Beeld Belga

Gevangenisdagboek Albert Speer

'Hitler trainde dagelijks om zijn arm urenlang zonder te beven uitgestrekt te kunnen houden'

Albert Speer, minister van Bewapening onder Adolf Hitler en huisarchitect van het naziregime, werd na de Tweede Wereldoorlog tijdens het beroemde Proces van Neurenberg veroordeeld tot 20 jaar cel. De nota’s die hij in die periode in zijn ondergoed of schoenzolen bewaarde en nadien uit de gevangenis liet smokkelen, groeiden na zijn vrijlating uit tot een bestseller. In deze voorpublicatie van de Nederlandse vertaling, ‘Speer in Spandau: de gevangenisdagboeken van een nazi-kopstuk’, doet hij niet alleen aan routineuze introspectie, maar geeft hij ook een unieke inzage in de psyche van de Führer.

11 oktober 1946

Gedurende de wekenlange pauze in het proces, waarin de rechters het eens werden over de vonnissen, heb ik een verslag gemaakt van flarden herinneringen aan de twaalf jaar met Hitler en het via de pastoor aan een vriend in Coburg gestuurd. Het omvat honderd pagina’s.

‘Ik geloof,’ schreef ik zo ongeveer in de begeleidende brief, ‘dat ik karakteristiek ben voor een bepaalde kant van het regime.’ Ik heb inderdaad het idee dat de Himmlers, de Bormannen, de Streichers het succes van Hitler bij het Duitse volk niet kunnen verklaren. Het waren veeleer het idealisme en de toewijding van mensen als ik, waardoor Hitler zich gedragen wist. Wij, die werkelijk in de laatste plaats pas aan onszelf dachten, hebben hem mogelijk gemaakt; de misdadigers en misdadige elementen zijn er altijd, zij verklaren niets. In het gehele proces was altijd alleen maar sprake van juridisch aantoonbare fouten. ’s Nachts, in mijn zwak verlichte cel, vraag ik mij dikwijls af of mijn eigenlijke schuld niet van heel andere aard is. Onder de indruk van de bijna ondraaglijke griezelige stilte die mij omgeeft en waarvan de aflossing van de wacht voor de cel de enige tijdmaat is, word ik overvallen door de twijfel of ik in die honderd pagina’s een juist beeld heb getekend van Hitler. Bij al de moeite die ik deed om voor mijzelf te verklaren hoe ik zo lang door hem gefascineerd kon worden, heb ik al te vaak al die kleine innemende trekjes van de gemeenschappelijke autotochten, van de picknicks en de fantasieën over bouwwerken in de herinnering teruggeroepen, zijn charme, zijn vaderlijke bezorgdheid en zijn schijnbare bescheidenheid. Maar intussen heb ik al datgene wat het proces mij zo onvergetelijk duidelijk heeft laten zien, de monsterachtige misdaden en wreedheden, verdrongen. Uiteindelijk is het toch dit alles waardoor Hitler was die hij was.

30 november 1946

Zoals elke dag ook nu twee uur stilte, als de middagrust in een sanatorium, die ik gebruik om verder te schrijven. De gedachte aan de twee gezichten van Hitler en dat ik zo lang het tweede achter het eerste niet zag, laat me nog steeds niet met rust. Pas tegen het einde in de laatste maanden, werd ik het mij opeens bewust en het was kenmerkend dat dit inzicht verbonden was met een esthetische ervaring. Ik ontdekte plotseling hoe lelijk, afstotend, ongeproportioneerd het gezicht van Hitler was. Hoe kwam het dat ik dat zoveel jaren niet gezien had? Raadselachtig! Misschien zag ik veel te weinig hemzelf en was ik als ’t ware dronken van de geweldige opdrachten, de plannen, de jubel, het werk. Pas vandaag herinner ik me dat wij tijdens onze huldigingsreizen door het land telkens weer onder spandoeken doorreden, waarop de antisemitische leuzen werden herhaald van de man, die even tevoren tijdens een idyllische picknick naar de liederen en het accordeonspel van zijn intendant Kannenberg had geluisterd en die ik nooit tot een dergelijke wrede vernietiging in staat had geacht.

