Humo's Rock Rally 2016: Onze Man in Opwijk en Antwerpen

Voilà, de preselecties van Humo’s Rock Rally 2016 zitten erop, 98 deelnemers passeerden de revue, en één ding staat vast: de winnaar hebben we aan het werk gezien. In Opwijk kwam tijdens het laatste weekend één groep niet opdagen, een dag later in Antwerpen ging het publiek bij elke groep zodanig uit de bol dat ik vermoed dat ze er een weinig lsd aan de pilsjes hadden toegevoegd. Ik ga daar zeker nog eens naartoe, als ik niet van dienst ben.


Lees ook: 'Dit zijn de 20 halvefinalisten van Humo's Rock Rally 2016'

Nijdrop, Opwijk

Vrijdag 12 februari 2016

Bekijk het sfeerverslag van de preselectie in Opwijk (filmpje) »

JoBee Project

De frontvrouwe van JoBee Project had in haar bio invloeden als Erykah Badu, Ella Fitzgerald en Adele opgerakeld, en presentator Piet De Praitere haalde daar, verblind door een handvol amuletten om haar hals, ook nog Björk en Nina Hagen bij. Voorbeelden waarbij ze gedoemd was te verbleken, en dat deed ze ook, geholpen door een outfit waarmee ze perfect naast Eddy Wally zaliger in het decor van ‘Lava’ had gepast, maar die in Opwijk het contrast met de brave muziek van JoBee Project nog eens extra in de verf zette. Pluspunten: JoBee is van Poolse origine maar haar Oxford English was perfect, en haar derde song, ‘Where Do I Go?’, was een goeie. En een tip voor de bassist: nooit je stemapparaatje op de hals van je gitaar laten staan tijdens het spelen. Noem het een vorm van hygiëne.


Wildlife

Door hun groepsnaam (hadden ze ’m aan de song ‘Wild Wild Life’ ontleend?) en voorkomen deden ze mij een beetje aan Talking Heads denken, een vergelijking die de muziek van Wildlife helaas niet doorstond. Een rare groep, met een wat miscaste gitarist die mij voortdurend beeld en geluid van de Dave Matthews Band voor de geest deed flitsen, een toetsenman die zo geconcentreerd over zijn klavier hing dat het leek alsof hij tijdens het spelen de handleiding nog aan het raadplegen was, een bassist met overdreven profileringsdrang en een zanger die niet echt aan zingen deed, maar het op een soort van melodieus declameren hield. Wildlife speelde drie volstrekt inwisselbare songs waarvan er niet één echt het bewaren waard was. Geen idee waarom ik ze desondanks wel iets iets vond hebben. Maar met je-ne-sais-quoi alleen haal je natuurlijk nooit de halve finales.


Tangerine

Tangerine opende de feestelijkheden met ‘G, Sex and Sun’, een vermoedelijke knipoog naar ‘Sea, Sex and Sun’ van Le Grand Serge, op 2 maart eerstkomend alweer een kwarteeuw niet meer onder ons. De drummer – in aantocht zijnde puns min of meer intended – had moeite om ’m in die eerste song recht te krijgen, en toen hij de juiste cadans eindelijk gevonden had, bleek er aan de rest van het compositorische standje in zijn geheel niet veel vlees te zitten. Maar het draaide bij Tangerine maar om één song, en wel de laatste: ‘Beer Is Better in a Bottle’. Ik denk dat ze ‘Beer tastes better from the bottle’ bedoelden, en niet dat bier maar beter in de fles blijft, maar dichterlijke vrijheid mag er wezen en waar het om draaide, was dat ‘Beer Is Better in a Bottle’ een oorwurm van het allergrootste kaliber was. Er kwam zelfs een bescheiden duet met het publiek van: ‘Beer is...’ – allemaal! – ‘Better in a bottle!!’ Ik moest aan het groepje The Presidents Of The United States Of America denken. Iemand anders had jinglerock gehoord. Misschien dat het tussen Tangerine en onze sponsor Lenovo nog wat wordt.


