null Beeld

Hoe zou het nog zijn met... de Vampier van Muizen?

37 jaar zit hij al in de gevangenis, de langst gestrafte gedetineerde van ons land. Een modelgevangene, zegt men in Leuven-Centraal. Speelt toneel, verzorgt zijn parkietje, trekt zich ’s avonds terug in zijn cel om tv te kijken en audiocassettes op te nemen. Gustaaf Van Eycken (57), alias de Vampier van Muizen, heeft ervoor gekozen om nooit meer vrij te komen. Maar dat is moeilijker dan hij dacht.

'Nooit wil ik vrijkomen'

Begin jaren zeventig terroriseerde Staf Van Eycken de hele streek van Bonheiden. Ettelijke verkrachtingen had hij op zijn geweten, én drie gruwelijke lustmoorden. Lukraak gekozen vrouwen die op het verkeerde moment zijn pad kruisten. De eerste keer was het een dienstmeisje van een textielbaron, Marie-Thérèse Rosseel (18): aangerand, gewurgd en doodgestoken in de villa van haar werkgever. Een goeie maand later was Ida Smeets (47) aan de beurt, de echtgenote van universiteitsprofessor en advocaat Frans Van Isacker en moeder van drie kinderen. De vrouw werd verrast toen ze ’s middags een wandelingetje maakte langs het jaagpad van de Dijle. Beide slachtoffers vertoonden telkens bloederige beten op verschillende intieme plaatsen – vandaar zijn bijnaam. Tot slot viel zijn oog op een negentienjarige studente, Lutgarde Van der Wilt, die hij had ontmoet op het bal van de burgemeester. Die moord deed hem de das om. In maart 1972 werd de lustmoordenaar aangehouden, in 1974 werd hij door een assisenjury veroordeeld tot de doodstraf, omgezet in levenslang.

null Beeld

Staf Van Eycken is één van de drie moordenaars die hun verhaal vertellen in het binnenkort te verschijnen boek ‘Ik heb een mens vermoord’ van gerechtsjournaliste Machteld Libert, strafpleiter Walter Damen en gerechtspsychiater Chris Dillen. Niet dat hij zo graag praat over het monster dat hij vroeger was, want hij is veranderd, vindt hij. De ‘oude Staf’ was een gevaarlijke psychopaat die niet stilstond bij het leed dat hij veroorzaakte. De ‘nieuwe Staf’ heeft spijt en heeft zijn straf aanvaard. Hij heeft geen hoop meer om ooit nog vrij te komen, en dat wil hij ook niet meer.

Dansende borsten

Staf vertelt dat hij als kind vaak op bezoek ging bij zijn ‘peet’, zijn grootvader. Ook zijn tante woonde daar. Staf speelde vaak spelletjes met haar; zijn leeftijdsgenootje Paula speelde mee. Op zondagmorgen mocht hij weleens bij tante in bed kruipen. ‘Af en toe sliep ik bij haar en af en toe sliep Paula bij haar.’

– Welke spelletjes speelden jullie dan?

Staf Van Eycken «Doktertje. Borsten en piemel aanraken. Alles wat je je kunt inbeelden. Als kind was dat zo fantastisch, ik leefde daar zo in mee. En op een gegeven moment was dat ineens gedaan. Werd ik prompt afgewezen. Dan is die klik er gekomen.»

null Beeld

Staf kan er rustig over praten. Hij is tot inzichten gekomen toen hij jaren geleden PRH-sessies volgde bij Tilla Verelst in de gevangenis. Personnalité et Relations Humaines. Hij is daarbij intensief op zoek gegaan naar de oorzaak van zijn gruweldaden. Sindsdien spreekt hij over de ‘oude Staf’ en de ‘nieuwe Staf’.

Van Eycken «Tante misbruikte mij vanaf mijn negende jaar. Vier jaar lang. En dan plots niets meer. Die afwijzing. Ik bleef rondlopen met die frustraties. Ik kon daar met niemand over spreken. Vier maanden later heb ik een meisje aangerand aan de vijver. Dat was mijn eerste feit: geen verkrachting, aanranding van de eerbaarheid.»

Voelen, vastgrijpen, niet penetreren.

Van Eycken «Dat meisje was dertien, ik veertien.»

Staf verschijnt voor de jeugdrechter. Wordt geplaatst in Mol. Drie maanden later naar een tehuis. ‘Naar huis kon ik niet, mijn moeder had toen al multiple sclerose. Met mijn stiefvader schoot ik niet goe op. Ik heb toen nog gevraagd of ik bij mijn peet en tante mocht gaan wonen, maar dat mocht niet. Het werd een tehuis in Haacht.’

