'Als je één van hun regels had overtreden, sloegen de smokkelaars je verrot. Ze konden je zomaar doden, niemand zou het ooit weten.' Beeld Guy Puttemans
'Als je één van hun regels had overtreden, sloegen de smokkelaars je verrot. Ze konden je zomaar doden, niemand zou het ooit weten.'Beeld Guy Puttemans

Mensensmokkel in België

‘Ik was gevlucht voor de gevangenis in Ethiopië, maar dit was erger. En ik betaalde er nog voor ook’

In augustus 2018 rolde de Belgische politie een groot mensensmokkelnetwerk op aan de snelwegparking van Wetteren, langs de E40. Honderden mannen, vrouwen, kinderen en baby’s werden er tegen grof geld in de vrachtwagens gesmokkeld, in de hoop dat ze Engeland zouden bereiken. Bijna niemand durfde in de rechtbank te getuigen tegen de bende, maar Amanuel deed het wel. Drie jaar later keert hij met Humo terug naar het smokkelparcours Brussel-Kwatrecht-Wetteren. ‘Er zijn alweer nieuwe bendes actief op de parking. Dit moet stoppen.’

Er was hem beloofd dat hij met de beste mensensmokkelaar mee kon, als hij maar genoeg betaalde. Dat was John, de naam van de Eritrese smokkelaar gonsde door het Maximiliaanpark in Brussel en wekte ontzag bij de vluchtelingen uit Oost-Afrika die er al maanden kampeerden. John en zijn vrienden hadden de E40-parking van Wetteren voor 40.000 euro gekocht van een andere smokkelbende, het was nu hun territorium. Voor 800 euro konden ze ervoor zorgen dat je in een vrachtwagen werd gesmokkeld die doorreed naar Engeland. Dat was de eindbestemming van de meeste transmigranten in het park aan het Brusselse Noordstation, en ook die van Amanuel.

AMANUEL «De mensensmokkelaars bleven meestal aan de achterkant van het Noordstation, in de straat waar de prostituees zitten. Ze stuurden loopjongens naar het park om promotie voor hen te maken en kandidaten te ronselen. ‘John werkt het snelst van allemaal,’ zei de ronselaar die me aansprak. Hij had bovendien een huis in de buurt van de parking, waar je kon verblijven als de smokkelpoging niet direct lukte. Dan hoefde je niet telkens met de trein naar Brussel terug en liep je minder in het oog van de politie.

»Ik wilde zo snel mogelijk naar Engeland, dus leek hij me de beste keuze. Ik betaalde 800 euro aan de ronselaar en kreeg een betalingsbewijs. Die avond kwam John naar het park. Een boomlange, gespierde donkere man van een eind in de 20. Hij sprak net als ik Tigrinya (een taal in Eritrea en Ethiopië, red.), Arabisch en een beetje Engels. Met een uitgestreken gezicht riep hij één voor één de namen op een lijst af.

»Toen ik mijn naam hoorde afroepen en ik mijn papier aan John overhandigde, keek ik hem hoopvol aan. Mijn ellendige tocht zou nu niet lang meer duren, dacht ik. Maar dat bleek een grove misrekening.»

Amanuel vluchtte in 2017 weg uit Ethiopië, waar hij om zijn Eritrese afkomst werd opgejaagd als politiek dissident. In de Ethiopische gevangenis Amistenga legde hij contact met een mensensmokkelaar, die hem voor 15.000 dollar naar Groot-Brittannië zou brengen. Maar smokkelaar Ibrahim bleek onbetrouwbaar, en na een lange vliegreis met valse documenten via Dubai dropte hij Amanuel aan het Brusselse Noordstation. Zo belandde de Eritrese vluchteling ergens in het jaar 2017, hij weet niet precies wanneer, berooid in België, een land waar hij nog nooit van had gehoord en waarvan hij de taal niet sprak.

