null Beeld

Het Lieve Leven: Peter Van Den Begin 'Grijp iedere kans, want de kansen zijn dungezaaid. En niemand komt ze je op een presenteerblaadje aanbieden'

In de aangename lobby van het Antwerpse hotel Julien zit Peter Van den Begin (51) op mij te wachten bij een knetterend haardvuur, gin-tonic in de hand. De legendarische wallen onder zijn ogen, zo mooi geaccentueerd in de VRT-prachtreeks ‘Den elfde van den elfde’, lijken onder het invallende licht nog meer geprononceerd. Hij kijkt mij aan met verdriet in z’n ogen: ‘Ik kom net van een begrafenis: een goeie kennis, een meisje van 26.’

'Eigenlijk zit ik nu pas, als 51-jarige, in mijn puberteit'

‘Ze werkte in de filmwereld. Het gebeurde op het einde van een draaidag: alles wordt opgeruimd, het licht wordt uitgezet, iedereen gaat weg. Een collega heeft haar per ongeluk aangereden terwijl ze in het donker naar haar auto stapte. Een zeer triestige gebeurtenis.’

De dienster brengt ook voor mij een glas, en we klinken op de vergankelijkheid van onze levens. Ik complimenteer hem met de rol van Frank, die hij zo overtuigend in ‘Den elfde van den elfde’ heeft neergezet. Het compliment doet hem deugd: de reeks van Tom Van Dyck en Alice Reijs is controversieel, wordt niet meteen begrepen. Terwijl de fantastische generiek toch een duidelijke hint geeft: je moet ernaar kijken als naar een schilderij van Ensor. ‘Den elfde van den elfde’, dat is: de tragiek van de kleine mens, vechtend om te overleven in dit triestige tranendal. En dat heeft Peter Van den Begin zeer goed begrepen toen hij op onvergetelijke wijze de schlemiel Frank neerzette.

Als vanzelf beginnen wij over het leven te praten. Het líéve leven, dat wel. Maar vooral: hoe het te lijden.

Peter Van den Begin «Ik ben enig kind, dat hebben mijn ouders zo gewild: zij waren al negen jaar gehuwd voor ik kwam. Vader en moeder waren kleine zelfstandigen, ze hielden samen een bloemenwinkel in de Statiestraat in Berchem. In het begin marcheerde die zaak uitstekend: wij hadden het rijk voor ons alleen. Maar toen kwamen er in korte tijd drie, vier concurrenten bij, en was het uit met de mooie verkoop. Toen ik geboren werd, was de Statiestraat nog een florissante buurt, zelfs mensen uit ’t stad kwamen er hun bloemen kopen. Als een bloemenwinkel goed loopt, verdien je mooi je boterham. Maar als de omzet daalt, blijf je vaak met onverkochte ruikers zitten. Mijn vader was een trotse man: hij vertikte het om het overschot tegen een korting te verkopen. Dus belandden die bloemen in de vuilnisbak. Er kwam minder en minder volk over de vloer. De deurbel rinkelde nog nauwelijks. En als ze dan toch eens rinkelde, bleken het scouts die met wafels kwamen leuren. Wéér niets verkocht (glimlacht). Dat woog, ook op mij.

»Gelukkig had mijn vader een tweede job: hij werkte als acteur bij het revuetheater Oud België. Hij speelde, regisseerde soms, was ook bezig met amateurtheater. In Oud België kwamen in de jaren 60 vaak grote internationale vedetten langs: Edith Piaf, Gilbert Bécaud, Jacques Brel. Later werden dat meer plaatselijke artiesten. Iedere week bracht Oud België een nieuwe show, of het orkest van Leo Martin speelde ten dans, met Bob Benny of Yvonne Verbeeck aan de microfoon. Ik mocht iedere maandag mee met ons vader, vanaf m’n 3, 4 jaar. Tijdens de pauze mocht ik mee naar de kleedkamers, de loges. Ik was er kind aan huis, ik lééfde voor een deel in Oud België. Het spel, de show, het theater, dat is mij echt met de paplepel ingegoten. Ik heb nooit anders geweten dan: dit wil ik later ook doen.

