Humo sprak met de blazers van de Last Post over de stilte na de Grote Oorlog

In Engelstalige landen zijn The Last Post en Ypres begrippen die even groot zijn als Big Ben en Westminster. Over een heel jaar gezien schat men dat de Last Post meer dan tweehonderdduizend bezoekers trekt. Dat is meer dan vijfhonderd per avond. Maar er zijn ook de jaren vijftig, zestig en zeventig geweest, toen er geen kat kwam kijken. Over die stille jaren ging Humo praten met de oudste klaroenblazers en hun familie.


Lees ook: De blazers van de Last Post: Ieper, de Ground Zero van '14-'18 »

(Verschenen in Humo 3713 op 31 oktober 2011)

In de trein van Menen naar leper kijk ik door het raam of ik de oorlog al een beetje kan zien. Maar er zijn alleen maïsvelden, canadapopulieren, koeien en huizen met trampolines in de tuin. En dan, bij Zillebeke, schieten er toch twee witte akkers langszij, twee militaire kerkhoven met kalkwitte stenen. En zo zijn treinen, van staal en onverstoorbaar, maar in hun oude spoor rijden ze veel geschiedenis en tragedies voorbij.

In leper is het stil op weg van het station naar het centrum. Halfzeven is een uur dat de buitenstraten van zo'n provinciestad uitgestorven zijn. Op de markt is nog wel wat drukte, het is één van de laatste vakantiedagen van augustus, er lopen vaders in korte broek en er staan auto's met fietsen op het dak. In de eethuizen zitten gezinnen aan goedgevulde tafels en hoog aan de muur laat een geluidloze tv beelden zien van een oorlog in Libië, een moord in Schellebelle en een bronzen medaille bij het hardlopen. Ik hoor veel Engelse families en ze hebben roodverbrande gezichten omdat die bleke Britten in de zomer steevast te lang in de zon blijven zitten.

Een winkel in de Meensestraat verkoopt verweerde tabaksdozen, kompassen en gasmaskers die ooit in een soldatenransel hebben gezeten. Op het schap staan obussen, het koper van dood en vernieling is gegraveerd en opgeblonken. Verderop staat zelfs een echt machinegeweer in een winkelraam, het is een Vickers met zo'n dikke trommel rond de vuurloop, en met zijn plompe poten staat hij te koop tussen de oorlogsboeken. De doden komen niet meer uit hun graf, maar oorlogstuig heeft altijd een tweede leven.

Het is halfacht, nog een half uur voor aanvang, maar er staan al zo'n veertig wachtenden onder de grote lichte boog van de Menenpoort. Die monumentale poort (1927) staat op de plek waarlangs tussen 1914 en 1918 honderdduizenden soldaten naar het front vertrokken. Een oma legt haar handen op de schouders van het kleinkind met de camera. Een dochter buigt zich over de vader in de rolstoel, en schikt op zijn knieën de krans van papieren klaprozen.

Om kwart voor acht tel ik honderdvijftig toeschouwers. Ze kijken rond, zoveel mensen dat hier zijn, en ze wijzen naar de gebeitelde namen in de muren, zoveel doden dat hier verzameld zijn. Het zijn er bijna vijfenvijftigduizend, en het zijn allemaal vermisten: wat er van hen overschoot, is in de modder van de Westhoek nooit meer teruggevonden.

Michel Ghesquiere is lid van de organiserende Last Post Association, hij was zelf klaroenblazer van 1979 tot 2006 en hij verwacht vanavond zo'n tweehonderdvijftig man ('dat is niks, gisteren waren het er vierhonderd'). En dat er al zeker vijftien jaar zoveel volk naar die dagelijkse Last Post komt. Hij moet al hard nadenken wanneer er nog eens weinig volk was. Ja, op een decemberdag vorig jaar, toen het zoveel gesneeuwd had, 'toen hadden we hier een laagterecord van veertig man'. En uiteraard gaat het leven in leper zijn gang. Mannen en vrouwen fietsen langs met boodschappen, meisjes hebben oortjes en muziek in hun haar, en bus 94 van Roeselare naar leper telt twaalf passagiers achter de ramen. Eén minuut voor acht. Een skateboarder rept zich nog naar de andere kant van de poort, en dan leggen twee agenten alle verkeer stil. De avondzon zoekt nog een paar gesneuvelde namen, ginder hoog onder de flauwe nok van het monument, en dan gaan de vier klaroenblazers van de vrijwillige brandweer midden op de weg staan. En terwijl hun Last Post ijl over de hoofden klinkt, gaan er bij de omstanders zeker drie gsm's af, eentje zelfs met de ringtone van The Light Cavalry.