Later verhuist hij naar Don Bosco in Vremde. ‘Jef Lannoo was daar opvoeder, ik zat in zijn leefgroep. Ik mocht elke zaterdagmiddag, na school, met de fiets op bezoek bij mijn moeder. Eerst bij ons thuis, later in het MS-ziekenhuis in Melsbroek.’

Staf ging zijn moeder wel bezoeken, maar profiteerde tegelijk van de vrijheid. ‘Ik bleef telkens maar een uurtje bij mijn moeder, zo had ik meer tijd over.’

– Was je dan op zoek naar een vrouw?

Van Eycken «Ik was daar volledig op gefixeerd. Het lukte niet elke keer, maar toch één keer per maand ongeveer.»

(Voorzichtig) Verkrachting?

Van Eycken «Maar één keer een verkrachting. (Beetje ontdaan) Je moet het niet erger maken dan het al is. Het was wel altijd de bedoeling om te verkrachten, maar dat lukte niet zo makkelijk.»

– Als je dan iemand had aangerand, wat voelde je dan?

Van Eycken «Dan werd ik rustiger, dan had ik mijn driften gehad.»

– Ging het dan enkel over overmeesteren? Macht hebben over je slachtoffer?

Van Eycken «Je gaat daar altijd verder en verder in. Dat is een ziekelijk brein. Een monster. Dat heb ik allemaal ontdekt in die sessies bij Tilla. Ik heb vier jaar keihard gewerkt aan die persoonlijkheidsanalyse. Nu vind ik dat walgelijk.»

Opvoeder Jef was niet op de hoogte van de perverse geest van Staf. Niemand trouwens. Staf deed gewoon mee met zijn maten, sprak nooit over zijn fantasieën en zijn driften. In Vremde had hij de beste tijd van zijn leven. Dankzij Jef kon hij tijdens de vakantie bij een boer gaan werken, tomaten spuiten. Zo verdiende hij wat geld voor de vakantie.

Overdag deden de jongens uitstapjes, en ze mochten ook weleens een paar uurtjes alleen op stap. ‘Toen heb ik een Française aangerand. Dat was eigenlijk de eerste verkrachting. Ze lag in de duinen te zonnen. Die verkrachting gaf me een goed gevoel, en zo ben ik altijd verder gegaan.’

Op zijn zeventiende had hij een liefje, Marie-Louise. Zij was al achttien, mocht weg uit het tehuis en ging in Gent wonen. ‘Ik was smoorverliefd op haar, zogezegd, maar dat was enkel om haar borsten te zien. Ik ben een paar keer bij haar op bezoek geweest in Gent. We hadden dan wel seks, maar niet zoals ik wilde. Ik was meer voor het geweld. Ik ben eens vier dagen bij haar gebleven terwijl ik maar twee dagen weg mocht. Marie-Louise heb ik nooit misbruikt. Ik was verliefd op haar. Om te wippen en daarmee gedaan.’

Twee dagen te lang weggebleven: hommeles in Vremde. Staf wordt overgeplaatst naar Mortsel. Binnen veertien dagen nieuwe feiten, aanranding van de eerbaarheid, weer naar jeugdrechter Peeters. ‘Jan Peeters, die ook nog bondsvoorzitter van het voetbal is geweest, was vroeger jeugdrechter. Die stuurde me naar Ruiselede.’

In Ruiselede leert Staf zijn vak: metaaldraaien. Haalt een getuig-schrift. Op zijn negentiende verlaat hij Ruiselede en wil hij naar het leger. Eerst opleiding in Turnhout, daarna naar Soest. Daar had hij een Duits liefje, Rosie.

– Daar heb je je goed gedragen?

Van Eycken «Ja. Goed, heel goed. Op eentje na. Aanranding. Ik zag haar lopen op de wallen in Soest. Ze moet een jaar of veertig geweest zijn.»

Tante Julia

– Waren dat bepaalde types van vrouwen? Jong? Slank? Blond? Van Eycken «Dat had er niets mee te maken. Als ze maar alleen waren, als ik maar zeker wist dat niemand het kon zien. Dan ging ik erop af.» –Enwatgingerdandoorje hoofd?

Van Eycken «In die wereld waar ik toen inzat? Ik voelde me heel opgewonden, in die mate dat je de rea-iteit vergeet. Die driften waren er dan ineens.»

– En dat geweld?

Van Eycken «Dat geweld had ik nodig om mijn seksuele driften te kunnen opbrengen.»

– En wat wilde je dan precies met die vrouw?

Van Eycken (gaat trager en stiller praten) «Uitkleden. Verkrachten. Borsten vastpakken. Alles gewoon. Monsterlijk. (Geïrriteerd) Waarom doe je mij dat allemaal vertellen? Het is voor mij een afgesloten hoofdstuk.»

