Beeld BELGAIMAGE

Charlie HebdoPhilippe Lançon overleefde de aanslag

‘Ik hoorde hem ademhalen en twijfelen. Ik voelde me levend en al bijna dood’

Hoe proeft de smaak van doodsangst? Journalist en romancier Philippe Lançon weet die precies te omschrijven: hij overleefde de aanslag op Charlie Hebdo op 7 januari 2015, en schreef er ‘De flard’ over. In Parijs is het proces tegen de nog levende medeplichtigen van de terroristen gestart: voor wie de gruwel verdrongen mocht hebben, brengen we ze in herinnering met twee hoofdstukken uit het boek. ‘Er kwamen meer kogels, meer seconden, meer ‘Allahoe akbar!’-kreten. Alles was tegelijkertijd wazig, helder en onthecht.’

Het was 11.25 uur, of misschien 11.28 uur. De tijd verdwijnt zodra ik hem tot op de seconde nauwkeurig wil oproepen, als een wandtapijt geweven door een zekere schikgodin, waarbij het geheel van de kleinste steek afhangt. Ik hoorde doffe geluidjes, zeker niet de lawaaierige explosies van in de bioscoop, nee, eerder gedempte knallen zonder echo, en ik dacht een moment lang... Tja, wat dacht ik precies? Ik dacht, geen idee waarom, dat het misschien kwajongens waren, al is ‘dacht’ niet het goede woord, het was slechts een reeks snelle beelden die meteen vervlogen. Ik hoorde een vrouw gillen: ‘Maar wat...’ Een andere vrouw gilde: ‘Ah!’ En weer een andere stem slaakte een schrillere, agressievere kreet van woede, een soort ‘Aaaaah’, het was de stem van Elsa Cayat (psychiater en columniste, red.). Voor mij betekende haar gil gewoon: ‘Maar wat zijn dat voor idiooooooten?!’ De laatste lettergreep liep van de ene kamer naar de andere.

Ik dacht nog dat het om een grap ging, hoewel ik al begon te vermoeden dat het er geen was, zonder te weten wat het dan wél was. Op dat moment kruiste de blik van Sigolène (Vinson, schrijfster en columniste, red.) die van Charb (tekenaar en hoofdredacteur van Charlie Hebdo, red.) en zag ze dat hij het doorhad. Niet verwonderlijk: Charb maakte zich er weinig illusies over waartoe mensen in staat zijn, deed nooit aanstellerig of gewichtig en was zo snel als een fret die op Stalins snor klimt, net daarom kwam hij vaak zo grappig uit de hoek. Hij heeft vast de laatste seconden van zijn leven niet nodig gehad om te begrijpen uit wat voor beroerd stripverhaal die twee kwamen, die gemaskerde imbecielen die fanatisme en dood brachten, en om hen te zien voor wat ze waren voordat ze hem verminkten.

Nu al zag ik niets of niemand meer behalve de zwijgzame Franck, Charbs bodyguard, die tegenover mij aan de andere kant van de kleine kamer met zijn rug naar de deur toe zat. Hij was daar wegens zijn functie en schijnbaar uit gewoonte. Ik zag Franck opstaan, zijn hoofd en dan het lichaam naar de rechterdeur draaien en op dat moment, terwijl ik zijn bewegingen gadesloeg en hem van opzij zijn wapen zag trekken en naar de deur zag kijken waarachter zich God weet wat bevond, begreep ik dat het niet om een grap of kwajongens-streek en zelfs niet om een overval ging, maar om iets heel anders. Ik kon nog niet duiden wat dat iets precies was, maar voelde hoe het - aangekondigd door herrie en geschreeuw - de kamer binnendrong en echt alles om en in mij vertraagde, me isoleerde en verlamde. Er was iemand binnengekomen die dat iets verspreidde, maar ik wist niet wie of met hoeveel ze waren, en het zou nog meerdere dagen duren voor ik dat te weten kwam.