Een traditionele tekst wordt voorgedragen, kransen worden neergelegd, Britse mannen en vrouwen met kentekens en militaire baretten stappen in stramme pas heen en weer, en dat is wat me tegenhield om hier eerder te komen. Ik heb het niet voor legers en militairen en ik heb het nog minder voor al die Britten die nooit ver weg zijn van hun 'Union Jack', hun' God Save The Queen' en hun 'Britannia Rule The Waves' waarmee al die overzeese kolonies zo lang onder de knoet zijn gehouden.

'Ik denk niet vaak aan die 55.000 doden. Maar ik doe het wel voor hen'

Ik ben naar hier gekomen voor die gewone burgers van de leperse brandweer die al meer dan tachtig jaar dat eenvoudige eresaluut brengen. Want militair vertoon en het rumoer van de oorlog, dat is nog elke dag te zien en te horen. Maar dit is de stilte ná de oorlog. Dit zijn burgers die avond na avond de ontelbare vermisten en gesneuvelden van een oorlog herdenken, nergens ter wereld is dat nog te vinden. Ik heb de foto's gezien van de jaren dertig. Drie klaroenblazers in werkmanskiel en met de klak naast het lichaam, die eerbiedig de Last Post aanheffen. En dat in een stad die zelf maar traag overeind kroop, en na die Eerste Oorlog nog slechts een gapend gat in de landkaart was. En nooit is die loyaliteit tegenover die vele slagvelddoden verloren gegaan. Zelfs niet in de jaren vijftig en zestig, toen iedereen al werkend vooruit wilde en de Tweede Wereldoorlog zo gauw mogelijk wilde vergeten, zelfs toen hadden ze in leper nog altijd de stugge volharding om de Eérste Wereldoorlog te blijven herdenken. Alleen tijdens de Duitse bezetting van '40'44 werd het ritueel gedwongen stopgezet.


KILLING FIELD

De Last Post van deze augustusdag is ten einde. De meeste bezoekers gaan weer de markt op, sommige blijven na om de blazers te fotograferen of innig te bedanken. Een zestiger wil hen ook iets zeggen, krijgt niks gezegd, neemt dan maar een foto, en naast zijn camera zie ik de tranen van zijn wangen lopen, met schokken en snikken, er is veel verdriet dat van ver naar hier is gedragen. En de klaroeners schudden maar handen en poseren met de glimlach, en ik zie de oudste onder hen, dat is Antoon Verschoot, die is 86 en hij is 'al 57 jaar op post voor de Last Post'! Hij staat ook overtuigd aan een sigaret te trekken, en dat het geen kwaad kan, want dat hij nog genoeg adem overhoudt om die sonnerie te kunnen blazen.

De Last Post in leper is ouder dan de meeste inwoners van de stad, maar toch is ze niet begonnen na de wapenstilstand van 1918. De ceremonie is pas tien jaar later ontstaan, toen de leperse politiecommissaris Vandenbraambussche naar een manier zocht waarmee 'de leperse bevolking haar erkentelijkheid kon uitdrukken voor het offer van de Britse soldaten'. En zo werd er in de zomer van 1928 begonnen met de dagelijkse uitvoering van de Last Post, en van bij het begin deed men een beroep op de klaroenblazers van de brandweer.

Het blazen van de Last Post is dus geen Brits maar een door en door Belgisch initiatief, maar de Last Post zelf is van Britse origine. 'In het Britse leger kondigde de Last Post het einde van de dag aan. Met dat signaal werden de militaien terug naar hun kazerne geroepen. Maar door de jaren is de Last Post synoniem geworden van eerbetoon aan de doden: het einde van de dag is nu symbool voor het einde van het leven.' (uit 'Menenpoort en Last Post' van historicus Dominiek Dendooven).

Dat de Britten zo massaal Ieper bezoeken, komt door de enorme verliezen die ze hier geleden hebben. leper was een killing field omdat de Duitsers de stad koste wat het kost wilden innemen. En de Britten zetten zich schrap om te vermijden dat de Duitsers via Ieper naar de Franse Kanaalhavens zouden doorstoten: dan zou de Britse toevoer van wapens, troepen en proviand worden afgesneden. De Duitsers zijn nooit in leper geraakt, maar vier jaar lang hebben ze wel de heuvels ten (zuid)oosten van de stad bezet, en van daaruit konden ze de geallieerden constant bestoken. Die wijde boog, die wurggreep waarbinnen de Britten klem zaten, werd de Ypres Salient genoemd. En na de oorlog telde men in dat zompige slagveld meer dan een half miljoen gesneuvelden. Daarom wordt de Eerste Wereldoorlog ook de Grote Oorlog genoemd. Door de vele deelnemende landen, door de massale mobilisatie ook (65 miljoen mannen!) en door de circa negen miljoen doden. 'Sinds de pestuitbraken van de 14de eeuw was er geen ramp of oorlog die Europa zo zwaar trof. (...) De term kanonnenvlees (cannon fodder, Kanonenfutter) is in 19141918 ontstaan.' (uit 'De stilte van de Salient: de herinnering aan de Eerste Wereldoorlog rond leper', een geweldig gedocumenteerd boek van antropoloog Johan Meire.)


