null Beeld VRT
Beeld VRT

kijktip'uncle Martin'

Het trieste familiegeheim van Martin Heylen: ‘Ik was niet alleen de vervangbaby voor mijn overleden zusje, maar ook voor een andere Martin Heylen’

Toen Martin Heylen (66) in februari 2015 zich in Humo liet ontvallen dat zijn vader ooit met de Red Star Line naar Amerika was vertrokken, had hij nooit kunnen vermoeden dat het zou leiden tot de ontdekking van een onbekende familietak in de Verenigde Staten. De kennismaking met die familie kon u de afgelopen weken volgen in ‘Uncle Martin’ op Eén. De spectaculaire voorgeschiedenis van zijn zoektocht vertelt Heylen in het boek ‘Ik dacht dat ik een kleine familie had’. Een exclusieve voorpublicatie.

martin heylen

Dat ze een café had, was voor mijn moeder geen reden tot schaamte. En ze vond dat dat voor ons ook gold. Café Sportwereld was dan ook al snel een centrale plaats in het dorp. Iedereen kwam er weleens langs, net als later in café De Muze. Het liefst had mijn moeder dat er meisjes uit het dorp kwamen om haar te helpen. Die konden niet alleen hard werken, ze lokten bovendien wat extra jongemannen uit de streek naar haar café. Meer dan één huwelijk in Oosteeklo is ontstaan uit een paar voorzichtige maar niet mis te verstane blikken boven een versgeschonken pintje in ons café.

Samen met de klanten namen onze inkomsten toe. En mijn moeder en vader waren niet bang om die te gebruiken. Ze hadden een sterk vooruitgangsdenken in zich, allebei. Als er een stofzuiger werd uitgevonden, kochten ze die. Als de wasmachine werd verbeterd, kochten ze een nieuwe. En toen de televisie werd uitgevonden, waren zij een van de eerste inwoners van Oosteeklo met een eigen tv. Natuurlijk was ook dat een magneet voor buren en klanten, maar ze kochten het toestel toch vooral omdat ze geloofden dat je vooruit moest, met alle oude en nieuwe middelen die ter beschikking staan.

Die boodschap kregen wij ook mee: we moesten vooruit. Telkens weer herinnerden ze ons eraan dat iedereen ergens kan geraken, als je er maar voor werkt. Meer nog: zelfs wie met een achterstand begon, kon volgens mijn ouders uiteindelijk nog verder raken dan de mensen die een voorsprong hadden, zolang je je maar volledig gaf.

Je zou kunnen zeggen dat het een mentaliteit van zelfstandigen is. Of een overblijfsel van het overlevingsdenken van de oorlog. Een doelgerichte variant van de avonturendrang van mijn vader. Of een restant van het gezonde en vooral werklustige boerenverstand dat mijn moeder van thuis had meegekregen. Dat zal allemaal wel meegespeeld hebben, maar ik denk dat hun afkeer van notabelen een nog veel grotere invloed had op hun vooruitgangsdenken. Wij werden, in tegenstelling tot onze vrienden, niet opgevoed met of gehinderd door een ontiegelijk ontzag voor de drie groten van elk dorp: de pastoor, de dokter en de schoolmeester. Niet dat we niet leerden om onze beurt af te wachten en bescheiden te zijn, maar het katholicisme met zijn afkeer van vooruitgang en zijn voortdurende nadruk op schuld en boete kreeg bij ons thuis geen voet aan de grond. En het stond de slaagdrang van mijn vader en moeder dan ook nooit in de weg. ‘Gewoon doen en niet opvallen is goed,’ zei mijn moeder ons regelmatig, ‘maar succes hebben is nog beter.’ Want waarom zou je voorzichtig en bescheiden blijven als je met opvallen veel verder komt?

