sociale gevallen?’ zal ze in de loop van dit interview uitroepen. Voor haar werk met Tutti Fratelli heeft Decleir eind vorig jaar de Burgerschapsprijs gekregen, een prijs die jaarlijks door de Stichting P&V wordt uitgereikt ‘aan mensen en organisaties in binnen- en buitenland die zich op een voorbeeldige manier inzetten voor een open, democratische en tolerante samenleving’. En op maandag 26 januari kreeg de groep de award van Antwerpen Cultuurstad. Een terechte keuze. Van Reine Hilde valt ongetwijfeld véél te leren. O ja, bijna vergeten: Reinhilde is de zus van de acteurs Jan en Dirk Decleir. De eerste wereldberoemd in Vlaanderen, de andere op jonge leeftijd omgekomen in een verkeersongeval.

Reinhilde Decleir «Ik kom uit een gezin van vijf, drie meisjes en twee jongens, en ik ben in bijna-armoede opgevoed. Mijn grootouders langs vaderskant waren écht arm: mensen van ’t Stad, mensen van het Kiel. Als je in de archieven naar de naam Decleir zoekt, kom je uit in Noord-Frankrijk. Er zitten ook enkele Decleirs aan de Belgische kust. Mijn grootouders hielden café op het Kiel, een echt volkscafé. Het verhaal gaat dat mijn vader er een tijd in het hondenhok heeft geslapen, door plaatsgebrek. De jongste van z’n broers was zwakzinnig. Vader is meteen in de haven gaan werken, als jongste bediende. In die tijd betaalde dat zeer slecht. Hij is maar tot z’n 10de naar school geweest, maar hij heeft zich door zelfstudie omhooggewerkt. Zoals de meeste autodidacten hechtte hij bijzonder veel aan cultuur en was hij behoorlijk belezen.

»Vader was vrij afwezig. Hij ging ’s ochtends zeer vroeg naar z’n werk en deed ’s avonds aan politiek: vergaderen en discussiëren. Hij was een idealist, zeer katholiek, zeer sociaal en zeer Vlaamsgezind. Hij werd lid van de Volksunie en droeg dat ook uit.»

null Beeld

HUMO Was hij fout in de oorlog?

Decleir «Een moeilijk onderwerp... Er werd thuis nooit over gesproken. Na de Eerste Wereldoorlog werd hij dienstweigeraar en daar heeft hij twee jaar voor in de bak gezeten. Ik heb uit die tijd wonderlijk mooie brieven van hem. Hij was lid van het Gebroken Geweer, een pacifistische organisatie, die na WO I tot volle bloei was gekomen.

»Die overtuiging heeft hem in de Tweede Wereldoorlog parten gespeeld, dat is zeker. Op zijn 90ste is hij gestorven, in 2009, en ik herinner mij dat op z’n doodsbrief ook het symbool van het Gebroken Geweer stond afgedrukt. Wat er na WO II precies met hem gebeurd is, kan ik niet vertellen, omdat er thuis angstvallig over werd gezwegen.

»Toen Dirk, Jan en ik later in het politiek theater verzeilden, fronste hij wel de wenkbrauwen, maar hij toonde toch sympathie. Als katholiek was hij een late roeping. Van opvoeding was hij vrijzinnig, maar voor m’n moeder, die zeer gelovig was, heeft hij zich bekeerd.»

HUMO Ja, vertel ’ns over je moeder?

Decleir «Een prachtige, zeer mooie vrouw, maar ze is jammer genoeg jong gestorven. Zij kwam uit een veel beter milieu, een middenstandsgezin, de Huycks, dat handelde in kees en koekskes, in Niel. Ze hadden een grote winkel en deden ook de markt. Hun kraam kreeg vooral belangstelling van de jonge venten. Het gezin telde tien kinderen: één jongen en negen meisjes, stuk voor stuk schoonheden. Die meiden stonden allemaal in dat kraam te gerieven. De zaak bloeide: de Huycks waren in Niel de eersten die een auto hadden!