– Ik probeer het te begrijpen.

Van Eycken «Je kunt dat nooit begrijpen, ik... (Denkt lang na, twijfelt even of hij verder wil vertellen) Alles komt door die borsten van mijn tante. Als ze mij een nachtzoen kwam geven. Die borsten die bewogen, die speelden zo. Ik zag die dansende borsten en greep ernaar. Zo fascinerend. Dan ging ik ook naar de borsten van mijn moe-der kijken. Dat was magnifiek.»

– Hoe oud was je toen?

Van Eycken «Zeven jaar. Dat beeld van die borsten kwam telkens terug. Bij de aanrandingen, later bij mijn feiten.»

Staf vertelt dat het beeld van de bewegende borsten ook bij hem opkwam bij zijn allereerste aanranding, na de afwijzing van zijn tante. Het meisje in bikini bij de vijver in de buurt. Toen ze zich bukte, zag Staf dat ook haar borsten bewogen. ‘Ze waren klein, maar ze dansten.’

– Het ging dus om de beweging van die borsten?

Van Eycken «Zo gefixeerd, zo gejaagd. Je voelt die driften. Met Paula en mijn tante kon het niet meer. Dus moest ik het wel met anderen doen.»

Voor hij de persoonlijkheidssessies volgde bij Tilla, had Staf nooit verteld over die tante en de bor-sten. ‘Ik begon mijn verhaal altijd met die aanranding bij de vijver. Nooit was er een tevoren geweest. Wist ik veel dat dat belangrijk was.’

De sessies met Tilla begonnen pas in 1982. Staf zat toen al tien jaar binnen.

Van Eycken «We zijn heel geleidelijk begonnen. Ze leerde mij bij mezelf stilstaan, mezelf in vraag stellen. Ik moest telkens opschrijven hoe ik me voelde. Dat was werk voor op mijn cel. Op basis daarvan maakten we dan analyses. Ik moest dan opschrijven hoe ik mijn moeder en mijn stiefvader ervaren had. Of er geweld was. Ik had nog nooit over die tante gesproken, over die borsten, die afwijzing. Diep vanbinnen wist ik dat er ergens een oorzaak moest zijn. Het was zo moeilijk om dat onder ogen te durven zien. Tilla liet mij doen. Had geduld. Ik moest het uiteindelijk zélf doen.»

Staf trok zich meer en meer terug op zijn cel en schreef. Bladzijden lang. Op een dag stond hij met zijn huiswerk bij Tilla. Ze begon te lezen.

Van Eycken «Toen vroeg ze mij om bepaalde punten uit te diepen.»

– Over die borsten?

Van Eycken «Ja. En ik diepte dat verder uit, schrijvend, ’s avonds op mijn cel. Op een nacht ben ik daar dan mee geconfronteerd. Ik werd wakker, badend in het zweet. Moest overgeven. Zag mezelf daar bezig. Vreselijk.»

– Wat zag je dan?

Van Eycken «Die aanrandingen. Die verkrachtingen. Die borsten. Als in een film. Met mezelf in de hoofdrol. Koud, zweet, angst. Ik stond voor een muur waar ik niet door zag. Niets meer. Donker, koud, zweten, overgeven. Een soort braaksel dat ik nooit eerder had gezien.»

Bekende vrouwen

Tilla raadde Staf aan om wat rust te nemen. Zich op zijn werk te concentreren. Maar als het niet ging, moest hij schrijven. Opschrijven wat hij voelde.

Van Eycken «Die muur bleef ik zien. Donker, niets van licht. Voor die muur zag ik die feiten steeds opnieuw gebeuren. Ik kon niet weg, overal muur. Ik zat gevangen in die muur.

»Een jaar later zag ik boven die muur een beetje licht komen. Pas twee jaar later kon ik zeggen: ‘Het is gruwelijk wat ik gedaan heb.’ Ineens begon dat schuldgevoel te knagen.»

Pas vijftien jaar na de feiten beseft Staf wat hij heeft aangericht. Kent voor het eerst schuldgevoel.

– Had je dan spijt?

Van Eycken «Dan heb ik dat voor het eerst kunnen zeggen: het spijt mij. Ik meende dat ook.»

– En dan leren leven met de gruwel en de ellende die je had aangericht?

Van Eycken «Absoluut. Vreselijk. Eerst het besef dat ik diegene was geweest die met die gruwel bezig was geweest. (Hevig) Ík was die smeerlap. Ík had die moeder kapotgemaakt die haar kinderen nooit meer zou zien. Door mijn gruwel zouden die ouders hun dochter nooit meer zien. Toen pas besefte ik het kwaad van mijn daden. Toen pas besefte ik waarom ik in de bak zat.»

