Hoe de Golden State Killer na 32 jaar werd ontmaskerd

Minstens 50 verkrachtingen, 12 sadistische moorden en 100 inbraken. Dat is de drieste reeks misdaden waarmee de Golden State Killer tussen 1974 en 1986 de staat Californië opschrikte. Een voorpublicatie.

Twee mensen hadden hem al die jaren proberen te ontmaskeren: journaliste Michelle McNamara en forensisch onderzoeker Paul Holes, die hem uiteindelijk wist te klissen met DNA-bewijs. Voor McNamara kwam dat te laat: ze overleed aan een overdosis medicijnen voordat het monster, dat eerst nog bekendstond als de East Area Rapist, werd gevat. Een voorpublicatie.

'Hij drong slaapkamers binnen, bond koppels vast, stapelde borden op de rug van de man en dreigde dat zijn vrouw het niet zou overleven als er een bordje viel'

‘Wat betekent EAR?’ vroeg Paul Holes. Politiedetective op rust John Murdock reageerde verbaasd. Die afkorting had hij in geen jaren meer gehoord. Ze zaten ieder aan een kant van het gangpad in het vliegtuig en waren op weg naar een congres voor forensische experts. Het was 1997. Murdock was kort daarvoor met pensioen gegaan als hoofd van het forensisch laboratorium van Contra Costa County, nabij San Francisco. De leergierige Paul Holes was achteraan de twintig en was kort na zijn afstuderen als biochemicus beginnen te werken als forensisch onderzoeker. Hij begon in de toxicologie, maar ontdekte al snel dat zijn passie eigenlijk in het veld lag. Algauw had zijn nieuwsgierige geest niet meer genoeg aan een microscoop. Hij begon met de rechercheurs op pad te gaan, mee naar plaatsen delict. Eigenlijk was hij een rechercheur van cold cases die in een forensisch lab zat opgesloten. Hij liep dolgraag naar het archief om te neuzen in dossiers over onopgeloste zaken. Daar vond hij verhalen, verklaringen, foto’s en onafgemaakte gedachten, die door een verstrooide onderzoeker in de kantlijn waren gekrabbeld. Die puzzels trokken hem aan.

‘Paul, dat is je taak niet,’ wezen zijn collega’s hem soms terecht. Hij trok zich er niks van aan. Hij bezat het zeldzame talent om altijd vriendelijk te blijven en intussen gewoon zijn gang te blijven gaan. Hij beloofde zichzelf dat hij naar een plaatsje bij de rechercheafdeling zou hengelen zodra de gelegenheid zich aandiende.

Ondanks het leeftijdsverschil hadden Murdock en Holes iets gemeen: hoewel ze uitstekende exacte wetenschappers waren, voelden ze zich aangetrokken tot verhalen. Als zijn werk in het lab erop zat, trok Holes zich elke dag terug met een stapel oude dossiers, gefascineerd door al die duistere kronkelwegen in de menselijke geest. Cold cases grepen hem vast en lieten hem niet meer los. Als wetenschapper kon hij niet tegen vraagstukken die onopgelost bleven.

‘Wel, waarvoor staat EAR nu?’ herhaalde Holes. Die letters waren met rode stift geschreven op een paar mappen die hij had gevonden in het archief. E-A-R. Hij had de dossiers nog niet gelezen, maar de bijzondere, bijna eerbiedige manier waarop ze opzij waren gelegd, had zijn aandacht getrokken.

‘Dat zijn de beginletters van East Area Rapist,’ zei Murdock. Die naam zat duidelijk nog in zijn hoofd, niet vervaagd door de tijd.

‘Die ken ik niet,’ zei Holes.

De rest van de vlucht vertelde Murdock op 10 kilometer hoogte het hele verhaal, over hoe de EAR zou uitgroeien tot de Golden State Killer, een seriemoordenaar die jarenlang hele buurten in angst onderdompelde.