'Britse soldaten begeleiden Speer (links, in de bleke jas) samen met militaire nazi-kopstukken Karl Dönitz en Alfred Jodl naar de rechtszaal in Neurenberg.'Beeld Belga

Ik vraag me nu soms af: Heb ik deze leuzen ‘Joden hier niet gewenst’ of ‘Joden betreden dit gebied op eigen risico’ ooit wel opgemerkt? Of zag ik ze gewoon niet zoals dat tweede gezicht van Hitler, dat een afbeelding was van die werkelijkheid die ik uit mijn droomwereld had verbannen? Ook na het meest diepgaande zelfonderzoek moet ik zeggen dat ik geen antisemiet was. Hitler zelf was, althans in mijn tegenwoordigheid, eerder zuinig met antisemitische uitspraken, al was ik mij er natuurlijk van bewust dat hij daar op een duistere latente manier deel aan had. Toch weet ik vrijwel zeker dat ik zelf in al die jaren tegenover hem nooit een antisemitische opmerking heb gemaakt.

Zelfs later toen ik minister was, heb ik er in mijn officiële redevoeringen voor gewaakt – zij het dan misschien ook om opportunistische redenen – ook maar met een paar zinnen deel te nemen aan de campagne tegen de Joden. Gedurende het gehele proces is er geen enkel stuk ter tafel gekomen dat in dit verband bezwarend voor mij was. Niettemin reed ik met Hitler onder de genoemde spandoeken door en merkte niets van het afschuwelijke dat daar openlijk door de staat werd gesanctioneerd. Nog eens: vermoedelijk zag ik het niet eens. Soms komt het mij zelfs voor dat mijn onbewogenheid, mijn indolentie mij nog schuldiger maken. De hartstocht, al is het ook uit haat of ressentiment, is in ieder geval nog een motief. De lauwheid is dat niet.

2 december 1946

Dagelijks wordt mijn aandacht erop gevestigd hoe onmenselijk we waren. Ik bedoel nu niet de barbaarsheid van de vervolging en de uitroeiing van mensen, maar de bezetenheid waarmee ik als minister van Bewapening de door mij gestelde doelen trachtte te bereiken, was eigenlijk niets anders dan een vorm van onmenselijkheid.

De Amerikaanse soldaten die ons bewaken zijn mijnwerkers, olieboorders, landarbeiders. Gedetacheerd door divisies die actief hebben deelgenomen aan de oorlog, dragen velen van hen oorlogsonderscheidingen waarvan ik de betekenis niet ken. De orders die ze hebben, de rigoureuze regels voor de bewaking, compenseren zij altijd weer door vriendelijkheid. Er is nooit een teken van sadisme. John, een mijnwerker uit Pennsylvania, is in feite een soort vriend geworden. Daarbij is het opvallend dat uitgerekend de gekleurde Amerikaanse soldaten als eersten de vijandige houding lieten varen. Zij schijnen ons, niet in de laatste plaats op grond van hun eigen ervaringen, als onderdrukten te beschouwen, die recht hebben op medeleven.

Nog indrukwekkender was de houding van enkele Joodse artsen. Zelfs Streicher, die door iedereen, ook door ons medeverdachten veracht en met minachting behandeld werd, kreeg veel meer hulp van hen dan zij als artsen verplicht waren te geven. Zo verschafte bijvoorbeeld Dr. Levy de ‘Frankenführer’ een grote hoeveelheid lucifers – die we niet mochten hebben – voor een dom spelletje waar hij onverdroten mee bezig was.

9 december 1946

Tijdens het proces heb ik verklaard dat ik niet op de hoogte was van het vermoorden van de Joden. Justice Jackson en de Russische aanklager hebben bij het kruisverhoor deze verklaring niet één keer in twijfel getrokken. Dachten ze dat ik de waarheid toch niet zou zeggen?

Het zou onjuist zijn te menen dat de leidende figuren, wanneer zij elkaar bij zeldzame gelegenheden ontmoetten, prat gingen op hun wandaden. Tijdens het proces werden we overigens vergeleken met leiders van een maffia. Ik herinnerde me films waarin de aanvoerders van de legendarische bendes in smoking bij elkaar zaten en praatten over moord en macht, complotten smeedden, coups uitdachten. Maar deze sfeer met duistere figuren, achterkamers en samenzwering was totaal verschillend van de onze. Het eigenlijk misdadige werd buiten alle persoonlijke relaties gehouden.