Ik zag Franck met een dubbel gevoel van hoop en paniek zijn wapen trekken, zij het een doezelige, wazige hoop en paniek. Ik wist niet wat ons precies omsingelde, maar voelde dat alleen Franck ons ertegen kon beschermen. Ik voelde het, maar tegelijk voelde ik ook dat het hem niet zou lukken en dacht ik: Je moet je wapen sneller trekken. Sneller! Sneller! Zonder goed te weten waarom hij het moest trekken. Ik had nog nooit een woord met hem gewisseld en woordeloos tutoyeerde ik hem in wat iets van een droom had. En terwijl ik begon weg te duiken en me naar rechts en naar de achtermuur zonder ramen begon te draaien, alsof ik wilde vluchten of niets meer wilde zien, zag ik opnieuw en opnieuw hoe hij alsmaar langzamer reageerde, zijn bovenlichaam draaide en de hand op zijn revolver legde en naar de deur keek waarlangs het lawaai kwam. Sneller! Sneller! Maar degene die vertraagde was ik.

Iets speelde de scène telkens opnieuw en steeds trager af, herhaalde en rekte haar alsof ze niet echt had plaatsgevonden of zoals deze tekst herhaaldelijk moest worden herzien. Francks beweging begeleidde me eindeloos in mijn val om die te vertragen, om het vervolg af te wenden. Maar het vervolg was er al. Ik hoorde het doffe geluid van de kogels steeds beter, één voor één, en toen ik me had opgerold en niets of niemand meer zag alsof ik op de bodem van een kist vastzat, knielde ik neer en ging toen rustig, bijna zorgzaam liggen alsof het om een oefening ging, terwijl de gedachte door mijn hoofd ging dat ik mezelf naast al de rest - welke rest? - niet mocht bezeren tijdens mijn val. Het is waarschijnlijk tijdens die geleidelijke beweging naar de grond dat ik ben geraakt, minstens drie keer en van een korte afstand, rechtstreeks of door verdwaalde kogels. Ik voelde niets en was me er niet van bewust. Ik dacht dat ik ongedeerd was. Nee, ongedeerd niet. De gedachte dat ik gewond was, had me nog niet bereikt.

DODE INDIAAN

Ik lag nu op mijn buik op de grond met mijn ogen nog open, toen ik het geluid van de kogels volop uit de sfeer van de komedie, de kindertijd en de tekening hoorde losbreken en dichter bij de kist of de droom komen waar ik in zat. Het was geen kogelregen. Degene die verder in mijn richting de kamer in kwam, schoot één keer en zei: ‘Allahoe akbar!’ Hij schoot weer en herhaalde: ‘Allahoe akbar!’ Hij vuurde nog een kogel af en herhaalde weer: ‘Allahoe akbar!’ Door die woorden bekroop me nog een laatste keer de indruk dat ik in een komedie meespeelde, vervolgens verhulde die indruk het gevoel iets mee te maken waardoor ik Franck een paar seconden eerder opnieuw en opnieuw zijn pistool had zien trekken; een paar seconden, maar ook al veel langer, want de tijd raakte bij elke stap, elke kogel, elke ‘Allahoe akbar!’ verder versnipperd, elke volgende seconde verjaagde de vorige en verwees hem naar een ver verleden of zelfs veel verder nog, naar een wereld die niet meer bestond. Dat iets had me tegen de grond gekregen, maar de komedie ging verder met die kreet van een haast zachte stem die dichterbij kwam, ‘Allahoe akbar!’ - die kreet, de krankzinnige echo van een ritueel gebed, was een repliek uit een film van Tarantino geworden.

