Het lieve leven en hoe het te lijden: Walter van den Broeck

Walter van den Broeck (74) begon op 8-jarige leeftijd verhalen voor z’n klasgenoten te bedenken en in schoolschriftjes neer te schrijven. Tot op de dag van vandaag blijft hij romans afscheiden, alsof het schrijven voor hem even essentieel is als ademhalen.

'We eten en we paren en we planten ons voort. De rest is een voortdurend gevecht met de dood'

Zijn jongste heet ‘De vreemdelinge’ – met een flinke knipoog naar ‘De vreemdeling’ van Albert Camus – en klinkt als Van den Broecks literaire testament. In de luchthartige verpakking van een Vlaams-provinciale familieroman bevecht de schrijver z’n demonen: het oud worden, het met een erotische saus overgoten verlangen naar de dochter die hij nooit kreeg, de absurditeit van het leven, de naderende dood. Het geknipte moment om samen met hem de balans op te maken en wijze lessen van ’m te ontvangen.

Walter van den Broeck «Op m’n 65ste ging ik met pensioen. Maar ik wilde blijven schrijven. Daarvoor had ik de toelating van de RVA nodig. Kwam hier zo’n ambtenaar langs met een draagbare schrijfmachine. Hij wilde controleren of ik wel degelijk schrijver was. Ik nam ’m mee naar mijn boekenkast en toonde anderhalve meter van m’n eigen werk: ‘Is dat genoeg, vriend?’ Z’n mond viel open. Vervolgens ging hij aan de keukentafel zitten en schreef, op die draagbare schrijfmachine, z’n rapport: ‘Hiermee bevestig ik, hoofdinspecteur zus en zo, dat de genaamde Van den Broeck, Walter, wel degelijk...’ Dát is dus wat je in Vlaanderen als schrijver betekent (lacht smakelijk).»

HUMO Maar we zouden het over je roots hebben.

Van den Broeck «Ik ben geboren op 28 maart 1941, een oorlogskind. Als ik goed terugreken, ben ik waarschijnlijk verwekt tijdens de vlucht, ter hoogte van Poperinge, in een schuur naar het schijnt. Gevaar brengt de mensen dichter bij elkaar, zie je.»

HUMO Je moeder was een Duitse en je vader had Spaans bloed in z’n aderen, meen ik mij te herinneren.

Van den Broeck «Zo simpel ligt het niet. Ik heb het ooit uitgerekend: 50 procent van mijn genetische materiaal is raszuiver Duits, 25 procent is Vlaams, 12,5 procent is Spaans, 6,25 procent is Mexicaans en 6,25 procent is Filipijns. En hier zit hij dan, uw dienaar (lacht).

»Mijn grootvader van vaderskant was een pure Kempenaar, een boerenzoon uit Lichtaart, hier niet ver vandaan. Hij was getrouwd met een Filipijns meisje, dat op haar beurt Spaanse en Mexicaanse voorouders had.»

HUMO Voel je al die verschillende invloeden in jou aan het werk?

Van den Broeck «Vooral sociaal. Met de echte Kempen voel ik nauwelijks een binding. Ik ben nooit naar een katholiek college geweest, uit pure armoede. Mijn ouders stuurden mij naar de Rijksschool. Wij woonden in Olen, in de cité van Métallurgie Hoboken, een arbeiderswijk die aan de fabriek plakte en er volledig van afhing. De bewoners vormden een Belgische, zelfs internationale mengelmoes: een arbeider kon er uit Wervik komen, of uit Brugge, of uit Brussel of Gent, of uit Spanje of Italië. De Kempen hadden toen een tekort aan geschoolde arbeidskrachten. En omdat er nauwelijks openbaar vervoer bestond, kreeg ieder gezin een huisje. Zo’n arbeider was te allen tijde oproepbaar: soms moest je er midden in de nacht uit, om in te vallen voor een zieke. Heeft mijn vader meermaals meegemaakt.