Zonder broek

In juni 1976 was een man de slaapkamer van een jonge vrouw in het oosten van Sacramento binnengedrongen. Hij droeg een T-shirt, géén broek en had een mes in zijn hand. Hij fluisterde bedreigingen, haalde het huis overhoop en verkrachtte haar. Er zouden nog meer verkrachtingen volgen in Sacramento. Tweeëntwintig in elf maanden tijd. De dader ging altijd op dezelfde manier te werk. Hij deed eerst alsof hij de vrouwen alleen kwam beroven, om zich van hun medewerking te verzekeren. Hij bond hun handen en voeten stevig vast, vaak met schoenveters. Hij knevelde hen en gaf bevelen. Hij verkrachtte hen, maar raakte hun borsten nooit aan en zoende hen niet. Het leek wel plundering als prikkel. Genietend de spanning opvoeren totdat het hele oosten van Sacramento in paniek was. Slapende stellen overvallen. Borden op de rug van de vastgebonden man opstapelen en dreigen dat zijn vrouw of vriendin het niet zou overleven als er een bordje viel. De East Area Rapist was de boeman in de slaapkamer, de onbekende die alles wist – hoe de plattegrond van het huis in elkaar zat, hoeveel kinderen er waren, op welke uren het koppel uit werken ging. De bivakmuts en de schurende, verdraaide stem suggereerden een alter ego – maar van wie?

Het Sheriff’s Department van Sacramento stuitte op een muur. Een resem jonge blanke mannen werd aangehouden. De dader niet. Of misschien ook wel. Dat was nu juist het probleem. Alle rechercheurs die zich met de zaak bezighielden, hadden hun eigen beeld van het gezicht van de verdachte. Maar die beelden – een blonde blower met een legerjasje, een mormoon op een fiets, een gladde makelaar met een mediterraan uiterlijk – kwamen nooit overeen.

Carol Daly stond aan het hoofd van de speciale taskforce. Na de tweeëntwintigste verkrachting en de zoveelste nachtelijke rit naar het ziekenhuis met een totaal ontdaan slachtoffer, betrapte ze zichzelf op een duistere gedachte: ik hou van mijn man, maar ik haat mannen. Wat haar collega-rechercheur Richard Shelby ’s nachts uit de slaap hield, waren de vele verklaringen van getuigen die iemand verdacht hadden zien rondsluipen maar die ‘doodkalm wegslenterde’ als hij werd betrapt. De enge klootzak was dus een kalme slenteraar.


Rechercheur Larry Crompton maakt een afgietsel in gips van een voetafdruk op een plaats delict.

Het publiek begon angst in de ogen van de rechercheurs te zien. De EAR spookte door hun hoofd. Door ieders hoofd. Elke dag bij zonsondergang verspreidde zich een collectieve doodsangst door de omgeving. Het leek onmogelijk dat hij ooit werd gepakt. Uiteindelijk zou het toeval zich wel tegen hem keren, maar wie wilde de sukkel zijn die daarop wachtte?

Toen, even raadselachtig als hij was verschenen, was hij ineens weg. Na een schrikbewind van twee jaar, van 1976 tot 1978.

‘Wow,’ zei Holes vol ongeloof. ‘En toen?’

Murdock bedacht dat Holes in die tijd een jaar of 10 moest zijn geweest en geen weet had van de massale verlamming die de zaak had teweeggebracht, de vreemde wendingen, de valse hoop, de doodlopende sporen. Hij kende de zaak alleen van de dossiers met de rode letters EAR erop.

‘Hij dook weer op in de East Bay,’ zei Murdock. ‘Hij kwam naar ons toe.’ Tussen oktober 1978 en juli 1979, voor zijn verdwijning uit Noord-Californië, sloeg de EAR elf keer toe in het gebied East Bay, twee keer in San Jose en één keer in Fremont.