Vier jaar later staan we met Amanuel aan het Brusselse Noordstation, op de plek waar de smokkelaar Ibrahim hem op een ochtend heeft achtergelaten. Van hieruit toont hij ons het parcours dat de bende van John voor hem en zijn lotgenoten uitstippelden, van Brussel naar een vervallen kraakpand in Kwatrecht, en van daaruit naar de parking in Wetteren. Elke nacht probeerde hij samen met een veertigtal andere vluchtelingen een plekje te bemachtigen als verstekeling in de vrachtwagens die ’s nachts op de parking stopten. Al die maanden lag zijn lot in handen van de smokkelaars, die hem behandelden ‘als een oude stinkende schoen’, en hem bedreigden met machetes en vuurwapens. Tot de bende van tien smokkelaars op 22 augustus 2018 werd opgepakt tijdens een grootscheepse politieactie.

De politie voerde al maanden een intensief onderzoek naar de Eritrese organisatie, die de E40-parking terroriseerde. Mensensmokkel op de parkings langs de E40 leek een onuitroeibaar probleem, met alleen maar verliezers. De politie had de handen vol met het oppakken van transmigranten die in de vrachtwagens probeerden te glippen, maar ze kwamen elke nacht terug – het was dweilen met de kraan open. Vrachtwagenchauffeurs werden bedreigd door gewapende smokkelaars. Bendes vochten om de controle over de parkings, en af en toe viel er een dode. Buurtbewoners klaagden over de vreemdelingen die door hun tuinen en wijken doolden. Burgemeesters sloten ten einde raad parkings af en lieten hoge hekken met scheermesjesdraad plaatsen. Dat haalde weinig uit, omdat de smokkelaars met slijpschijven gaten in de omheiningen maakten. Het verhaal van de transmigranten zelf bleef grotendeels onderbelicht. Dat wil Amanuel nu vertellen.

AMANUEL «Toen de smokkelaar Ibrahim me bij het Brusselse Noordstation achterliet, wist ik niet waar ik was. Toen hij ’s avonds nog niet terug was, drong het langzaam tot me door dat hij me in de steek had gelaten. Ik werd overrompeld door paniek. Waar was ik? Waar kon ik naartoe? Ik hoorde de mensen een taal spreken die ik niet begreep, en durfde niemand aan te spreken. Ik had alleen een zak met kleren, wat geld en een telefoon waarmee ik niemand kon bellen. En vooral: ik had geen papieren, ook geen valse – die had Ibrahim meegenomen. Overal in het station liepen zwaarbewapende soldaten, die me koude rillingen bezorgden. Ik dacht natuurlijk dat ze voor mij kwamen. Pas veel later heeft iemand me verteld dat ze er stonden om het station tegen terroristen te beschermen. Later op de avond stroomden steeds meer vluchtelingen toe. Afrikanen, Marokkanen, Soedanezen, Eritreërs… Ze trokken naar een stationshal om te slapen. Ik volgde hen, vond een plekje op de grond tussen de anderen en probeerde te slapen. De tranen liepen over mijn gezicht. Ik was triest en doodsbang.»

‘De eerste avond namen we de trein naar het huis in Kwatrecht. We hadden geen geld voor een kaartje en verstopten ons met drie in het toilet. Oncomfortabel, maar niemand klaagde.’ Beeld Guy Puttemans Humo 2021
‘De eerste avond namen we de trein naar het huis in Kwatrecht. We hadden geen geld voor een kaartje en verstopten ons met drie in het toilet. Oncomfortabel, maar niemand klaagde.’Beeld Guy Puttemans Humo 2021

Hoelang hij aan het Brusselse Noordstation is blijven rondhangen, weet hij niet. Meer dan een maand, schat hij, maar de dagen en nachten leken op elkaar. In het Maximiliaanpark zocht hij soms het gezelschap van lotgenoten en sloot hij vriendschappen voor een dag. Langer lukte niet. ‘Ik was maar met één ding bezig: een oplossing zoeken om naar Engeland te gaan. Ik wist dat dat niet zou lukken zonder een smokkelaar.’ Schuilen deed hij onder de afdakjes van de gebouwen aan de rand van het park, vandaag afgesloten met zwaar traliewerk, maar toen nog een uitstekende plek om er ’s nachts je karton op de grond te spreiden om te slapen.