Die gedachte was in katholiek Vlaanderen heel ongewoon. Alleen hadden mijn ouders, en dan vooral mijn vader, het katholieke geloof al heel vroeg achter zich gelaten. Toen mijn vader zelf nog een kind was, hadden zijn ouders ook een café, waar, net als bij ons, iedereen welkom was. Ook de toen talrijker wordende socialisten en atheïsten. Vanaf de kansel in zijn kerk had de pastoor toen zwaar uitgehaald naar hun café: de parochianen mochten er niet meer heen! Het was een oord van verderf! En bovendien: toen mijn ouders later in hun café liggendewipschietingen organiseerden, zei de pastoor dat ze zondig waren. Hoe kon die dat zeggen? Het was hun broodwinning!

null Beeld Martin Heylen
Beeld Martin Heylen

Toen meneer pastoor niet veel later zelf liggendewipschietingen begon te organiseren, was het met het respect voor de kerk helemaal gedaan. Het respect voor schoolmeesters moest er ook al heel vroeg aan geloven. Ik wist dat mijn vader als kind in Amerika had gewoond en zijn vertrouwen in Vlaamse schoolmeesters was nauwelijks enkele weken na zijn terugkomst al weg. Hij had namelijk van zijn 3 tot zijn 11 jaar in Amerika schoolgelopen en had daar dus leren lezen en schrijven. Van het Nederlands kende hij alleen het dialect dat zijn vader en moeder spraken. En schrijven, dat leerde hij op de schoolbanken, in het Engels. Toen hij weer naar Vlaanderen kwam, kon hij dus wel Nederlands spreken, maar alleen in het dialect, en kon hij wel schrijven, maar alleen in het Engels.

Toen hij zijn eerste Nederlandse woorden moest schrijven op school, deed hij dat fonetisch. Dat leidde niet tot begrip en extra aandacht van de meester, maar tot oorvijgen en verwijten. Mijn vader was een dommerik, dat was voor de meester duidelijk. En toen hij niet onmiddellijk bijleerde, werd de strategie van de meester nog drastischer: mijn vader werd in het kolenhok opgesloten. Toen ook dat niet hielp, nam de meester hem mee naar zijn eigen huis om in de moestuin te werken. Als hij dan toch te dom was om Nederlands te schrijven, kon hij maar beter groenten leren kweken. En dan was de moestuin van meneer meteen ook proper.

En dan was er die derde belangrijke burger in een dorp: meneer doktoor. Het respect voor hem hebben mijn ouders door een heel tragische gebeurtenis verloren. Veel wist ik er als kind niet van, want ondanks alle vooruitgangsdenken rustte er een taboe op één onderwerp: het zusje dat er ooit was geweest. Mijn moeder en vader hadden nog een kindje gehad dat gestorven was toen het nauwelijks een paar maanden oud was. Wat ik ervan wist, moest ik bijeenschrapen uit een occasionele verspreking van mijn vader en de spaarzame verhalen van mijn tante. Maar er was dus een zusje geweest, dat al heel snel ernstig ziek was geworden. In elk geval was er toen net een nieuw medicijn op de markt, penicilline genaamd, waarvan mensen zeiden dat het zou kunnen helpen. Maar dat geloofde de dokter niet. Dat medicijn was nieuw, ze wisten er nog zo weinig van, het zou gevaarlijk kunnen zijn. Moeder Lea moest het in elk geval zeker niet aan haar dochtertje geven, dat was een veel te groot risico. Waarna mijn moeder Lea en vader Henri hun dochter, nauwelijks enkele maanden na de geboorte, in hun armen voelden sterven.

Dat was een trauma, uiteraard. Ik wist dat ik er niet naar mocht vragen, ook al voelde ik dat verdriet wel altijd in huis. Heel soms sprak mijn moeder het zelfs uit: ‘Jij had een dochter moeten zijn.’ Nooit met liefde, maar altijd wrang en bitter. Met de levenswijsheid die ik vandaag heb, begrijp ik het een beetje. Hoe raak je het verlies van een kind te boven, nota bene in de wetenschap dat het eigenlijk te redden was geweest?! Maar toen, als mijn moeder zoiets zei, voelde ik me ongewenst. De mislukte vervangbaby. Al was ook dat ongetwijfeld een deel van de opvoeding vol vooruitgangsgedachten van mijn ouders: ik was bij de geboorte niet wie ze gehoopt hadden dat ik zou zijn, dus moest ik er maar iets van zien te maken.