Kings Of Edelgran

Met een naam als Kings Of Edelgran kan het twee kanten uit: of het wordt iets waarvan je had gewild dat je het nooit had hoeven te aanschouwen, of ze schotelen je iets voor wat je nooit meer vergeet. Een combinatie van de twee kan natuurlijk ook, maar het werd in Opwijk niets van dat alles. Kings Of Edelgran bleek gewoon het zoveelste rare groepje te zijn. Raar zoals in: waarom doen ze in hemelsnaam wat ze doen? De zanger-gitarist van de Edelgrans, houthakkershemd om de schouders en een baard in het gezicht, hanteerde een soort kopstem die mij deed denken aan ‘Letter From America’ van The Proclaimers, met die nuance dat het hele repertoire van de Edelgrans, of toch het gedeelte dat in de Nijdrop werd opgediend, klonk als de ‘góóóó’ in ‘When you góóóó, will you send back’. Ritmisch liep één en ander ook niet helemaal van een leien dakje, en toen ik ze hoorde zingen van ‘lost in the forest’ en ‘brontosaurussen’ (al kan dat laatste ook aan mijn ongebreidelde verbeelding hebben gelegen – ik zág brontosaurussen!), wist ik het zeker: Kings Of Edelgran zien we dit jaar niet meer terug.


Wynn

Wynn deed weinig verkeerd en eindigde op minder dan een zucht van de halve finales. Een duo, met Angie Clopterop (ik wens haar van harte toe dat het haar echte naam is) op zang en gitaar en Jonathan Roseleth op drums. Allebei in het zwart met nagenoeg hetzelfde kapsel zagen ze eruit als broer en zus, maar man en vrouw kan ook, of hogepriesteres en slaaf, of paard en kar. Ze denderden zonder omkijken door de Nijdrop, de blik stevig op doomsday gericht. Clopterop liet haar Gibson Explorer vuiler en onstuimiger klinken dan The Edge en James Hetfield wellicht ooit voor mogelijk hadden gehouden, terwijl Roseleth zijn best deed om de zaak niet te laten ontsporen. Wynn belandde ergens ten noorden van Hüsker Dü, maar dan zonder bas en met meer brom. Enige probleem: Wynn was sound zonder songs, richtingloos geraas. En hoe graag wij dat ook horen: voor een halve finale mag het nét iets meer zijn.


Sagittarius V

Sagittarius V, alias Sasja Vanderveken, liet lang op zich wachten. Bijna een halfuur duurde het voor hij zijn elektronica aan de praat kreeg – een probleem dat uiteindelijk zo simpel bleek als een niet ingeplugd kabeltje. Eén ding was duidelijk: het was zijn dag niet, en het zou ook zijn avond niet worden. Twee songs lang – twee bijna exact dezelfde songs bovendien – toverde hij uit de doosjes die hij voor zich had gepositioneerd klanken die elkaar qua doordeweeksheid naar de kroon staken. Over kronen gesproken: Sagittarius droeg op zijn hoofd een lauwerkrans, en ik meen in zijn blik te hebben kunnen zien dat hij daar spijt van had. Bij zijn lauwe elektronica serveerde hij geregeld nog wat stuurloze gitaarpartijen, en toen hij in de derde song wilde gaan zingen, schoot de plug uit zijn microfoon. Vergeten te zeggen: naast hem op het podium zat een drummer, maar die kon er ook niks aan doen.


watchoutforthegiants

Iedereen hield het hart vast toen ook watchoutforthegiants begon met flauw fwiepende elektronica, maar nauwelijks tien seconden en één oerschreeuw later bleef daar geen spaander meer van heel. Het trio bouwde zijn setje op in stijgende lijn, met de beste song als afsluiter. ‘Lucky for You’, een venijnige kopstoot van een punksong waarin de zanger-gitarist zich ontpopte tot een razend boeiende mix van Trent Reznor en Lee Ranaldo. Als ik hun demo mag geloven: een gloednieuwe song, dat ‘Lucky for You’. Wat betekent dat het met dat hele watchoutforthegiants in stijgende lijn aan het gaan is. Dan is het makkelijk natuurlijk: halve finale!