GANS ALLEEN

Een week na die eerste Last Post zit ik bij Antoon 'Tone' Verschoot, de 86jarige die al bijna twaalfduizend keer de Last Post heeft geblazen. Ik wil hem spreken over de stille jaren zoals hij die beschreef in Het Nieuwsblad van 30 januari 2010: 'Nu staat er elke avond een massa volk, maar tot tien, vijftien jaar geleden stonden wij vaak alleen te blazen, zeker in de winter. Hooguit kwam er eens een passant luisteren, een enkeling die zijn hondje uitliet.' En dat getuigt toch van volharding, dat zij daar jaren en jaren zo goed als op hun eentje hebben gestaan. En dat ze ondanks de minieme vergoeding nooit aan opgeven hebben gedacht.

Verschoot heeft al een Winston opgestoken en in plaats van een potje kaffie zullen we Schotse whisky drinken. De man is een flamboyant dialectspreker en de uitroeptekens die u verderop ziet, zijn eigenlijk afkortingen van termen als mô vent! mô godverdomme nie! abaneije! joak gedomme! mô ja gedorie! en hoe ist godsmeugelek! Hij schudt wat grote enveloppen op tafel en op de foto's is te zien hoeveel groten der aarde hij heeft ontmoet: Boudewijn en Fabiola, Queen Elizabeth, de oude president Bush, Dom Helder Camara, paus Johannes Paulus II.

Antoon Verschoot «Moeder Teresa heb ik ook gesproken. Zij bedankte mij voor wat ik voor die onbekende gesneuvelden had gedaan, en ik bedankte háár voor wat zij voor al die onbekende straatkinderen in Calcutta had gedaan. Want in feite zijn dat toch ook verloren jongens hè, heb ik haar gezegd, en je kon dat zien, wij hadden direct een verstandhouding! En vandaag is het toch wel haar verjaardag, zeker. Ik zag het op de almanak. En dat ze al veertien jaar dood is, de tijd vliegt rap! In 1954 hebben ze me gevraagd om bij de klaroeners te komen. Ik was de jongste, de snotneuze, ik was 29. En de Last Postblazers kwamen altijd uit de vrijwillige brandweer, omdat wij het gewend waren om die clairon te gebruiken. In de jaren vijftig was er geen gsm of walkietalkie, alle commando's bij een brand meer water! minder water! werden nog op de clairon gegeven. Ik was volontair bij de brandweer, maar van beroep was ik kleermaker, en later loketbediende van de Christelijke Mutualiteiten.

»En zo vertrok ik dus elke avond van huis: met de fiets of met m'n ouwe Mobylette naar de Menenpoort. Niet dat daar veel volk stond te wachten: in de jaren vijftig, zestig en zeventig bliezen we dikwijls voor niemand. Soms waren de twee agenten die het verkeer tegenhielden onze enige toeschouwers. Soms stond ik zelfs gans alleen. Het gebeurde dat de brandweer kort voor acht uur een oproep kreeg: dan moesten alle manschappen de baan op, en dan moest je alleen blazen. En soms waren de gardes weggeroepen voor ander politiewerk en dan moesten wij voor we begonnen te blazen met onze hand de auto's doen stoppen.

»In die jaren ging m'n vrouw heel dikwijls mee. We waren pasgetrouwd en ze was er elke dag. En andere mannen hadden soms ook hun vrouw of hun kinderen mee. Om niet alleen te zijn, om toch wat publiek te hebben.»

'Moeder Teresa is eens komen kijken. Zij bedankte mij voor wat ik voor die onbekende gesneuvelden had gedaan, en ik bedankte háár voor wat zij voor al die onbekende straatkinderen in Calcutta had gedaan' Antoon Verschoot, 86 en al 57 jaar op post voor de Last Post!