»Je was ook geen eigenaar van dat huisje, je mocht er wonen, en er werd een klein bedrag van je loon voor ingehouden. Alles draaide om de fabriek: je kocht je eten in de fabriekswinkel, je stond op en ging slapen met de fabriek. Die huisjes waren vrij comfortabel: we hadden stromend water, wat in die tijd niet vanzelfsprekend was. We kregen ook steenkool voor een prijsje, dat soort zaken. Prachtig! Maar zo bindt een werkgever goedkope arbeiders levenslang aan zich.»

HUMO Laten we het even over je grootvader hebben, de Kempenaar uit Lichtaart. Dat was een avonturier die naar Amerika is getrokken.

Van den Broeck «Mijn opa was erg intelligent, en als knaapje werd hij door een mecenas opgemerkt. Die man betaalde zijn studies aan het Damiaancollege in Aarschot. Van daaruit werd hij naar een missionarissenschool in Birmingham gestuurd, waar hij z’n humaniora afmaakte en vloeiend Engels leerde. Dat was voor die tijd een hele prestatie. Later is hij naar Amerika getrokken, naar San Francisco, waar hij in het leger ging. Net dan brak de Spaans-Amerikaanse oorlog uit, die hoofdzakelijk in de Spaanse overzeese koloniën werd uitgevochten. Zo belandde hij op de Filipijnen. Wegens z’n talenkennis schopte hij het tot provinciaal schatbewaarder van het Filipijnse eiland Bohol, in dienst van de Amerikaanse regering. En daar...»

HUMO ...ontmoette hij een inlandse schoonheid?

Van den Broeck «Voilà. Dolores Vital y Garcia heette ze, mijn latere oma. Uit hun huwelijk kwamen twee kinderen: mijn vader, Robert, en mijn tante, Hélène – de latere moeder van Hugues Pernath. De eerste taal van m’n vader was Spaans, zo werd hij door oma Dolores opgevoed, ongeveer tot z’n 7de. Maar toen kwam er een kink in de kabel: Filipijnse oma bedroog Vlaamse opa. Opa werkte als een soort gewestbeheerder en was vaak maanden van huis; oma viel ondertussen voor een mooie Filipijnse jongen, afkomstig uit een zeer voorname familie aldaar. Ik heb het allemaal uitgeplozen. Opa kwam onverwacht van een missie thuis en oma bleek in verwachting. En hij kon onmogelijk de vader zijn (lacht).»

HUMO Het vervolg laat zich raden.

Van den Broeck «Precies. Opa bedacht een smoes, schaakte z’n twee kinderen en vluchtte met hen, terug naar België. Zo is het allemaal gelopen. M’n vader werd op pensionaat geplaatst en m’n tante bij de nonnetjes. En even later brak de Groote Oorlog uit. Ik kan nog een uur verdergaan met dit verhaal, met als eindpunt: Olen, waar mijn grootvader werk vond in de toenmalige radiumfabriek. In ‘Aantekeningen van een stambewaarder’ heb ik het allemaal opgeschreven.»

HUMO Eén van je tantes, meen ik mij te herinneren, is op de Filipijnen uitgegroeid tot sekssymbool en filmster.

Van den Broeck (knikt) «In de jaren 30 kwam er in Olen plotseling post toe, uit de Filipijnen. Mijn vader schrok zich onnozel: hij bleek nog een vergeten halfzuster te hebben, Aïda, het kind van mijn oma met haar minnaar. Het was een smachtende brief, vol verlangen naar het verleden. Die twee, Aïda en mijn vader, zijn toen aan een lange correspondentie begonnen. Bleek dat Aïda een Filipijnse filmster was geworden, onder de naam Tahita Sari. Toen het internet er kwam, ben ik dat, samen met m’n oudste zoon, allemaal beginnen na te trekken. En daar dook m’n tante plotseling op, in postkaartformaat: ze leek als twee druppels water op tante Hélène. Na nog meer gegoogel stootten mijn oudste zoon en ik op een oud Frans filmtijdschrift. En wie stond er op de cover, in haar volle glorie?»