»Mijn vader was een flamboyant type: waar hij verscheen, was het lachen geblazen. Hij was een levensgenieter, hield van lekker eten en drinken. En ja, ik lijk op hem, met het ouder worden steeds meer. Zeker als ik m’n snor laat staan, zoals in ‘Den elfde’ (glimlacht). Hij was fier en trots, het theater was zijn passie. Als hij de hele dag in de winkel had gestaan, moest hij ’s avonds laat nog liedjes of sketches instuderen.

undefined

null Beeld

»Moeder leefde voor de zaak. Een bloemenwinkel, dat is hard werken: je moet ’s ochtends vroeg op om bloemstukken te maken of begrafeniskronen te steken. Bloemen vragen veel verzorging en aandacht. En in de zomer, bij een hittegolf, is het alle hens aan dek om te zorgen dat ze niet verwelken.»

HUMO Je was enig kind en erg met je moeder verbonden.

Van den Begin «Enige kinderen worden vaak verwend, maar met mij was dat niet het geval. Ik vond m’n vriendjes in de buurt, op straat. Toch ben ik opgegroeid met veel warmte, vrijheid en humor. Mijn ouders hielden echt van mij, en ik van hen. Liefde en vertrouwen, dat was bij ons de sfeer. Wij vormden een drie-eenheid, en wij waren gelukkig.

undefined

'Toen m'n vader stierf, kwamen er een aantal verrassingen naar boven: onbetaalde rekeningen, een lening die hij had afgesloten'

»Toen we de bloemenwinkel noodgedwongen moesten sluiten, zijn m’n ouders op latere leeftijd gerant geworden van het cafetaria van het cultureel centrum in Deurne. Dat was een grote switch. Maar zelfs daar ging m’n vader door met optreden, sketches verzinnen, de mensen aan het lachen maken.»

HUMO Konden ze van dat cafetaria leven?

Van den Begin «Dat was niet evident. Toen m’n vader stierf, kwamen er een aantal verrassingen naar boven: onbetaalde rekeningen, een lening die hij had afgesloten. Bleek dat hij jaren de schijn van onbezorgdheid had hooggehouden. Eigenlijk hadden wij boven onze stand geleefd. Een harde dobber voor mijn moeder, ik ben haar toen vaak gaan helpen.

»Zij leeft nog. Iedere zondag ga ik haar bezoeken in het rusthuis en spelen we rummikub. Ze is nog altijd mijn grootste fan. Bij de Debby en Nancy-shows zat ze altijd op de eerste rij. En ja, als zij er is, speel ik voor háár. ‘Precies de papa,’ zegt ze dan. Van haar heb ik de openheid naar mensen toe. En haar joie de vivre.»

HUMO Naar het schijnt won je op je 12de samen met haar een danswedstrijd!

Van den Begin «Klopt: dat was op vakantie in Oostenrijk. Bij gebrek aan een partner koos mama míj. Ik heb altijd graag gedanst. En mijn moeder óók.»

HUMO In ‘Den elfde van den elfde’ zitten enkele mooie dansmomenten van jou. Je hebt allure, je kúnt dansen.

Van den Begin (lacht) «In die scènes heb ik mij zeer lekker gevoeld. Er zit een verhaal aan vast: op school vond ik turnen verschrikkelijk. Toen viel de turnleraar ziek en kregen wij in de plaats een dame. Die gaf liever wat zij ‘ritmisch bewegen’ noemde. De rest van de klas vond dat maar niks, maar ik leefde helemaal op. Fantastisch! Ik heb toen serieus aan balletschool gedacht. Maar uiteindelijk is het de Studio (Herman Teirlinck, red.) geworden. De laatste jaren van mijn humaniora zat ik echt af te tellen: nog zoveel maanden, weken, dagen en ik mag naar de toneelschool! Ik deed ingangsexamen, met als keuzewerk iets van Dario Fo. Ik begon, en na drie zinnen klopte directeur Fons Goris, die mij al bij het schooltoneel aan het werk had gezien, op tafel: ‘Stop maar!’ Ik dacht: einde verhaal. Maar nee: ik was geslaagd! Vanaf toen begon mijn nieuwe leven. Ik was 19 jaar: de wereld lag aan mijn voeten.»

HUMO Was je een rebel?

Van den Begin «Extreem pubergedrag heb ik nooit vertoond – dat was ook niet nodig (glimlacht). Eigenlijk zit ik nu pas, als 51-jarige, in mijn puberteit. Als kind was ik zeker niet het haantje-de-voorste. Wel de langste (lacht). Als ik in gezelschap ben, zoek ik eerst naar vertrouwen, ik zal nooit meteen op tafel springen. Eerder introvert, toch wel. Ik functioneer het best bij correcte afspraken, onder mensen die ik ken.»