Er kwamen meer kogels, meer seconden, meer ‘Allahoe akbar!’-kreten. Alles was tegelijkertijd wazig, helder en onthecht. Mijn lichaam lag lang-uit in de smalle doorgang tussen de vergadertafel en de achterwand, mijn hoofd naar links gedraaid. Toen ik een oog opendeed, zag ik onder de tafel aan de andere kant, vlak bij het lichaam van Bernard (Maris, econoom en columnist, red.), twee zwarte benen en een geweerloop verschijnen, die eerder zweefden dan dat ze vooruitkwamen. Ik sloot mijn ogen en deed ze toen weer open, als een kind dat denkt dat niemand hem zal zien als hij zich dood houdt; want ik hield me dood. Ik was het kind dat ik was geweest, ik was het opnieuw, ik speelde dode indiaan in de gedachte dat de man met de zwarte benen me misschien niet zou zien of zou denken dat ik dood was, en ook in de gedachte dat hij me zou zien en vermoorden. Ik wachtte tot ik tegelijk onzichtbaar werd en het genadeschot kreeg - twee manieren om te verdwijnen. Ik dacht nog altijd dat ik niet gewond was. Maar ik was het wel, ik lag er zo roerloos bij en mijn hoofd baadde wellicht al in zoveel bloed dat de naderende moordenaar het niet nodig vond me af te maken.

Ik voelde hem ineens bijna over me heen hangen, sloot mijn ogen en deed ze meteen weer open, alsof ik mijn leven op het spel wilde zetten om een glimp van zijn lichaam en het vervolg van de gebeurtenissen op te vangen: het was sterker dan ikzelf. Hij stond daar als een stier die de roerloze torero die hij net heeft gespietst, besnuffelt, zijn zwarte benen en zijn geweer als hoorns naar de grond gericht, terwijl hij zich misschien afvroeg of hij moest doorgaan of niet. Ik hoorde hem ademhalen, twijfelen, aarzelen misschien, ik voelde me levend en al bijna dood, beide tegelijk, alles bij elkaar, gevangen in zijn blik en zijn adem; toen liep hij langzaam weg, aangetrokken tot andere lichamen, andere rode lappen en andere dingen, in feite tot de uitgang zoals ik veel later hoorde, want alles samen had het niet veel langer dan twee minuten geduurd.

Toen werd alles weer stil. Vrede daalde neer over de kleine kamer en verjaagde langzaam maar zeker de dreiging dat de moordenaars langer zouden blijven of terug zouden keren. Ik bewoog niet meer en ademde nauwelijks. De mist trok op. Ik voelde niets, zag niets, hoorde niets. De stilte bracht tijd en de eerste vormen van overleving, tussen de doden en gewonden.

‘Ik hoorde doffe geluidjes, zeker niet de lawaaierige explosies van in de bioscoop, nee, eerder ­gedempte knallen zonder echo. Ik dacht, geen idee waarom, dat het misschien kwajongens waren.’

NET KALFSLEVER

De doden hielden bijna elkaars hand vast. De voet van de één raakte de buik van de ander, wiens vingers het gezicht van de derde beroerden, die naar de heup van de vierde neeg, die naar het plafond leek te staren, en allen, zoals nooit tevoren en voor altijd, werden in deze opstelling mijn metgezellen. Het had een figuur uit een dodendans kunnen zijn, zoals ik die al twintig jaar lang af en toe ging bekijken in de kerk van La Ferté-Loupière, op weg naar het huis van mijn grootouders in de Nivernais, of een slinger van papieren poppetjes die door een kind zijn uitgeknipt, een soort bevroren rondedans, of een horizontale kruisafneming, of een nooit eerder vertoonde, duistere versie van ‘De dans’ van Matisse.

Op de grond opende ik opnieuw een oog en keek uit op een paar vierkante meters en op deze grenzeloze wereld. Het puin bestond niet uit stof, as, glas of gips. Het bestond uit stilte en bloed. Ik rook het bloed niet, hoewel ik erin baadde, ik had mijn eigen bloed zelfs nog niet gezien, maar hoorde de stilte, ik hoorde zelfs niets anders. De stilte omhulde mijn lichaam en pakte het op om het boven mezelf en de anderen te laten zweven, om het blindelings en eindeloos te laten zweven, een paar seconden, een paar minuten, een eeuwigheid, licht, licht, terwijl de man van vroeger, die al bijna dood was en tegen de grond bleef aangedrukt, tegen me zei: ‘Wat is er nou gebeurd? Is het mogelijk dat me niets is overkomen? Leef ik? Ben ik hier? Of toch niet?’ Of iets dergelijks. De halfdode voegde toe: ‘Hij is misschien niet weg, de man die ‘Allahoe akbar’ zei. Laten we vooral niet bewegen.’