HUMO Tahita Sari!

Van den Broeck «Aïda was een zeer mooie vrouw. Net zoals m’n oma dat was. Om maar te zeggen: al die invloedjes huizen samen in mij. En we hebben het tot nu nog maar over de Filipijnse 6,25 procent gehad (hilariteit).»


Vedette in maatpak

HUMO Je vader was een geval apart. Vertel ’ns.

Van den Broeck «Hij was van opleiding elektricien, via de avondschool. Tegelijk was hij een talenwonder, zeker voor die tijd. Door al zijn omzwervingen sprak hij vlot Engels, Duits, Spaans en Nederlands. Hij kreeg van overal tijdschriften toegestuurd, die hij dan weer ruilde. Thuis kwamen moderne Amerikaanse strips en pockets binnen: die vormden mijn eerste grote inspiratiebron. Hij las het magazine Life, hij las The Saturday Evening Post, hij las Readers Digest, hij las Paris Match. Ook z’n Frans was impeccable: zo goed heb ík het nooit gekund.

'Toen het internet er kwam, heb ik, samen met m'n oudste zoon, de vergeten halfzuster van mijn vader gegoogeld: in de Filipijnen was ze een filmster geworden, Tahita Sari. We stootten op een oud Frans filmtijdschrift. En wie stond er op de cover, in haar volle glorie?'

»Vader was volstrekt on-Vlaams, en zag er, met z’n zwarte haar en donkere ogen, ook helemaal on-Vlaams uit. Het eerste wat aan hem opviel, was z’n enorme talent om te entertainen. In een café zoog hij alle aandacht naar zich toe. Als hij ergens binnenkwam, was het meteen feest. Dat kon hij perfect vooraf inschatten: híér gaat mijn verf pakken (lacht). Iedereen zag hem graag komen: Robert stond overal in het middelpunt van de belangstelling.»

HUMO Maar niet in de huiselijke kring.

Van den Broeck «Daar veranderde hij in een dwingeland (lacht). Thuis moest het boven alles volstrekt stil zijn: meneer wilde niet gestoord worden. Aan z’n spullen, die hij met maniakale zorg ordende, mocht niemand raken. Hij was weliswaar arbeider, maar in z’n vrije uren zat hij altijd te lezen of te schrijven.

»Hij kon ook buitengewoon nijdig zijn, koleriek. Dat was ongetwijfeld z’n Filipijnse bloed dat speelde. Ik was de jongste en beefde van angst voor z’n woede-uitvallen. Niet prettig, hoor. Maar echt geslagen heeft hij me nooit, daarvoor had hij zelf te veel slaag van zíjn vader gekregen. Als hij in huis was, hing er altijd een benepen, gespannen sfeer: ‘Pas op, ‘hij’ is thuis en mag niet gestoord worden.’

»En dan de voortdurende ruzies met mijn moeder, meestal over geld. Want meneer leefde, ondanks z’n arbeidersloon, op grote voet, als een echte seigneur. In de week droeg hij z’n overall, maar ’s zaterdags kleedde hij zich op en ging uit. Om op stap te gaan wiste hij zorgvuldig elk spoor van z’n arbeider-zijn uit: z’n nagels waren brandschoon, hij was netjes geschoren, stak in een duur pak en liep met blinkende schoenen. Hij had een vurige blik en pikzwart haar, met een blauwe schijn erin. Eenmaal netjes in het pak, liep hij met een gewichtig air de voordeur uit. Dan stonden de buren in de deur naar hem te gapen. Met een zekere trots: ‘Onze Robert ziet er toch echt een heer uit, nee?’ Alsof hij hun délégué was. Dan liep hij naar het station, nam de trein, en trok naar de cafés van Herentals of Antwerpen.»