Onder de verdachten in het proces tegen de artsen zie ik nu en dan Karl Brandt. Eén van de redenen waarom ik in april 1945 nog eens naar het brandende Berlijn ben teruggevlogen, was om hem ervoor te behoeden dat Hitler het doodvonnis over hem zou uitspreken. Tegenwoordig groet hij me in het voorbijgaan met een treurig gezicht. Ik hoor dat hij onder de zware aanklacht staat van medische proeven op mensen. Brandt en ik hebben vaak bij elkaar gezeten, we hebben zitten praten over Hitler, gelachen om Göring, we ergerden ons aan de wellustelingen rond Hitler en over de vele parasieten van de partij. Hij had mij echter nooit ingelicht over zijn werkzaamheden, zoals ik hem al evenmin onthuld had dat wij werkten aan raketten die van Londen een puinhoop moesten maken. Zelfs als we over onze eigen gesneuvelden spraken, hadden we het alleen over ‘verliezen’ en we waren altijd sterk in het uitvinden van eufemistische aanduidingen.

20 december 1946

Het komt allemaal neer op het feit: Hitler heeft de Joden altijd gehaat, daar heeft hij nooit een geheim van gemaakt. Op z’n laatst had ik in 1939 hun lot al kunnen voorzien, na 1942 moest ik het weten. Reeds in de laatste maanden voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, die hem op dat moment bepaald niet gelegen kwam, stapelden zijn uitvallen tegen de Joden zich op. Het wereldjodendom stuurt aan op een oorlog, herhaalde hij stijfkoppig, en later: alleen de Joden hebben deze oorlog aangesticht en het was hun schuld. ‘Zij hebben er ook voor gezorgd dat mijn vredesvoorstel van de herfst van 1939 werd afgewezen. Hun leider Weizmann heeft dat destijds openlijk verklaard.’

Het duidelijkst werd Hitler op de zitting van de Reichstag van 30 januari 1939, toen hij verzekerde dat in een oorlog niet de Duitsers maar de Joden vernietigd zouden worden. En jaren later, toen het reeds duidelijk was dat alles was verloren, placht hij zijn toehoorders nog aan deze stelling te herinneren. Hij klaagde daarbij steeds vaker over het doden van onschuldige Duitse vrouwen en kinderen door de bombardementen. Met name na de zware aanvallen op Hamburg in de zomer van 1943 waarbij enkele tienduizenden burgers gedood werden, herhaalde hij keer op keer dat hij deze slachtoffers op de Joden zou wreken. Als ik toen scherper had geluisterd, hem zorgvuldiger had geobserveerd, dan zou het mij toen reeds duidelijk zijn geweest dat hij met deze opmerkingen de eigen massamoorden wilde rechtvaardigen, alsof deze terreurbombardementen op de burgerbevolking hem goed van pas kwamen en hem een motief leverden voor misdaden waartoe hij reeds lang besloten had en die voortkwamen uit heel andere karaktertrekken.

Het zou overigens onjuist zijn te menen dat Hitler bij zijn uitbarstingen van haat tegen de Joden letterlijk het schuim op de mond stond, zoals ons altijd weer gevraagd werd. Hij kon tussen voor- en hoofdgerecht in heel rustig opmerken: ‘Ik wil de Joden in Europa vernietigen! Deze oorlog is de beslissende strijd tussen nationaalsocialisme en wereldjodendom. Eén van beide zal daar het leven bij inschieten, maar wij zijn dat beslist niet. Het is een geluk dat ik als Oostenrijker de Joden zo goed ken. Als wij verliezen, vernietigen ze ons. Waarom zou ik dan medelijden met hen hebben?’ Dat was zo ongeveer zijn gewone manier van praten, bij de stafbesprekingen of aan tafel. En het hele gezelschap, niet alleen de lagere rangen, maar generaals, diplomaten, ministers en ten slotte ikzelf, wij allemaal, zaten erbij en staarden ernstig en somber voor ons uit.

Maar ik herinner me ook dat er iets van gegeneerdheid bij was, zoals je voelt wanneer je toeziet hoe iemand met wie je vertrouwd bent zich op een pijnlijke manier blootgeeft. Niemand zei ooit een woord, hoogstens viel er een kruiperige instemmende opmerking. Achteraf gezien lijkt het mij dan ook dat niet zozeer Hitler zich op een pijnlijke wijze blootgaf, maar wij. Misschien geloofde ik dat hij het niet letterlijk bedoelde; ik heb dat inderdaad geloofd. Maar hoe kon ik ooit veronderstellen dat zijn ideologische fanatisme uitgerekend voor de Joden halt zou houden? Toen ik bij mijn verhoor voor de rechtbank verklaarde dat ik niet op de hoogte was van het vermoorden van de Joden, is dat dus juist, maar dan toch alleen maar formeel. Deze vraag en mijn antwoord daarop vormden het moeilijkste moment tijdens de vele uren achter het getuigenhekje. Het was geen angst, maar de schaamte dat ik het eigenlijk zo goed geweten en toch niet gereageerd had. De schaamte over het laffe zwijgen aan tafel, over de morele slapheid over zoveel verdringing van de werkelijkheid.