BIDPRENTJES

Ik ontdekte die familiewaarheid zelf, in mijn late puberjaren, op zolder. Het was een lege dag en ik zat te rommelen tussen de kisten met papieren die daar stonden. Ik legde een akte en wat andere brieven opzij, en plots lag het daar op mijn schoot: een bidprentje. Op de voorzijde stond een wat naïeve, kinderlijke tekening van enkele kinderen en nonnen die een kerk uitwandelen tussen de winterse takken van enkele knotwilgen. Het kindje vooraan draagt een kruisje, en eronder staat de tekst: ‘Gij, Jezus, gij alleen, gij kunt ons tranen drogen!’ Toen pas zag ik dat de kindjes vooraan iets dragen: een heel klein kistje. Ik kreeg het pas echt koud toen ik het kaartje omdraaide: ‘Zalig aandenken van ons lief kindje Rosette Heylen.’

In eerste instantie bleef mijn blik, hoe gek ook, haperen bij die naam Heylen: ik had mijn ongewone familienaam nog nooit ergens gedrukt zien staan. Maar toen begon het tot mij door te dringen dat dit het kaartje van mijn zusje was. Dat het zusje eindelijk een naam en een leeftijd had gekregen: Rosette, geboren in december 1944, overleden in mei 1945. Ik was ontzettend ontdaan door die onverwachte ontdekking. Zoveel jaren van stilzwijgen en geheimdoenerij kregen hier plots een naam, een beeld, een datum. Het was zo vreemd dat het zelfs geen werkelijkheid leek.

Nog helemaal in de war van het kaartje legde ik het weg om te kijken wat eronder zat. Daar was nog een kaartje, dit keer met een geromantiseerde tekening van een moeder die bij een wieg zit te huilen en boven haar hoofd een engel met een baby’tje in de armen. Er stond een gedichtje van Guido Gezelle bij. Argeloos draaide ik ook dit rouwprentje (wat het overduidelijk was) om, en versteende toen bijna. Op de achterzijde stond: ‘Tot zalig aandenken van ons lief kindje Martin Heylen. Kindje van Henri en Lea. Geboren in september 1943, gestorven in december 1943.’

Martin Heylens grootmoeder Irma en zijn stiefopa Petrus Stevens. ‘Maar waar was mijn echte grootvader, Louis Heylen? En waarom was hij niet teruggekeerd met mijn grootmoeder? Beeld Martin Heylen
Martin Heylens grootmoeder Irma en zijn stiefopa Petrus Stevens. ‘Maar waar was mijn echte grootvader, Louis Heylen? En waarom was hij niet teruggekeerd met mijn grootmoeder?Beeld Martin Heylen

Ik kan het gevoel dat ik toen had nog altijd oproepen, maar ik kan het nu net zomin omschrijven als toen. Het was een enorm verwarrende combinatie van de schok van de ontdekking dat ik nog een broertje had gehad, de dankbaarheid dat ik nu de waarheid wist, en het ontstellende gevoel mijn eigen naam op een rouwkaartje te zien staan. Ik had nog maar pas voor het eerst een Heylen op papier zien staan, en dan zag ik dit: een broertje, met een naam die bovendien identiek was aan de mijne! Ik was niet alleen de vervangbaby voor mijn zusje, maar ook voor een andere Martin Heylen! Ik was er echt kapot van. Voor de rest van die dag was ik tot niets meer in staat.

Uiteraard heb ik er, nadat ik van het eerste verdriet en de eerste woede bekomen was, met mijn moeder over gepraat. Ik heb het haar allemaal voor de voeten gegooid. ‘Maar Martin,’ zuchtte mijn moeder, ‘waarom moet ik dat allemaal weer oprakelen als ik ermee heb leren leven door erover te zwijgen?’

‘Omdat ik het recht heb!’ riep ik kwaad. ‘Omdat het mijn zus en mijn broer zijn!’