Alles was teruggebracht tot het verschijnen van twee zwarte benen en het wachten op hun terugkeer. Verder leken de woorden van de halfdode een beetje op woorden die je in een droom uitspreekt: helder voor de slaper en onbegrijpelijk voor wie naast hem wakker ligt en ernaar luistert. Ik kon de man die ik was geweest al niet meer helemaal begrijpen, maar ik wist het nog niet. Ik luisterde hoe hij praatte en dacht: wat zegt hij toch? Ik lag op mijn buik, mijn hoofd naar links gedraaid, ik opende dus mijn linkeroog eerst. Ik zag een bebloede linkerhand uit de mouw van mijn schippersjas steken en een seconde lang begreep ik niet dat die hand van mij was, een nieuwe hand, met opengereten rug en een wond tussen de twee zogenaamde metacarpofalangeale gewrichten, die van de wijs- en middelvinger. Die woorden heb ik naderhand geleerd, omdat ik moest leren om de gewonde delen van mijn lichaam te benoemen, evenals de verzorging die ze kregen en de bijkomende problemen die zich er ontwikkelden.

De stem van de man die ik nog was, zei tegen mij: ‘Goh, onze hand is geraakt. Toch voelen we niets.’ We waren met zijn tweeën, hij en ik, hij onder mij om precies te zijn, ik zweefde erboven, hij richtte zich van onderen tot mij en zei daarbij ‘wij’. Het oog ging langs de hand en zag een meter verderop het lichaam van een man die op zijn buik lag, wiens geruite jasje ik herkende, en die niet bewoog. Het ging verder naar boven, tot aan zijn schedel, en zag tussen het haar de hersenen van deze man, collega en vriend, die een stukje uit zijn schedel staken. ‘Bernard is dood,’ zei de man die ik was tegen mij, en ik antwoordde: ‘Ja, hij is dood.’ En we versmolten op hem, op dat punt waar zijn hersenen naar buiten staken en die ik terug had willen stoppen in de schedel en waar ik mijn ogen niet meer van af kon houden, want het was door die hersenen dat ik op dat moment voelde, begreep, dat er iets onomkeerbaars was gebeurd. Hoelang heb ik naar de hersenen van Bernard gekeken? Lang genoeg om ze een deel van mezelf te laten worden.

Ik draaide mijn hoofd heel langzaam, opnieuw alsof de moordenaar er nog was: als een kind dat zich nog steeds voor dood houdt na het vertrek van de boeven die naar hem op zoek zijn en dat het niet kan laten om tussen zijn vingers door te gluren naar wat hij niet zou kunnen zien als hij dood was, wat hij veinst te zijn: de doden om hem heen, na de aanval. Voor me zag ik de benen van een man die niet bewoog en van wie ik dacht dat hij ook dood was terwijl hij het niet was: het was Fabrice (Nicolino, journalist, red.). Net als ik tot dan toe hield hij zich waarschijnlijk voor dood of wachtte hij op de genadeklap, of hij zweefde door die ruimte die nog niet alleen uit pijn bestond.