Twintig jaar later was het onderzoek nog steeds een chaos. Sommige gevallen waren door de plaatselijke politie behandeld. Vele afdelingen, ook Sacramento County, hadden bewijs vernietigd. Gelukkig had het Sheriff’s Office van Contra Costa County, waar Holes werkte, alles bewaard. De dossiers met EAR erop waren niet zomaar opzijgelegd: de gedemoraliseerde rechercheurs hadden destijds geloofd dat ze er nooit uit zouden raken. De zaak-EAR was hun mislukking. Als het menselijke brein echt de beste computer ter wereld was, zoals deskundigen beweren, dan hoopte de oude garde met die opvallende dossiers een jongere, nieuwsgierige, snelle computer voor de zaak te interesseren. Soms waren de moeilijkste zaken gewoon een estafetteloop.

‘De domme gasten pakken we altijd,’ zeggen rechercheurs vaak. Zo kon je negenennegentig van de honderd vakjes afvinken. Maar dat ene lege vakje deed je de das om.


John Wayne

In juli 1997 begon Holes bewijsstukken uit het archief te halen om te kijken welke sporen daarop te vinden zouden zijn. Het lab van Contra Costa County was niet zo geavanceerd als andere Californische laboratoria. Hun DNA-programma was betrekkelijk nieuw. Toch zag het ernaar uit dat drie van de stukken materiaal voor een rudimentair profiel zouden kunnen bevatten. Zelfs al was de werkwijze van de EAR duidelijk en bestond er weinig twijfel dat de overvallen verband met elkaar hielden, de biologische zekerheid dat het om dezelfde dader ging, kon het onderzoek misschien nieuw leven inblazen, dacht Holes. Dan konden ze oude verdachten oppakken of opgraven en monsters nemen.

Het onderzoek duurde even, maar de uitslag bevestigde de overeenkomst. Zoals ze al dachten, was dezelfde man verantwoordelijk voor de drie overvallen in Contra Costa County. Nu had Holes een DNA-basisprofiel van de EAR dat steeds geavanceerder zou worden naarmate het lab betere apparatuur kreeg. Hij begon de dossiers zelf te onderzoeken. Hij las over het gedragspatroon van de EAR. De buurten die hij uitkoos, het bellen van de slachtoffers, de tactische voorbereiding.

Holes stelde een lijst van vroegere verdachten op en spoorde de gepensioneerde rechercheur Larry Crompton op. Crompton was tijdens het hoogtepunt van de overvallen lid van de EAR-taskforce. Holes zag aan het aantal keren dat Cromptons naam in de rapporten voorkwam dat hij het onderzoek in feite leidde. Ofwel was hij bijzonder ijverig, ofwel lag de zaak hem na aan het hart.


Forensisch onderzoeker Paul Holes, hier aan het begin van zijn carrière, beet zich vast in de onopgeloste zaak van de Golden State Killer.

Wie gepensioneerde rechercheurs belt, krijgt heel verschillende reacties. Sommigen voelen zich gevleid. Anderen zijn licht geïrriteerd, omdat ze net stonden aan te schuiven in de rij bij de apotheek of rustig langs de waterkant zaten te vissen. Voor hen betekent jouw beleefde enthousiasme alleen tijdverlies. Maar Crompton reageerde op Holes’ telefoontje alsof hij het toevallig net op dat moment met iemand anders over de EAR had gehad en dit onverwachte, welkome telefoontje de natuurlijke voortzetting was van het dagelijkse gesprek ten huize Crompton.

Crompton was in Nova Scotia geboren en hij zag eruit als zo’n lange, magere rancher met een betrouwbaar gezicht uit een western met John Wayne. Hij had een merkwaardige, ademloze manier van praten: nooit aarzelend, altijd zelfverzekerd. Holes wilde weten of Crompton zich opvallende verdachten herinnerde waar nog eens naar moest worden gekeken. ‘Ja,’ zei Crompton, en hij noemde enthousiast een paar namen. Eigenlijk wilde hij Holes een onderzoeksspoor laten natrekken dat hij destijds van zijn superieuren niet had mogen uitwerken.