TREKGAT

Verschoot «Wij hebben in alle weer en wind staan blazen. In dichte mist, dat de agenten amper konden zien of er een auto aankwam. Bij hevig onweer, dat het hagelde en goot. En wij konden nog zo'n beetje droog onder de poort staan, maar de gardes stonden in de gietende regen, en dan riepen ze: godverdomme, Tone, ge kunt maken dat ge't kort houdt we! Eén keer sloeg de bliksem op de toren van de SintJacobskerk, honderd meter achter ons, maar wij bliezen gewoon door!

»En kou! De winter van '63. Heel het land lag plat, kanalen dichtgevroren, zelfs ijs op de zee, en wij maar blazen. Dat je mondstuk aan je lippen vroor! Dat kan nu niet meer, nu hebben we een mondstuk van plexi, speciaal voor de winter.

»En je moet ook maar eens blazen als het stormt! Heb je de storm in 't gat, dan sta je te wiebelen op je schoenen. Heb je de wind tegen, dan staat de storm recht in je clairon. En die Menenpoort is een trekgat! Mô jongens toch, verkoudheden dat wij daar hebben opgedaan! Ik heb ook lang een foto gehad van een Schot die een krans legt, de wind pakt onder z'n rokske, en je ziet z'n bloot gat. En wij konden ook wat voorhebben! Je staat daar te blazen, je voelt ineens tocht op een rare plek van onderen, ja verdomme, m'n spriet staat open! Dat is zo hè: voor je vertrekt, ga je nog rap naar het toilet en dan de tirette vergeten. Het is een serieuze en plechtige aangelegenheid, maar zulke ongelukken gebeuren. Zo zie ik die Engelsman nog de straat oversteken om een krans neer te leggen, zo'n echte Brit met een paraplu over z'n arm en een bolhoed op z'n hoofd, hij steekt in grote stilte over, bukt zich met die krans en... (slaat met z'n hand op tafel) z'n broek valt af! Dat was gelukkig in die stille jaren, er stond niet veel volk te kijken. Maar acht jaar geleden gebeurde dat opnieuw, en met veel méér volk erbij!

»In de jaren vijftig was de Last Post nog ver te horen. Als de wind goed zat, klonk het langs de stille straten en over de daken tot op de Dikkebusseweg, dat is zeker anderhalve kilometer. Maar ja, toen was er minder verkeer dan nu.

»Tot in de jaren tachtig duurde die Last Post ook maar twee, drie minuten. Geen gedicht, geen kransen, geen namen afroepen, niks. In die stille jaren was zo'n speciale Last Post heel zeldzaam, er waren er geen vijf op een jaar. En nu is het alle dagen een 'speciale', en die duren wel een kwartier of twintig minuten. Het trekt er niet op. Ik vond die gewone Last Posts van vroeger sympathieker, ik heb dat al dikwijls gezegd tegen het bestuur.

»De laatste vijftien jaar blazen wij in ons brandweeruniform, maar vroeger bliezen wij in onze burgerkleren. In de zomer een broek en een open hemd, in de winter warme kleren en een gabardine of pardessus. En alleen bij speciale gelegenheden, zoals 21 juli of 11 november, waren we verplicht om ons uniform te dragen.»

Hij zegt dat hij er niet om treurt, maar er is zo wel een traditie verloren gegaan. Tot de jaren tachtig bliezen de leperse klaroeners de Last Post in hun gewone kledij. 'Het moest immers een eerbetoon van gewone mensen blijven, het mocht geen officieel kenmerk dragen alsof de zaak van hogerhand was georganiseerd.' Dat ze nu doorlopend hun uniform dragen, heeft met die opkomst van de 'speciale' Last Posts te maken, maar er is ook altijd druk geweest van Britse kant. 'Sommige Britten beschouwden die gewone kleren als een gebrek aan respect.' ('Menenpoort en Last Post', Dendooven)


INDIANEN EN CHINEZEN

Verschoot «Als blazer zijt ge een week 'aan' en een week 'af'. Als ik van dienst was, ging de Last Post altijd voor op de familie. Nu is het andersom: de jongere generatie heeft dan een barbecue of een babyborrel, en dan vragen ze mij als vervanger. De oudere generatie is plichtbewuster. Ik ben in 1997 geopereerd aan m'n hart, vijf overbruggingen: drie weken later stond ik weer aan de Menenpoort.

»Ik sta daar heel dikwijls te blazen, maar ik sta niet dikwijls stil bij die oorlog. Nènk. Wij zijn dat zodanig gewoon, dat is geen gedachte meer. Dat is een routine.