»Eigenlijk was mijn vader boven zijn stand getrouwd. Later, veel later is mijn moeder dat beginnen aan te voelen. Haar zussen waren echte madammen met een eigen huis. En wij dus niet. Mijn moeder speelde viool, ze studeerde piano, ze hád iets, kortom. Zij droomde ervan ooit zelf een kruidenierswinkeltje over te nemen. Maar dat kon niet. Een drama. Ze werd depressief en even later ging ze dood. Ze was ongelukkig, vrees ik. Teleurgesteld in het leven, wellicht. Wat er precies aan de hand is geweest, weet ik niet: als jongste heb ik het meeste van horen zeggen.»


Smoor op celloleraar

HUMO Er ging indertijd een ontzagwekkende, gevaarlijke kracht van de jonge Jan Decleir uit. Matthias Schoenaerts zou erbij verbleken.

Decleir «Jan was een echte wildebras, iemand die altijd uitdaagde, iemand met een grote speeldrift. Maar waar het toneelspelen vandaan kwam? Er was niet eens een tv thuis. Wij gingen wel veel naar de bibliotheek. En we zaten met het hele gezin rondom de radio, voor de luisterspelen. Vader las filosofische en politieke werken en kocht iedere dag zowel De Standaard als La Libre Belgique. En ’t Pallieterke, natuurlijk. Hij was ook lid van het zeer katholieke Davidsfonds. En we gingen met z’n allen naar de muziekschool, willen of niet (lacht), want vader was er secretaris. Ik heb zelfs een diploma notenleer, en ik heb wat cello gestudeerd. Maar ik was te lui om de fasleutel te leren (proest het uit). Ik was 14 toen, en mijn leraar was erg jong én een knappe gast. Ik werd smoorverliefd, man! Daarbij kwam dat ik van thuis geen broek mocht dragen. Dan zit je daar in een jurk, met dat instrument tussen je benen en die knappe gast vóór je. Ik werd toen ook voor het eerst ongesteld. Zie je het beeld?

»Wij, de Decleirs, deden ook mee aan voordrachtwedstrijden, en daar was Dirk uitzonderlijk goed in. Dirk was de lieveling, hij was de oudste zoon en dat was voelbaar. Hij hielp mij enorm, hij was echt de grote broer naar wie je opkijkt. Van hem heb ik zoveel geleerd... Dirk had talent, dat zag je zo. Al van in de middelbare school zette hij zelf toneelstukken op. Wonderbaarlijk. Hij was schrijver, regisseur, acteur, hij deed álles. Hij was enorm gedreven, maar benaderde het toneel veel rationeler dan Jan, later. Jan sméét zich, zonder erbij na te denken, zeer direct en emotioneel. Een ontploffend kruitvat.

»Jan heeft in het begin van z’n carrière veel geluk gehad. Hij stond er metéén, op de juiste plaats, bij de juiste mensen. Hij was een rebel, een kwajongen.

»’t Stad was toen veel kleiner: alles speelde binnen die ene vierkante kilometer waar ik nu nog altijd zit. Hier had je de cafés, de scholen, de academie, álles. Hier werden de knapste feesten gegeven. Jan hoefde niets te vragen, hij wérd gevraagd. Het is toen erg spannend geweest tussen Dirk en Jan: Dirk had er zo veel voor gedaan, en Jan, de je-m’en-foutist tot in de kist, kwam daar met het grote geweld binnen en stal onmiddellijk de show. Hij was het talent waar je niet buiten kunt. Mooie jeune premier, ook.

»Het plotselinge overlijden van Dirk (foto rechts) kwam aan als een mokerslag. Het maakte ook dat ik, als jongere zusje, nog dichter bij Jan ging aanleunen.»

null Beeld

HUMO Dirk stierf in een verkeersongeval?

