Het uur van de wolf: de terugkeer van het roofdier

Op 22 oktober zagen drie jagers een wolf in Masbourg (nabij Nassogne, provincie Luxemburg). Het nieuws raakte pas een maand later bekend, toen de Waalse minister van Natuur die getuigenis ‘geloofwaardig’ noemde. De wolf is maar dertig seconden gezien, maar dook nog dagenlang op in het nieuws. Humo volgde zijn spoor en kwam langs schapenkadavers, jachtposten en schoolkinderen die wolven schilderen. En wáár schuilt de laatste wolf die in 1897 in België werd afgeschoten?

Kort na dat eerste wolvennieuws brengen de Waalse kranten het relaas van een schapenboer. Bij hem zijn de afgelopen maanden zeven schapen doodgebeten en hij is stellig: een wolf heeft ze verscheurd. Ik besluit hem op te zoeken; hij woont in Regné, bij de Baraque de Fraiture.

In het bevroren veenland kantelt een buizerd van een weipaal. De grote schaapstal heeft een blaffende Pyrenese berghond aan de ketting en de man die uit de Landrover stapt, is Stijn Vandyck (36). Hij is opgegroeid in Schoonderbuken (bij Scherpenheuvel) en na zijn opleiding meubelmaker en vijf jaar werken in een meubelfabriek wilde hij een ander leven: wegtrekken naar het buitenland en schapen fokken. Schotland was te ver voor vrouw en familie; het compromis was Wallonië, eerst Durbuy en later deze verlaten Ardense hoogvlakte. Hier heeft hij in 2012 een stal voor 400 schapen gebouwd. Niet voor de wol (‘al jaren een verlieslatend product’) maar voor het biolamsvlees. In de winter zitten zijn schapen binnen, de rest van het jaar weidt hij ze op tien verschillende plaatsen, vaak in natuurgebieden.

Zijn dieren werden de eerste keer aangevallen op 25 augustus, in het Bois Saint-Jean, waar enkele hectaren weidegrond geïsoleerd tussen de bossen liggen.

Stijn Vandyck «Op m’n dagelijkse ronde zag ik de kadavers van drie ooien, ze lagen verspreid over de wei. Elk schaap was in de hals gebeten, zoals door een roofdier, en bij het grootste dier waren de vier billen, de beste stukken vlees, weggevreten.»

Hij laat een foto zien van een kadaver, zwaar aangevreten in de hals: daardoor ging hij aan een wolf denken. Een wetenschapper van DEMNA (Département de l’étude du milieu natural et agricole) kwam ter plaatse en ‘met hem heb ik naar pootafdrukken en keutels gezocht. Maar door het hete weer was de grond hard en kurkdroog, we vonden geen afdrukken. Wolven gaan na het schrokken meteen drinken, maar aan nabije beken waren evenmin sporen.’ De autopsie van de kadavers aan de universiteit van Luik wees voorzichtig op een ‘grote hondachtige’. Maar toen een Franse wolvenspecialist dezelfde bevindingen en foto’s kreeg, liet hij weten dat men een wolf ‘absoluut niet mocht uitsluiten.’

'Het dier bleef zelfs enige tijd staan, in de schijnwerpers van de auto'

Stijn wilde na die eerste aanval bij de getroffen kudde waken, ‘want de kans was groot dat die wolf zou terugkeren. Ik wilde m’n dieren beschermen, maar ik was ook gefascineerd door dat dier en hoopte het te kunnen zien.’

Uren op de uitkijk gaan staan leek geen goed idee: een wolf kan een mens van mijlenver ruiken, en met nog negen kuddes in de omgeving was het niet zeker waar hij ging aanvallen. Maar drie dagen later sloeg hij opnieuw toe bij dezelfde troep, en op 2 oktober nog eens. Elke keer kwamen wetenschappers ter plaatse, maar na de derde aanval dachten ze eerder aan een ‘grote hond’ en niet aan een wolf.