25 december 1946

Koude nacht. Vandaag ben ik waterdrager. Opgezwollen vingers. Enkele dagen geleden werden op de benedenverdieping de verdachten in het aanstaande proces tegen de leiding van de SS ondergebracht. Ik probeer hen met een paar woorden op te monteren, wat de bewaker toelaat. Hen staat allemaal een doodvonnis te wachten.

Om mezelf af te leiden ondanks de kou veel getekend. Tegen vijf uur zijn de vingers weer opgezwollen. Ik wikkel me in mijn vier dekens en lees met de kap over mijn hoofd Bauernpsalmen van Timmermans. ’s Avonds krijg ik een warme drank, maar ik kan niet uitmaken of het koffie of thee is.

Alleenspraak over Napoleon, die aanvankelijk door Goethe geschilderd werd als een monster, tien jaar later echter gehuldigd werd als een figuur van historische betekenis voor de hele wereld. Zou de Europese mythe over Napoleon en de daarop aansluitende verering van de grote man bijgedragen hebben tot de neiging tot capitulatie waarmee het Europese burgerdom (én de arbeiders, die hun Marx en Engels en Lenin verafgoodden) zich aan verschijnselen als Mussolini en Hitler uitleverden? We waren allemaal gefascineerd door belangrijke historische persoonlijkheden, en ook al was zo’n figuur dat helemaal niet maar wist hij zich alleen maar met enige handigheid als zodanig te presenteren, dan kropen wij al in het stof. Dat was ook het geval met betrekking tot Hitler. Ik geloof dat een deel van zijn succes berustte op de brutaliteit waarmee hij pretendeerde een groot man te zijn.

18 november 1947

’s Nachts wordt het terrein buiten de hoge muur overstroomd door schijnwerperlicht. Vannacht stond ik weer eens op m’n bed en keek lang door het donker van de binnenplaats en over de lage gebouwen heen naar deze muur van licht. Er viel sneeuw in grote vlokken, vredig en stil zoals in sprookjesfilms. Waar het anders zwart was, ontstonden nu in de lichte nevel van vlokken vage contouren. Uit verveling richtte de Russische soldaat op de wachttoren zijn zoeklicht op ons gebouw. Enkele seconden later had de schijnwerper mij te pakken, ik was verblind, het licht wierp me terug in de werkelijkheid, ik verdween snel in mijn bed.

'Het Duitse paviljoen op de Wereldtentoonstelling van 1937 in Parijs was een ontwerp van Albert Speer'Beeld Belga

Ik luisterde nog een tijdje naar het geruis van de vallende vlokken, keek naar de schaduwstrepen van takken in het kleine verlichte vierkant op de muur van mijn cel. Voor mij uit starend kwamen mij de vele nachten in het hooggebergte in herinnering, toen we in een berghut waren ingesneeuwd. Wat had ik toch veel van de sneeuw gehouden, eigenlijk alleen van de sneeuw en het water! En onder het mijmeren vroeg ik me werkelijk af, of er karakters zouden zijn die bij een bepaald element horen. Als dat klopt, zou ik in het geval van Hitler geen moment aarzelen om het vuur zijn meest eigen element te noemen. Hij hield zeker niet van het prometheïsche karakter, maar van de verwoestende kracht van het vuur. Dat hij een wereld in vlammen zette en het continent te vuur en te zwaard verwoestte, kan misschien alleen maar bij wijze van spreken gezegd worden, maar het was in ieder geval zo dat het vuur hem onmiddellijk en altijd in de grootste opwinding bracht. Ik herinner me hoe hij in de Rijkskanselarij de films van het brandende Londen, van de vuurzee in Warschau en van exploderende konvooien liet draaien en hoe gretig hij daar elke keer weer naar keek.