HUMO Wat doe je dan met het publiek? Dat is toch de grote onbekende?

Van den Begin «Op het podium voel ik mij net vrij. Vreemd, hè (lacht). Maar een café zal ik nooit jubelend betreden. Ik wacht af, de eerste minuten hou ik mij gedeisd. Veel toneelspelers zijn eigenlijk timide, zeker als ze niet op een podium staan. Wij hebben een vertrouwde omgeving nodig. Bij Jan Decleir, die ook in ‘Den elfde’ zit, viel mij dat meteen op: eigenlijk heeft hij, achter die zeer mannelijke bolster, een klein hartje. Ons soort volk bloeit open op de planken.

»In mijn eerste jaar Studio zaten toen ook Ingeborg, Stef Bos, Koen De Bouw, Filip Peeters, Michael Pas. Een bijzonder jaar (lacht): bijna iedereen was gebuisd voor wat toen ‘spraak’ heette. We mochten verdorie ons jaar overdoen. Ik herinner mij nog de mimetische oefeningen, waarbij je een plant of een dier moest uitbeelden. Speel jij maar eens een komkommer (lacht). Maar met terugwerkende kracht had het toch wel z’n nut: het prikkelt je verbeelding.

»Ik was een jaar of 19 toen ik de film ‘Brussels by Night’ van Marc Didden zag, met François Beukelaers in de hoofdrol. Ik was onder de indruk van die film en van de manier waarop François z’n karakter neerzette. Wel, in het tweede jaar kreeg ik les van diezelfde François Beukelaers. Fantastisch! Hij kwam de klas binnen met een wereld van verhalen. Jammer genoeg was hij na drie weken alweer verdwenen.»

HUMO Je vader stierf toen jij 24 was.

Van den Begin «Vader en moeder waren met vakantie in Bulgarije, voor de vierde keer al. Ik was alleen thuis, ik zat midden in een productie. Plotseling ging de telefoon. Het was mijn oom, nonkel Paul, die mij anders nooit belt. Ik hoorde z’n stem en ik wist meteen, nog voor hij ter zake kwam, dat er iets ergs was gebeurd. Toen deed hij z’n verhaal: vader was in Bulgarije ziek geworden en naar de kliniek gebracht. ‘Uw man moet even blijven, voor een routineonderzoek,’ zeiden de dokters tegen m’n moeder. ‘Rijdt u maar terug naar het hotel. Er is niets ernstigs aan de hand. Wij houden u op de hoogte.’ Goed, moeder reed terug, een rit van één uur. Ze liep naar haar kamer en daar ging meteen de telefoon: vader bleek in de tussentijd overleden. Hij was amper 62 jaar oud.

undefined

null Beeld

»Zijn dood kwam zeer heftig aan, bij m’n moeder én bij mij. Vijfentwintig jaar later, in juni en juli van vorige zomer, acteerde ik in een film die in Bulgarije werd gedraaid. Ik arriveerde er met een zachte weemoed in het hart, denkend aan mijn vader. Het was geen onaangenaam gevoel, het was warm en vertederend. Ik ben zes weken in Bulgarije gebleven, zonder naar huis terug te keren. Ik sliep in hotels waar mijn vader ook had geslapen. Het was alsof zijn geest er nog rondwaarde. Ik dacht: hier heeft hij aan de toog gezeten, en in dit stadje heeft hij gewandeld. Een zeer bijzondere, spirituele ervaring.

»Mijn vader en ik hadden een zeer hechte band. Hij was trots op mijn carrière, maar bleef bescheiden in z’n complimenten. Hij steunde mij, in alles. Hij drong mij nooit zijn mening op, maar liet mij zelf beslissen wat ik met mijn leven wilde aanvangen.

»Even voor zijn overlijden, midden in mijn tijd bij de Studio, werd ik gevraagd voor een rol in ‘De getemde feeks’. Wat betekende dat ik mijn studie moest opgeven. Uiteindelijk heb ik die voorstelling 160 keer gespeeld. Daarna kwam de Blauwe Maandag Compagnie, met Luk Perceval. Wij speelden ‘De meeuw’: ik was de jeune premier Kostja, naast Els Dottermans als Nina, Jan Decleir als Trigorin en Chris Lomme als Arkadina. Een groot succes. En hopla, ik was gelanceerd.