Maar dat hielp niet. Mijn moeder had ervoor gekozen om erover te zwijgen en wilde dat blijven doen. Je moest toch gewoon voortdoen, zoals iedereen. In die zin begrijp ik het, en zie ik de context. Toch was het tekenend voor de achtergrond waartegen wij opgroeiden: een gezin waarin van je verwacht werd dat je het zou maken, al was het maar uit dankbaarheid dat jij tenminste was blijven leven. Waarin niets je tegenhield om vooruit te gaan, niet de dood van je kind of broer of zus, en al zeker geen onnodig respect voor notabelen.

Mijn broer maakte die verwachting vrij snel waar, maar ikzelf heb meer tijd nodig gehad. Het kwam niet vanzelf, maar bleef wel altijd woelen. Ik was nooit helemaal zonder dat verlangen er iets van te maken. En later vroeg ik me af: was het alleen dat leven zonder onderdrukking door notabelen, of kwam die mentaliteit elders vandaan? Was het misschien Amerika?

null Beeld Martin Heylen
Beeld Martin Heylen

POLYGAMIST

Toen ik jaren later met een cameraploeg in een rechte lijn Amerika doorkruiste, om daar net als in Vlaanderen voor ‘Man bijt hond’ aan willekeurige deuren aan te bellen en de bewoners te portretteren, was ik niet bezig met de geschiedenis van mijn vader in Amerika. Zelfs toen we ‘Heylen en de herkomst’ maakten, was mijn eigen herkomst het verst van mijn gedachten. Ik leefde helemaal in het nu. Dromen waarmaken, vooruitgang boeken, daar draaide het om voor mij.

Toen ik in februari 2015 in een interview in Humo argeloos liet vallen dat mijn vader ooit met de Red Star Line naar Amerika was vertrokken voor een aantal jaar, was dat dan ook alleen om iets algemeens te vertellen over migratie, en hoe er onterecht op migranten wordt neergekeken. Ik wilde daarmee niets over mijn eigen geschiedenis vertellen. Toch hadden sommigen precies die ene zin gelezen. Zeker in het Red Star Line Museum in Antwerpen was die blijven hangen. En dus kreeg ik, nauwelijks een week na de publicatie van het interview, al een mailtje van het Red Star Line Museum. Dat ze altijd op zoek waren naar nieuwe verhalen. En of ik het museum al eens had bezocht? ‘Zo niet, willen we jou graag een persoonlijke rondleiding geven, mocht je daar zin in hebben.’ En ook: ‘Misschien kunnen we dingen uit de archieven terugvinden over jouw (groot)vader.’

Ik heb daar beleefd enthousiast op gereageerd, want ik waardeerde het aanbod. Maar mijn jeugd was toch niet over de hele lijn een even prettige herinnering. Bovendien hield ik me niet graag met het verleden bezig. Dus hoe sympathiek het aanbod ook was, het raakte een beetje vergeten en ik ben er uiteindelijk niet op ingegaan. In oktober van datzelfde jaar volgde een tweede mail van het museum, met de vriendelijke boodschap dat hun uitnodiging nog steeds gold. En opnieuw liet ik hun weten dat ik dat heel fijn vond, zeker interesse had, maar – zo voegde ik er dit keer aan toe – het te druk had met een nieuw programma (‘Heylen en de herkomst’ nota bene) en het daardoor nog steeds niet zou lukken.

Ik kan het me niet herinneren, maar in mijn mailbox vind ik terug dat ze het me op 18 november 2015 nog eens gevraagd hebben. En op 23 augustus 2019 nog maar eens. Niet alleen door de herhaalde vraag van het Red Star Line Museum begon Amerika weer mijn gedachten binnen te sluipen, maar ook en vooral in het kader van een programma dat zou kunnen volgen op ‘Zelfde deur, 20 jaar later’. Konden we niet naar Amerika teruggaan en daar hetzelfde doen als hier: aanbellen bij de mensen bij wie we twintig jaar eerder hadden aangebeld, voor de rubriek ‘Seattle-Miami’ in ‘Man bijt hond’? ‘Misschien is het wel goed dat te doen,’ hoorde ik mezelf plots tegen mijn regisseur en cameraman Joris zeggen, ‘want mijn grootouders zijn ook ooit in Amerika geweest’. Daar wilde Joris meer over weten, dus vertelde ik over het korte verblijf in Amerika, en over de Amerikaanse kruimels in mijn jeugd. ‘Ik heb dat altijd als een afgerond verhaal van vroeger gezien,’ zei ik, ‘maar nu ben ik toch een beetje gaan twijfelen.’ Die twijfel kwam niet uit de lucht gevallen. Bij de laatste mail van het museum was ook een bijlage aan het bericht toegevoegd. ‘Uit de info die ik uit het artikel in Humo kon halen, heb ik al een passagierslijst gevonden voor de familie Heylen, vertrokken met de Lapland in 1920. Zie bijlage (regel 3-6). Maar die gegevens had je misschien zelf ook al?’