AMANUEL «Een goed karton hield de wind en de koude van de grond tegen. Het waren kleine dingen die hielpen om te overleven. We vonden ze bij het naburige supermarktje of ’s avonds in de winkelstraten, als het huisvuil werd buitengezet. Als je geluk had, vond je een oude matras. Soms kwamen er vrijwilligers naar het park met hulpgoederen. Ze deelden slaapzakken uit, maar die kon je nooit lang houden, ze werden altijd gestolen. Nog belangrijker dan karton waren goeie schoenen. Je had ze nodig om te kunnen vluchten voor de politie, wist ik. Je moest slapen met je schoenen aan, anders was je ze kwijt. Mijn zak met kleren werd gestolen, en ik liep wekenlang in dezelfde plunje rond. Het ergste vond ik dat ik me niet kon wassen. Je ruikt jezelf, je stinkt, je voelt je meer dier dan mens. Soms kwamen vrijwilligers naar het park, die je onderdak boden voor een nacht. Eén keer had ik geluk en kon ik mee met een familie van het Burgerplatform (een organisatie die zich inzet voor vluchtelingen, red.). De douche voelde als een bevrijding.»

DE WET VAN DE JUNGLE

De ronselaar aan wie Amanuel had betaald, heette Yikéalo, een Eritreër die dienstdeed als penningmeester van de bende van John. Omdat hij verblijfspapieren had, liep hij minder risico om opgepakt te worden. Hij hield het geld van de klanten bij, zodat de echte smokkelaars nooit grote bedragen op zak hadden als de politie hen zou arresteren.

AMANUEL «John was de grote baas. Hij werkte samen met twee andere smokkelaars, ze wisselden elkaar om de paar weken af. Zodra je had betaald, werd je eigendom van de trafikanten. Ze lieten je geen seconde meer alleen en je mocht geen stap zetten zonder hun toestemming. John blafte strenge instructies, als een militair. Niemand mocht een woord zeggen. ‘Als de politie jullie pakt, gaan jullie de gevangenis in,’ zei hij. ‘Je zult gemarteld worden.’ Wie hem verklikte, zou hij weten te vinden. Ik was geschokt. De ronselaar had gezegd dat het een fluitje van een cent was om in Engeland te raken, maar als ik John hoorde, zou het nog heel lastig kunnen worden.

»De eerste avond namen we de trein naar het huis in Kwatrecht. We hadden geen geld voor een kaartje en verstopten ons met drie in het toilet op de trein. Oncomfortabel, maar niemand klaagde. Het huis van John bleek een oud, leegstaand krot naast de spoorwegberm, overwoekerd door bomen en struiken. We kropen door de bosjes naar de achterkant, waar John aan de deur stond. Alleen als je naam op zijn lijst stond, liet hij je binnen. Die eerste nacht waren we met zo’n veertig vluchtelingen. Er waren heel jonge kinderen van 5 of 6 jaar bij, zelfs een baby. De meesten kwamen uit Eritrea, Ethiopië of Soedan. We zaten allemaal op elkaar gepropt in dezelfde ruimte. Alleen de smokkelaar had een eigen kamer. Er was één vuil toilet, en je kon je nergens wassen.

»Die eerste nacht hadden we enorm veel geluk: John kreeg ons groepje op de parking al meteen in een vrachtwagen. Morgen ben ik in Engeland, hoopte ik vurig. Maar diezelfde ochtend werden we betrapt door de politie. De vrachtwagenchauffeur moet ons gehoord hebben. Toen het buiten licht werd, gingen de deuren open, en ik keek in het gezicht van twee politieagenten. Mijn hart kromp in elkaar. Hier eindigt mijn leven, dacht ik. Maar het bleken aardige jongens, ze lieten ons lopen. Opgelucht renden we weg door de velden.»