Tegenwoordig is de samenwerking tussen de verschillende rechtsgebieden in het beste geval wisselend, maar in de late jaren 70 was de situatie ronduit treurig. Alleen via de politietelex en de geruchtenmachine vernamen politiemensen soms iets over zaken in andere county’s.


Sieraden stelen

In de zomer van 1979 verdween de EAR weer uit de East Bay. Cromptons superieuren juichten nog net niet hardop van opluchting. Crompton raakte juist in paniek. Hij merkte dat de dader verhardde, dat hij steeds meer doodsangst in de ogen van zijn slachtoffers nodig had. Hij had al gedreigd dat hij hen ging vermoorden, eerst nog haperend, daarna steeds harder, alsof hij zijn remmingen kwijtraakte. Dat baarde Crompton zorgen.

Begin jaren 80 werd Cromp-ton gebeld door Jim Bevins, een rechercheur van het Sheriff’s Office van Sacramento met wie hij bevriend was geraakt toen ze samenwerkten in de EAR-taskforce. Bevins wilde zich van de zaak distantiëren, want die had hem zijn huwelijk gekost. Maar hij wilde Crompton wel doorgeven dat hij iets had opgevangen over een paar zaken in Santa Barbara, waaronder een moord die aan de EAR deed denken. Crompton trok het na bij de politie daar. ‘Zoiets hebben we hier nooit meegemaakt,’ kreeg hij te horen.

Tijdens een bijscholing een paar maanden later zat hij toevallig naast een rechercheur uit Santa Barbara. Ze raakten aan de praat en Crompton hield zich van den domme. Hij deed alsof hij het over het vak wilde hebben. ‘En die dubbele moord laatst?’ vroeg hij langs z’n neus weg. Hij liet niet merken dat hij ijskoud werd van de details die hij te horen kreeg.

Zowat twintig jaar na dat gesprek, zag Crompton z’n kans schoon om dat spoor verder uit te werken. ‘Je moet met de politie in het zuiden bellen,’ gaf hij Holes de opdracht. ‘Te beginnen met Santa Barbara. ‘Ik heb gehoord dat daar vijf doden zijn gevallen. Ik wéét dat hij het was,’ zei Crompton voordat hij ophing. ‘Oké, doe ik,’ beloofde Holes. Hij hield woord en belde met Santa Barbara. Het bureau van de Sheriff ontkende iets van een zaak te weten die op zijn beschrijving leek. Maar tegen het eind van het gesprek leek de rechercheur aan de andere kant zich plots iets te herinneren. ‘Probeer Irvine eens,’ zei hij. ‘Daar hadden ze wel zoiets, geloof ik.’

Het telefoontje naar Irvine leidde naar het Sheriff’s Department van Orange County, dat hem in contact bracht met Mary Hong, de forensisch onderzoeker van het laboratorium. Holes zei haar dat hij onlangs een DNA-profiel had ontwikkeld van de onbekende witte man die tussen 1976 en 1979 in Noord-Californië vijftig zedendelicten had gepleegd en bekendstond als de East Area Rapist. De rechercheurs op de zaak van de EAR hadden altijd vermoed dat hij daarna naar het zuiden was afgezakt en daar nog meer misdrijven had gepleegd.


In 1980 vermoordde DeAngelo het koppel Charlene en Lyman Smith, met een houtblok dat hij naast hun huis had gevonden.

Hij ratelde een snelle beschrijving van de werkwijze af: nachtelijke overvallen in nette gelijkvloerse huizen. Slapende stellen vastbinden. De vrouw verkrachten. Soms diefstal, meestal van sieraden met een emotionele waarde voor het slachtoffer in plaats van kostbaarder voorwerpen. Bivakmuts, schoenmaat 42, bloedgroep A.

‘Zo te horen lijkt dat op de gevallen bij ons,’ zei Hong.