Shunk

Shunk was niet goed. Oubollige, niet bijster goed gespeelde, charismaloze, songs ontberende grungerock. Hun tweede song droegen zij op aan hun roadie (den Dabbe??), en dat moet je niet doen. Of toch niet als de song in kwestie niet ‘The Load-Out’ heet en geschreven is door Jackson Browne. ‘High’ heette het eerbetoon van Shunk, en ik zweer u dat ik ze heb horen zingen: ‘When I get high again / When I get high in the sky again’. Bon, als straks blijkt dat ze met de privéjet naar Opwijk zijn gevlogen, heb ik natuurlijk helemaal niks gezegd.


Kalisto Bay

Twee jaar geleden stond Kalisto Bay nog in de halve finale, dit jaar eindigt het in de preselecties. Omdat hun beste song van toen, ‘Broken Clocks’, nog altijd hun beste song was, en met andere woorden over twee jaar wellicht nog steeds hun beste song zal zijn. Met nog andere woorden, tevens de laatste over de gebeurtenissen in Opwijk: Kalisto Bay was goed, had twee andere songs die bijlange niet zum Kotzen waren, maar het leek ons ongepast om een halve finale-plaats te laten bezetten door een groep die zijn hoogtepunt al achter zich lijkt te hebben liggen.


Petrol, Antwerpen

Zaterdag 13 februari 2016

Bekijk het sfeerverslag van de preselectie in Antwerpen »

Skinny Dynamite

Skinny Dynamite verklaarde op zaterdag de Petrol voor geopend met ‘Fading Colours’, een song die over hun garderobe had kunnen gaan. De zanger droeg een rode lederen broek, en het was verdomd lang geleden dat ik of één der juryleden – en ik durf te wedden u ook – daar nog iemand mee op, naast, boven of onder een podium had gezien. Ook de rest van de groep had een vestimentaire inspanning gedaan en droeg dingen waarin onze vaders en moeders ooit nog op de versiertoer zijn geweest. Ze waren best goed op elkaar ingespeeld, de zes van Skinny Dynamite, maar hadden hun sound iets te nadrukkelijk bij Tame Impala gehaald, en daarbij over het hoofd gezien dat psychedelische poprock als snel overgaat in psychedelische verveling als er niet ook iets wordt bijgeserveerd dat in de richting van een straffe song gaat. Verder vond ik het erg jammer dat ik hun gitarist, Monday Agbonzee Jr., eigenlijk wel goed vond, ik zou anders nogal eens The Boomtown Rats kunnen hebben citeren.


Hulder

De leadzanger van Banker, vijf weken geleden te bezichtigen op de eerste preselectie in Gent, speelde gitaar bij Hulder, een groep die in Antwerpen tijdens de soundcheck beter was dan tijdens het feitelijke optreden. Niet dat het vreselijk slecht was, dat optreden, alleen werd de aandacht de eerste paar minuten gegijzeld door een even verwarrend als onwennig dansje van de zanger, waaruit ik alleen maar kon afleiden dat hij er thuis voor de spiegel ook nog niet helemaal uit was geraakt. Tot het zover is, is ingetogenheid of zelfs algehele stilstand misschien geen slecht idee. Die openingssong bleek bij herbeluistering zonder beeld overigens niet zo heel veel voor te stellen, dus konden we alles bij elkaar nog van een geluk bij een ongeluk spreken. Hulder bracht net als Skinny Dynamite een soort sixtiespsychedelica, waarin de nadruk iets meer op rock lag dan bij hun voorgangers. Hun tweede song, ‘At the Heart of the Precipice’, herinnerde een jurylid zich nog van de demoselectie – de lichte fractie van een krulling in zijn mondhoeken verrraadde dat hij daar niet rouwig om was. En ik snapte perfect waarom. Meer valt er over Hulder niet te melden, behalve dat het volgende keer iets meer mag zijn. Met minder dans.