»In die tijd bij de Blauwe Maandag was toneel het enige wat voor mij telde. De bus op, naar het theater, spelen, iets gaan drinken, slapen, en de volgende dag opnieuw. Dat was een interessante flow (lacht). Die jaren bij de Blauwe Maandag hebben mij gevormd. Luk Perceval werd mijn mentor, hij pakte mij als jonge acteur bij de kraag. Hij geloofde in mij, gaf mij geen evidente stukken te spelen maar heftige, emotioneel zware rollen, waarvan ik vreesde dat ik ze bij gebrek aan maturiteit niet zou aankunnen. Vaak heeft hij mij naar een première moeten slepen, letterlijk. Later ben ik nooit meer een acteursregisseur van zijn klasse tegengekomen. Tegelijk was hij beenhard, hij werkte nooit op halve kracht. Van Luk heb ik echt wel lessen gekregen (glimlacht). Als ik wat minder geconcentreerd repeteerde, zei hij: ‘Als je nu niet uit je kot komt, speel ik die rol zelf.’»

HUMO Wat bedoelde hij met ‘uit je kot komen’?

Van den Begin «Ervoor gáán. Het onderste uit de kast halen. Op leven en dood spelen. Tot op de dag van vandaag koester ik die les: speel alsof je leven ervan afhangt, iedere keer opnieuw.»


Stuwende Stany

HUMO Hoe ben je uiteindelijk bij VTM terechtgekomen? Indertijd was dat not done voor een serieus opgeleide acteur.

Van den Begin «Zeker niet als je, zoals ik, van de Blauwe Maandag kwam (lacht). Van de elite naar de poppenkast, de commercie, het plebs! En nee, ’t was niet om den brode. Ik had meegedaan aan de film ‘Alles moet weg’, met mijn eeuwige gabber Stany Crets en regisseur Jan Verheyen. Stany kende ik al van bij de Studio. Maar pas bij de Blauwe Maandag hebben wij elkaar echt door en door leren kennen en is er een diepe vriendschap gegroeid. Het eerste wat wij samen deden, was ‘Wilde Lea’. Er kwam veel improvisatie bij te pas. En als je aan het improviseren slaat, leg je je lot in elkaars handen; je moet elkaar door en door vertrouwen. Kortom: het klikte. Veel gelachen, ook.

»Ik repeteerde met de Blauwe Maandag voor ‘Ten oorlog’, maar ik ben vroegtijdig weggegaan. Toen de breuk een feit was, hebben Stany en ik de koppen bij elkaar gestoken in café Pallieter, aan de hoek van de toog: ‘Als wij nu eens samen een sitcom deden?’ Het was de tijd dat ‘Friends’ net was uitgekomen. Wij wilden iets geestigs, iets verfrissends, iets waarbij je kon lachen. Zo werd ‘De Raf en Ronny Show’ geboren, over twee werkloze acteurs, wat wij toen zelf waren, en een huisbaas, Jaak Van Assche, die voortdurend op hun kap zit. Wij begonnen samen te fantaseren, schreven een aantal afleveringen uit en trokken ermee naar de VRT, maar daar haalden ze hun neus op: ‘Misschien, op lange termijn, wie weet…’ Wij dus naar VTM. Daar, in de directiekamer, voor algemeen directeur Klaus Van Isacker en Guy Helsen, hebben wij Raf en Ronny live gespeeld. Lachen! En Klaus en Guy zeiden meteen: ‘Wij gaan dat doen!’

»Stany keek mij aan: ‘Wat nu?’ Wij hadden wel wat tekst, maar al de rest ontbrak. We lieten decors maken, met vier camera’s erbij, volgens de regels van de sitcom. En vervolgens zijn we samen de dieperik ingesprongen, op hoop van zegen.»

HUMO Later kwamen Debby en Nancy, en nog later Frits en Freddy. Alsof je voor het duo was geboren.

Van den Begin «Dat leek zo. Maar het was toch vooral toeval. (Mijmerend) Als ik bedenk hoe Debby en Nancy zijn ontstaan: VTM had ieder jaar een avond waarin de nieuwe programma’s van het volgende seizoen werden voorgesteld aan de klanten, de investeerders, de reclame. Wij zouden de boel wat opvrolijken met korte sketches. Zo kwamen we op het idee: we doen die presentatie als twee nieuwe VTM-presentatrices. En wij maar kwebbelen en improviseren. Voor we het wisten, stonden Debby en Nancy er. Wij hadden natuurlijk ook naar Dame Edna gekeken. Koot en Bie en die van Monty Python deden soms ook vrouwen. ’t Viel in goeie aarde. Christian Van Thillo was die avond in de zaal aanwezig en lachte zich een breuk. Snel groeide de overtuiging: hier zit goud in! VTM bleek meteen verkocht.»