HUMO Hij ging uit dansen?

Van den Broeck «Man, hij danste voor-tref-fe-lijk. Als er een bal was, en het orkest zette een tango in, dan was zijn moment de gloire aangebroken. Dan stonden de wijfjes aan te schuiven om met schone Robert te mogen dansen. Meneer ging het liefst van al alleen aan de zwier, want: ‘Anders kan ik mij niet goed amuseren.’ Moeder moest maar voor de kinderen zorgen.»

HUMO Bedroog hij je moeder?

Van den Broeck «Natuurlijk bedroog hij haar. Maar op zíjn manier: hij bleef nooit de hele nacht weg. Mijn moeder wist dat: ‘Hij komt altijd weer terug.’ Hij had geen echte relatie met een andere vrouw, nee, hij hield het op nu en dan een onenightstand. De snelle wip. Ik was een jaar of 10 en ik voelde aan dat het allemaal niet koosjer was. Pas op: dat werkt in op een kind. Als ik er vandaag over nadenk, word ik nog boos.

»En dan die ruzies over geld. Meneer had de gewoonte een café binnen te lopen en luidkeels te roepen: ‘Tournée générale!’ Ja, hij joeg er z’n pree altijd snel door. Een voorbeeld: z’n schoenen, daar ging veel te veel geld naartoe. Hij had er een hele batterij van staan, netjes geordend. Hij had er voor ’s zondags, hij had er voor in de week, en hij had er voor wat hij ‘een speciale gelegenheid’ noemde (hilariteit). Er waren er die hij nooit heeft aangehad, die hij alleen maar had gekocht ‘omdat ze te mooi waren om te laten staan’.»

'Het doet me pijn het zo te horen formuleren, maar: ja, mijn vader wás een egoïst'

HUMO Wat een vedette, zeg!

Van den Broeck «Ik aardde helemaal niet naar m’n vader. Wie wél wat met hem gemeen had, was mijn neef, Hugues Pernath: ze waren allebei doof en ze hadden allebei een dandyeske voorkeur voor mooie pakken.»

HUMO Ondanks alles draag jij, Walter, 50 procent van het genetische materiaal van die opmerkelijke vader met je mee.

Van den Broeck «Kan moeilijk anders, hè. En ja, ik herken dingen. Hij nam z’n vrijheid en moeder draaide op voor alles. Dwingeland. Dat heb ik ook, tot m’n scha en schande. Gelukkig heb ik het tijdig ingezien en ben ik eraan gaan werken. Vader gaf niet het goede, maar het slechte voorbeeld. Maar ook van dat slechte voorbeeld leer je. Hij was de man die je leert hoe het níét moet. Alleen, ere wie ere toekomt: het verbale, het verhalen vertellen, het goed kunnen uitleggen, dat heb ik ongetwijfeld van hém.»

HUMO Eigenlijk was je vader een grote egoïst.

Van den Broeck «Het doet me pijn het zo te horen formuleren, maar: ja, hij wás een egoïst. Ter illustratie: ik kreeg als kind voor m’n verjaardag van m’n tante een lederen portefeuille. Die portefeuille stak m’n vader de ogen uit: hij vond ’m te mooi, te groot en zeker ook te duur voor de kleine pagadder die ik toen was. Hij nam hem in beslag en ik kreeg z’n ouwe, versleten prul. Ik word nog altijd razend als ik eraan terugdenk.»

HUMO Arme Walter. Wanneer precies ben je de man gaan doorzien? Wanneer ben je je respect voor hem kwijtgeraakt?

Van den Broeck «Eén keer, ik was toen een jaar of 16, heb ik mij fysiek tegen hem gekeerd: ik heb hem, zeg maar, de deur uit geslagen, toen hij weer ’ns zo zat als een kanon van het café terugkwam. Wat wil je: hij dronk graag, maar kon er niet al te best tegen. Als je hem enkele pinten gaf, was hij meteen dronken. En als z’n haring op café niet braaide, durfde hij wel ’ns te vechten. Dan kwam hij met gescheurde kleren en een bebloed gezicht thuis.