Ik heb hem nog nooit zozeer buiten zichzelf gezien als tegen het einde van de oorlog, toen hij als in een delirium voor zichzelf en voor ons de ondergang van New York in een vuurstorm schilderde. Hij beschreef hoe de wolkenkrabbers in reusachtige brandende fakkels veranderden, hoe ze over elkaar heen stortten, hoe de weerschijn van de uiteenspattende stad zich aftekende tegen de donkere hemel en betoogde, alsof hij na een extase weer zichzelf werd, dat Saur het ontwerp van Messerschmidt voor een langeafstandsbommenwerper met vier straalmotoren onmiddellijk in productie moest geven. Met dat vliegbereik zouden we de ondergang van onze steden duizendvoudig op Amerika kunnen wreken. Hij haatte de sneeuw. Niet pas sinds de eerste winter voor Moskou, toen het idee van de blitzkrieg in sneeuw en ijs ten onder was gegaan. Reeds in vredestijd schudde hij afkeurend zijn hoofd als Eva Braun, mijn vrouw en ik op weg gingen om een skitocht te maken. Het koude, levenloze element was zijn natuur in diepste wezen vreemd. Hij toonde zich bij het zien van sneeuw bijna altijd geprikkeld.

15 februari 1948

In de zomer van 1936 bracht Wilhelm Brückner, Hitlers persoonlijke adjudant, mij de wens van Hitler over om de volgende dag bij hem te komen in de Prinzregentenstraße in München. Het was het huis van een particulier met een middelgroot inkomen, van een leraar, een directeur van een bankfiliaal of een kleine zakenman. De inrichting was kleinburgerlijk. Bewerkte massief eiken herenkamermeubels, boeken achter glazen deuren, geborduurde kussens met sentimentele opschriften of krachtige partijleuzen. In een hoek van de kamer stond een borstbeeld van Richard Wagner, aan de muren hingen in brede vergulde lijsten idyllische schilderwerken van de Münchener School. Niets wees erop dat de eigenaar van deze woning reeds drie jaar rijkskanselier was. Het rook er naar gebakken olie en zurig afval. In de slaapkamer placht Hitler zich ’s morgens voor het open venster te harden. Zoals hij mij eens had verteld, was hij lang geleden begonnen zich dagelijks te dwingen om oefeningen te doen met een borsttrainer, een expander. Toen ik mij verbaasd toonde liet hij mij zelfs een reclamefoto in de Jugend zien waarop gedemonstreerd werd hoe men op deze wijze aan gespierde biceps kon komen. De expander was vooral daarom zo belangrijk voor hem, had hij eraan toegevoegd, omdat hij bij het voorbijmarcheren van de SA en de SS zijn arm urenlang, zonder te beven en zonder hem te laten zakken, uitgestrekt moest houden. Dat zou hem vandaag de dag, dankzij zijn jarenlange training, geen van zijn naaste medewerkers zo gauw nadoen.

3 januari 1949

Vandaag doe ik in de badkamer samen met Funk onze was. De ruimte is vol stoom, het condenswater stroomt langs de wanden naar beneden. Om warm te blijven lopen we druk heen en weer, de houten zolen van onze schoenen klepperen op de stenen vloer. De Engelse bewaker Long heeft zich teruggetrokken in de hal. Het lievelingsonderwerp van Funk is sinds enige tijd de corruptie in het Derde Rijk. Hij vertelt over verscheidene wagons met dameskousen en damesondergoed die Göring in de zomer van 1942 met militaire treinen uit Italië liet komen om ze op de zwarte markt te verkopen. Er was een officiële prijslijst bij geweest waaraan de enorme winst duidelijk werd.

Ik had een vage herinnering aan deze affaire. Milch had me op zekere dag verontwaardigd meegedeeld dat generaal Lörzer, die bevel voerde over het Tweede Luchtcommando, de kolossale zwendel moest organiseren. Lörzer was een intieme vriend van Göring uit de Eerste Wereldoorlog en had evenals deze als jachtvlieger het Kruis van Verdienste gekregen. Ook Pilly Körner, Görings staatssecretaris en plaatsvervanger voor het vierjarenplan, was bij deze zaak betrokken. Het komische was dat het hierbij meestal om goederen ging die Duitsland op grond van zijn exportverplichtingen aan de Italiaanse bondgenoot moest leveren en die na de Brenner onmiddellijk weer teruggingen.