Mijn hoofd draaide verder en legde zich voorzichtig neer op mijn linkerwang. Ik zag dat de andere mouw van mijn schippersjas, de rechter, gescheurd was, en toen zag ik mijn voorarm, die van mijn elleboog tot aan mijn pols was opengereten. ‘Alsof er een dolk doorheen is gehaald,’ zei de man die nog niet helemaal dood was, en hij zag een dolk zoals die van Rambo, lang, gekarteld, scherp geslepen. Het vlees lag helemaal open en terwijl hij naar de wond keek, voegde hij eraan toe: ‘Net kalfslever.’ En hij herinnerde zich de kalfslever die zijn grootmoeder voor hem maakte toen hij klein was, in de Rue des Blanc-Manteaux, die had precies dezelfde kleur en textuur, en de man die nog niet helemaal dood was genoot er altijd van die te bewonderen voordat hij hem opat. ‘Voor haar kat,’ voegde hij toe, ‘kocht mijn grootmoeder runderlever.’ Maar het bloed dat uit de wond gutste en stolde in een stilte die steeds afgrijselijker werd, het bloed overspoelde de herinnering en ik dacht eindelijk: mijn armen zijn geraakt. Iets hoger was mijn tweede hand ook bebloed, maar ik wist niet, voelde niet of het bloed uit de arm kwam of uit een wond die ik nog niet had gezien. Al het bloed komt uit dezelfde wond, dacht ik bij mezelf, en ik vroeg me af of er in die wond botten waren gebroken.

‘Ik voelde hem ineens bijna over me heen hangen, sloot mijn ogen en deed ze meteen weer open, alsof ik mijn leven op het spel wilde zetten: het was sterker dan ikzelf.’

PEN IN DE HAND

Ik draaide mijn tong rond in mijn mond en voelde losse stukken tand ronddrijven. Na een korte paniek dacht de man die niet helemaal dood was: je mond zit vol bikkels, en hij zag zijn hele jeugd voorbijkomen in bikkelpartijtjes die hij in kamers of buiten op stoffige straten speelde. Daarna werden de bikkels vervangen door tanden, elk exemplaar had een eigen geschiedenis en al 25 jaar een band met mijn tandarts, we waren samen ouder geworden en ik dacht: hij heeft al dat werk voor niets gedaan. De paniek keerde terug en ik koos ervoor alles te vergeten, de bikkels, de tanden, de tandarts, want ik was niet levend genoeg om helemaal terug te keren naar mijn kindertijd of mijn jeugd, naar het leven als een frisse appel waar je je tanden in zet, woorden die een komische bijklank kregen nu ik mijn tanden en tegelijkertijd bijna mijn leven verloor, niet levend genoeg en niet dood genoeg om onder ogen te zien wat me te wachten stond.

Ik draaide mijn hoofd terug naar het lichaam van Bernard en terwijl ik weer naar zijn schedel en hersenen keek, voelde ik voor het eerst een specifiek verdriet, specifiek omdat ik het gevoel had elk van zijn natte haren te zijn die aan elkaar vastgeplakt zaten door wat eruit stak: mijn hele lichaam en wat mij nog aan bewustzijn restte, lag onder een vergrootglas. Ik sloot voor het laatst mijn ogen in een poging de gebeurtenissen uit te wissen, alsof ik ze niet had beleefd zolang ik maar niet keek. Ik opende ze weer en Bernard lag er nog steeds. De man die ik werd wilde huilen, maar de man die nog niet helemaal dood was, weerhield hem ervan. Hij zei: ‘Ze zijn weg, nu moet je opstaan.’ Hij zei het in het meervoud, ‘Ze zijn weg’, alsof het niets was. De man die nog niet helemaal dood was, probeerde zijn gewoontes tot in detail weer op te pakken. Hij kon niet wachten om zijn tas te pakken, op zijn fiets te springen en zijn artikel over Shakespeare in te leveren. Hij was op zoek naar zijn gewoontes en routines. Als een kip zonder kop leefde hij van reflex naar reflex.