Die gegevens had ik allerminst. Ik had zelfs geen flauw benul dat er zoiets als passagierslijsten bestonden, laat staan dat die terug te vinden zouden zijn. En toen ik de bijlage nieuwsgierig openklikte (want nieuwsgierig ben ik dan wel...), was ik allerminst voorbereid op de impact die dat zou hebben. Boven aan de lijst (en boven aan alle lijsten) stond als titel: ‘List or manifest of alien passengers for the United States Immigration Officer at port of arrival’. Dat was duidelijk: deze lijst was bedoeld voor de immigratieambtenaar in de haven van aankomst, die dan een perfect overzicht had van de binnenvarende passagiers en nieuwe inwoners van Amerika. Ook de naam van het schip stond erop: de SS Lapland, en een meer specifieke datum: 17 maart 1920 bij vertrek, en 28 maart 1920 bij aankomst.

‘De huwelijksakte van mijn grootmoeder lag daar ergens in Amerika, bij mensen van wie ik het bestaan niet afwist.’ (Foto: de ontmoeting met Dave, wiens grootmoeder de oudere zus was van Martins grootmoeder.) Beeld © VRT
‘De huwelijksakte van mijn grootmoeder lag daar ergens in Amerika, bij mensen van wie ik het bestaan niet afwist.’ (Foto: de ontmoeting met Dave, wiens grootmoeder de oudere zus was van Martins grootmoeder.)Beeld © VRT

Dan kon ik beginnen aan de ontcijfering van de titels van de kolommen. Daar stonden heel wat gegevens bij die vandaag nog altijd standaard zijn voor bevolkingslijsten: naam, beroep, stad van herkomst, geboortejaar enzovoort. En daar stonden dan inderdaad op de regels 3, 4, 5 en 6 de mij zo bekende namen: Louis Heylen, Irma Heylen (eigenlijk De Keyser, maar die meisjesnaam stond er niet op), Adrienne Heylen en Henri Heylen. Het pakte mij, die namen daar te zien staan, en dat had ik niet verwacht. Het was alsof ik door het zien van die passagierslijst pas besefte wat voor een enorme beslissing zij eigenlijk genomen hadden. Alles achterlaten voor een nieuw begin, springen in het ijle, ik wist maar al te goed hoe dat voelde. En dat hadden mijn grootouders samen met hun twee kinderen ook gedaan!

Daar hield de impact van die lijst niet op, want er waren nog veel meer kolommen. Of the alien passenger kon lezen en schrijven bijvoorbeeld (bij mijn beide grootouders ‘ja’). Welke kleur haar en ogen ze hadden (allebei bruin haar, mijn grootvader bruine ogen en mijn grootmoeder grijze). Of ze polygamist waren (neen), hoe hun mentale gesteldheid was (allebei goed) en of ze misvormde ledematen hadden (geen van beiden). Er stond ook nog op hoelang ze in de Verenigde Staten zouden blijven. En daar was bij alle vier ingevuld: ‘always’. Ze waren dus vertrokken voor altijd. Terugkeren was nooit het plan geweest! De roekeloosheid, de durf, de verbetenheid en het doel van hun vertrek was in dat ene woord plots zo duidelijk: always.