In de tijd dat Holes en Hong elkaar spraken, werden in hun laboratoria verschillende, nog rudimentaire DNA-technieken gebruikt. Het lab van Orange County kon wel een gen onderzoeken en een match zoeken, maar veel meer ook niet. Ook het lab in Contra Costa kon nog geen verbinding maken met een landelijke database om stalen te vergelijken. Hong en Holes spraken af om weer contact op te nemen vanaf wanneer dat mogelijk werd.

Door de overheid gefinancierde forensische laboratoria voelen alle economische schommelingen meteen. Volksvertegenwoordigers weten dat ze zich niet populair maken als ze de politie uitkleden, dus vallen de ontslagen vaak bij de minder zichtbare medewerkers, zoals forensisch wetenschappers. Laboratoriumapparatuur is duur en de directeuren moeten vaak lang zeuren voordat ze krijgen wat ze nodig hebben. Misschien verklaart dat waarom het nog anderhalf jaar duurde voordat het lab van Contra Costa, dat altijd al bescheiden was, even ver was als Orange County. In januari 2001, toen de nodige apparatuur was geïnstalleerd, vroeg Holes aan een collega, Dave Stockwell, of hij nog een keer naar het DNA van de zaak-EAR wilde kijken; of de drie gevallen nog steeds hetzelfde daderprofiel lieten zien. Stockwell bevestigde dat.

‘Bel Mary Hong in Orange County,’ zei Holes. ‘Wij hebben nu dezelfde technologie. Leg jouw resultaten eens naast de hare.’

Stockwell en Hong lazen elkaar aan de telefoon de markers voor.

‘Ja,’ zei Hong toen Stockwell één van de markers van de EAR voorlas.

‘Ja,’ zei Stockwell in reactie op één van de hare.

Stockwell liep naar Holes’ kamer. ‘Volledige match!’

***

Het zou daarna nog 17 jaar duren voor de dader werd gevat, maar dat kleine eureka-momentje tussen bevlogen laboranten leidde uiteindelijk tot de arrestatie van één van de meest gezochte seriemoordenaars uit de Amerikaanse geschiedenis. In 2016 loofde de FBI een beloning van 50.000 dollar uit voor de tip die tot de arrestatie van de EAR zou kunnen leiden. Onderzoeksjournaliste Michelle McNamara, die zich jarenlang had vastgebeten in de zaak, wilde potentiële getuigen bewust maken van het feit dat de moordenaar niet enkel in de East Area maar in héél Californië – de Golden State – actief was geweest. Daarom bedacht ze de bijnaam ‘Golden State Killer’ voor hem, en blies de zaak nieuw leven in.

In april 2018 kon Joseph James DeAngelo, een 72-jarige ex-politieagent, worden ingerekend. Onderzoekers vergeleken een intact gebleven DNA-spoor, dat ze hadden gevonden op een verkracht slachtoffer, met een grote databank. Ze konden het DNA niet linken aan dé dader, maar wel aan een stamboom. Onderzoekers vertrokken bij de over-over-overgrootouders van DeAngelo en reconstrueerden de hele familiestamboom. Na een ingenieuze zoektocht verscheen Joseph James DeAngelo op de radar van de rechercheurs. Ze verzamelden stiekem een DNA-staal van de deurklink van zijn wagen en vergeleken het met DNA van de EAR. Het bleek een match, en DeAngelo werd in de boeien geslagen.

Hoe die arrestatie eruit zou zien, schreef McNamara – die getrouwd was met Hollywood-acteur en stand-upcomedian Patton Oswalt – kort voor haar dood neer in een opmerkelijk profetische brief aan de moordenaar.