»Wij waren met z’n drieën thuis. Tussen m’n broer, die naar Mexico trok, en mezelf, zit dertien jaar. Er is nog een zus, drie jaar ouder dan ik. Eigenlijk was ik niet gepland. M’n moeder heeft er lange tijd over gedacht om abortus te plegen. Ze had al twee kinderen en ze wist dat m’n vader niet zo opgezet was met een derde: hij zou haar uiteindelijk toch weer de schuld geven. Zo van: ‘Ik heb hier niks mee te maken. Trek uw plan!’ Maar het gezond verstand heeft het blijkbaar gehaald.»


Typisch cité

HUMO Vertel ’ns wat over je moeder? Een meisje uit een Duits burgergezin, dacht ik?

Van den Broeck «Ze was op haar 12de wees geworden en deed vanaf dan het huishouden. Ze heeft dus nauwelijks enige opleiding gehad. Haar vader was griffier bij de rechtbank in Aken. Ze had een broer, nonkel Heinrich, een echte voyou, niet al te clever. Moeder was een zeer zachtaardige, lieve vrouw. Een schat, bij wie ik altijd terechtkon als vader ze weer ’ns bruin had gebakken. Ondanks haar povere opleiding was ze bijzonder intelligent. Een voorbeeld: in het middelbaar onderwijs kreeg ik gemene rekenkundige vraagstukken. Daar zat ik dan op te zwoegen. Maar zij loste die, vanuit de keuken, spelenderwijs op. Mijn basisintelligentie heb ik van haar. Ze kon ook een aardig stukje schrijven. Ik heb nog liefdesbrieven van haar liggen, in vlekkeloos Nederlands, alsjeblieft. Zij, als Duitse... Maar voor het echte schrijftalent kom ik toch weer uit bij die verdomde vader. Want meneer schreef naar alle toenmalige groten der aarde. Ik heb nog een epistel van hem, gericht aan president Nixon: dat hij maar beter een atoombom op het Kremlin zou gooien, dan was die hele Koude Oorlog meteen voorbij.»

HUMO En je vader meende dat?

Van den Broeck «Zeker, hij had zo z’n eigen ideeën over waar het met de wereld naartoe moest. Dus richtte hij zich rechtstreeks tot ‘de mannen die er écht toe doen’. Ook Fidel Castro gaf hij goede raad. En in een postscriptum probeerde hij ’m een kistje Havana-sigaren af te luizen (komt niet meer bij). Ook Reagan kreeg gratis advies, tijdens de rakettenkwestie. En in vlekkeloos Engels, hè! Ik heb al de kladjes nog wel ergens liggen. Nog zo’n brief was gericht aan het gemeentebestuur van Pisa, met plannen om er de scheve toren te stabiliseren. Er was een premie uitgeloofd, snap je? En vader rook geld.»

HUMO Kreeg hij ook antwoord?

Van den Broeck «Wel, de ambassades ontvangen iedere dag kilo’s van die brieven. En die beantwoorden ze dan met een voorgedrukte tekst. Ooit kreeg hij van de Amerikaanse ambassade, na weer ’ns zo’n brief, een heel pakket toegestuurd, in blinkende vierkleurendruk, pure propaganda, met gedetailleerde informatie over de Amerikaanse raketten. ‘Als ik dat nu ’ns aan de Russen verkoop?’ opperde hij. Ik heb die kwestie nog beschreven in ‘Groenten uit Balen’.»

HUMO Wat waren de levenslessen van je moeder?