Decleir «In november 1974. Het gebeurde op de weg van Gent naar Antwerpen, een weg die vrijwel altijd mooi rechtdoor loopt. En toch is hij van die weg geraakt. Hij is een voortuintje ingereden en tegen een brievenbus geklapt. Hij speelde toen net enkele maanden bij Theater Vertikaal, waar ook Bob De Moor bij zat. Jan is een onwaarschijnlijk goede automobilist, maar Dirk reed als een verstrooide professor. En hij had die avond gedronken. Hij had zeer veel problemen met de liefde, met de madammen. Een vrouw belde hem ’s avonds op en toen wilde hij per se terug naar Antwerpen rijden. Ze hebben nog geprobeerd hem tegen te houden. En toen… is het gebeurd. Vreselijk. (Krijgt het moeilijk) De hele familie ging eronderdoor. Mijn vader heeft het nooit helemaal kunnen verwerken. Tot in het bejaardentehuis had hij het erover, in al zijn ouderdomsverwarring: ‘Reinhildeke, onze Dirk, die is niet dood, hè. Die loopt hier rond!’»


Stalinisten vs. trotskisten

HUMO Je hebt het tot nog toe bijna uitsluitend over je broers gehad. Maar wat is je eigen verhaal?

Decleir «Op mijn 12de vroegen ze mij: ‘Wat ga je later worden, Reinhildeke?’ Wel, ik wilde toneelspeelster zijn. Ze lachten mij vierkant uit, toen. Ik ben, bijna letterlijk, in de voetsporen van Dirk getreden. Ik was verliefd op de magie van het theater, op het laterna magica-effect ervan. Dirk bracht ‘The Tell-Tale Heart’, van Edgar Allan Poe, en dat sloeg bij mij in als een bom. Als ik er maar bij mocht zijn, desnoods als souffleuse, desnoods in de coulissen. Thuis dachten ze: ‘Toneel is voor jongens, niet voor een meisje als ons Reinhilde.’ Maar de vrienden van Dirk hebben zich over mij ontfermd en mij het wereldje ingesleurd. Later ben ik naar Studio Amsterdam getrokken, om er echt aan politiek theater te doen. Maar daar ben ik na enkele jaren gaan lopen, precies omdat de politiek mij de oren begon uit te komen.

»Jan was van bij de start betrokken bij de Internationale Nieuwe Scène. Die brachten ‘Mistero Buffo’ van Dario Fo, en daar ben ik mee ingestapt. Arturo Corso, de assistent van Dario Fo, leidde in Antwerpen de operaties. ‘Mistero Buffo’ werd een bom. Ook in Vlaanderen hield het politieke theater huis: stalinisten tegen trotskisten. Maoïsten tegen leninisten. Er werd tot in het oneindige vergaderd en gediscussieerd. Dirk, Jan en ik hebben er hevig aan meegedaan. Wat een tijd! Pas op: Jan, Dirk, Robbe De Hert, dat waren schoon gasten, hè. En maar discussiëren, over de dictatuur van het proletariaat en over het monopoliekapitaal. Ik zeg tegen de Robbe: ‘Ik versta er niks van. Waar zijn die toch mee bezig?’ Pas op: ik heb ‘Das Kapital’ van Marx gelezen, ik heb Lenin gelezen, Engels, Trotski. Maar vraag me niet meer wat erin stond. Ik werd het zo moe. En van het slechte toneel werd ik gewoon mottig. Wat wil je: klassiek toneel was te romantisch, te afgelikt, te…»

HUMO Te weinig politiek?

Decleir «Voilà (lacht). En iedereen was zo emotioneel bezig. Want we méénden het, hè. Ik ben links gebleven. Maar ik moet vandaag wel erg lachen om wat er toen allemaal werd uitgekraamd. Wij waren… idealisten. Geld was vies, speelde geen enkele rol. Wij speelden zonder subsidie. En we leefden in wat nu armoede zou worden genoemd. Maar dat kon ons niet schelen. We werkten ons kapot voor twee keer niks, ook acteurs die kinderen hadden en niet wisten hoe de eindjes aan elkaar te knopen. ’t Was overleven. Maar wat een speelplezier!

»Maar het politieke toneel raakte in de jaren 80 van langsom meer uitgeput, was over z’n hoogtepunt heen. Veel werd herhaling. De boodschap kwam niet meer over. Overal was er ook ruzie. Links bleek plotseling niet meer in de mode. Daar sta je dan. Er kwam een nieuwe generatie, en de eerste afvalligen van de oude generatie doken op: acteurs die wél voor tv wilden werken en in ‘ordinaire’ films meedoen.