– Was je die vijftien jaar in de gevangenis dan blijven leven in dat wereldje van seksueel geweld?

Van Eycken «Toen overleefde ik door mijn fantasieën, ja. Ik was altijd plannen aan het maken wat ik met mijn volgende slachtoffer zou doen.»

– Maar je zat in de gevangenis?

Van Eycken «Wat kon mij levenslang schelen? Als ik mijn driften maar kon bevredigen. Als ik maar aan mijn trekken kwam. (Even ontdaan) Doe toch geen moeite om die andere wereld en dat zieke brein te begrijpen.»

Staf Van Eycken vertelt met schroom over zijn enige alternatief toen. Zelfbevrediging. Wil geen details geven over de fantasieën die hij daarvoor opriep. ‘Die zijn nog veel gruwelijker dan de feiten.’ Hij spreekt over fanatieke zelfbevrediging, tot hij pillen kreeg om zijn seksuele drang onder controle te krijgen. ‘Maar dat hielp niet zoveel, ten minste één keer per dag bevredigde ik mezelf. Ik heb het spel goed meegespeeld met die psycholoog. Ik maar zeggen dat het beperkt bleef tot één of twee keer per maand. De praktijk was anders.’ Hij keek vaak naar horrorfilms. ‘A Clockwork Orange’, hij spreekt het op z’n Frans uit. ‘Die film is mij altijd bijgebleven. Ik heb die onlangs nog eens gezien. Walgelijk gewoon.’

Vroeger en nu. De oude Staf, de nieuwe Staf. Voor de man die voor mij zit, zijn het twee verschillende werelden. Alsof hij over een andere persoon spreekt.

– Is die oude Staf dan volledig verdwenen?

Van Eycken «Die zit nog in mij, maar ik heb hem helemaal onder controle. Ik bewandel een lijn tussen twee werelden. Ga je van die lijn af, dan ga je naar de slechte kant. De kant van de duisternis. De andere kant is de kant van het licht.»

– Dus je zou naar die slechte kant terug kunnen?

Van Eycken «Misschien wel, maar nu heb ik het verstand om dat niet meer te doen. Op het moment dat Onkelinx mijn uitgangsdagen introk (zie het naschrift op het eind van dit stuk, red.), werd ik erg boos. Toen hadden ze hier allemaal schrik dat mijn stoppen zouden doorslaan. Maar ik heb me niet laten gaan. Ik wijk niet af van het pad van mijn nieuwe leven. Nooit wil ik nog terug naar die andere kant. ’t Is erg genoeg dat ik met dat eeuwige schuldgevoel moet verderleven.»

– Hoever gaat je gevoel van spijt?

Van Eycken «Ik heb toen vaak gehuild op mijn cel. Nog steeds het besef dat ik die mensen niet kan teruggeven wat ik hun ontnomen heb. Met de zaak-Dutroux is ook alles naar boven gekomen. Verdomme toch! Paljassenkop, denk ik dan. En zeggen dat het vroeger één van mijn fantasieën was: een kelder bouwen met vrouwen erin. Bekende vrouwen.»

Hij somt enkele namen op van BV’s die hij in zijn kelder fantaseerde. ‘Ik zou dan de baas geweest zijn. De kelder opendoen en zeggen (wenkt met zijn wijsvinger): ‘U en u heb ik vandaag nodig.’’

Een witte slip

Terug naar het gesprek – na de legerdienst. Toen hij een maand thuis was, een aanranding. In de Pastoriestraat, niet ver van zijn huis. Een vrouw, alleen op straat, niemand in de buurt. Donker.

Van Eycken «Ik heb haar borsten ontbloot, ze liet mij eraan voelen. Toen ik haar slip uittrok, was ze weg.»

– Ze liep weg?

Van Eycken «Nee, weg, bewusteloos. Geen idee wat er gebeurde, ze viel bewusteloos neer toen ik haar slip uittrok.»

– En toen?

Van Eycken «Toen ben ik op mijn fiets gesprongen en weggereden. Ik was bang dat er iemand voorbij zou komen.»

Staf hoort de dag erna vertellen dat de politie speurhonden heeft ingezet in het Imeldaziekenhuis, waar de vrouw werkte. De sporen liepen

De reconstructie van één van de drie moorden.

Pas vijftien jaar na de feiten besefte Van Eycken wat hij had aangericht. ‘Dan heb ik voor het eerst kunnen zeggen: het spijt mij. Ík was die smeerlap. Ík had die moeder kapotgemaakt die haar kinderen nooit meer zou zien.’

dood.