Daarna probeerden ze het bijna elke nacht. Om tien uur ’s avonds vertrokken de eerste vluchtelingen naar de parking van Wetteren, in groepjes van vijf of tien. Het was een wandeling van een klein uur.

AMANUEL «We moesten eerst de spoorweg oversteken. Iedereen sprong zonder aarzelen in de bedding en liep naar de overkant, ook de kinderen. Dan ging het langs kleine veldwegjes, tussen maïsvelden, langs boomgaarden en door woonwijken. Onderweg waren we muisstil, we waren bang dat de buurtbewoners de politie zouden bellen. Soms hoorden we een patrouille met honden achter ons aan komen. Dan vluchtten we tussen de hoge maïs. Als we hun zoeklichten zagen, lieten we ons ogenblikkelijk op de grond vallen.

»Je moest vóór middernacht aan de parking zijn. Het laatste stukje liep door een industrieterrein, waar nachtwakers patrouilleerden en we elk moment betrapt konden worden. John liet me vaak zijn telefoon opladen aan een elektriciteitspaal van een transportbedrijf. Een opdracht die ik haatte. Overal hingen camera’s en bewakingslichten, en terwijl de telefoon werd opgeladen, verborg ik me tussen stapels palletten, mijn hart bonsde in mijn keel. De smokkelaars namen nooit zelf risico’s. Ze teerden op onze angst.

»Achter het industrieterrein lag het hinterland van de snelwegparking: een jungle van hoog gras en struiken, en een bos met een kamp van plastic zeilen. Daar verzamelden we in het donker zonder een woord te zeggen, en we wachtten tot John zou komen. Hij was de enige die een zaklamp had. ‘Zijn er nieuwe mensen bij?’ was steevast zijn eerste vraag. Daarna riep hij opnieuw een lijst met namen af en moest je je aanmelden. Hij scheen telkens met de zaklamp in je gezicht om te zien of jij het wel was. Soms besliste hij dat je die dag niet mee mocht. Hij zei nooit waarom, maar dan moest je achterblijven in de jungle.»

HUMO Hoe gingen ze te werk om jullie in de vrachtwagens te smokkelen?

AMANUEL «Ze knipten gaten in de omheining en stuurden ons altijd als eerste op de parking, om te kijken of er geen politie was. Vaak werden smokkelslachtoffers opgepakt terwijl ze daar op verkenning waren. De smokkelaars kwamen wel op tijd weg. Ze gooiden ons als een stuk vlees naar een hyena, zodat ze zelf niet gepakt werden.

»Dan gingen ze de vrachtwagens bekijken. Aan de hand van de producten die die vervoerden, konden ze zien welke naar Engeland zouden rijden. Ik weet niet precies waar ze op letten. John had de knepen van het vak in Frankrijk geleerd – hij was er al veroordeeld voor mensensmokkel, hoorde ik achteraf. Ze hadden materiaal bij zich om de deuren van de vrachtwagens te openen. Je mocht nooit kijken hoe ze dat deden, want ze wilden niet dat je het op eigen houtje zou proberen. Ze dreigden je te doden als je zonder hun toestemming in een vrachtwagen zou kruipen, en ik ben er zeker van dat dat in het verleden al is gebeurd.

»Ze deden ons snel instappen en maakten de deuren aan de buitenkant weer dicht. Ook dat was een truc waar we nooit iets van te zien kregen. De chauffeur van de vrachtwagen sliep meestal. Als hij wakker werd, bedreigden de bendeleden hem en ze sloegen hem met stokken en metalen staven.»

HUMO Waren ze gewapend?