TwoFace

Benito herhaalt: nooit met gezichtsuitdrukkingen onderstrepen dat je een fout hebt gespeeld. Mensen maken fouten, shit happens, but the show must go on. Toch als je een performer wil zijn. Geen idee meer wie het overkwam, maar ik vond het terug in mijn notities over TwoFace, een drietal dat met elektronica, piano, bas, gitaar en vocalen de smalle grens tussen lounge en groove opzocht, en net iets te vaak aan de minst opwindende zijde van het spectrum belandde. Er zat muziek in TwoFace, wellicht zelfs toekomstmuziek, maar in de Petrol had het iets snappier mogen zijn, iets meer rock-’n-roll, iets meer OneTwoThreeFourFace. Ze excuseerden zich voor de lange changeovers tussen de songs, en beloofden die over twee maanden tot minder dan vijf seconden te kunnen beperken. Over twee maanden, als de halve finales allang hebben plaatsgevonden zonder TwoFace.


Billie Rodney

Billie Rodney was een dame om bang van te zijn. Broodmager, de junkie chic van Winona Ryder combinerend met de garderobe en de tint van Morticia Addams, stond ze stokstijf aan de microfoon, de blik ijskoud in de lens van een camera die er niet was. Als er even tien seconden niet gezongen hoefde te worden, ontstak ze in een soort kronkeldans die het gegeven misschien net dat tikje te theatraal maakte, maar wel bijdroeg tot het algehele gevoel van vervreemding. En had de groep in haar rug het iets ingetogener en minder grungy gehouden, dan was het wellicht nog beter geweest. Ik las achteraf in haar bio dat Billie Rodney weleens vergeleken wordt met Florence + The Machine. Daar heb ik – de Heer weze duizend keer geprezen – geen fractie van een seconde aan moeten denken.


The Jagged Frequency

‘Jong, psychedelich, fuzz-garagerockduo, uit Antwerpen’. De bio van The Jagged Frequency was redelijk accuraat en bleek aardig samen te vatten wat wij in de Petrol te zien kregen. Stond er niet bij en had het plaatje nog completer gemaakt: eentonig, benepen stem, geen songs, gebrek aan ideeën. Ik had mij voorgenomen om in dit laatste verslag lief te zijn, maar tot mijn grote spijt moet ik vaststellen dat mijn mantel der liefde naar de droogkuis is. Aan positieve zijde valt dan weer te melden dat The Jagged Frequency het kort hield en weer weg was voor wij echt kwaad of nerveus konden worden. Een groep met een toekomst, dat zeker, al is het voorlopig niet geheel duidelijk of die zich in de muziek moet afspelen.


Oriens

In het gezegende jaar 1997, in een tijdspanne van iets meer dan twee maanden, werd het volledige Oriens geboren. De gitarist in september, de rest – bassist, drummer, en zanger-gitarist – op een zakdoek van vier dagen in november, die laatste twee zelfs op dezelfde dag uit dezelfde moeder. Dan kun je volgens mij met recht en reden van een tweeling spreken. Zeggen dat één en ander geleid had tot muzikale chemie, is de waarheid zwaar geweld aandoen. Hun eerste song was niet veel meer dan een ad infinitum gedeclameerd refrein met een piepende gitaar erdoorheen, de tweede dreigde zelfs even een ballad te gaan worden, maar belandde al vlug in hetzelfde verwarrende bedje waarin ook hun opener terminaal ziek was. Op elke preselectie was er wel een groep waarvan je kon zeggen: ‘Dat was echt niet goed hoor, jongens, wat het ook moge geweest zijn.’ In Antwerpen, wellicht als tegengewicht voor de drie halvefinalisten die we er aan het werk zagen, waren er zo twee. Oriens was de eerste.