Daar hield de nieuwe informatie nog niet op. Er was namelijk ook een kolom waarin de plek stond aangegeven waarheen ze zouden verhuizen, en dat was een stad waarover ik mijn vader en tante nooit had horen vertellen: Alma. Net als Ithaca, waarover ik wel had gehoord, lag dat in Michigan, maar het was toch weer een andere stad, een nieuwe naam. En dan was er nog die allerlaatste kolom met nieuwe informatie: ‘Of de passagier zich zal aansluiten bij familie of vrienden die reeds in Amerika zijn, en zo ja, hun naam en waar ze wonen.’ En daaronder stond geschreven: ‘Schoonbroer, Louis De Keyser, Alma, Michigan.’

Er bestond een schoonbroer van mijn grootvader en dus broer van mijn grootmoeder? En die was al in Amerika? Ik hoorde het in Keulen donderen. ‘Dat is toch ongelooflijk,’ reageerde Joris. ‘Ik zou daar meer over willen te weten komen als ik jou was. En ze zijn uiteindelijk allemaal teruggekeerd?’

‘Zo ongeveer’, knikte ik. ‘Dat wil zeggen: van die nieuwe broer weet ik natuurlijk niets, maar mijn grootmoeder is acht jaar later met mijn vader en zijn zus teruggekeerd, en mijn grootvader ook, geloof ik, maar niet met dezelfde boot.’

‘En ken je daar de reden van?’

‘Neen. Misschien moet ik dat eens aan Ivan vragen, mijn broer. Of aan mijn nicht Diane.’

‘Maar Martin, ik kan niet geloven dat je daar niet naar op zoek gaat. Dat is toch interessant!’

‘Bwa...’ twijfelde ik. ‘Ik weet niet wat ik zal vinden. En ik weet helemaal niets van Alma, of van die schoonbroer, ik weet echt weinig.’

‘Precies daarom moet je op zoek!’

Ik knikte. Misschien was dat inderdaad zo. Voor het eerst in mijn leven was het moeilijk om dat stukje familiegeschiedenis los te laten. Het bleef maar door mijn hoofd spoken dat ze bij vertrek nooit van plan waren geweest terug te keren. Ik had, in zekere zin, een Amerikaan kunnen zijn. En mijn kleine familie had een Amerikaanse familie kunnen zijn. Was ik me nu echt aan het overleveren aan de emotionele aantrekkingskracht van mijn verleden en het leven van mijn vader en grootouders? Was dit een programma in wording, zoals Joris zo overtuigd leek te denken? En wat dan met het leven in het nu? Ik wist het plots allemaal niet meer... Maar dat vond ik op zich een goed teken. Het allemaal niet meer weten is niet zelden de start van een nieuw en creatief proces.

‘Terwijl ik het vertel, krijg ik opnieuw kippenvel. Dankzij ‘Garden Girl’ kreeg ik voor het allereerst het gevoel dat het echt was. Dat dat hele idee van een familietak in Amerika geen gedachte-experiment was.' Beeld � VRT
‘Terwijl ik het vertel, krijg ik opnieuw kippenvel. Dankzij ‘Garden Girl’ kreeg ik voor het allereerst het gevoel dat het echt was. Dat dat hele idee van een familietak in Amerika geen gedachte-experiment was.'Beeld � VRT

UNCLE PETE

Met de passagierslijst in mijn mailbox en veel vragen in mijn hoofd stapte ik naar de programmaverantwoordelijken bij Woestijnvis. Ik stak er mijn verhaal af over de Red Star Line en mijn recente ‘ontdekkingen’. En ik vroeg me hardop af of dat geen interessantere verhaallijn zou zijn dan pakweg ‘Zelfde deur, 20 jaar later, in Amerika’. De mensen van Woestijnvis knikten even en stelden vervolgens precies dezelfde vragen als deze die ik me zelf ook stelde: hoeveel familie had ik al gevonden? (geen) Hoe zeker was ik dat ik familie zou vinden? (helemaal niet) Zouden die mensen blij zijn mij te zien? (volstrekt onzeker) Klopte het allemaal wel, wat ik nu dacht te weten? (geen flauw benul) Was er een reden om aan te nemen dat mijn zoektocht ook iets zou opleveren? (allerminst) Waarop de evidente conclusie volgde: we kunnen er helemaal niet van uitgaan dat je ook maar iets vindt dat een programma waard is. Maar ook: het klinkt wel intrigerend...