Troef op tafel

HUMO Laten we het eens over je vriendschap met Stany Crets hebben. Wat heb je van hem opgestoken?

Van den Begin «Stany gaf mij vooral het gevoel een compagnon de route te zijn. Met hem kun je naar de oorlog. Van nature zijn wij erg verschillend. Onze kracht ligt hierin dat we elkaar mooi aanvullen. Plus het feit dat we in elkaars blik konden lezen hoe we moesten reageren. Debby en Nancy, dat was pure tiktak: we bereidden het minimum voor. En de mensen voelden dat: die twee zijn echt aan het improviseren.»

HUMO Ik herinner mij de hilarische aflevering waarin Yves Leterme en Johan Vande Lanotte bij Debby en Nancy te gast waren en al meteen een sinterklaasbaard aangeplakt kregen. Het hele land lag plat! Later zijn over die scène zelfs parlementaire vragen gesteld: Leterme en Vande Lanotte hadden ‘het hoogedele ambt van politicus belachelijk gemaakt’.

Van den Begin «En op het einde van dat item kwam Jean-Marie Dedecker als kapitein Iglo de kers op de taart zetten! (hilariteit) Ja, dat was een perfect voorbeeld van wat improvisatie moet zijn. Wij wisten op voorhand niet hoe die politici zouden reageren. Je denkt op zulke momenten ook niet na over wat je gaat zeggen. Je flapt eruit wat voor jou op dat moment het beste lijkt, en klinkt het niet, dan botst het maar. En als het lukt, is dat fantastisch. Ik vergelijk het met kaartspelen: de kunst is om je troef op het juiste moment op tafel te gooien. Stany is, meer dan ik, ontzettend snel en alert. Ongelofelijk ad rem. En ik hinkte daar, ook fysiek, een beetje achteraan. Maar ik wou niet voor hem onderdoen. Wat het publiek natuurlijk doorhad. En dat maakte het extra leuk.»

HUMO ‘De Debby en Nancy Show’ is uiteindelijk doodgebloed: VTM lustte jullie niet meer. Er werd niet meer gelachen.

Van den Begin «Plotseling bleek dat VTM Paul de Leeuw had geëngageerd, twee keer per week, met ongeveer dezelfde gasten die ook voor ons interessant waren. ’t Werd dus een beetje dubbelop, ook voor VTM. We beseften: dit wordt een lastige (glimlacht).»

HUMO De magie sloeg niet meer aan?

Van den Begin «’t Was één keer te veel geweest, dat is de waarheid. De mensen kenden ons ondertussen door en door. Ze zaten niet meer op ons te wachten, en dat wordt een wisselwerking: je voelt dat aan, het sluipt in je spel. Bij comedy heb je een enthousiast publiek nodig. Wij deden onze laatste shows live, wat een inschattingsfout bleek. Vroeger werd alles vooraf opgenomen en vervolgens bewerkt – ingekookt, zeg maar. Maar als je echt live gaat, kun je niets meer rechtzetten. Na een aflevering of vier, vijf, heeft VTM er de stekker uitgetrokken.»

HUMO En dat kwam aan?

Van den Begin «Natuurlijk. Dat was niet prettig, zeker niet midden in het seizoen. Niet alleen voor ons, maar voor ons hele productiehuis: wij waren verantwoordelijk voor een stoet mensen die we voor een langere periode hadden geëngageerd. Er stond verdorie een orkest van een man of tien bij ons op de loonlijst. Nee, niet de fijnste periode.»

HUMO Zijn Stany en jij nog altijd bloedbroeders?

Van den Begin «Wij hebben indertijd zeer vaak met elkaar opgetrokken, we hebben elkaars deur platgelopen. Het was meer dan alleen maar een oppervlakkige vriendschap. Wij deelden lief en leed, én we hadden samen een productiehuis. Maar dat is organisch tot een einde gekomen: de noodzaak was er niet meer, we ontwikkelden niet langer samen nieuwe dingen, de interesses begonnen verschillende richtingen uit te gaan. Stany is zich op regie gaan toeleggen en ik ben meer en meer film gaan doen.»