»Ik heb toen een zeer moeilijke periode doorgemaakt. Het groepsgevoel verdween, je ving elkaar niet meer op zoals vroeger. Ik speelde in almaar kleinere theaters, tot in verkommerde fabriekshallen toe. Langzaam glijd je af, tot je zo goed als alleen staat. Er vormden zich nieuwe kringen en daar hoorde ik niet meer bij. Arca of Blauwe Maandag, daar had ik graag bij gespeeld. Maar ze vragen je niet. En toch niet naar die verdomde KNS willen gaan, hè, want…»

HUMO Want dat was verraad?

Decleir «Laten we zeggen: dat was niet meer boeiend (lacht). De KNS, dat zagen wij als lopendebandwerk. Dus werd het voor mij: nu en dan een kleine rol, en voor de rest stempelen. Je eigenwaarde stuikt in elkaar. Je voelt je miskend. En ten langen leste denk je dat je het niet meer kunt. Terwijl de carrière van Jan almaar groter werd. ‘Je broer maakt het helemaal, en jij niet.’ Dat hoorde ik overal, tot in mijn eigen familie toe. En ik vertikte het Jan om hulp te vragen. Ik wilde niet teren op zijn naam.»

undefined

null Beeld

undefined

Ik kan het!

Decleir «Wat mij nu spijt, is dat ik indertijd niet wat meer in mezelf heb geloofd. Pas met Tutti Fratelli is het besef echt tot mij doorgedrongen: Reinhilde, jij kunt echt een toneelvoorstelling maken! Die kracht zat al veel langer in mij, maar ik heb ze nooit aangewend. Fratelli is mij overkomen. En het werd een openbaring, een zelfopenbaring, ook. Ik ging beseffen dat ik leiding kon geven, dat ik mensen kon motiveren. (Denkt na) Het heeft natuurlijk ook met mijn opvoeding te maken: het heeft jaren geduurd vooraleer ik het woord ‘ambitie’ leerde kennen. Ik wist niet eens wat dat was. In mijn jonge jaren was ambitie simpelweg een vies woord. Maar ambitie is niet noodzakelijk slecht. Het kan ook een stimulans zijn, het stuwt je voort.»

HUMO Plotseling werd je weer hot. Je werd een televisiester, je deed ‘De Ronde’ (foto links) voor Woestijnvis, je deed ‘Van vlees en bloed’. Je zou veel vroeger hebben kunnen doorbreken.

null Beeld

Decleir «In de jaren 60 en 70, in de jaren stillekens zeg maar, haalden wij allemaal de neus op voor televisiewerk. Dat deed je niet. Zo prijs je jezelf natuurlijk uit de markt. Tot je ziet dat je collega’s één voor één bezwijken en dat er wél eens zeer mooi werk op de buis komt. Maar dan stel je plotseling vast dat men je is vergeten: je wordt niet meer gevraagd. (Schamper) Ja, één dag figuratie, als cafémadam, of als boerin of bomma, dat mocht ik doen. De Robbe zei me: ‘Hoe komt het toch dat jij geen film- of tv-werk doet, Reinhilde?’ Ja, ik had in ‘Dr. Vlimmen’ gespeeld, en nog wat ander spul: niet slecht, maar ik bouwde het niet uit.»

HUMO En als men je dan toch eens wist te vinden, werd je getypecast als ‘de moemoe’ par excellence.

Decleir «Voilà. Tientallen van die rolletjes van twee keer niks heb ik gedaan. ‘Van vlees en bloed’ was een lucky shot. Eigenlijk was die rol voor Viviane De Muynck bedoeld, maar die kon zich niet vrijmaken. En toen begon Tom Van Dyck aan mijn mouw te trekken: ‘Jij móét dat doen, Reinhilde.’ ‘Dit is een grap,’ dacht ik, ‘ze spelen met mijn voeten.’ Maar die van Woestijnvis hadden alles al opgezocht, ze kenden mijn kalender beter dan ikzelf. Kortom: ik moest het doen.»

HUMO Eigenlijk ben je een laatbloeier.