Ik kon niets tegen de onzekerheid van de feiten inbrengen. Maar er was wel iets anders dat dan blijkbaar toch bleef hangen: de goesting. Het mysterie. De nieuwsgierigheid naar wat er nog allemaal boven water zou kunnen komen. Het aantrekkelijke van de onwetendheid, gepaard met die heel kleine kans op succes. Uiteindelijk concludeerde Woestijnvis: ‘Eén tot twee dagen per maand zal één van onze redacteurs je helpen zoeken. Kom daarna maar terug met wat je hebt gevonden, en dan beslissen we.’ En zo zat ik een aantal weken later al aan tafel met een redacteur en researcher. Maar hoe begin je?

Zoals altijd: met Google. We hadden bijna niets om van te vertrekken, behalve wat namen, een paar geboortedata, en dan de passagierslijst van de Red Star Line. Idealiter deden we een perfect chronologisch onderzoek waarbij we stap voor stap de geschiedenis van mijn grootouders en vader ontrafelden. Dat was wat ik in eerste instantie voor ogen had: ik wilde ‘Het Oude Spoor’ volgen, zoals ik het al heel snel ging noemen. Ik wilde meewandelen van de eerste gedachte aan Amerika, via de oversteek en de eerste vestiging daar, tot de uiteindelijke terugkeer, om alles van mijn familie te begrijpen. Maar zo werkt familieonderzoek helaas niet, en al helemaal niet als je niet weet wat je zoekt. We vonden Het Oude Spoor niet op de nette, chronologische wijze waarop ik had gehoopt, maar via kruimeltjes, in brokken en stukken, soms met echte brokstukken, maar andere keren ook met onverwachte zijstraten vol interessante informatie. Het was als het maken van een puzzel waarvan je in de verste verte niet weet hoeveel stukjes hij telt, waarvan je nooit de complete afbeelding te zien krijgt die je bijeen aan het puzzelen bent en waarvan je al helemaal niet ordelijk met de hoekjes en kantjes kunt beginnen. Puzzelstukken zonder meer, dat was het enige dat we hadden. Maar het ene puzzelstukje leidt gelukkig al eens tot het andere...

De eerste puzzelstukjes waren de eerder saaie gegevens van de stamboom. Soms kende ik zelf de namen en data, soms moesten we die zien te vinden op geboorte- en huwelijksaktes. Ik had natuurlijk wel de naam van mijn grootouders: Irma De Keyser en Louis Heylen. Onze focus lag volledig op Louis. Dat taboe rond zijn afwezigheid, het mysterie van zijn boot waarmee hij naar de horizon zou zijn gevaren, dat was van in het begin de hoofdvraag van ons onderzoek: waar was Louis? Waarom was hij niet teruggekeerd met mijn grootmoeder? Wat had hij na haar terugkeer gedaan? En dan vooral: waar waren al die Heylens, mijn langverwachte familie? Ons onvermoeibare zoeken leverde echter weinig op: geen enkele website leverde ons meer gegevens op over hem. In plaats van Het Oude Spoor leek Louis Heylen steeds opvallender een dood spoor te worden. Wat nu?

Het was ondertussen december 2019 en we moesten Woestijnvis zo langzamerhand één en ander kunnen voorleggen voor het programma. Of concluderen dat er helemaal niets was om een programma over te maken... Maar dat laatste waren we niet van plan, dus schakelden we een versnelling hoger: we namen een betalend abonnement op ancestry.com, een website die familiestambomen in kaart brengt. Op die website kun je namelijk wel één en ander te weten komen met een gratis account, maar als betalende gebruiker krijg je tot veel meer gegevens toegang. We hoopten zo alsnog meer te weten te komen over hun tijd in Amerika en over die broer van mijn grootmoeder daar. Als Louis Heylen dan toch besloot om voorlopig nog even een mysterie te blijven, konden we ons maar beter concentreren op mijn grootmoeder, Irma De Keyser, en haar plots opgedoken broer. Het duurde geen week of we ontdekten dat een zekere ‘Garden Girl’ een passagiersticket had geüpload van een man die Pete Stevens heette. Op het document zelf stond ‘Petrus Stevens’. En deze Petrus Stevens was dus de tweede man van mijn grootmoeder, die ik altijd als mijn grootvader heb gekend.