»En handen schudden nadien! Mô zovele! Dat zijn er honderden, duzenden! Maar met het ouder worden hou ik m'n handschoenen aan, of ik smeer m'n handen in met hygienische gel, zoals in het ziekenhuis. Op mijn leeftijd zijt ge rap gepakt van de ziekte van een ander.

»En dan vragen ze ook om een handtekening. Want ze hebben een postkaart gekocht met de Last Postblazers erop en dan moeten wij dat tekenen. En dan al die mensen die het opnemen met een bandopnemerke. En dan al die foto's die ze al van ons gepakt hebben. Duzende! Tienduzende! Overal ter wereld liggen er foto's van ons. Ik heb al geposeerd met witten, zwarten, Chinezen en met indianen. Echte indianen hè, met staarten in hun haar! Ik heb hier ook Maori's weten komen aan de Menenpoort. Die maken leven (doet apengeluid na), godverdomme toch, die kunnen roepen en tieren. En die staan daar op hun blote voeten en in een rokske!

»En zeker zijn er laatkomers, soms een hele groep tegelijk. Och menere, en zou je voor ons nog eens willen blazen, we komen helemaal van Engeland en we gaan morgen alweer weg. Maar sorry, dat doen we niet. Die Last Post is geen spelleke hè. In die stille jaren deden we dat soms wél. Je wist dat het niet mocht, maar je wist ook dat niemand het zag. Er was verder toch geen volk. Dan had je dus een Last Post en nog een AllerLast Post!

»Zelf ben ik in al die jaren maar één keer te laat gekomen. Ik had bij een vriend een glas whisky zitten drinken, ik was daar op tijd vertrokken, maar voor m'n neus deden ze de overweg dicht. En toen kwam er een goederentrein, ik weet niet of je dat kent, maar dat zijn allemaal wagons achter elkaar en dat blijft maar duren. Toen heeft m'n collega alleen moeten blazen.»

'De Menenpoort in de jaren 30. 'Drie klaroenblazers in werkmanskiel en met de 411/4 klak naast het lichaam heffen eerbiedig de Last Post aan. En dat in een stad die na die Eerste Oorlog nog slechts een gapend gat in de landkaart was'


BLIJVEN PLAKKEN

Verschoot «De laatste twintig jaar hadden we een habituee die elke dag kwam kijken. Dat was Denise Dael, die vlakbij woonde. Mo godverdomme, dat Deniestje! Duizenden keren is die erbij geweest! Zomer en winter! Ze had zo'n pliantje, zo'n vouwstoeltje waarmee ze altijd op haar vaste plaats ging zitten. En ze kon babbelen met de mensen, want ze was geboren in Engeland en haar moeder was daar gestorven. En vorig jaar is ze zelf gestorven, ze was 95, en hoeveel Engelsen mij dat al gevraagd hebben! 0, the little old lady! Where is the little old lady?! En dan moet ik zeggen: the little old lady is dead, sir.

»Niet dat ik zoveel Engels ken. Ik heb het allemaal aan de Menenpoort moeten leren. Maar op den duur kan je op alles antwoorden, de vragen zijn dikwijls dezelfde. En hoelang doet gij dat al? En van wanneer is die Poort? En wanneer hebben ze de eerste keer geblazen? Al zulke vragen.

»En zeker ben ik meer dan eens 's avonds blijven plakken. En Engelsen kunnen drinken! Je weet wanneer ze beginnen, maar niet wanneer ze ophouden. En dan heeft m'n vrouw een keer gezegd: gij met uw Menenpoort, pakt uw valiezen maar, gaat gij daar maar wonen!

»Op een keer kom ik uit het café samen met een Engelsman, 't was een teacher en het bleek dat hij die avond nog niet gegeten had. Kom mee, zei ik, en thuis heb ik frigo-frieten en eiers gebakken, en wat boterhammen erbij. Content dat hij was! En alle jaren schrijft 'm, schrijft 'm, schrijft 'm. Met de kerst, maar ook overal waar hij komt of op reis gaat, van overal stuurt hij kaarten.

»Drinkgeld, dat gebeurt weinig. Op dat gebied waren de jaren vijftig beter. Als er dan zo'n Engelse bus kwam, dan zat die vol met échte oudstrijders van '14-’18, en dan ging er eentje met zijn klakke rond: veel kleingeld, en nog veel meer sigaretten, Greys en Players, die staken ze soms met vijf tegelijk in die pet. En wij rookten allemaal, vaneigens.