Decleir «Voor het publiek alleszins. Voor mezelf niet. Ik vind: het heeft er altijd in gezeten. Ik ben niet plotseling beter gaan spelen of zo. Jan was een typische vroegbloeier: het overkwam hem allemaal zeer jong. En ik ben het omgekeerde, zeker? ‘Reinhilde Decleir: de ontdekking’, klonk het in de gazetten. Of: ‘Reinhilde Decleir, het best bewaarde geheim van het Vlaamse toneel’. Komaan, zeg! Jan zegt in interviews: ‘Ik heb altijd geweten dat ons Reinhilde goed was.’ En zo is het ook.»


Genie na Shakespeare

HUMO Je werkt bij Tutti Fratelli met kansarmen en psychiatrische patiënten. Hoe rekruteer je zulke mensen?

Decleir «Ze komen vanzelf. Of liever: het Antwerps Platform voor Generatiearmoede (APGA) stuurt ze naar mij. Kreeg ik hier zo’n vreemde snoeshaan binnen: ‘Dat het hier is da ge kunt toneelspelen, zeker, madame?’ Zonder tanden en een beetje stinken, je kent dat. Er was er ook één bij die toneel schrééf: die was, in zijn eigen ogen toch, het grootste genie na Shakespeare (lacht).»

HUMO En jij dacht: ‘My God! Wat krijg ik hier allemaal toegeschoven!’

Decleir «Zoiets, ja. Ik wist dat generatiearmoede bestond. Maar niet dat het zo erg was.

»Ik roep dat clubje samen en ik zeg: ‘Oké, ik wil graag met jullie werken. Maar wel op mijn voorwaarden, zoals ik het altijd heb gedaan. We doen het professioneel, of we doen het niet. Eerste regel: je komt op tijd. Gene zever. We blijven gedisciplineerd en er wordt hier niet gedronken.’

»We zijn met enkele teksten begonnen, verhalen eigenlijk, in de meest terribele omstandigheden. We hebben op zolders gerepeteerd, op daken, in kelders. Gelukkig kwam de klik snel. Je moet weten: ik heb altijd van marginaliteit gehouden. Met Dirk trok ik graag naar dat soort rare cafés. Daar leer je veel. Ik bleef streng, maar ik ging wel graag mee een pint drinken. En ik was geïnteresseerd in hun problemen. Verhalen dat ik gehoord heb! Ze vonden het ook fantastisch dat ik ‘de zus van Jan Decleir’ was. Want hém kenden ze, hoor.

»Arme mensen zijn niet per definitie dom. We hebben een totaal vertekend beeld van ze. Ik had hier een ex-leraar die was beginnen te drinken en zo aan lagerwal was geraakt. Geen greintje zelfwaarde meer. Die man toont mij een foto van zichzelf, waarop hij op de grond lag te midden van een hoop stront. Hij had in z’n broek gedaan en er niets beters op gevonden dan dat mensonwaardige moment vast te leggen. Vanuit een soort zelfbestraffing. Die man haalde zichzelf constant naar beneden. Niet meer te redden, zou je denken. Maar spélen!»

HUMO Zelfwaardering is essentieel om te overleven.

Decleir «Natuurlijk. We hadden hier een madammetje, een kind uit een incestueuze relatie. Dat soort situaties kan zich generaties lang doorzetten: in de steek gelaten vrouwen, vrouwen van wie de man in de bak zit en die niet meer weten hoe de eindjes aan elkaar te knopen...

»Soms ontstaan hier, tussen mijn mensen, kleine verliefdheden. Dan geven ze elkaar kusjes zoals kleine kinderen. Aan echte seks komen ze niet toe: tegen dat het zover is, hebben ze allang ambras, meestal over niets. We hebben hier ook een analfabeet. Maar wat een goede wil! Voor zo iemand zet ik mij dubbel zo hard in, omdat hij nog te redden valt. Van de jongeren is nog wat te maken. Maar zodra ze de 40, 50 voorbij zijn, is het te laat. Dan is er geen terugkeer naar de normale maatschappij meer mogelijk.