Stijn denkt niet aan honden: ‘In 2005 zijn m’n schapen – toen nog nabij Durbuy – door grote honden aangevallen. Over heel de wei lagen plukken wol en die vier dode beesten waren op willekeurige plaatsen aangebeten, in de poten, in de zij, in de billen: waar die honden maar hadden kunnen bijten. Dat was nu niet het geval. Hier was doelgericht in de hals gebeten om ze snel en efficiënt dood te hebben.’

Zeven schapen zijn dood, maar Stijn heeft niks tegen die wolf. ‘Dat hij hier voorkomt, betekent dat het goed gaat met de biodiversiteit in Europa.’

Dat een schapenboer zo denkt, verbaast de jagers in zijn streek. Die zijn volgens Stijn radicaal anti-wolf: ‘‘Dat beest hoort hier niet thuis,’ zeggen ze. ‘Dat beest vreet ons wild op. Als ik hem zie, schiet ik hem af en stop ik hem in de grond.’’

Na de derde aanval op dezelfde locatie laat Stijn zijn Pyrenese berghond bij die kudde waken en dan stopt het doden. Het is begin oktober en drie weken later wordt de wolf gezien in Masbourg. Dat ligt op vijftig kilometer van de weiden van Stijn. In wolventermen is dat vlakbij: een wolf legt die afstand makkelijk op een dag of nacht af.


De laatste van België

We rijden naar Stijns huis voor een boterham en koffie. Hij zegt dat het leven hem hier bevalt: ‘Na twaalf jaar Wallonië ben ik bijna Waal onder de Walen. De mensen zijn socialer. Bij de bakker begin je een babbel tegen iedereen. Als ik in Scherpenheuvel nog eens naar de frituur ga, dan staat iedereen daar te zwijgen en naar de berenpoten in de koeltoog te staren. Ik krijg het benauwd als ik in Vlaanderen kom. Het verkeer, de mensen, iedereen lijkt zo gespannen en gestresseerd.’

'De kilometerslange weg naar Masbourg, waar de wolf is gezien, gaat dwars door dichte bossen.'

Niet dat het bestaan hier alleen maar zachtaardig is. De winters kunnen hárd zijn. Soms is de weg daarboven helemaal dichtgesneeuwd, zodat hij zelfs met de jeep niet tot bij zijn stal geraakt. Dan moet hij diep door de sneeuw waden, de ingesneeuwde deuren loswrikken en de kniklader buitenrijden om de toegangsweg uit de sneeuw te graven.

In zo’n winter zou een wolvenspoor natuurlijk wel te zien zijn. Dat hier ooit wolven waren, weet Stijn zeker. In december 1861 is hier één van de laatste wolven van België gedood, een enorm exemplaar van 1m65 lang. En in een huis op enkele kilometers van hier heeft hij drie jaar geleden een opgezette wolf gezien. Niet zomaar een opgezette wolf, ‘wel de láátste die in België is geschoten, in 1897’. Die laatste overlever wil ik zien, maar blijkbaar is hij drie jaar geleden ‘ontleend voor een expo en nooit teruggekomen’. Stijn zal de bewoonster contacteren, misschien weet zij waar die wolf nu is.

Ik rij naar de hoogvlakte vanwaar ik zijn schapenstal kan zien. De bevroren plassen tussen het grint liggen stukgereden in schollen en scherven. Koude wind steekt op in de beukenhagen. Een straaljager komt ijl gierend over en wordt een holle donder in de bossen. In de verte stopt een auto langs de weg naar Vielsalm, de bestuurder stapt uit en zet met geheven arm verschillende passen over en weer, om dan weer in de wagen te duiken. Geen bereik voor de gsm.