»En nooit heb ik gedacht van te stoppen, oeioei nénk! 0 godverdomme nie! Ik heb een straffe adem en ik heb een goeie embouchure (plaatsing van de lippen aan het mondstuk, red.). En tot nu toe gaat het goed. Ik zal maar hout vasthouden (neemt hoofd vast). Het enige wat zwaar begint te vallen, is dat je nooit eens recht naar huis kunt. Iedereen wil met je babbelen of een foto nemen. Als je weg zou gaan, ze zouden je tegenhouden!»


VIOOL EN KIEKENVLEES

Hij laat getuigschriften en Britse, Belgische en Australische eretekens zien en een Belgische postzegel uit 2008 met de klaroenblazers erop. En of ik weet dat hij amateurschilder is? Aan de muur hangen een verlichte Menenpoort bij nachtblauw en een oude trein die als een lange lantaarn door een besneeuwde polder rijdt. Dat schilderen wil hij nog járen blijven doen, maar dat blazen, daarvan is hij niet zeker.

Verschoot «Het loopt op z'n laatste, denk ik. Zevenenvijftig jaar, dat heeft nog niemand me voorgedaan. Misschien is het toch tijd om te stoppen.

»Waarom ik het zolang volgehouden heb, dat is moeilijk te zeggen. Je zit daarin en dan doe je voort, zo simpel is het. En ik denk wel niet zo dikwijls aan die doden, maar voor hen doe ik het toch. Voor die 54.900 en oneffen. En soms peins je eens op die gasten. Sommigen waren nog maar veertien of vijftien jaar. Dat waren kinderen! Die zich ouder voordeden om toch maar te kunnen meedoen, en als kind zijn ze de grond ingegaan, de sukkelaars.

»Soms moeten wij de Last Post ook gaan blazen op een kerkhof buiten leper. Voor Engelsen, maar ook al voor de Dutschen. Dat was een schoolklas en die hadden ook een viool mee, zo schone, ik kreeg er kiekenvlees van!

»En zoveel tranen en wenende mensen dat wij al gezien hebben. En in het begin ben je daarvan gepakt, maar op den duur wordt dat ook een gewoonte. Dan zeggen we al eens tegen elkaar: 't is weer zover, 't water is gebroken. Dat is deugnieterij natuurlijk, maar wij zien dat alle dagen. It's moving, zeggen ze dan. En wij krijgen kussen van die kaken die nog nat zijn van de tranen. En ze beginnen over hun vader, hun grootvader of hun overgrootvader. En ja, ze pakken je zo om de hals en jij pakt ze dan ook goed vast. Je moet troosten, hè. Zeker bij die oudere mensen. Die denken: wie weet kom ik hier niet meer, wie weet is het de laatste keer!»

'De Last Post in de jaren zestig. 'In de jaren vijftig, zestig en zeventig bliezen we dikwijls voor niemand. Soms waren de twee agenten die het verkeer tegenhielden onze enige toeschouwers'


GRONDTROEPEN

Voor de familieleden van oudstrijders is de Menenpoort met de muren vol namen van vermisten vaak het enige tastbare dat ze nog hebben van 'hun' gesneuvelde, en dat maakt dat ze zo geroerd zijn. Het is een weerzien dat niet voor de hand ligt, ze hebben een reis en veel moeite moeten doen om tot in leper te geraken, en ook dat maakt de hereniging zo emotioneel. Al van de jaren twintig reizen Britse familieleden naar leper, en aan een reporter van de Daily Mail vertelde een moeder toen al hoe bijzonder dat was: 'M'n zoon is gesneuveld in 1914, en pas nu in 1927 heb ik deze plek kunnen bezoeken. Ik voel me zo gelukkig dat ik zijn naam heb kunnen zien. Ik wou zijn naam zelfs kussen toen ik hem zag.'

Auteur Johan Meire beschrijft ook hoe de Britse schrijver Henry Williamson in 1925 op huwelijksreis ging naar de voormalige slagvelden. Hij werd neerslachtig van het landschap, de vele graven en 'de Belgen die koortsachtig met hun leven verder willen gaan'. En toch kwam hij verschillende keren terug: 'Ik moet terugkeren naar mijn oude kameraden en naar die boomloze Vlaamse vlakte vol graven, want ik ben dood met hen en zij leven opnieuw in mij.'