Voorzichtig ging ik op mijn zij liggen, ik kwam vervolgens overeind en bleef met mijn rug tegen de muur op de grond zitten, tegenover één van de ingangen. Ik liet mijn hand langs mijn nek glijden en merkte dat ik mijn sjaal nog steeds om had, maar dat er een gat in zat. Voor mij lag het lichaam van Bernard bijna onder de tafel en vlak daarnaast, in de doorgang en op zijn rug, dat van Tignous (tekenaar, red.). Ik zag op dat moment niet wat ik achttien maanden later te weten kwam dankzij het politierapport: zijn pen stak rechtop tussen zijn vingers uit. Tignous was aan het tekenen of aan het schrijven toen ze binnenvielen. De rechercheurs hebben dat detail genoteerd, dat de snelheid van de slachting aantoonde en de stomme verbazing die voorafging aan ieders executie. Tignous is met zijn pen in zijn hand gestorven - zoals de inwoners van Pompeï door de lava werden gegrepen, sneller nog, zonder te weten dat er een uitbarsting was geweest en dat de lava eraan kwam.

De tekenaars hadden geen tijd gehad om na te denken over de tekening die hen insloot. Hebben ze ergens aan gedacht? Zo ja, wat heeft elk van hen gedacht? Ik neig ernaar te geloven dat ze geen tijd hebben gehad om ergens aan te denken, zelf heb ik in ieder geval bijna nergens aan gedacht. Misschien was dit doodsangst: een minimaal verschil tussen de laatste seconde in leven en de gebeurtenis die dit leven gaat onderbreken, de dood die zonder waarschuwing wordt toegediend. In dat verschil is er niet veel ruimte voor iets. Ik weet niet hoelang de stilte heeft geduurd. Maar ze was zo allesomvattend dat ik uiteindelijk begreep dat mijn stemmen gelijk hadden: de moordenaars zouden niet terugkomen.

Ik stak een arm uit naar mijn rugzak, die een paar centimeter verder op de grond lag, en klemde hem tegen me aan als een oud vrouwtje dat bang is om te worden beroofd. Daarin zaten mijn papieren en mijn boeken, kortom, mijn leven op dat moment. Ik hoorde later dat de redactie één grote plas bloed was, maar toen ik erin lag, zag ik het bijna niet. Ik zag alleen de schedel van Bernard, het gezicht van Tignous en de benen van Fabrice zonder zelfs te beseffen dat het been van een ander op mij lag en dat het lichaam van Honoré (Philippe Honoré, tekenaar, red.) tussen dat been en de rest in lag, zoals me later is verteld. En ik zag alleen mijn eigen bloed.

‘Ik weet niet hoelang de stilte heeft geduurd. Maar ze was zo allesomvattend dat ik uiteindelijk begreep dat mijn stemmen gelijk hadden: de moordenaars zouden niet terugkomen.’

KOUD HIERNAMAALS

Een paar gestalten verschenen, maar ik herkende ze niet meteen, ze kwamen niet dichterbij, en uiteindelijk zag ik Sigolène met haar lichte ogen, haar ranke postuur, licht als een pluimpje. Ik was blij om haar te zien. Ze probeerde dichterbij te komen, maar het lukte haar niet en ik begreep niet waarom. Ik geloof dat ze zacht huilde, met haar gebruikelijke discretie. Ik merkte dat ik kortademig was en begreep niet waarom. Sigolène kwam uiteindelijk dichterbij, later vertelde ze dat we een beetje hadden gepraat en dat ze me heel goed kon verstaan. Ik weet niet meer wat ik tegen haar heb gezegd. Ik weet alleen nog dat ze de eerste levende, ongedeerde persoon was die ik zag verschijnen, de eerste die mij deed beseffen dat degenen die dichterbij kwamen, voortaan van een andere planeet afkomstig waren - de planeet waar het leven doorgaat. Haar gestalte loste op, ik weet niet hoe, in dat mistige, luidruchtige, koude hiernamaals achter de deur van de vergaderruimte en binnenkort achter de deur van mijn ziekenhuiskamer. Het was een hiernamaals waar mensen vrij konden komen en gaan, in een verboden en afgelegen ruimte, ze zouden binnenkort van de ene blinde vlek naar de andere galopperen voordat ze weer even voor mijn neus zouden staan, als acteurs op het toneel, bijna onbeweeglijk, die kennismaken met hun rollen en hun leven bij de ingang achterlaten.