Funk wond zich op en bleef plotseling staan: ‘Wat een rotzooi!’ Terwijl ik doorging met de was, hield ik hem voor dat hij als minister van Economische Zaken eigenlijk had moeten ingrijpen en de zwendel aan Hitler had moeten melden. ‘Hoe kom je erbij,’ antwoordde hij. ‘Ik had geen idee tot hoe ver dat ging en bovendien had Himmler ongetwijfeld wel enkele dossiers over mij in de lade liggen.’

Ikzelf had er in een toespraak voor de Gauleiters in de herfst van 1943 op gezinspeeld dat we in de toekomst bepaalde duistere import- en exportzaken zouden controleren. Ik haalde me daardoor grote verontwaardiging op de hals en had geen enkel succes. Achteraf geloof ik nu en dan dat Hitler de corruptie bewust toeliet of zelfs bevorderde. Enerzijds werden de zwendelaars hierdoor aan hem gebonden, zoals elke potentaat probeert zijn macht door gunsten te versterken en anderzijds beantwoordde deze corruptie aan zijn idee over het recht van machthebbers om beslag te leggen op materiële goederen. Gezag, meende hij, had ook het uiterlijk vertoon nodig, de kleine man raakte alleen onder de indruk van luxe. Zijn satrapen moesten in kastelen en paleizen wonen, ze moesten protserig optreden, mijn strijd daartegen getuigde in de grond van de zaak van een nietsvermoedende naïviteit. Hoe weinig hadden Funk en ik van Hitlers geslepen machtstactiek begrepen!

31 januari 1949

Het schilderen van de hal is eindelijk voltooid. We hebben er drie maanden voor nodig gehad. We beginnen nu aan het opknappen van onze cellen. Mijn medegevangenen, die zich aanvankelijk vrolijk maakten over mijn werkprogramma, zijn ondertussen als helpers of leerlingen mee gaan werken. Het saaie vuilgeel van de celwanden maakt plaats voor zachtgroen, dat door een donkergroene rand van de bovenste witgekalkte helft van de muur wordt gescheiden. De deur pas ik met een lichtere tint aan bij de kleur van de wanden. De meubels worden bruinrood en het raam wordt geschilderd met witte emaillak.

Ik las bij Goethe dat zachtgroen een rustgevende uitwerking heeft. Dat kan ik nu op mijzelf uitproberen. Vroeger koos ik de kleuren van de marmeren platen waarmee het Führerpaleis en andere ‘sacrale’ bouwwerken van het regime bekleed zouden worden, even zorgvuldig uit als nu die voor onze cellen. Hitler was het daar altijd mee eens. Nu schiet mij opeens te binnen dat Hitler op een dag tijdens het eten aan zijn toehoorders vertelde dat hij, om de kleuren goed op elkaar af te stemmen, persoonlijk alle marmersoorten bijeen had gebracht en uitgezocht. Had hij er niet op gelet dat ik aan een zijtafel zat? Of was hem dat volkomen onverschillig? Wat mij zozeer verbaasde en nog verbaast, is het feit dat hij zelfs in dergelijke kleinigheden nog eer trachtte te behalen, terwijl hij toch reeds lang dé verbazing van de wereld was.

Ook bij de militaire besprekingen van de toestand gaf Hitler niet zelden een opsomming van technische details waarover mijn deskundigen, professor Porsche of Stieler von Heydekampf, kort tevoren een voordracht hadden gehouden, alsof zij het resultaat waren van eigen studie. Hij beweerde ook dikwijls dat hij in de voorafgaande nacht, hoewel de besprekingen pas tegen de ochtend waren geëindigd, een wetenschappelijk of historisch werk van vele honderden bladzijden had bestudeerd. Uit zijn verhalen wisten we echter allemaal dat hij van mening was dat men met het slot van een boek moest beginnen, omdat men daar alles wat belangrijk was kon vinden. In het ergste geval moest men dan nog enkele bladzijden doorkijken en zich hier en daar misschien zelfs door een passage laten boeien, maar daarmee had men zich dan ook in de kortst mogelijke tijd alles eigen gemaakt wat een boek te bieden had. Wat een sterke en onbedwingbare behoefte moet deze man hebben gehad om indruk te maken!