Van Eycken «Ik heb haar daarna nog gezien in een winkel bij ons aan de kerk, samen met haar man, een beroepsmilitair. Ik heb goedendag gezegd, ze herkende me niet meer.»

De gewelddadige drang bleef. Het vroeg heel wat speurwerk. Bijna elke avond met de fiets of te voet naar afgelegen plekken, zoals het Jaagpad. Tot op een avond in Muizen.`

Van Eycken «Ik zag een vrouw staan poetsen aan een villa op een berg. Ze stond gebukt, ik zag haar witte slip. Daar was de drang plots. Niemand in de buurt. Ik belde aan.»

– Een mooie vrouw?

Van Eycken «Ik weet het niet. Ik heb pas achteraf foto’s gezien in de krant.»

– Het was je dus niet te doen om het uiterlijk?

Van Eycken «Nee. Het was die slip, die wítte slip.»

Staf belt aan, vraagt of ‘meneer Van Hoof’ thuis is. Het meisje kende geen Van Hoof. Staf dringt aan om eens na te vragen bij de huisgenoten. Het dienstmeisje vertelt hem dat er niemand thuis is. ‘Ik had haar direct bij haar keel. Ze viel achterover naar binnen. Ik heb haar keel dichtgeknepen tot ze niet meer bewoog.’

Van Eycken «Ze lag daar, haar rok omhooggetrokken. Met die witte slip. En dan die borsten. Godverdomme.»

Hij wacht even voor hij verdergaat .

Van Eycken «Ik ben dan naar de keuken gegaan, een aardappelmesje gaan halen. Ik was zo benieuwd wat het zou geven als ik dat er zou insteken. Dus ik heb gestoken.»

– Waar gestoken?

Van Eycken «Tussen haar twee borsten. (Wijst naar zijn borst) Hier zo aan haar hart. Een paar steken. Om te zien... (Pauzeert, even in gedachten) In mijn fantasie had ik al zo vaak van alles gedaan met borsten. Die borsten staken in een bh en ik stak er gewoon tussen. Dat moet daar een bloedbad zijn geweest, maar ik heb er niets van gemerkt.

»Plots besefte ik dat er iemand thuis kon komen. Ik heb haar vastgepakt, heb haar over heel dat terrein naar een bosje gesleept. Daar heb ik geprobeerd om haar uit te kleden. Het lukte niet, ze lag op een struik. Die slip is zelfs niet uitgegaan.»

– Was ze dan al dood?

Van Eycken «Ik weet het niet, misschien ademde ze nog. Ik dacht haar nog te verkrachten, maar de lust was weg. Dan heb ik haar achtergelaten.»

– Waardoor was je dan bevredigd?

Van Eycken «Ik wilde gewoon zien wat het resultaat was als ik een mes tussen haar borsten stak.»

Staf gaat naar huis. Tijdens het avondeten wordt er aan de deur geklopt. Staf denkt meteen aan de politie, maar het is de buurman.

Had telefoon gekregen van de kliniek.

Van Eycken «Mijn moeder lag op sterven. Ik was helemaal over mijn toeren. Toen ik in de kliniek van Melsbroek aankwam met mijn stiefvader en mijn zus, waren we twee minuten te laat. Godverdomme.»

Nu pas lijkt hij aangedaan. De dood van zijn moeder. Het raakt hem nog steeds. Het misbruik van het meisje, daar heeft hij het niet meer over. Wel over moeder, die op het eind van haar leven door de MS bijna niet meer kon praten. Haar geest draaide nog op volle toeren, maar het lijf was lam. Weemoedig vertelt hij over zijn moeder. Huiveringwekkend, de koelheid waarmee Staf Van Eycken over de moord op het dienstmeisje praat en de oprechte emotie die hij uit over de dood van zijn moeder.

Van Eycken «Overal bracht ik haar naartoe, in haar rolstoel. Mijn stiefvader was er nauwelijks: altijd op café. Ik zweer je, als ik mijn moeder verzorgde, zijn er nooit vieze gedachten in mij opgekomen. Nooit!»

Weer diezelfde zot

Ondertussen zochten de speurders naar mannen in de buurt die in het verleden al zedendelicten hadden gepleegd. Staf krijgt het even benauwd. Hoe vaak was hij door de jeugdrechter niet geplaatst voor zedenfeiten? De veldwachter, één van de vele wijkagenten van weleer in landelijke gebieden, krijgt opdracht van de onderzoeksrechter om alle namen van zedendelinquenten in de buurt door te spelen. Er komen slechts twee namen op het lijstje. De minderjarige daders, die was de veldwachter vergeten.