De gestalte van Sigolène verdween en voor onbepaalde tijd was ik weer alleen. Door haar vertrek keerde de stilte terug en daarin verscheen de gestalte van Coco (Corinne Rey, tekenaar, red.). Beiden leken uit de doodskist te komen waar ik bijna in was beland. ‘Ze leeft nog, zij ook!’ zei ik tegen mezelf. Leeft ze? Ik keek naar het zwarte haar en de sombere blik van de jonge tekenares terwijl ze dichterbij kwam, ik zag haar dubbel. De man die nog niet helemaal dood was, keek naar haar zoals hij haar had zien verschijnen, zwijgend, onbekend, ze zag er bijna Egyptisch uit. De man die moest gaan leven keek hoe ze naderde, als een wezen uit een andere wereld waar hij niet meer bij hoorde. Ze boog zich naar me toe. Net als Sigolène huilde ze. Ik wist niet dat ze onder schot was gehouden en de deur had moeten opendoen voor de moordenaars en dat ze - hoewel ze nergens voor verantwoordelijk was - al met die herinnering was begonnen te leven. Ik keek geregeld naar rechts naar de open schedel van Bernard. Hoewel het me zwaar valt om dit beeld op te roepen, dat ik af en toe terughaal zoals je tegen een pijnlijke kies aanduwt om de zenuw beter te voelen, wil ik absoluut niet dat het te snel verdwijnt, ik wil lang genoeg leven om elke dood te ontkennen en me dit beeld zo vaak en zo goed mogelijk herinneren, zonder het ergens anders te hoeven noemen of te herhalen dan in deze tekst, die het in stand houdt.

Ik haalde mijn mobiel uit de zak van mijn jas, toetste de toegangscode in en scrolde door de contactenlijst. Ik had haast, maar de lijst was eindeloos en kwam me verouderd voor. Hoe had ik zoveel mensen kunnen kennen van wie de namen me nu soms niets meer zeiden? En waarom leken die onbekenden hier onder mijn ogen in zo'n sneltreinvaart gezelschap te krijgen van de mensen die ik nog kende en die met elke seconde die verstreek, naarmate de namen voorbijgleden, waziger werden? De namen gleden voorbij en de mensen naar wie ze verwezen namen afscheid van me en dat stille, uitgedoofde afscheid leek op een narcose. Was dat het leven van een journalist - van een man van 51 jaar? Een leven als een kometenstaart. Ik scrolde tot aan het nummer van mijn moeder, die als 'Madre' in mijn telefoon stond. Wie anders had ik kunnen laten bellen en om wat precies te zeggen?

Ik reikte Coco mijn mobiel aan en toen zag ik, terwijl ik hem aangaf, de weerspiegeling van mijn gezicht op het scherm. Mijn haar, mijn voorhoofd, mijn blik, mijn neus, mijn wangen en mijn bovenlip waren zoals het hoorde en ongedeerd. Maar waar mijn kin en de rechterkant van mijn onderlip hadden moeten zitten, was er niet echt een gat, maar een krater van verwoest en loshangend vlees die daar leek te zijn aangebracht door de hand van een schilderend kind, als een klodder plakkaatverf op een doek. Mijn tandvlees en gebit lagen bloot en het geheel - de combinatie van een gezicht dat voor driekwart ongehavend was en een verwoest deel - maakte van mij een monster. Ik was een paar tellen van slag, maar lang duurde het niet. Ik legde een hand onder mijn kaak, om hem vast te houden en om hem te herstellen, alsof door alles bijeen te houden de lappen vlees weer zouden samensmelten, het gat zou verdwijnen en het leven door zou gaan.

Philippe Lançon, ‘De flard’, De Geus

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234