»En toch... zie ik soms een gezicht oplichten. Dat ze hier heel even een moment van geluk meemaken, dat die ogen, al was het maar voor enkele seconden, weer gaan blinken. Eén van onze meisjes is dwarsfluit gaan spelen! Ze leert noten lezen, ze begint zich beter te kleden, ze krijgt weer smaak.

»Je hebt ook de verbitterden: er is een man die ooit een hoge functie had, maar die door een opstapeling van schulden in de goot is beland. Hij heeft zijn joviale momenten. Maar soms begint hij te zagen: niets is goed, iedereen is tégen hem, ‘Tutti Fratelli is over het paard getilde bullshit’, dat soort opwerpingen. Dan moet je gewapend zijn, hoor, om er niet zelf onderdoor te gaan.»

HUMO Heb je niet te maken met hopeloos veel afwezigheden?

Decleir «Nee. Want ik ben een strenge (kijkt mij aan met haar beroemde priemende blik). Ik zeg: ‘Lievelingen, als je mij ertoe verplicht om schools te worden, vind ik het niet langer plezant. Dan hou ik het niet vol. Dan stoppen we er maar beter mee.’ En dat werkt, geloof me.»

HUMO Het applaus is voor deze mensen bijzonder heilzaam, vermoed ik?

Decleir «Zijt maar gerust (lacht)! Ze krijgen al pretentie, hè. We gingen in Meise spelen, en ze vonden het daar ‘wel een kleine zaal, hè’ (hilariteit). Ze zijn de Bourla gewend! Meestal is ’t ook uitverkocht. Dus krijgen ze vedettenallures. De Roma uitverkocht tot aan het balkon: dat is een massa volk, hoor. Er zijn gevestigde acteurs die dat nooit meemaken.»

HUMO Is de recente publieke bijval wel zuiver op de graat? Zit er geen ranzig kantje aan?

Decleir «Soms flitst dat ook door mijn hoofd: waarom precies krijgen wij zo veel applaus? Zit daar enig cynisme achter? Maar als we aan het spelen zijn, voel je de liefde en de warmte die in de zaal hangt. En dan weet je vanzelf dat je goed bezig bent. En daarbij: wij maken echt wel mooie voorstellingen.

»Alles rondom mijn spelers is professioneel: de kostuums, het decor, de belichting, de grime. Vroeger waren er wel ’ns momenten dat ook míjn tenen gingen krullen. Maar komen kijken vanuit de gedachte ‘Ocharme, die sukkelaars’, dat gebeurt niet meer. Het publiek krijgt waar voor z’n geld.»

HUMO Weiger je mensen? Want de verleiding is, gezien het succes, misschien groot om alleen maar met de besten te willen werken.

Decleir «’t Is omgekeerd: ik weiger nu mensen die eigenlijk te goed zijn voor ons, mensen die uit het amateurtheater komen, bijvoorbeeld. ‘Ja maar, ik ben echt arm, hoor!’ zeggen ze dan. Maar als je doorvraagt, staan ze nog vrij goed in het leven. Dus: niet flauw doen, alsjeblieft. Zulke mensen stuur ik gewoon door naar het echte amateurtheater. We moeten verdorie bij onze doelstellingen blijven, hè. En verder: mensen uit het amateurtheater spelen net iets te nadrukkelijk. Terwijl mijn mensen gewoon 100 procent zichzelf zijn. Je krijgt hier een hoge dosis authenticiteit geserveerd.»

undefined

null Beeld

HUMO Een spraakgestoorde bij Tutti Fratelli, kan dat? ‘To be or not to be’ door een stotteraar?

Decleir «En waarom niet? Mensen met evenwichtsproblemen of met een gestoorde motoriek, laat maar komen. Vaak is er bij hen een kleinigheid mis met de hersenen en beschikken die net daardoor over een enorme verbeeldingskracht. Het brein zit vreemd in elkaar: het compenserend vermogen is groot. We hebben zelfs Shakespeare gedaan. En ja, onze mensen zijn in staat dat te memoriseren. Zonder souffleur! De grote hoop krijgt maar een paar zinnen te debiteren, maar de besten kunnen echt een monoloog aan. Ik kies doelbewust níét voor al te eenvoudige teksten. De spelers willen dat ook niet. Als ik met een wat makkelijker tekst kom aandragen, vinden ze dat meteen ‘te flauw’ (lacht).