AMANUEL (knikt) «En heel gewelddadig. Ze sloegen ons vaak met metalen staven. Soms hadden ze messen en pistolen bij zich. Als je ‘ongehoorzaam’ was of een regel had overtreden, werd je gestraft. De smokkelaar belde dan zijn medewerkers, die je onderweg uit de groep pikten, in een bosje sleurden en je op de knieën dwongen. Ze sloegen je verrot, namen je spullen af en bedreigden je. Je kreeg een mes tegen je keel of een pistool tegen je hoofd, omdat je bijvoorbeeld te hard had gepraat, of omdat je had geklaagd dat het te lang duurde. Dat was heel normaal. En je bent machteloos. Ze kunnen je doden, en niemand zal het ooit weten.

»De vrouwen en jonge meisjes kregen het nog harder te verduren. Elke dag werden er een paar meegenomen in de struiken en verkracht. Soms werden ze ook overdag uit het huis gehaald om bij de smokkelaars te komen. Je wilde liever niet weten wat daar gebeurde.»

'De vrouwen en jonge meisjes kregen het nog harder te verduren. Elke dag werden er een paar meegenomen in de struiken en verkracht.' Beeld Guy Puttemans Humo 2021
'De vrouwen en jonge meisjes kregen het nog harder te verduren. Elke dag werden er een paar meegenomen in de struiken en verkracht.'Beeld Guy Puttemans Humo 2021

HUMO De media berichten af en toe over grote vechtpartijen tussen rivaliserende smokkelbendes op de parking. Heb jij die ook meegemaakt?

AMANUEL (knikt) «Bijna iedere week waren er. Als één bende de controle over een parking had, was er altijd wel een andere bende die haar plaats probeerde in te nemen. Voor ons was dat een catastrofe, want telkens als de parking van eigenaar veranderde, moesten we 800 of 1.000 euro betalen aan de nieuwe baas. Op een dag dook Mohamed Ibrahim op met een bende Soedanezen– hij was de man van wie John de parking had gekocht voor 40.000 euro, maar nu wilde hij de parking terug, desnoods met geweld. De Soedanezen vielen de bende van John, de Eritreërs, aan en algauw was iedereen aan het vechten. Wij waren verplicht om aan de kant van John mee te vechten, want hij had een pistool, en bovendien hadden we geen geld om een nieuwe smokkelaar te betalen.»

HUMO Wie heeft er gewonnen?

AMANUEL «Die keer? De bende van John. Ik zag dat ze een man zo hard met ijzeren staven sloegen dat hij niet meer kon lopen. Maar andere bendes waren nog veel gewelddadiger. De Koerden kwamen vaak naar de parking. Ze waren altijd in een grote groep, hadden veel wapens en waren goed georganiseerd. Als we zagen dat zij er waren, gingen we zelfs de parking niet op. Ze onderhandelen nooit, ze vallen direct aan. Soms kwamen de Koerden zelfs naar het huis van John, als een soort waarschuwing. Dan belden de buren de politie en sloegen we allemaal op de vlucht, de jungle in. Die vechtpartijen maakten deel uit van het nachtleven.»

HUMO Wat deden jullie als het weer niet lukte om in een vrachtwagen te glippen?

AMANUEL (zucht) «Dan moesten we de hele weg terug naar Kwatrecht stappen. Dat zijn de ergste uren van de nacht. Je bent teleurgesteld en moedeloos. Het is koud, je lichaam doet pijn, de politie zit achter je aan en je bent doodmoe. De smokkelaars waren nooit tevreden als een poging mislukte en we weer aan het huis verschenen: ‘Waarom komen jullie hier terug? Losers!’ Maar we hadden geen alternatief. En de volgende nacht probeerden we het opnieuw.»

BROOD EN YOGHURT

HUMO Hoe kwamen jullie de dag door?

AMANUEL «We bleven in het kraakpand en probeerden te slapen. Dat viel niet mee, soms zaten we met vijftig in één ruimte. Er lagen kartons en enkele slaapzakken op de grond, en het rook er altijd bedompt en zurig. Stil was het er nooit. Ik lag dikwijls te luisteren naar de auto’s op de weg en de voorbijzoevende treinen, de mededelingen aan de reizigers op het perron, het ademen van de anderen, het gesnurk. Af en toe dommelde ik in, en dan droomde ik dat ik wegrende voor de politie, of dat ik me in het veld verstopte voor de honden, biddend dat het zou regenen, want dan roken ze ons niet – of dat dacht ik toch.