Schlemiel Frank

HUMO Dat brengt ons bij ‘Den elfde van den elfde’. Ik kijk er niet naar als komedie, daarvoor zit er te veel tragiek in.

Van den Begin «Precies: ’t is tragikomisch. Een veel interessantere combinatie dan pure slapstick. Tom Van Dyck en Alice Reijs hebben dat van het begin af benadrukt. ‘Den elfde’ is niet toevallig door een acteur en een actrice geschreven, dat voel je, in iedere scène. Ik hield meteen van het scenario, voelde niet de behoefte er ook maar één komma aan te veranderen of er wat bij te improviseren. Er staat wat er staat. Ik las de rol en ik had er meteen een fysiek beeld bij. Zo’n rol mogen spelen is een groot cadeau.

undefined

'Ik heb nooit een echt doel gehad; ik zie wat op mijn pad komt en ga er vervolgens intuïtief mee om'

»Ik heb nooit een echt doel gehad, een groots streven, zo van: dáár wil ik ooit staan. Ik zie wat op mijn pad komt en ga er vervolgens intuïtief mee om.»

HUMO Jouw figuur in ‘Den elfde’, de aandoenlijke schlemiel Frank, draagt de reeks, vind ik. Zelden heb ik de menselijke tragiek zo mooi in de verf zien staan.

Van den Begin «Frank meent het goed. Hij doet zó hard z’n best. Hij is, in al z’n naïviteit, ontroerend en doorzichtig als glas. Dat alles zat al in de schriftuur. Tom zei me vooraf: ‘Peter, dit wordt de rol van je leven.’ Ik was geneigd te denken: ‘Jaja, dat zeggen ze allemaal.’ Maar ik moet hem misschien wel gelijk geven. Ik begin de acteurs uit de zo succesvolle Amerikaanse tv-series als ‘Mad Men’ of ‘Breaking Bad’ nu beter te begrijpen: als het scenario goed geschreven is, kun je er als acteur een onvergetelijk personage in neerzetten. In zo’n serie krijg je zeven keer 50 minuten om je verhaal te vertellen. Je kunt alles rustig uitsmeren en veel beter kiezen waar de juiste accenten horen te liggen.»

undefined

null Beeld

HUMO Frank lijkt wel weggelopen uit het boek Job: het ene na het andere onheil overkomt hem.

Van den Begin «En toch doet hij zo goed z’n best (glimlacht).»

HUMO Ben jij een Frank?

Van den Begin «Diep heb ik niet moeten graven (glimlacht). En ik ben er vol voor gegaan. Misschien zit er inderdaad nogal wat Frank in mij. Ik ben ’m alvast gewórden in de reeks. De rol trok aan mij. En de tragiek van Frank herkende ik, ja. Eén keer schitteren! Willen wij dat niet allemaal?»

HUMO Frank is ook zielig. Meelijwekkend. En toch gaat ons aller sympathie naar hem uit.

Van den Begin «Zo wil de maatschappij het nu eenmaal: wij houden allemaal van de underdog. Omdat wij in hem een spiegelbeeld zien van wat ons ooit zou kunnen overkomen. Als wij lachen om Frank, dan lachen we onze angsten weg. Niets dankbaarder voor een acteur dan zo’n dieptragische figuur te mogen neerzetten.»

HUMO Tegelijk merkte ik, nog voor de eerste aflevering op tv was geweest, bij zowel Jan Decleir als Tom Van Dyck een zekere angst: zal dit wel aanslaan?

Van den Begin «Die angst had ik ook: ’t is je kind, hè, je baby: ‘Zal het publiek mijn kindje wel mooi vinden?’ Je bent benieuwd. En ongerust. Acteurs zijn op dat vlak broos en kwetsbaar. Iedere rol begin je van nul af aan. Ik geef mezelf bloot in Frank. Ik sta daar toch maar de onnozelaar te wezen, nee?»

undefined

'Eén keer schitteren! Willen wij dat niet allemaal?'

HUMO Frank ziet er verschrikkelijk uit: hij is ziek, afgeleefd, heeft enorme wallen onder z’n ogen.

Van den Begin (strijkt over z’n oogleden) «Ik heb van nature al aardige wallen. Maar Tom wou dat de grime die nog wat aanzette. Toen ik de eerste rushes zag, dacht ik: wauw, hier zie ik er wel echt slécht uit. En er worden, vooral door Frank, nogal wat tranen gestort. Zeer emotioneel.»