Een maand na de feiten opent Staf zijn jacht weer. Drie weken lang zoeken. Tot die ene middag, vroeg thuis van het werk. Nog even langs het Jaagpad, naast de Dijle.

De plaats waar de Nekkerhal nu staat, vroeger een verlaten buurt. Enkel een leegstaande fabriek van kermiswagens. Die middag niemand te zien. Behalve die vrouw, een jaar of veertig. Staf parkeert zijn fiets op het oude fabrieksterrein. Wandelt de vrouw tegemoet.

‘Ik heb haar direct vastgepakt. Ben op haar gesprongen. Haar gewurgd.’

– Waarom toch dat wurgen?

Van Eycken «Dan kon ze niet meer roepen, zich niet meer verzetten.

»Toen ze bewusteloos was, heb ik haar de trap van die oude fabriek opgetrokken. Probeerde haar uit te kleden, maar dat lukte niet. Ze zakte altijd weg op die trap. Haar slip heb ik wel kunnen uittrekken. Ik trok haar trui naar boven. Waren die borsten daar weer, in die bh. Een witte bh dan nog. Dan heb ik in die borst gebeten. Dat was echt doorbijten. Tot ik vocht proefde.»

Staf herinnert zich zelfs de smaak nog. Met zijn hoofd schaamtevol naar beneden excuseert hij zich.

Van Eycken «Erg hè, die wereld van dat gruwelijke monster? Ik heb haar niet verkracht, wel de trap afgeduwd. Ben op mijn fiets gesprongen en naar huis gereden.»

Na het avondeten, rond acht uur, fietst hij terug naar het Jaagpad. Nog geen politie te bespeuren. Hij parkeert zijn fiets op dezelfde plaats.

Van Eycken «Daar zag ik haar ineens zitten, aangekleed tegen de muur. Ik schrok me een ongeluk.» Huilend, in schok vraagt de vrouw aan Staf of hij haar man wil bellen.

Van Eycken «Ze hield haar hand de hele tijd op haar achterhoofd. Waarschijnlijk een buil van de val.»

Op het moment dat Staf dichterbij komt, schrikt de vrouw hevig.

Van Eycken «Ze herkende mij. Ik heb haar direct vastgegrepen en gewurgd. Haar achter een bosje gesleept. Daar heb ik haar uitgekleed en verkracht. Ze ademde nog. Het kan haar laatste adem zijn geweest, ik weet het niet.»

Hij trekt zijn broek op, fietst naar huis. ’s Anderendaags komt hij het te weten: weer een moord. Weer diezelfde zot.

Staf gaat verder. Hij heeft zich nu eenmaal voorgenomen om alles te vertellen. Over het moordonderzoek dat van start gaat. De eerste verdachte is een landloper in de buurt. Hij wordt meegenomen voor verhoor, mag terug naar huis, maar verhangt zich nog dezelfde avond. Dat voorval heeft wel schuldgevoel opgewekt bij de oude Staf. ‘Dat was niet eerlijk, die man had er toch niets mee te maken?’

Alweer worden de speurhonden ingezet. Het fietsspoor van de dader wordt gevolgd. Tot Nekkerspoel. Daar loopt het dood.

Staf opgelucht. Wel geïnteresseerd meepratend met de collega’s. Vanaf nu krijgen de moorden een nieuwe kwalificatie: seriemoord. In koeien van letters in de krant: ‘De Vampier van Muizen’.

Ferme madammen

Een paar weken later, Nieuwjaar. Staf viert het in café Stalone. Hij speelt er ook voetbal. The place to be, met die bloedmooie dochters achter de toog: Daisy, Brigitte en Annie. Alweer maar één onderwerp: de sadistische moorden. Hoe meer mannen erbij komen, hoe straffer de theorieën worden. Terwijl de mannen aan de toog elkaar de loef afsteken met gore details, zitten aan een tafeltje in het café twee onbekende mannen. Ze luisteren mee, ook zij kunnen nu en dan hun lach niet inhouden. Staf komt pas veel later te weten dat het mannen waren van de BOB, de toenmalige Bewakingsen Opsporingsbrigade.

Staf doet duchtig mee met de moordtheorieën.

‘Daisy stond achter de toog. Een ferme madam.’

Een paar pinten en enkele gore speculaties later komt Daisy van achter haar toog.

‘Komt ze ineens pal voor mij staan,’ vertelt Staf met een mengeling van schaamte en genot. ‘Zegt tegen mij: ‘Doe me dat eens voor, Staf, hoe je dat gedaan hebt. Hoe je in die borst hebt gebeten.’’

Het paste helemaal in de zatte gekte van het moment. Staf speelt het spel verder mee en doet voor.