Van den Broeck «Moeder was in alles het tegenovergestelde van m’n vader: ze was wijs, bescheiden, goedhartig, altruïstisch. Iedereen in de buurt die ziek was of verdriet had, kon bij haar terecht. Dat zat natuurlijk ook in de cultuur van de cité. Moeder was typisch cité. Vader was allesbehalve typisch cité (lacht). En toch werd hij gerespecteerd, waarschijnlijk omdat hij bekendstond als een prima vakman. Als hij elektrische draden moest wikkelen was dat... perfect. Hij was ongelooflijk handig. Vloekend streefde hij naar de perfectie. Een maniak. Wanneer ik boven in m’n bed lag, speelde ik ’m na: nu legt hij de kranten netjes op een hoop, nu rangschikt hij z’n schrijfspullen in de kast, nu schikt hij de stoelen, in het gelid. Een ritueel waar hij niet van afweek.»

HUMO Ik veronderstel dat jij en je moeder heimelijk een coalitie vormden tegen de huisdictator?

Van den Broeck «Absoluut. Wij smeedden samen hét grote complot tegen de vader. Als hij het huis uit was, viel de spanning weg en lieten wij opgelucht stoom af, pfffft.

»Ooit had ik, als schooljongen, een verhaal geschreven waarin ik mijn gal over m’n vader uitspuwde. Dat lag op m’n kamer en hij had het begot gelezen. Toen wist hij het wel. Hij was er niet goed van.»

HUMO Ben je ooit de vriend van je vader geworden?

Van den Broeck «Niet echt. Hij is 80 geworden en heeft mijn opgang als schrijver helemaal meegemaakt. Daar was hij wel trots op. Hij kwam naar de première van ‘Groenten uit Balen’, waarin ik hem messcherp neerzet. En toch heeft hij nooit de link gelegd: dat híj het was die daar in z’n blootje stond (komt niet meer bij). Ik schepte er een duivels genoegen in om met hem scènes uit ‘Groenten uit Balen’ na te spelen, over de telefoon. En hij had het niet door. Dat was mijn kleine wraak, ja, mijn vadermoord.»


Het grote schrijven

HUMO Je had het er al over dat je van jongs af aan aan het schrijven was.

Van den Broeck «Thuis was ik de jongste, het schatje. Ik kon aardig tekenen en dat vond vader gewéldig – als het maar uitzonderlijk was (lacht). Lange tijd wilde ik striptekenaar worden. Ik tekende plaatjes en bedacht er verhalen bij. Na een tijd werden de verhalen belangrijker dan de plaatjes. M’n eerste boekje schreef ik als kind, in een schoolschrift, alles in drukletters.

»Op m’n 14de kreeg ik van moeder m’n eerste schrijfmachine, een stokoude Remington. Op Radio 2 liep een wedstrijd: ‘Wie schrijft een spannend vervolg op ons luisterspel?’ Ik stuurde enkele pagina’s in. En ik won! Mijn inzending werd opgevoerd en ik kreeg mijn eerste honorarium, 200 frank.

»Het eerste toneelstuk volgde toen ik 16 was: een klucht, voor de plaatselijke afdeling van de kajotters. Ik schreef, regisseerde en speelde er zelf in mee. Later kwam er een reeks slechte korte verhalen, die in het plaatselijke krantje werden gepubliceerd. Het rolde eruit. En het is blijven rollen. Een writer’s block? Ik weet niet wat dat is.

»Op de normaalschool belandde ik in een fantastisch jaar. Met vijf zijn we later in de literatuur gegaan: Freddy De Vree, Paul Koeck, Mark Andries, Tony Rombouts en ik. Ik dacht, uit Olen komende, dat het zo hoorde, dat iedere jongen die goed kon opstellen en naar de normaalschool trok, uiteindelijk schrijver werd.

»In het lager middelbaar had ik een fantastische leraar: Fred Van der Heyden, uit Lier. Die man heeft bij mij de schroom weggenomen om neer te schrijven wat ik echt meende.