HUMO Hoe wek je dat bij jezelf op?

Van den Begin «Hangt van de scène af. Frank huilt vaak, maar eigenlijk wil hij niet huilen. Als acteur vond ik Franks gevecht tegen de tranen interessanter dan de tranen zelf. En verder bestaan er hulpmiddelen: het trouwe potje Vicks, bijvoorbeeld. Of de make-up blaast wat kristallen in je ogen. Maar dat op zich is niet genoeg, die Vicks is alleen een trigger. Pas als je er emoties op ent, komen de echte tranen.

»Veel hangt ook af van je tegenspelers. De scène aan de eettafel (in aflevering vijf, red.) was lang en ingewikkeld, met verschillende cameraperspectieven. We hebben die scène wel tien keer moeten overdoen. Die hele draaidag bleef iedereen enorm gefocust. Tussendoor werd nauwelijks gedold of gezeverd, wat anders weleens gemeengoed is bij acteurs. Wel, op een bepaald ogenblik breekt Yvonne, de zus van Frank (gespeeld door de wonderbaarlijke Eva Van der Gucht, red.). En… ik volgde, de tranen kwamen vanzelf. En niet één, maar acht keer na elkaar. Die hevige emotionaliteit had ik niet eerder ervaren. Ik keek Eva aan, haar blik kwam binnen, en meteen was die krop in de keel er.»

HUMO Huil je privé gemakkelijk?

Van den Begin «Toch wel (glimlacht). Ik kan snel vertrokken zijn.»


Tine voor twee

HUMO Je vrouw Tine Reymer is actrice en singer-songwriter. Jullie zijn allebei publieke figuren. Valt dat mee?

Van den Begin «Voor Tine is zingen en songs schrijven alles. Wij kennen elkaar al langere tijd, we hebben twee dochters samen. Als je met z’n tweeën in de spotlights staat, wordt het niet zo evident: je bent bezig met agenda’s, met je carrière. Soms lukt dat, soms niet (glimlacht). Tine is een tijd voluit voor de kinderen gegaan, waarvoor ik haar zeer dankbaar ben. De kinderen zijn nu wat ouder en Tine vindt nu meer ruimte voor haar muziek.

»Om mijn ding te kunnen doen, ben ik meer afhankelijk van andere mensen dan zij. Tine is veel meer op zichzelf gericht: zij componeert en schrijft teksten, en dat doet ze alleen. Ze is een beetje een eenmansbedrijf, en daar benijd ik haar soms om. Haar doorzettingskracht is groot, maar haar twijfel dikwijls ook.»

'Grijp iedere kans, want de kansen zijn dungezaaid. En niemand komt ze je op een presenteerblaadje aanbieden'

HUMO Ik citeer een tekst van Tine : ‘I’m sick and tired daddy don’t communicate / one day you’ll wake up and call me / it will be too late cause my love turns into hate’. Voel je je aangesproken?

Van den Begin «Euh, laten wij het houden op dichterlijke vrijheid (lacht). Ze heeft die tekst na een serieuze ruzie geschreven, herinner ik mij. Dikke ambras. Daar heeft ze woedend een nummer uit gepuurd. Het duurde enige tijd voor ze het mij liet horen (lacht). Maar ik vond het meteen een straffe song. Ik zie er ook wel de humor van in, ’t is onderdeel van een relatie. En: saai is het met Tine nooit.»

HUMO Terug naar ons uitgangspunt: wat heeft het leven je geleerd?

Van den Begin «Da’s geen simpele, hè. Kijk: er bestaat voor het leven geen generale repetitie. Je kunt het niet herdoen. Het moet meteen goed zitten. Het is nú dat je moet leven, niet morgen, of volgend jaar. Dat heeft mij altijd voor ogen gestaan: leef in de tegenwoordige tijd! Wij zitten hier tegenover elkaar te vertellen. Wel, dát is belangrijk, nú. Zo speel ik ook: je gaat er vol voor. Morgen kan het afgelopen zijn. Dus: lééf. En hang je eigen slingers op. Want anderen zullen dat niet voor jou doen. Durf je verantwoordelijkheid te nemen. Of initiatief. Grijp iedere kans, want de kansen zijn dungezaaid. En niemand komt ze je op een presenteerblaadje aanbieden.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234