Brief aan een oude man

Je was je benadering: de dreun tegen het hek. Een geforceerde deur. De geur van aftershave die om drie uur ’s nachts in een slaapkamer doordringt. Een lemmet tegen een keel. ‘Niet bewegen of ik vermoord je.’ Het alarmsysteem dat gedwee flikkerde tijdens de bewusteloze slaap. Geen tijd om rechtop te gaan zitten. Ontwaken betekende begrijpen dat je in staat van beleg verkeert. Telefoonlijn doorgesneden. Kogels uit vuurwapens verwijderd. Het touw al klaargelegd en uitgespreid. Je was angstaanjagend goed op de hoogte. Je handen vlogen naar moeilijk te vinden lichtschakelaars. Je wist namen. Aantal kinderen. Stamkroegen. Je voorbereiding gaf je een cruciale voorsprong, want als je slachtoffers wakker werden van de verblindende zaklantaarn en tussen opeengeklemde tanden gesiste bedreigingen was jij een vreemde voor hen, maar zij nooit voor jou.

Harten bonkten. Monden werden droog. Je lichamelijkheid bleef ondoorgrondelijk. Een met babylotion ingesmeerde penis tussen vastgebonden handen geduwd. ‘Doe het goed.’ Niemand zag je gezicht. Niemand voelde je volledige lichaamsgewicht. De geblinddoekte slachtoffers waren afhankelijk van hun reuk en hun gehoor. Geparfumeerd talkpoeder. Vleugje kaneel. Gerinkel aan een gordijnroede. Een rits van een tas die opengaat. Munten die op de grond vallen. Gejammer, een snik. ‘O, mama.’ Een glimp van koningsblauwe suède tennisschoenen. Geblaf van honden, geleidelijk wegstervend in westelijke richting.

Je was een voyeur. Een geduldige observator van gewoonten en routines. De eerste avond dat een echtgenoot nachtdienst ging draaien, sloeg je toe. Er waren vier tot zeven dagen oude schoenafdrukken met visgraatmotief onder het badkamerraam op de plaats delict. Agenten merkten op dat je van daaruit in de slaapkamer van het slachtoffer kon loeren. ‘Neuk me als je eigen vent,’ siste je alsof je precies wist hoe dat ging. Je trok een meisje hoge hakken aan, wat ze ook met haar vriendje in bed deed. Je stal bikinipolaroids als aandenken. Je sloop rond met je priemende zaklantaarn, herhaalde je afgemeten zinnetjes, was tegelijk de regisseur en de ster van de film die zich in je hoofd afspeelde.

'Vierentwintig jaar nadat ze was verkracht, rinkelde de telefoon van het slachtoffer. 'Wil je spelen?' fluisterde een man aan de andere kant van de lijn''

Vrijwel alle slachtoffers beschrijven dezelfde scène: het moment dat ze merkten dat je terug was nadat je een ander deel van het huis overhoop had gehaald. Geen woorden. Geen beweging. Maar ze wisten dat je er stond en konden zich de levenloze blik achter de gaten in je bivakmuts voorstellen. Een slachtoffer voelde dat je naar het litteken op haar rug staarde. Nadat ze een tijdje niets had gehoord, dacht ze: hij is weg. Ze ademde uit, net op het moment dat de punt van het mes naar beneden kwam en het litteken natrok.

Je fantasie gaf je adrenaline. Je verbeelding compenseerde de mislukte werkelijkheid. Je onvolkomenheden stonken. Een slachtoffer experimenteerde met omgekeerde psychologie en fluisterde: ‘Je bent goed.’ Je ging direct van haar af, verbijsterd. Je stoerejongenslef rook onecht. Het sissen door je tanden klonk beverig, af en toe stotterde je. Een ander slachtoffer beschreef aan de politie hoe je heel even in haar linkerborst kneep. ‘Alsof het een deurknop was.’

‘Wat is dit lekker, hè?’ vroeg je aan een jong meisje terwijl je haar verkrachtte en je drukte een mes tegen haar keel tot ze het beaamde.