»Ik beleef bijzonder veel plezier aan onze psychiatrische patiënten. Er zijn er bij die zoveel zelfwaardering en eergevoel aan Tutti Fratelli overhouden, dat ze mij plotseling komen vertellen: ‘Reinhilde, ik voel mij veel beter: dat komt door jou. Als ik zo verder evolueer, mag ik straks van de psychiater mijn hoeveelheid pillen halveren!’ Het omgekeerde gebeurt jammer genoeg ook: mensen die hier goed gedijen, tot het plotseling minder met ze gaat. Ze verdwijnen voor drie, vier maanden naar een inrichting, en dan komen ze terug, onherkenbaar. Ik heb hier een jonge kerel zien vertrekken. Een halfjaar later was hij een oude man geworden.»


Moeder Teresa

HUMO Wat leren deze mensen jou?

Decleir «Ze hebben mij zeker aan het denken gezet. Over het toeval en het lot, bijvoorbeeld. Hoe vaak heb ik niet gedacht: met een andere draai van mijn leven had ik hier misschien zelf gezeten. Slagen of mislukken hangt vaak van een kleinigheid af. Een man die het goed doet, verliest plotseling zijn vrouw. Hij begint te drinken en verliest de pedalen. Voor je het weet, moet hij naar het OCMW. Neem iemand z’n trots en gevoel voor eigenwaarde af, en hij glijdt af.

»Ook als speler heb ik veel van mijn mensen opgestoken. Ze hebben me geleerd in alle omstandigheden boven alles mezelf te blijven. Ze zijn authentiek, ze faken niet. Akkoord, ze zijn soms wat naïef, maar dat vind ik net een pluspunt. Jij, ik, wij hebben het graag nogal makkelijk over ‘sociale gevallen’. Maar zijn wij niet allemaal sociale gevallen? Ik hou niet zo van het woord sociaal-artistiek toneel. Ik maak er liever artistiek-sociaal toneel van (lacht).

»Het moderne leven is meedogenloos. Kijk naar de financiële crisis die net díé mensen het hardst treft die er helemaal geen schuld aan hebben. En de maatschappij is ook oneerlijk. Vanuit de politiek roept men dat ‘wie een sociale uitkering krijgt, moet begrijpen dat daar iets tegenover dient te staan’. Dat vind ik... zo grof. Onze mensen hebben op de één of andere manier geen chance in het leven gehad. Moeten wij dat er dan nog ’ns inwrijven?»

HUMO Ondertussen ben je zowat uitgegroeid tot de Vlaamse Moeder Teresa. Nog net niet heilig verklaard. Straks stijg je nog ten hemel, de maagd Maria achterna.

Decleir «Jááá (lacht). Ik ben erg blij met het succes en de belangstelling, vooral voor Fratelli natuurlijk. Maar dat heilige en die missie, dat laten ze toch beter weg, vind ik. Ik ben daar eerlijk gezegd niet zo mee bezig. Ik doe dit niet uit pure menslievendheid. Ik denk ook aan mezelf: op deze manier kan ik theater blijven maken! Ik ben mijn eigen baas, ik krijg zeer veel terug van de spelers, ook míjn eigenwaarde heeft met Fratelli een stevige boost gekregen.»

HUMO Gaat dit werk nooit met jezelf aan de haal?

Decleir «Nee. Ik trek een grens. En wij krijgen nu wél subsidies, ik heb nu wél een loon. Ik werk hard aan mijn privécarrière en krijg meer aanbiedingen dan ooit, ook voor tv. Dat heb ik nodig, dat is mijn zuurstof. Anders zou ik zot worden, denk ik. Fratelli is zeer opslorpend: ik dirigeer niet alleen de zaak, ik bel ook met dokters, psychiaters, maatschappelijk werkers. En ik heb hier al iemand z’n gat gewassen, ja. (Denkt even na) Eigenlijk willen ze allemaal dat ik hun gat was (proest het uit).»


Bekijk een interview met enkele Tutti Fratelli-acteurs:

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234