In de schijnwerpers

Ik rij naar Masbourg, de plek waar de wolf is gezien. De weg van Champlon naar Nassogne gaat 12 kilometer door dichte bossen. Weinig verkeer, af en toe ellenlange vrachtwagens met ontschorste boomstammen. Wat er nog aan wegberm is, is soms omgewoeld door everzwijnen op zoek naar wortels, kastanjes en eikels. Er staat ook een groot bord met de waarschuwing ‘Jacht aan de gang’, met een pictogram van vluchtende herten en evers die zonder omzien mijn openbare weg zullen oversteken.

Masbourg zelf is op dit winteruur een donker gehucht in een donkere vallei naast een donkere rivier. Die overstroomde in juni na een wolkbreuk, sleurde auto’s mee en spoelde één meter hoog door de omliggende huizen.

De schoolbus stopt. Vier kinderen stappen uit. De hoofdstraat kent kortstondig het geluid van rolkoffers en dan sluiten de huisdeuren zich en blijft alleen de stille rook uit de schoorstenen.

Sebastien Herman komt opendoen in zijn groene uniform met de eikel-epauletten. Hij is boswachter van het Departement Natuur en Bos. De jagers die de wolf zagen, kwamen op groot wild jagen: ree, hert en everzwijn. Jagen is hier een alledaags tijdverdrijf: ‘Van september tot eindejaar wordt bijna doorlopend gejaagd.’ De jagers waren ‘van elders’, maar één van de trakkers (opjagers van het wild, red.) is van het dorp, en de jagers vertelden hem hoe hun honden de wolf waren nagelopen, maar ‘zich raar gedroegen’ en algauw terugkwamen. Men vond geen pootafdrukken, maar de boswachter en zijn collega’s zijn fort convaincu dat het een wolf was: ‘Er zijn populaties in de Franse Vogezen en in Zuid-Duitsland. Wij zitten aan de rand van die populaties.’ Een wolf kan ongestoord tot hier geraken: ‘Van Masbourg tot aan de Luxemburgse grens, dat is bijna 100 kilometer ononderbroken bos.’

Achttien dagen later is opnieuw een wolf gezien, zegt hij, in Mochamps, 7 kilometer verderop. Drie jongemannen van hier zagen hem: ‘Het dier bleef zelfs enige tijd staan, in de schijnwerpers van hun auto.’ Hij is stellig, in de toekomst gaan we nog meer wolven zien.

Ik vraag waar de jagers hun wolf hebben gezien. Hij wijst naar het bos achter de heuvelkam, tussen Masbourg en Mormont. Er zweemt nog licht boven de boomtoppen, maar de koplampen zwenken al door het donker. Ik stap uit bij een roerloze open plek met jonge sparren en jachtposten. Rondom rijzen de zwarte silhouetten van het naaldbos. Dit is de schemering. Entre chien et loup. Het uur dat een wolf niet van een hond te onderscheiden is. Er is het wakend roepen van een uil.


Kindervriend

De straten zijn al verlaten in Nassogne, maar er brandt nog licht in de bibliotheek. Ik vraag naar oude fotoboeken van het dorp. In die heemkundige werken staan weleens 19de-eeuwse foto’s van jagers die poseren met groot wild, soms met wolven. De bibliothecaresse kiest drie boeken, één is helemaal gewijd aan de geschiedenis van de wolven in deze omgeving: ‘Histoire des loups dans les deux Luxembourg’ van Marie-Hélène van der Kaa (2003). En er zijn nog wolven in de bib. In de traphal hangt er een grote, geschilderd door de kinderen van de lagere school.

'Elk schaap was in de hals gebeten, zoals door een roofdier, en bij het grootste dier waren de vier billen, de beste stukken vlees, weggevreten.'

De bib is een waar wolvennest. Ik zie het in de onlinecatalogus: niet minder dan 183 kinderboeken hebben het woord ‘loup’ in de titel. Ik blader in het gamma. Wat opvalt: de wolf is op alle bladzijden een vrolijke, wat dommige huis-, tuin- en bosfigurant. Ooit hebben zijn grote sprookjestanden grootmoeders gevreten en kinderen belaagd, nu is het uit met die wrede verhalen. De grimmige wolf is een kindervriend geworden. Hij mag mee aansluiten in de stoet van nobele leeuwen, goedlachse tijgers en sympathieke beren. De wolf is geen wolf meer. De wolf is een schaap in wolvenvacht.