‘Ik knoopte die blouse van Daisy los. Haalde haar rechterborst uit haar bh. Pakte die vast en beet erin.’ Hilariteit aan de toog. Ook de onbekende mannen in het café moeten er hartelijk om lachen. Een geslaagde start van het nieuwe jaar, inclusief dansen met Daisy en met haar in de achterkeuken verdwijnen. ‘Je kon daar nogal mee vogelen, man, man... En wat een borsten.’

Het bal van de burgemeester

Dan maakt Staf een sprong naar februari. Het bal van de burgemeester in Bonheiden. Samen met zijn maat Fons, een vrachtwagenchauffeur, gaat hij ernaartoe. Meteen merkt hij er een meisje op, een jaar of twintig. Helemaal in het wit.

Hij danst zowat de hele avond met haar. Ze maken plezier, drinken samen. Meteen vinden ze gemeenschappelijke interesses, zoals de liefde voor de natuur. Allebei houden ze van het bosdomein rond het kasteel van Zellaar. Het domein ligt maar een paar straten verder. Staf vertelt met enthousiasme over de eeuwenoude bomen in het bos. ‘Boomstammen, zo dik dat je elkaars handen niet eens kunt aanraken als je allebei de boom omhelst.’ Staf wil het haar persoonlijk laten zien. Fluistert Fons in het oor dat hij wel alleen thuis geraakt. Geen probleem, ook Fons heeft een meisje op het oog met wie hij zijn eigen weg wil gaan die avond.

Staf wandelt met het meisje het donkere bos in. Hand in hand, nu en dan een kusje, romantisch. Bij de boom doen ze de test: inderdaad. Het meisje onder de indruk. Onder de boom nog wat kussen. Staf probeert meer. Het meisje houdt de boot af. Vindt het allemaal wat te snel gaan: ‘Toch nog niet de eerste avond al?’ Staf voelt dat aandringen niets zal uithalen en belooft haar naar huis te brengen. Hij kent het domein. Kiest voor de donkerste paadjes.

‘Mijn goesting ging maar niet over. Plots had ik het meisje vast. Bij de keel.’ Op de grond gooien. Wurgen. Deze keer helemaal uitkleden. ‘Toen heb ik haar verkracht. Ze was geen maagd meer. Daarna heb ik in haar borsten gebeten. Een andere smaak deze keer.’

Staf Van Eycken lijkt zelf geschokt door zijn verhaal. ‘Dat cynisme van toen,’ zegt hij terwijl zijn hoofd nee schudt. ‘Wat was ik toen zelfverzekerd. Overtuigd dat ze mij niet konden pakken.’

Hij liet het meisje voor dood achter. De wetsdokter kon niet precies bepalen of ze al dood was tijdens de verkrachting.

Misdadigers keren vaak terug naar de plaats van de misdaad. Het is een theorie die op Staf van toepassing is. De volgende ochtend omstreeks negen uur is hij al weg met de fiets. Naar het graf van zijn moeder. Het kerkhof ligt naast het domein van het kasteel van Zellaar. Hij moest wel langs de plaats van het delict.

– Waarom fietste je erlangs?

Van Eycken «Om te zien of er politie was. Om zeker te zijn dat ze dood was.»

Overal rijkswachters en Frans, de veldwachter. Frans houdt Staf tegen. Wanneer hij vertelt dat hij op weg is naar het graf van zijn moeder, mag hij verder fietsen. Hij wordt wel op de voet gevolgd door een auto met twee BOB’ers erin. Zij houden hem op hun beurt tegen. Alweer het verhaal van de begraafplaats. Ze noteren het nummer van zijn identiteitskaart. Zonder veel verdere vragen laten ze hem gaan.

Eenmaal bij het graf van zijn moeder slaat bij Staf de schrik toe. Hij vertelt het met angst in de ogen. ‘Ik heb het allemaal aan moeder opgebiecht. Ik heb gezegd: ‘Moeder, ik denk dat het bijna voorbij is. Wat moet ik doen? Definitief vluchten? Ik weet het niet.’ Natuurlijk heb ik geen antwoord gekregen van haar.’

Tijdens het middagmaal, diezelfde zondag, staan de BOB’ers voor de deur. Dezelfde mannen die Staf tevoren bij het kerkhof hadden tegengehouden. ‘Of ik even kon meekomen.’ Staf gaat mee, uit vrije wil. Neemt nog een zak koeken mee. De politiemannen hadden hem gewaarschuwd dat het even kon duren.

Van Eycken «Ik stap samen met die mannen en mijn koeken in een anonieme wagen. Niemand in de Pruimelaarstraat had iets gezien.»