'SP.A'er voel ik mij allang niet meer. Maar ik blijf solidair met de kleine man, met de vertrapten en bedrogenen'

»Van der Heyden heeft mij ook Gerard Walschap doen ontdekken. Ik verslond dat. Walschap staat voor mij nog altijd als een huis. Wij, die vijf kloefkappers uit de normaalschool, lazen Walschap en zeiden unisono: ‘Wat krijgen we híér. Dit is andere koek.’ Walschap was een eyeopener, het grote voorbeeld. Hij was in die tijd zo onbeschaamd en grensverleggend als later Jef Geeraerts met z’n ‘Gangreen’-cyclus. Schrijverslef, ja. En natúúrlijk heb ik in het begin Walschap geïmiteerd: zo leer je schrijven, door na te bootsen en te stelen.»


De dood en het meisje

HUMO We maken een enorme sprong in de tijd, naar je nieuwe boek. Het is een uiterst somber werkstuk geworden, in de luchtige verpakking van een Vlaamse familieroman. Een mijmering ook, bomvol levenslessen over ouderdom, de dood en de absurditeit van het bestaan. Het heet niet voor niets ‘De vreemdelinge’, met een knipoog naar ‘L’étranger’ van Albert Camus.

Van den Broeck «Mijn held, Bram De Landtsheer, vader van drie zonen, wilde altijd al een dochter. En dan ontmoet hij Tess, de bloedmooie dochter van z’n beste vriend. De vlam slaat in de pan. Maar de liefde is niet wederzijds: Tess is kuis als een non, en als de dood voor seks. Daar heeft ze een reden voor: ze vindt het leven zo absurd dat ze weigert zich voort te planten. In die zin gaat ze verder dan Camus: die belandde ook bij de absurditeit, maar vond dat je je ertegen diende te verzetten. Camus predikte de revolte, Tess niet: zij wil dat de mensheid ophoudt met zich te blijven kopiëren en zo de ellende verder te zetten.»

HUMO ‘De vreemdelinge’ ademt een grote hopeloosheid uit. Je schrijft: ‘Bram geloofde dat alles naar de verdommenis ging... Je tijd wordt kort. Nog een jaar of vijf en je gaat in rook op, je zit in de laatste rechte lijn... Plotseling was hij niet langer oud, hij was stokoud... Alsof zijn leven een leegte tussen twee aanhalingstekens was geweest.’ Een zwartere visie is moeilijk denkbaar

Van den Broeck «Wat Bram doormaakt, is een soort omgekeerde puberteit. Een nieuwe fase van het leven. Eens voorbij de 70 stel je je op een ochtend de vraag: ‘Hé, wat gebeurt er met mij?’ Ik word binnenkort 75 maar Willem Frederik Hermans is maar 74 geworden. Statistisch gezien haal ik de 80. Dat zijn nog vijf zomers. Ik bedoel: als je er echt bij stilstaat, slaat de schrik je om het hart. Nog één Olympische Spelen, nog één Amerikaanse presidentsverkiezing, en hopla: het is uit met mij. Plotseling dien je je plannen aan te passen. Vaak heb je de neiging te stellen: ‘Oké, dat en dat doe ik later wel.’ Maar zoveel ‘later’ heb je niet meer. Ik weet het: almaar meer mensen worden 90, en zelfs 100. Maar dat noem ik: jezelf troosten. Als je de realiteit in de ogen kijkt, man, dan begin je te bibberen.»

HUMO Eén van de pijnlijkste gevolgen van Brams hoge leeftijd is z’n toenemende ochtendsomberte. Je schrijft: ‘Tijdens de momenten tussen slapen en waken leek hij te staren in een akelig kolkende en gistende aalput.’

Van den Broeck «Eigenlijk is dat het meest lucide moment van de dag: het ochtendkwartiertje waarin je nog niet helemaal wakker bent. Dan grijnst het leven je in z’n volle gruwel toe. Dan begin je je vragen te stellen over het naderende einde. Hoeveel tijd rest me nog? En hoe wil ik die vol maken? Je vraagt je af wat je nog wil neerschrijven. Geen banale dingen. Wel dingen die met je existentie te maken hebben. Kijk, met al onze handelingen hebben we maar één ding voor ogen: de dood uitstellen. Echte doodsangst is... ondraaglijk. We eten en we paren en we planten ons voort. De rest is een voortdurend gevecht met de dood.