Dorpstwist

Buiten het dorp moet ik bij donkere gevels gaan aanbellen om de bergerie van Thierry Mulders te vinden. Die schapenstal ligt als een warme lamp in de avond. Binnen verdringen de wollen beesten zich tegen de spijlen als Thierry met de machine het voer verdeelt. Twee zoontjes zitten mee in de cabine. Mulders heeft een biobedrijf met ruim duizend dieren, werk genoeg dus, hij heeft maar twee minuutjes, maar uiteindelijk praat die hoekige kop onder de wollen muts wel twintig minuten. Z’n jongens bibberen van de kou, het snot staat op hun lip, maar hij zal die wolvenkwestie ‘gauw eens’ uit de doeken doen.

Wat kan het hem schelen dat een wolf hier elk jaar enkele schapen pakt, dat is niks vergeleken met de honderden schapen die hij de voorbije dertig jaar verloren heeft aan allerlei ziektes, virussen, wormen en parasieten, zo kwetsbaar als die beesten zijn. Tel daarbij de schapen die verongelukken. Ooit verdronk een schaap omdat het bij het drinken uit een beek zijn kop domweg door een autoband had gestoken; het raakte verstrikt en verzoop! ‘Een Engelse schapenboer heeft mij eens gezegd dat schapen een death wish hebben; ik geloof hem.’

Dat hier trekkende wolven voorkomen, gelooft hij ook. Maar dat de toekomst van die wolven gunstig is, dat is nog onzeker.

Er volgt een tirade tegen de jagers en hun ‘feodale’ manier van denken: ‘Zij pachten bossen voor negen jaar en toch gedragen ze zich alsof die bossen van hen zijn; ze zullen zelfs wandelaars met hun honden afdreigen.’

Hijzelf is een groot voorstander van het Nassonia-project van Eric Domb, de baas van Pairi Daiza. Die heeft in juni 2016 1500 hectare grond gehuurd van de gemeente Nassogne, voor 99 jaar. Dat wordt beschermd bos waar geen hout meer mag worden geëxploiteerd en waar alleen nog een duurzaam jachtbeheer wordt gevoerd. Zo hoopt hij de natuur te herstellen, met een terugkeer van heide en veen, en met een terugkeer van de wolf. ‘Dat project stuit op grote weerstand van de lokale jagers en van hun gefortuneerde collega’s die van elders komen.’ Hij noemt onder andere Nicolas Saverys (83ste op de lijst van de rijkste Belgen).

thierry Mulders «Die rijkelui verliezen hun privileges. Ze zien met lede ogen dat een wolf hier straks mag jagen en zij niet. En nu moet hun advocaat Marc Uyttendaele (de man van PS-fractieleider Laurette Onkelinx, red.) alle middelen aanwenden om dat project nog te keren. De politieke en juridische druk is zo groot dat onze enthousiaste burgemeester na twee weken al terugkrabbelde en bijna tegenstander werd van het project. Maar hij kan niet terug: het voorakkoord is getekend en alle Waalse ministeriële kabinetten geven hun steun.»

Mulders is schamper voor de dorpsmentaliteit: ‘Ze horen de namen Domb en Pairi Daiza, en ze denken: die pief gaat hier alles overpakken. Typisch kleindorps: zich niet informeren, en stelselmatig bang zijn voor alles wat vreemd is en verandering is. Petit village, petit esprit!’

Door die wolvenhistorie kom ik hier in een verdeeld dorp terecht, in een bitse strijd tussen jagers en natuurvrienden. Is hij van hier, dat hij zo smalend over die dorpsmentaliteit spreekt? Mulders grijnst. Als Brusselaar is hij hier veertig jaar geleden komen wonen, in het vakantiehuis van zijn ouders. Dat werd zijn domicilie toen hij schapen ging kweken. ‘De meesten hebben me hier aanvaard, maar voor sommigen ben ik nog altijd de grote bek uit Brussel.’