Hij wordt ondervraagd over de vorige avond. Waar hij is geweest. Met wie hij heeft gedanst.

Van Eycken «Ik antwoordde eerlijk op al hun vragen. Ook toen ze zeiden: ‘We verdenken u van moord,’ gaf ik onmiddellijk toe. ‘Heb jij dat gedaan?’ vroeg de BOB’er alsof hij het niet goed had gehoord. Ik bevestigde opnieuw. Ik heb ineens die twee andere moorden ook bekend.»

De verwondering bij de speurders is niet onder woorden te brengen, herinnert hij zich. De onderzoeksrechter wordt erbij gehaald. Staf vertelt in één ruk alle details, tot vier uur ’s nachts. ‘En die griffier maar typen, kon nauwelijks volgen.’

De agenten die erbij staan om hem te bewaken, heeft Staf al eerder gezien. ‘Dat waren die twee BOB’ers die op nieuwjaarsdag in café Stalone zat. Je had hun gezichten moeten zien. Ze hadden er geen idee van dat ze zo dicht bij de dader hadden gezeten. Toen we even alleen waren, smeekten ze mij om hier nooit met een woord over te reppen bij de onderzoeksrechter. Ik heb dat ook nooit gedaan.’

Vroeg in de ochtend wordt Staf onder aanhoudingsbevel geplaatst. Hij is alleen maar opgelucht: ‘Het was eindelijk gedaan.’

★★★

Als journaliste Machteld Libert hem in de gevangenis gaat opzoeken, zit Staf Van Eycken midden in een uitgebreid psychologisch onderzoek. Het vierde al in zijn gevangeniscarrière. Uit het eerste onderzoek in 1975 kwam hij naar voren als een ‘psychopaat tot en met’. In 1980: opnieuw een test, opnieuw psychopaat. In 1990 was er verandering. ‘Ik had toen één uitgaansdag per jaar, en door die test heb ik er een tweede uitgaansdag bij gekregen,’ zegt Van Eycken. Met dit vierde onderzoek, op zijn eigen verzoek, hoopt hij Brussel ervan te overtuigen dat hij geen risicogeval meer is. Want: zijn uitgaansdagen zijn een paar jaar geleden ingetrokken.

Van Eycken heeft nooit een aanvraag ingediend om voorwaardelijk vrij te komen. Dat hij af en toe een dag naar buiten mocht, ‘op verlof’, was voor hem genoeg. ‘Al mijn energie haalde ik uit die dagen, uit het contact met mijn vrienden buiten.’

En plots werden die verlofdagen hem dus afgenomen. Een maatregel van toenmalig Justitieminister Laurette Onkelinx: nadat de gevaarlijke gangster Kapllan Murat jaren geleden niet was teruggekomen na zijn uitgangspermissie en een overval had gepleegd; besliste Onkelinx om voor niemand nog uitgaansvergunningen toe te staan.

Van Eycken hoopte nog dat de sanctie niet voor hem zou gelden. Hij had sinds 1985 geen enkel misbruik gemaakt van die uitgaanspermissies. Was het niet zijn eigen keuze geweest: eeuwige opsluiting, in ruil voor een paar dagen per jaar de wijde wereld in? De gevangenis is trouwens de énige thuis die hij ooit gekend heeft. Nu al 37 jaar.

Maar hij kreeg zijn uitgaanspermissie niet terug. Ten einde raad ging hij aankloppen bij advocaat Walter Damen.

Walter Damen (in ‘Ik heb een mens vermoord’) «Stafs geval is uniek. Ik ken geen enkele andere gevangene die niet wil vrijkomen. Er bestaat geen wet voor zijn geval. En daarom wordt hij dubbel gestraft. De redenering is even simpel als absurd: ‘Jij wil niet definitief vrijkomen, ziedaar, dan is een uitgangsvergunning ook niet meer nodig.’ Gedaan!

»Ik heb Staf bij onze eerste ontmoeting aangeraden om een procedure voor voorwaardelijke invrijheidstelling te starten, dat is de snelste manier om een uitgaansvergunning vast te krijgen. Maar Staf wil niet doen alsof. Hij heeft zelfkennis, ook. Een jaar of twee kan hij misschien wel functioneren in de maatschappij, maar de kans op hervallen kan hij niet uitsluiten.

»We proberen het nu op een andere manier: we spannen een kortgeding in tegen de Belgische staat en justitieminister Stefaan De Clerck. De dagvaarding is net vertrokken.»

Uit: ‘Ik heb een mens vermoord’, Machteld Libert, Walter Damen & Chris Dillen, Uitgeverij Van Halewyck

undefined

undefined

undefined

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234