»We stonken uren in de wind, allemaal. We konden ons niet wassen en droegen wekenlang dezelfde kleren. Dezelfde onderbroek, dezelfde sokken die hard waren van het vuil: ik walgde van mijn eigen lichaamsgeur. Soms moesten we het ondergoed en de sokken van de smokkelaars in een teiltje wassen, en dan waste ik stiekem ook de mijne.

»We hadden veel last van ongedierte en er waren vaak mensen met schurft. Uiterst besmettelijk, en je krijgt er ondraaglijke jeuk van. Ik had het ook een keer, maar ik kon mezelf genezen door citroen op mijn huid te smeren. Ik wist precies in welke slaapzak ik schurft had opgelopen, en sliep er nooit meer in.

»De smokkelaars controleerden elk moment van ons leven. Je kon niet zomaar naar de winkel gaan, bijvoorbeeld, om wat eten te halen. We hadden voor alles hun toestemming nodig. Dan legden we de paar euro’s die we hadden samen en we kochten brood en yoghurt. Je doopte het brood in de yoghurt om het wat minder droog te maken. Soms bracht iemand citroenen mee, tegen de schurft. We verdoofden onszelf met goedkope alcohol om de pijn en de angst niet te voelen.»

'Ik wist precies in welke slaapzak ik schurft had opgelopen, en sliep er nooit meer in.' Beeld Guy Puttemans Humo 2021
'Ik wist precies in welke slaapzak ik schurft had opgelopen, en sliep er nooit meer in.'Beeld Guy Puttemans Humo 2021

HUMO Vond je steun bij je lotgenoten? Had je vrienden?

AMANUEL «Vrienden maken deed je niet. Iedereen kon op elk moment verdwijnen. Opgepakt door de politie, mee met een vrachtwagen… En eigenlijk kon je niemand vertrouwen. Er zaten verklikkers in de groep, loopjongens van de smokkelaars die de gesprekken afluisterden en bij het minste onraad de bazen inlichtten. Dan lieten John of Wedi Weldu je uit de groep halen om je te straffen. Je wist nooit wie er geklikt had.

»Voor mij waren die maanden de ergste in mijn leven. Ik had niemand om tegen te praten. Ik was nergens veilig. Ik was opgejaagd, gefrustreerd, uitgeput en ging kapot van de stress. Ik was gevlucht voor de gevangenis in Ethiopië, maar dit was erger dan de gevangenis. En ik betaalde er nog voor ook. De smokkelaars waren zo onvoorspelbaar. Ze hadden geen greintje menselijkheid in zich. Het enige wat voor hen telde, was geld. Ze verdienden er tonnen mee. Wat er met jou gebeurde, kon hun niets schelen. Als ze van je af wilden, zetten ze je opzettelijk op een verkeerde vrachtwagen, één die helemaal niet naar het Verenigd Koninkrijk reed, maar naar Nederland of Duitsland. Dan waren ze een tijdje van je verlost. Zo dunden ze hun klantenbestand uit om nieuwe mensen aan te nemen en voor nieuwe inkomsten te zorgen.»

HUMO Ben je vaak in een vrachtwagen gekropen?

AMANUEL «Een keer of twintig, denk ik. Elke keer hoop je: vandaag gaat het lukken, vandaag raak ik in Engeland. Maar telkens mislukte het omdat de chauffeur ons betrapte of omdat de politie eraan kwam. Hoe vaak ze me hebben opgepakt, weet ik niet precies. Ze waren nooit meer zo vriendelijk als die eerste keer. Ze namen vingerafdrukken, boeiden me en gooiden me in de cel. Ik ben vaak bang geweest voor wat er met mij zou gebeuren, maar ’s morgens lieten ze me gaan. Met een bevel om het land te verlaten. Wat ik wel wilde: ik wilde niks liever.