Je fantasieën gingen diep, maar lieten je nooit struikelen. Elk onderzoek naar een gewelddadige crimineel op vrije voeten is een hardloopwedstrijd; je bleef altijd op kop. Je was gewiekst. Je parkeerde precies buiten het blikveld van de politie, tussen twee huizen of op een onbebouwd perceel, om argwaan te vermijden. Je maakte gaatjes in vensterruiten, gebruikte gereedschap om houten deurklinken weg te schuiven, maakte ramen open, en dat allemaal terwijl je slachtoffers sliepen. Je zette de airconditioner uit zodat je kon horen of er iemand aankwam. Je liet het poortje aan de zijkant van het huis open en herschikte het meubilair op de patio zodat je ongehinderd naar buiten kon. Je ontsnapte aan een FBI-agent op een fiets met tien versnellingen; hij reed in een auto. Je vluchtte over daken. Op 6 juli 1979 reageerde een speurhond zo hevig bij een klimopstruik dat de begeleider dacht dat het geurspoor kersvers was.

Een buurman zag je van een plaats delict wegvluchten. Je ging zoals je was gekomen: zonder broek.

Helikopters. Wegversperringen. Buurtwachten die nummerplaten noteerden. Hypnotiseurs. Spiritisten. Honderden blanke mannen die op een gaasje kauwen om speeksel af te staan. Niets.

Je was een geur, voetafdrukken. Speurhonden en rechercheurs volgden ze allebei. Ze leidden weg. Ze leidden tot niets.

Ze leidden naar de duisternis.

Je bent heel lang in het voordeel. Je snelheid is stuwend. In je kielzog volgen de politieonderzoeken. De ergste ogenblikken in iemands leven worden in slordig schuinschrift door een vaak gehaaste, slaperige agent genoteerd. Heel vaak verkeerd gespeld. De structuur van schaamhaar wordt in een krabbel in de kantlijn beschreven. Onderzoekers volgen aanwijzingen op trage draaischijftelefoons. Als er niemand thuis is, rinkelt de telefoon gewoon door. Als ze een oud rapport moeten opzoeken, graven ze met de hand door stapels papier. Het ratelende telexapparaat ponst rommelige gaatjes in een papieren lint. Veelbelovende verdachten worden uitgesloten op grond van het alibi dat hun moeder ze geeft. Uiteindelijk wordt het rapport in een dossier gestopt, dan in een doos en dan in een kamertje. De deur gaat dicht. Het vergelen van het papier en het vervagen van het geheugen begint.

De race is voor jou. Je bent zeker van je overwinning, je voelt het al. De slachtoffers raken uit het zicht. Ze lopen uit de maat, hun vertrouwen is uitgeput. Ze gaan gebukt onder angsten, hun herinneringen maken hen onzeker. Scheidingen en drugs eisen hun tol. Zaken verjaren. Bewijsstukken worden weggegooid wegens plaatsgebrek. Wat ermee is gebeurd, is begraven, glanzend en onbeweeglijk als een munt op de bodem van een poel. Zij doen hun best om door te gaan. Jij ook.


Journaliste Michelle McNamara (op de foto met haar dochter) schreef een boek over haar jacht op de Golden State Killer. Ze stierf aan een overdosis medicijnen, twee jaar voor hij werd gevat.

Maar het spel is niet spannend meer. Het script herhaalt zich en vraagt om hogere inzetten. Je begon met raamkozijnen, daarna ging je erdoor naar binnen. De angstreactie wond je op. Maar na drie jaar voldoen grimassen en smeekbedes niet meer. Je geeft je over aan je duisterder wordende impulsen. Je moordslachtoffers zijn allemaal prachtige meiden. Sommige hebben een ingewikkeld liefdesleven. Ik weet zeker dat het voor jou allemaal hoeren zijn.

Er golden andere regels. Je wist dat je minstens een kwartier had om een buurt uit te vluchten als je je slachtoffers levend en vastgebonden achterliet. Maar als je op 13 maart 1980 het huis van Lyman en Charlene Smith in Ventura uit loopt, voel je geen noodzaak om je te haasten. Hun stoffelijk overschot zal de komende drie dagen niet worden gevonden.