3 maart 1949

Ik vraag me af of de man die ik gediend en die ik zeer beslist jarenlang vereerd heb, eigenlijk wel in staat was tot eerlijke gevoelens van vriendschap, dankbaarheid en trouw. Wat Eva Braun betreft twijfel ik nu en dan, maar volgens zijn oude kameraden had hij van Geli Raubal werkelijk gehouden. In de wereld van mannen was er behalve ikzelf en zijn chauffeur Schreck, van wie er zelfs een portret op zijn studeerkamer hing naast dat van zijn moeder, eigenlijk alleen Mussolini voor wie hij genegenheid scheen te koesteren. Ik geloof dat er inderdaad iets van een gevoel van vriendschap tussen deze twee bestond, dat waarschijnlijk van de kant van Hitler zelfs sterker was.

'Hitler kijkt toe hoe de dochter van Speer leert schrijven. 'Mijn kinderen voelden zich niet aangetrokken tot Hitler'Beeld Belga

Kortgeleden herinnerde ik mij de dag waarop de grondslag voor deze vriendschap werd gelegd. In september 1937 was Mussolini naar Berlijn gekomen. Ze hadden samen de brede Oost-West-route van Berlijn gereden. Naast elkaar hadden zij op het Maifeld de honderdduizenden toegesproken. ’s Avonds, na het grote feestbanket in de Rijkskanselarij, toen Mussolini nog maar nauwelijks was vertrokken, toonde Hitler zich zeer voldaan. De Duce was zo onder de indruk van hem dat Italië van nu aan voor altijd met Duitsland verbonden was.

Daarna zaten we in een kleine kring nog enkele uren bij elkaar. Toen Hitler opnieuw met bewondering over de cesarische verschijning van Mussolini begon, zei Goebbels relativerend dat hij zeer bepaald namens alle aanwezigen sprak, als hij op het geweldige verschil tussen de Duce en de Führer wees. De Führer was toch een heel andere persoonlijkheid, en in Italië was Mussolini misschien wat bijzonders, een Romein, zoals de Führer eens gezegd had, onder de Italianen, maar hier was hij niet meer dan een Italiaan onder de Duitsers. Het was hem in ieder geval direct opgevallen dat de Duce iets van een operettefiguur had. Aanvankelijk schenen Hitlers gevoelens met elkaar in strijd te zijn. De nieuwe vriend werd weliswaar aan de kaak gesteld, maar hij voelde zich tegelijkertijd gevleid en aangemoedigd. Toen Goebbels met twee of drie handige opmerkingen nog een paar steken gaf, begon Hitler enkele overdreven aandoende gebaren van Mussolini na te doen. De vooruitgestoken kin, de karakteristieke houding van de op de heup gesteunde rechterhand, de spreidstand. Daarbij riep hij onder het ijverige gelach van de omstanders enkele Italiaanse of Italiaans klinkende woorden zoals ‘giovinezza’, ‘patria’, ‘victoria’, ‘macaroni’, ‘bellezza’, ‘belcanto’ en ‘basta’. Het was zeer komisch.

19 juni 1949

Nu en dan nodigde Hitler mijn kinderen uit op chocolade en gebakjes. Ze werden goed gewassen, netjes aangekleed en vermaand aardig en vriendelijk te zijn. Maar ze lieten zich door ons niet africhten, ze gedroegen zich heel natuurlijk en voelden zich niet aangetrokken tot Hitler. Het was hem niet gegeven kinderen aan zich te binden, zijn pogingen liepen altijd op niets uit. Zelfs toen hij op een keer extra moeite deed door zich op een bank de eerste schrijfpogingen van mijn dochter te laten demonstreren, keek onze oudste zoon aanvankelijk belangstellend toe, maar liep gewoon weg toen Hitler hem ook naar zich toe wilde halen. De kinderen probeerden zo snel mogelijk onder elkaar te zijn, een normale reactie natuurlijk, maar voor Hitler een ongewone ervaring.

In dit verband schiet me nog iets anders te binnen. Op bepaalde dagen opende de SS het toegangshek tot de Obersalzberg, waarna een vijf meter brede stroom van vele duizenden bewonderaars en bewonderaarsters langs Hitler defileerde, die goed zichtbaar voor iedereen op een verhoging stond. Er werd gezwaaid en vrouwen vergoten tranen van ontroering. Hitler wees zijn chauffeur Kempka één of ander kind aan, dat dan door een SS’er uit de menigte werd gehaald. Daarna werd de obligate groepsfoto gemaakt, waarop Hitler verrukt scheen te zijn, maar de kinderen zelf meestal een ongelukkige indruk maakten.

‘Speer in Spandau’ van Albert Speer verschijnt op 15 januari bij Meulenhoff.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234