»De smokkelaars waren niet blij als ik weer bij hen aan de deur stond. Ze vonden me een lastpak. Ze wisten dat ik een beetje Engels sprak, en waren bang dat ik tegen de politie zou praten. De andere vluchtelingen spraken alleen Tigrinya.

»Op een nacht lieten ze ons met een groepje van twaalf opstappen in een vrachtwagen met kartonnen dozen. Die reed naar Engeland, zeiden ze. Moges, één van de loopjongens, stapte mee op. We klommen op de stapels en zochten een plekje achter de dozen om ons te verstoppen. Ik zat helemaal bovenaan, samen met Moges. De chauffeur van de vrachtwagen sliep. Toen hij ’s ochtends vertrok, volgde Moges het traject op zijn telefoon. ‘We rijden de verkeerde richting uit,’ zei hij na een tijdje. We waren op weg naar Zeebrugge. Dat was slecht nieuws. We zouden er zeker opgepakt worden door de politie.

»We moesten de chauffeur alarmeren, hem vragen om te stoppen en ons eruit te laten. Iedereen begon tegen de wanden te bonken en te roepen: ‘Stop, stop! Laat ons eruit!’ Maar hij reed door. Hij had bijna zeker zelf de politie gebeld. We zouden allemaal in de cel vliegen, maar Moges zou zich voordoen als een slachtoffer. Dat was de truc van alle smokkelaars: voor de politie was het immers onmogelijk om uit te maken wie de smokkelaar was, en wie slachtoffer. Tenzij één van de slachtoffers zou praten, maar dat durfden ze meestal niet.

»Ik weet niet waarom Moges me uit de rijdende vrachtwagen gooide. Wellicht dacht hij dat ik hem zou verraden, omdat ik de enige was die Engels sprak. Hij sneed het bovenste deel van het plastic achterzeil stuk met een cutter en duwde me vanop die hoge stapel dozen naar buiten. Ik smakte tegen het asfalt in de berm en verloor het bewustzijn.»

GEBROKEN BOTTEN

AMANUEL «Toen ik wakker werd, lag ik in het ziekenhuis. Ik kon me niet bewegen, ik had overal pijn. Mijn benen waren gezwollen en hingen in een katrol. Ze waren allebei gebroken. Ik heb nooit geweten wie de ambulance heeft gebeld, maar ik heb mijn leven aan die persoon te danken. En aan de dokter en verpleegsters van het AZ Sint-Jan in Brugge. Ze hielpen me, zonder vragen te stellen. Voor hen was het van geen belang of ik papieren had of niet.

»Voor het eerst had ik mensen rond mij die me behandelden als een mens. De dokter kwam elke avond langs voor een praatje. Hij gaf me moed. Toen hij zag hoe bang ik was, stelde hij me gerust: ‘Ik ga je niet weggooien als een oud stuk vuil. Als je hier wilt blijven, dan mag dat.’ De politie kwam aan mijn bed met een bevel om het land te verlaten. Ze waren bang dat ik er vandoor zou gaan, maar de dokter zei tegen hen dat ik voorlopig niet zou weglopen, met zulke benen.

»Ik heb in die dagen vaak aan zelfmoord gedacht, omdat het toen de enige optie leek om rust te vinden. Ik was een hoopje ellende. Ik was weggevlucht uit Ethiopië in de hoop vrij te zijn en rust te vinden. En waar was ik na alle ellende beland? In een ziekenhuis, in een land dat ik niet kende, met twee gebroken benen. Of ik in het VK zou raken, was niet meer het belangrijkste. De vraag was: ga ik dit overleven? Zal ik ooit nog kunnen stappen?

»Ik ben minstens twee maanden in het ziekenhuis gebleven. Eerst werd mijn ene been geopereerd, dan het andere. De pijn was hels, maar de breuken herstelden. De dokter bleef me elke avond bezoeken. Hij gaf me mijn leven terug, dat vergeet ik nooit.