'Het Veldwetboek stipuleert nog altijd dat elke provinciale deputatie de bevoegdheid heeft om een klopjacht op wolven te organiseren'

Hij stuurt zijn rillende kinderen naar de auto en wijst me op de waaierende sterrenhemel: ‘Sterren zien, dat is in Brussel onmogelijk.’


Wolfijzers en schietgeweren

Tussen de bossen nabij de Baraque de Fraiture ligt Chabrehez, een lieu-dit met enkele weiden, op één daarvan staan nog schapen.

Er stopt een auto met een aanhangwagen. De man komt zijn dieren voeren. Tussen de zurige schapenreuk waait nu de zomer, de krachtige geur van pakken hooi op z’n armen. Renaud Chasteur (32) is veearts. Hij kent Stijn Vandyck en zegt dat diens schapen op een kilometer van hier zijn doodgebeten. Over die wolf is natuurlijk gepraat onder zijn boerencliënteel, maar toch hebben die boeren ándere zorgen aan hun hoofd. ‘Je hebt hier melkvee- en rundveehouders en allemaal zien ze zwarte sneeuw. Omdat de melkprijzen al lang zo laag staan, verkopen die boeren hun melkkoeien voor de slacht en krijg je een vleesoverschot, waardoor ook de prijzen voor het rundvlees zijn ingestort. Gevolg: na de melkveeboeren komen ook de slachtveeboeren in de problemen. Tegelijk betalen de supermarkten tergend traag, waardoor die boeren lang moeten wachten op dat beetje geld.’

Geen enkele boer kan nog rustig naar de toekomst kijken, zegt hij, c’est la catastrophe.

Ik denk: veel blijft hier verborgen omdat hier bossen en weiden zijn. Onveranderlijk terrein waarop angst en onrust niet te lezen staan.

'De jagers pachten bossen voor negen jaar en toch gedragen ze zich alsof die bossen van hen zijn; ze zullen zelfs wandelaars met hun honden afdreigen.'

Uit de bib van Nassogne heb ik het boek over de Luxemburgse wolvengeschiedenis mogen lenen. Ik leer veel van Marie-Hélène van der Kaa. Dat de wolf vooral zieke en zwakke dieren opruimt in de natuur, en ook dat hij twee à vier kilo vlees per dag nodig heeft. Een jager rekent dat uit als 25 herten per jaar, wat eeuwenlang een reden was om ze uit de weg te ruimen.


Klopjacht

Ook schapen staan op z’n prooimenu. Daarvan zijn er nog 57.000 in de Ardennen, maar rond 1830 waren er 150.000, toen ook een reden om de nog resterende wolven uit te roeien. Er waren staatspremies en in 1835-1836 werden nog 95 wolven afgeschoten of vergiftigd. Een 80-jarige boswachter die in 1815 overleed, legde in z’n eentje 105 wolven neer.

Tot ongeveer 1890 was het ook traditie om met de dode wolf een ereronde te maken. De jager ging langs de huizen van het dorp en kreeg drinkgeld, spek of eieren. Soms werd de wolf op een karretje meegetroond, gestut met dennengroen, en met een hoed op z’n kop. Landlopers kochten soms de huid, zetten het dier op en gingen met die attractie langs dorp en stad om er ook nog aan te verdienen.

Van der Kaa trof in oude documenten verhalen van niet-schuwe wolven. In 1875 zou een wolf nabij Bastogne een huis met kleine kinderen hebben betreden terwijl de moeder bij de buren was: ‘Toen ze terugkwam, zag ze het beest zitten; haar kinderen waren het aan het strelen en trokken zelfs aan z’n oren. Ze verjoeg de wolf met een riek en die nacht kwam hij terug en beet hij haar geit dood.’