Dat de soldaten van het Britse Rijk hier liggen en niet in hun vaderland, heeft een reden. Frankrijk en de VS hebben beslist om hun gesneuvelde soldaten te repatriëren, maar het Britse Rijk (en ook Duitsland) zagen zich voor een logistieke nachtmerrie geplaatst: hoe identificeer je die tienduizenden lijken waarvan de verhakkelde resten door het slijk gehusseld zijn, en hoe leg je aan tienduizenden familieleden uit dat er in België eigenlijk geen vezel van hun geliefde meer te vinden is? En zo koos men voor de goedkopere oplossing om die honderdduizenden gesneuvelden én vermisten ter plekke een laatste rustplaats te geven. En zo zijn alle gesneuvelden van het Britse Rijk Engelsen, Ieren, Canadezen, Australiërs, NieuwZeelanders, Indiërs, Pakistanen en ZuidAfrikanen) op Belgische en Franse grond achtergebleven. In ruil deden België en Frankrijk financiële inspanningen om de overzeese begraafplaatsen goed te verzorgen en om de pilgrimage naar de graven te ondersteunen.


NAMENKAPPER

Er is ook een klaroenblazer die aan de bouw van de Menenpoort heeft meegewerkt, en dat is Maurice Barrato. De man blies de Last Post van 1939 tot 1979. Zijn dochter Jeanine vertelt:

Jeanine «Ik was de oudste thuis, en ik ging als kind dikwijls mee naar de Menenpoort. We gingen te voet of met de fiets, en dan zat ik op de buis, zo tussen vaders armen. M'n moeder ging soms ook mee. En als er familiebezoek was, nam vader iedereen mee. Naar de Menenpoort was een uitstapje, want in die jaren was er niet veel te doen hè. Het was een stil leven hier, zelfs al woonde je in Ieperstad.

»Ik wilde erbij zijn als hij de Last Post speelde. Ik had een grote bewondering voor mijn vader. Ik keek naar hem op dat hij zoiets belangrijks deed. Niet dat ik ermee zou uitpakken bij de vriendinnetjes op school. Voor een leperling is die Last Post heel gewoon. Zo gewoon als het luiden van de kerkklokken.

»Ik vond de Last Post heel mooi. Ik ken nog alle noten vanbuiten, ik kan ze nu nog op de piano spelen. Ik heb aan de Menenpoort zelfs mijn eerste woordjes Engels geleerd. Good evening, sir. Want het waren meestal mannen die daar stonden. De vrouwen stonden op de tweede rij.

»Vader vertelde nooit over de oorlog zelf, maar wel over de Menenpoort. Hij was steenhouwer bij een begrafenisaannemer, en hij had meegewerkt aan de bouw van de poort in 1927. Zeventien jaar was hij toen. Hij heeft ook veel van die namen gekapt, en hij was erbij toen het monument werd ingehuldigd. De stad moet toen al van daags tevoren óvervol zijn geweest. Er was niet genoeg plaats om de mensen te slapen te leggen, dus sliepen ze zomaar in hun kleren op de markt.

»En nadat de Menenpoort beschadigd was geraakt in de Tweede Wereldoorlog, heeft mijn vader meegeholpen aan de restauratie. Dat was dus niet zomaar de Last Post blazen voor hem, hij was daar elke avond bij het monument dat hij mee had helpen maken.

»Vader was zeer stipt en plichtbewust, en die Last Post had voorrang op alles. Het mocht sneeuwen, gieten, ijzelen, er was soms geen levende ziel te zien, maar ik heb hem nooit horen sakkeren dat hij moest gaan. Hij was fier om dat eerbetoon aan die soldaten te mogen brengen. Hij deed dat met hart en ziel. En de klaroenblazers gaan achteraf makkelijk op café, maar mijn vader deed dat niet. Hij had een stil en teruggetrokken karakter, hij kwam altijd recht naar huis.

»Wij kregen thuis ook brieven uit Engeland, uit Australië en zelfs uit ZuidAfrika. Dan gingen vader en moeder samen aan tafel zitten om zo'n brief in het Engels te beantwoorden. Hij vertelde soms ook hoe geëmotioneerd sommige toeschouwers waren geweest. Ik heb dat zelf ook gezien. En hoe minder volk er was, hoe meer die aanwezigen geraakt waren. Met weinig volk wordt die Last Post intiemer, dan is er een grote dankbaarheid en aanhankelijkheid tussen die blazers en die paar aanwezigen.

»Vader heeft geblazen tot z'n 69ste en geleefd tot z'n 96ste. En die zilveren klaroen moet je teruggeven aan de Last Post Association, geen enkele blazer mag ze houden. Maar hij had zijn koperen klaroen nog uit zijn soldatentijd, en die is altijd naast hem blijven staan, ook toen hij in het rusthuis was. En toen hij stierf in 2007, reed de lijkwagen na de dienst van de hoofdkerk naar de begraafplaats en onder de Menenpoort hielden ze halt: toen is er voor vader een Last Post geblazen en één minuut stilte gehouden. Dat bracht zoveel naar boven bij ons, dat was heel, heel emotioneel.»