Oscines

De tweede was Oscines, al was het hier, dankzij het T-shirt van de bassist, wel duidelijk waar het in een ideale wereld naartoe had moeten gaan: Green Day. Oscines strandde mijlenver van het grote voorbeeld en belandde bij een zeer rommelige vorm van sportpunk, een genre dat, als het al moet bestaan, het toch moet hebben van een redelijk geordende ritmiek. ‘Rock uit het Antwerpse,’ noemen ze het zelf. In een vorige incarnatie heette Oscines nog The Fucked Up Finches, waarmee ze een song schreven die ‘Pregnant Goldfish’ heette. Van een totaal gebrek aan talent is dus ook geen sprake.


Slomote

De Filip Joos in mij zag dat Slomote in een soort 1-3-1-opstelling speelde. Drums op de liberopositie, bas en toetsen op de flanken, zangeres logischerwijs vooraan in de spits. De gitarist had pal achter de frontvrouw postgevat, waardoor hij slechts sporadisch tevoorschijn kwam gepiept. Een verrassende formatie die in het zaalvoetbal wellicht een finaleplaats had kunnen opleveren, maar in deze Rock Rally voornamelijk ráár was. De muziek van Slomote leek zich aan te sluiten bij de gitarist en bleef braaf kabbelend op de achtergrond. Kampvuurpop die zonder ooit vervelend te worden nooit tot de verbeelding sprak. Hun derde song was hun single, vonden ze zelf, maar hun tweede was beter, vond de jury.


The Pink Syrups

Niels Borrey, frontman van The Pink Syrups, meende ik al eens gezien te hebben in een videoclip van The Hickey Underworld, en ook al was hij weliswaar niet stokoud, het was duidelijk dat hij al wat meer jaren op de teller had dan de gemiddelde deelnemer aan dit councours. Allemaal dingen die volstrekt onbelangrijk zijn als men songs in de aanbieding heeft, en die had Borrey. Drie stuks, twee van eigen makelij, één cover van het geweldige ‘I’m Five Years Ahead of My Time’ van het compleet vergeten sixtiescombo The Third Bardo, waarmee hij aangaf ook in de afdeling onehitwonders zijn klassiekers te kennen. Met ‘Kiss & No Tell’ had hij zijn eigen psychedelische garagerockklassieker geschreven, terwijl opener ‘Reminiscing’ mij – een vaststelling, geen verwijt – deed denken aan ‘All Summer Long’ van Kid Rock. De eerste regel van dat ‘Reminiscing’ luidde overigens ‘Bobby Dylan believed in God’, waarmee The Pink Syrups – what’s in a name – Benito geen klein beetje stroop aan de baard smeerden. Halve finale!


Shun Club

Vijf weken en 98 groepen (twee deelnemers haakten af) hadden we erop moeten wachten, maar eindelijk was het zover: Shun Club, de allerlaatste deelnemer aan Humo’s Rock Rally 2016, was de eerste die een glockenspiel had meegebracht. Een kleintje, maar het was er één. Om het helemaal sprookjesachtig te maken, besloot Shun Club bovendien om ’m pas in de allerlaatste song te gebruiken: pling-plang-plong en gedaan. Maar eerst nog een paar woordjes over Shun Club zelf, de derde groep uit Antwerpen die we in de halve finales gaan terugzien. Shun Club had, op afsluiter ‘Quest’ na, songs die nog niet helemaal op punt leken te staan, maar in hun afzonderlijke onderdelen genoeg kwaliteit bevatten om de jury te doen vermoeden dat dat een kwestie van tijdsgebrek was geweest. De groepsleden van Shun Club zijn of waren tewerkgesteld bij onder meer Arno, Broken Glass Heroes, Dez Mona en Dans Dans, dus zo onwaarschijnlijk is dat vermoeden niet. Laten wij met het oog op hun halve finale echter hopen dat hun verlofdagen voor dit jaar nog niet allemaal opgebruikt zijn.

Zo, dat was het. Wie de twintig halvefinalisten zijn, wist u al, dat ik voor twee weken naar de Bahamas trek alwaar mijn harem in een gezellige strandhut met volle koelkast op mij wacht, nog niet. Mocht ik het overleven: tot binnenkort!

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234