De afschuw voor de wolf is al heel oud, die was er al in de Bijbel: ‘Wacht u voor valse profeten die in schapenvacht tot u komen; vanbinnen zijn het roofgierige wolven’ (Mattheus 7:15). Wat minder geweten is: ook in 2016 heeft elke provinciale deputatie de bevoegdheid ‘om klopjachten te gelasten ter verdelging van wolven en everzwijnen’ (artikel 13 van het Veldwetboek, van toepassing in Brussel, Wallonië én het Vlaamse Gewest!).

'Met de geschoten wolf werd een ereronde gemaakt. Hij werd op een karretje meegetroond en kreeg een hoed op z'n kop'

Wij hebben in dit koninkrijk ook Leopold I (1790-1865), die in zijn leven 2.800 vossen doodde, maar toch vooral bekendheid geniet als wolvendoder. In Custinne staat nog altijd een gedenkteken in het bos waar hij in 1845 een ‘enorm grote wolf’ schoot. Leopold zou zogezegd ook de laatste wolf van België geveld hebben in 1858, wat een hardnekkige mythe is, want tussen dat jaar en 1893 werden nog minstens tien ‘laatste’ wolven gedood. Officieus stierf de laatste in Etalle (1893).


Scoutsmascotte

Stijn Vandyck belt me met de gegevens van de vrouw bij wie die allerlaatste wolf in huis stond. Laurence Lambert woonde vroeger in Cedrogne, in een boswachtershuis dat verhuurd werd door het OCMW van Brugge, en in dat huis, ‘diep weggestoken in de bossen’, stond die wolf in een zijkamer, boven op een kast. Onder familie, vrienden en dorpsgenoten wist iedereen van die wolf en dat het ‘de laatste van België’ was. Intussen zou hij in Bastogne staan, in het Musée en Piconrue.

Conservator Sébastien Pierre beaamt: ja, hier staat een opgezette jonge wolf en op de houten sokkel staat gedrukt dat hij geschoten is in 1897. Maar er zijn ‘nergens bewijzen’ voor dat jaartal. Er is slechts één vaag artikel uit een heemkundig tijdschrift dat die datum aanhaalt, en verder alleen beschrijft hoe de wolf decennialang op een zolder is bewaard door de vroegere boswachter van Cedrogne. Die liet verstaan dat het beest weleens gebruikt werd om zijn kinderen bang te maken als ze niet braaf waren.

Enkele dagen later bezoek ik het museum. In de vaste collectie staat nóg een wolf, eentje van bijna 200 jaar oud. Een blauwe spot en gestileerde boomstammen moeten camoufleren dat het dier ‘zwaar geleden heeft met de jaren’. De man die hem in 1986 binnenbracht, zei dat de wolf geschoten was in Saint-Hubert en dat hij had toebehoord aan een scoutsgroep: ‘Voor de wolfkes was het hun mascotte.’ De wolf heeft geen oorpunten meer, die moesten begin 19de eeuw nog afgesneden worden als bewijs om de afschotpremie te krijgen.

‘Mijn’ wolf van Cedrogne komt uit het keldermagazijn. Een jong en mager beest op hoge poten dat dreigend zijn tanden ontbloot, maar dat een kale plek heeft op z’n rug en een metalen punt die uit z’n schedel steekt. Ik weet dat opgezette wolven in België een zeldzaamheid zijn, en ik wil er met alle moeite een wolf in zien, maar de tand des tijds heeft te hard geknauwd. Dit is een scharminkel met trieste oren en een verminkte staart, de aanblik is deerniswekkend.