Houtblok. Breekijzer. Moersleutel. Je doodt je slachtoffers met voorwerpen die je in hun huis vindt – ongebruikelijk misschien, maar het is altijd je gewoonte geweest om licht te reizen, belast door vrijwel niets behalve je woede.

En dan, na 4 mei 1986, verdwijn je. Sommigen denken dat je dood bent. Of in de gevangenis zit. Ik niet.

Ik denk dat je de handdoek in de ring gooide toen de wereld begon te veranderen. Je leeftijd zal je ook hebben vertraagd. Het testosteron, ooit een kolkende stroom, werd een straaltje. Herinneringen vervagen. Papier vergaat.

Maar de technologie verbetert.

Je kapte ermee toen je over je schouder keek en zag dat je tegenstanders dichterbij kwamen.

Jij kon de race winnen. Jij was de observator aan de macht, je werd zelf nooit geobserveerd. Een eerste tegenslag kwam op 10 september 1984 uit een lab aan de universiteit van Leicester, toen de geneticus Alec Jeffreys het eerste DNA-profiel ontwikkelde. De volgende kwam in 1989, toen Tim Berners Lee een plan schreef voor het World Wide Web. Mensen die niet van jouw bestaan of je misdaden op de hoogte waren, begonnen algoritmen te ontwerpen die konden helpen om je te vinden. In 1998 integreerden Larry Page en Sergey Brin hun bedrijf Google. Er werden dozen vol politierapporten over jou tevoorschijn gehaald, gescand, gedigitaliseerd en gedeeld. De wereld gonsde van connectiviteit en snelheid.

Ik heb foto’s gezien van de afdrukken van je zware schoenen, die je op 17 juli 1976 in de modder onder het raam van de slaapkamer van een tienermeisje in Carmichael hebt achtergelaten, een cru overblijfsel van een tijd dat voyeurs geen andere keuze hadden dan persoonlijk voor een raam te gaan staan. Je was de meester van de stiekeme, zijdelingse beweging. Maar het meesterschap uit je beste tijd heeft nu geen waarde meer. Je vaardigheden zijn achterhaald. De rollen zijn omgedraaid. Overal om je heen openen zich virtuele ramen. Jij, de meester-toekijker, bent in hun dradenkruis een verouderend, lomp voortzwoegend doelwit.

Een bivakmuts zal je niet meer helpen.

Vierentwintig jaar nadat ze was verkracht, ging de telefoon van het slachtoffer over. ‘Wil je spelen?’ fluisterde een man. Dat was jij. Ze wist het zeker. Je deed nostalgisch, als een voormalige stervoetballer met artritis die een wedstrijd op zijn videorecorder afspeelt. ‘Weet je nog dat we hebben gespeeld?’

Ik zie je voor me terwijl je haar nummer draait, alleen in een donker kamertje, op de rand van je tweepersoonsbed, je telefoon is het enige overgebleven wapen in je arsenaal en daarmee vuur je een herinnering af, je kunt nog steeds doodsangst zaaien met je stem.

Binnen niet al te lange tijd zul je een auto voor je deur horen stoppen. De motor wordt afgezet. Je hoort voetstappen naar je voordeur komen. Net als bij Edward Wayne Edwards, 29 jaar nadat hij in Sullivan, Wisconsin, Timothy Hack en Kelly Drew had vermoord. Net als bij Kenneth Lee Hicks, 30 jaar na de moord op Lori Billingsley in Aloha, Oregon.

De bel gaat.

Er staat geen poortje meer open aan de zijkant van het huis. Je kunt allang niet meer over een hek springen. Adem nog maar eens gulzig, opgewonden in. Zet je tanden op elkaar. Schuifel bedeesd naar de dringende bel.

Zo loopt jouw verhaal af.

‘Jij zult voor altijd zwijgen en ik zal verdwijnen in het donker,’ zei je ooit dreigend tegen een slachtoffer.

Doe de deur open. Laat je gezicht zien.

Kom in het licht.

Michelle McNamara, ‘Ik zal verdwijnen in het donker’, Lebowski

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234