'Statistisch gezien haal ik de 80. Dat zijn nog vijf zomers. Nog één Olympische Spelen, nog één Amerikaanse presidentsverkiezing, en hopla: het is uit met mij'

»Bij mij is het een paar jaar terug beginnen te malen. Ik was de 70 net voorbij. Toen dook ’s ochtends die kolkende aalput voor het eerst op. Ondertussen heb ik geleerd hoe ermee om te gaan: ik zet gewoon de wekkerradio aan. En hop, ’t is weg.»

HUMO Mooi in je boek is de Koninklijke Kamer van Reflectie en Consideratie, een herenclub met een wel zeer apart ritueel: bij het begin van de vergadering rukken de leden, stuk voor stuk bejaard, hun vals gebit uit en roffelen ermee op tafel, waarna ze luidkeels ‘hoeba’ roepen. Uit het leven gegrepen?

Van den Broeck «Het ritueel met het vals gebit niet (lacht). Maar de club zelf bestaat écht: morgenochtend om elf uur hebben wij vergadering, hier wat verder in ’t café. Dan ben je onder... lotgenoten. Wij weten wat ons straks te wachten staat. We hebben het zaakje door. We praten over het leven, over politiek, over oud worden. Maar we geven de kleefpasta heus niet door, zoals in het boek (hilariteit).»

HUMO Bram vindt ‘dat alles naar de verdommenis gaat’. Deel je dat gevoel?

Van den Broeck «Zeker wel. Het is de tweede wet van de thermodynamica, geloof ik: we evolueren zoetjesaan van orde en structuur naar chaos en verval. Daar is geen ontkomen aan. In m’n boek verzacht ik de impact door dat mee te delen in de vorm van een groteske. Maar ondertussen zeg ik wel wat ik te zeggen heb. Het leven hier op aarde hangt af van zeer precieze omgevingsvoorwaarden. Neem één ervan weg – zuurstof, bijvoorbeeld – en de boel klapt in elkaar. Je kunt dat vreselijk vinden. Je kunt er ook om lachen: het leven zélf is een groteske, a sick joke, een smakeloze grap. Dat méén ik, ja.»

HUMO Wat blijft er nog over van de socialist Walter van den Broeck? Want uit jouw boek klinkt geen enkele hoop.

Van den Broeck «Ik vind dat het socialisme is vergeten mee te evolueren. Indertijd waren er interessante projecten, zoals bijvoorbeeld de coöperatieve. In Spanje heb je een fenomeen dat bekendstaat als ‘het mirakel van Mondragon’. Vlak na de oorlog is een pastoor in Mondragon begonnen met een kleine coöperatie. Vandaag is dat uitgegroeid tot een zaak van 85.000 werknemers-aandeelhouders. Ze hebben een bank, een universiteit, scholen en technici die het nieuwe metrostation bij Ground Zero in New York hebben gebouwd, en het nieuwe dak boven het Guggenheim-museum. Dat is waar het naartoe zou moeten met de wereld. En met het socialisme. Ik heb altijd gepleit voor het ‘wij’-gevoel: iets maken wat ‘van ons’ is. Maar oenen als Van den Bossche en co. hebben dat allemaal afgeschaft.

»En je hebt gelijk: in dit boek zit geen hoop. Die hoop zit wel in mijn ander werk. SP.A’er voel ik mij allang niet meer. Maar ik blijf solidair met de kleine man, met de vertrapten en bedrogenen. En daar heb je dan ‘Groenten uit Balen’ voor. Een schrijver tapt uit meerdere vaatjes, snap je?»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234