TWIST EN ROCK'NROLL

Vijftig meter van de Menenpoort staat een vrouw in de deur die er al woont van de jaren zestig. Maar ze moet toegeven dat zij en haar man nog nooit naar de Last Post zijn gaan kijken, 'we zien het wel vanuit ons raam op de eerste verdieping'. Hoewel, ook daar staan ze zelden te kijken. En haar man heeft dat al eens gezegd: voor anderen is dat een begrip, maar 'voor ons is dat gewoon een straat'. En ja, die Last Post is al decennia te horen in hun huis. 'Maar dat is, hoe moet ik dat zeggen, zoals het geluid van een spoorweg waar ge naast woont. Op den duur hoort ge die treinen ook niet meer.' En dat ik het haar niet kwalijk mag nemen, ze wil die herdenking niet minimaliseren, maar voor leperlingen is het zo'n gewoonte, 'en het bestaat al zo lang'.

Ik wil een beeld te krijgen van De Avonden in die stille jaren vijftig en zestig, en in het stadsarchief kan ik daarvoor bladeren in Het lepersch Nieuws. Van bijvoorbeeld november 1958. Er zijn vier cinema's en om acht uur 's avonds draaien die onder andere 'Sissi, het noodlot van een keizerin' en 'Liefdescommando', de meest gewaagde Zweedse film sinds jaren! Op zaterdag 8 november is er Groot Pompiersbal in zaal Lido en op 29 november zijn het de SintElooisfeesten, met als biezondere attractie de 'HulaHoopdans' oftewel vermageringsdans (wie kent hem niet?!).

Op 11 november 1962 herdenkt men de Wapenstilstand, en de avond tevoren is het feest in Zaal Germinal. Teenagers en Twens, dit is Uw avond met Uw muziek! Johnny Carton en het Melodia Orkest spelen voor u: de Madison, de Twist en de Rock and Roll. Brengt uw vrienden mee! En in Cinema Capitole draaide 'De beminde sheriff' met Elvis Presley in de hoofdrol.

1966 is het jaar dat de Last Post veel koninklijk bezoek krijgt, en op zaterdag 26 november kan je naar het Bal van de Veekwekers roetmuziek van het dynamische ensemble The Benjamino's. In de cinema's is het in november '66 aanschuiven voor 'Het teken van Zorro' en 'Buffalo Bill, de held van de Far West', telkens vertoning om 20 u.

Ik schrijf het allemaal over en ik wéét dat er op elk van die ontspanningsavonden een Last Post is geblazen. Ieper telt intussen geen enkele cinema meer, The Benjamino's zijn niet langer een dynamisch ensemble, maar de Last Post is gebleven.

'Hoe minder volk er was, hoe meer die aanwezigen geraakt waren. Met weinig volk wordt de Last Post intiemer.' (foto: Maurice Barrato is de linkse van de twee klaroenblazers)'


VERY MOVING

Als ik enkele weken later weer in leper sta, is de nazomer voorbij en schuurt er een killere wind langs de namen van de Menenpoort. Ik lees op de onderste rij Goodman, Goodwill, Bodel, Coleman, Lovell, Ebbs, Candy, Wright, Patman, Davies, Rafferty, Thompson, Potts, Stevens, Dixon, Cook, Howard en de wat vreemdere Zeppenfield. Dat zijn slechts achttien namen van de vijfenvijftigduizend. Reken één seconde per naam, en dan nog duurt het meer dan achtendertig dagen én nachten eer je alle namen van de poort gelezen en uitgesproken hebt.

Achter een koperen deurtje vind ik het Visitors Book van september. Naast Familienaam, Woonplaats en Datum is er zes vierkante centimeter om een comment te schrijven, maar zelfs in die kleine voetnoot is de dankbaarheid heel groot. Very moving (twaalf keer). Moving ceremony. Beautiful tribute. Takes your breath away. In tiefer Trauer um allen Toten des Krieges. Never war again. Deeply moved. Very moving place. Very emotional. Words fait. Amazing experience. Très émouvant. Thoughtprovoking. Many thanks for maintaining this tradition. En terwijl het drukke verkeer langsrijdt, en woorden maar woorden zijn, sta ik hier dwaas te vechten tegen de tranen. Het zijn al die handschriften in bic en pen, al die onbekende woonplaatsen in Rusland, India, Ierland, Canada, Engeland, Spanje en Italië die de droefenis maken. En ook, dat al wat die bezoekers naar hier heeft gebracht geen natuurschoon is, maar een grote beestachtige oorlog en een onnoemelijk groot verlies.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234