De conservator laat me alleen met een recent wolvenboek. In 2012 was er een expo in Mariemont en de bijbehorende catalogus bevat prachtige wolvenillustraties. Zoals spotprenten uit 1914 waarin de Duitsers worden voorgesteld als wolven en België als een eenzaam lammetje. Ook in 1938, het jaar van de Anschluss, is er het beeld van een wolf met nazikepie die over de schapen van Oostenrijk waakt (‘Ik ben de herder’). Intussen staat die wolf achter me, tussen de plakkaatverf, de penselen en het knutselmateriaal voor jeugdige bezoekers. Wolven kunnen tot op drie kilometer mensen ruiken, maar dit heeft hij nooit zien aankomen.


Taxidermist

Intussen willen de jagers die op 22 oktober de wolf zagen, nog altijd anoniem blijven. Maar van Guy Louppe (!), de boswachter die hen gesproken heeft, kom ik te weten dat één jager intussen op tv is geweest, in de RTBF-uitzending ‘Ah, c’est vous!’ Het is een dagelijkse live-uitzending vanuit een tankstation. In dat morsige decor moet de geïnterviewde z’n verhaal doen.

'Hij heeft decennia op de zolder van een boswachter gestaan. Die gebruikte hem weleens om zijn kinderen bang te maken als ze niet braaf waren.' De laatst geschoten wolf, van 1897.

Jean-Pierre Gérard-Simon vertelt evenwichtig over de magnifieke rencontre met de wolf. Dat hij eerst verbaasd was en dan werkelijk ontroerd: ‘Je zag die alertheid, dat hele lichaam dat waakzaam voortbewoog.’ En dat hij al wolven had gezien in Polen, Turkije en Canada, maar nooit zo dichtbij als hier, ‘op 20-25 meter’. Hij wilde met z’n smartphone een foto nemen, maar werd net dan gebeld door een nabije jager die ‘precies een wolf zag’. Intussen verdween het dier tussen de bomen. De botte interviewer is niet tevreden: ‘Je vertelt het alsof je een kat zag in het bos. Was je niet vreselijk bang?’ En stel dat één van onze kijkers morgen zo’n wolf ziet, mag-ie hem dan doodschieten? Mag-ie hem dan aaien? Ziekelijke vragen.

De jager Gérard-Simon blijkt ook taxidermist te zijn, hij heeft al ‘meerdere wolven’ opgezet. Ik kijk op z’n site, dieren opmaken is de familietraditie sinds 1870. Ik zie tientallen tijgers, leeuwen, luipaarden en antilopen die morsdood zijn maar nog gracieus de kop en de benen strekken in een Luiks atelier. Er blijkt een opmerkelijke revival te zijn van opgezette dieren, onder kunstenaars en vooral onder interieurontwerpers. ‘Twintig jaar geleden was het taboe om thuis een opgezet dier te hebben. Vandaag vinden heel wat mensen het mooi, een zebra in hun interieur.’ Zijn pronkstuk is een volwassen olifant die een ‘handstand’ uitvoert op zijn slurf (‘Het werk is gemaakt voor een Franse kunstenaar en de prijzen van zijn kunstwerken zijn sindsdien geëxplodeerd.’). Exotische dieren mogen nog amper optreden in circussen, maar na hun dood is het weer gepermitteerd om ze als attractie op te voeren. Gérard-Simon maakt ook fantasiedieren, zoals een aap met hoorns en de poten van een eend.

De natuur van tegenwoordig. Ik volg een wolf en ik kom in een gekkenhuis terecht.


Het uur van de maan

7 km voor Nassogne sla ik de stille weg in naar Mochamps. Hier is in november ook een wolf gezien. De maan schijnt tussen de kale armen van de beukenbomen. Een vliegtuig schuift zijn kleine boordlicht tussen de sterren. Terwijl ik naar de maan sta te kijken, staat een wolf misschien in mijn rug te kijken. Dat kan hier, want het bos groeit op de aardbol waar tienduizenden wolven huizen.

M’n ogen wennen aan de duisternis, maar de duisternis went niet aan mij. Ik ben het die hier niet thuishoort. De onbekende die alleen maar woorden sprokkelt.

Het bos zwijgt.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234