‘Was ik me nu echt aan het overleveren aan de emotionele aantrekkingskracht van mijn Amerikaanse verleden?’ (Foto: in de VS bij Diana De Keyser, met wie Martin overgrootouders deelt.) Beeld © VRT
‘Was ik me nu echt aan het overleveren aan de emotionele aantrekkingskracht van mijn Amerikaanse verleden?’ (Foto: in de VS bij Diana De Keyser, met wie Martin overgrootouders deelt.)Beeld © VRT

Ik was opgewonden en ook een beetje teleurgesteld. Dat klinkt misschien dwaas, want we boekten nu eindelijk vooruitgang, maar ik kon de zoektocht naar mijn ‘echte’ grootvader moeilijk loslaten. En ik had misschien toch ook gehoopt om vooral iets over de familie De Keyser te weten te komen, de familie van mijn grootmoeder en haar broer die al in Amerika woonden, niet over die aangetrouwde familie Stevens. Maar toch: er was een connectie. Ik schreef Garden Girl een berichtje, en er kwam bijna onmiddellijk reactie terug:

‘Dag Martin, Pete is de oom van mijn grootvader. Ik ben zo blij dat je me een bericht hebt gestuurd! Ik had tot nog toe zo weinig geluk in mijn zoektocht naar de familie Stevens. Ze hebben mij altijd verteld dat mijn overgrootvader en Pete samen naar de VS zijn geëmigreerd, en dat Pete dan na een tijdje teruggekeerd is naar België. Als ik mij niet vergis, heb ik zelfs een huwelijksakte van Pete en Irene. Zo leuk om je te leren kennen!’

Terwijl ik het vertel, krijg ik opnieuw kippenvel. Het was niet de informatie waar ik naar op zoek was, maar het was zoveel meer dan dat. Voor het allereerst kreeg ik het gevoel dat het echt was. Dat dat hele idee van een familietak in Amerika geen gedachte-experiment was, maar iets dat echt gebeurd was en vandaag nog altijd bestond. In Vlaanderen kenden we Petrus Stevens, mijn tweede grootvader zeg maar, een man die ooit in Amerika was geweest. Maar in Amerika spraken ze over diezelfde Petrus Stevens. Daar was er een hele familie die hem ‘Pete’ noemde en hem kende als die verre oom die uit België was gekomen, maar uiteindelijk was teruggekeerd. Uncle Pete voor hen was opa Petrus voor mij. Eén en dezelfde persoon. En de huwelijksakte van mijn grootmoeder lag daar ergens in Amerika, bij mensen van wie ik het bestaan niet afwist, maar voor wie mijn grootmoeder Irma evenveel familie was als Petrus Stevens dat was voor mij. Onvoorstelbaar!

Bijna twee maanden na mijn schoorvoetende verzoek aan Woestijnvis hadden we dan toch alles en meer dan ik had gehoopt: een spoor naar Schoten voor mijn grootvader Louis Heylen, een gezin in Amerika dat Irene zei tegen mijn grootmoeder Irma en haar trouwakte bezat, en dan nog altijd die broer van mijn oma, die Louis De Keyser, over wie we nog meer te weten moesten zien te komen. Het was alles samen meer een brokkelparcours dan het verhoopte Oude Spoor, maar het was wel degelijk een spoor, met aanknopingspunten en intrigerende zijsporen.

‘Oké,’ zei Woestijnvis, ‘maak er maar een programma over.’

‘Uncle Martin’, Eén, dinsdag 11 oktober, 20.40

Martin Heylen, ‘Ik dacht dat ik een kleine familie had’, Manteau

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234