»Ook de Belgische families die me in het Maximiliaanpark een paar keer onderdak hadden geboden, kwamen me elke dag bezoeken. Ze werden een tweede familie voor mij. Toen ik uit het ziekenhuis werd ontslagen en in een rolstoel zat, nam een vrouw uit Brugge me in huis om me te laten herstellen. Ze voedde me, kleedde me, waste me. Het was niet makkelijk voor haar, maar ze was zo genereus. Daarna verbleef ik nog bij andere families, en ik leerde stilaan weer op mijn benen staan en lopen.»

‘Tijdens de laatste rit werd ik uit de vrachtwagen gegooid en brak ik mijn beide benen.’ Beeld Guy Puttemans Humo 2021
‘Tijdens de laatste rit werd ik uit de vrachtwagen gegooid en brak ik mijn beide benen.’Beeld Guy Puttemans Humo 2021

HUMO Toch keerde je na je herstel terug naar het huis in Kwatrecht, om het opnieuw te proberen.

AMANUEL (knikt) «Ik wilde nog altijd in Engeland raken. In België had ik geen toekomst, dacht ik. Maar toen ik die avond naar de parking van Wetteren wilde vertrekken, deden mijn benen zo’n pijn dat ik in het huis moest achterblijven. Ik was nog niet sterk genoeg voor de tocht.

»We waren met een handvol mensen in huis. Wat verder lag een kerel die net was aangekomen uit Calais, helemaal uitgeput. Hij snurkte luid. Buiten hoorde ik geschreeuw, iemand die geslagen werd. Minuten later viel de politie binnen. Grote mannen, zwaarbewapend, met bivakmutsen. Ze richtten schijnwerpers en geweren op ons en schreeuwden onophoudelijk: ‘Politie, handen omhoog! Don’t move!’ Ik zag een rode stip van hun wapen op mijn borstkas dansen en durfde me niet te verroeren. Ze tilden me op als een kip en gooiden me op de grond. Ik schreeuwde van de pijn in mijn benen.

»Toen ze ons, gehandboeid op de rug, naar de camionette van de politie brachten, zat John er al in. Toen begreep ik dat het geroep dat we buiten hadden gehoord van hem kwam. De politie had hem in het station van Kwatrecht gearresteerd. John deed alsof hij een slachtoffer was, net als wij, maar ik denk dat ze hem doorhadden.»

In de nacht van 21 op 22 augustus 2018 deed de politie niet alleen een inval in het huis in Kwatrecht. Er was een grootscheepse actie op de parking van Wetteren, waarbij 27 transmigranten werden opgepakt. In Antwerpen en Mechelen werden bij huiszoekingen in totaal tien bendeleden opgepakt, voornamelijk van Oost-Afrikaanse afkomst.

Amanuel legde een getuigenis af bij de politie, gesteund door Payoke, het Antwerpse opvangcentrum voor slachtoffers van mensenhandel, uitbuiting en mensensmokkel.

AMANUEL «In het begin loog ik tegen de politie, zoals alle transmigranten doen. Ik zei dat ik de smokkelaars niet kende, dat leek me toen het beste. Ik was ook te getraumatiseerd om mijn verhaal te doen. De mensen van Payoke hielpen me om een getuigenis af te leggen. Ze begrepen hoe moeilijk het voor me was en begeleidden me, stap voor stap.»

De smokkelbende van John verscheen in november 2019 voor de rechtbank in Dendermonde. John werd veroordeeld tot vijf jaar gevangenis en een geldboete van 300.000 euro. Een andere hoofdbeklaagde kreeg zes jaar cel en een geldboete van 400.000 euro. Op de parking van Wetteren verschenen nieuwe bendes, die op hun beurt door de politie werden opgerold. Nog elke nacht proberen vluchtelingen er in de vrachtwagens te kruipen.

Amanuel kreeg het statuut van slachtoffer van mensenhandel en een tijdelijke verblijfsvergunning. Naar Engeland wil hij niet meer. Hij heeft een nieuwe familie in België gevonden, en werkt nu voor een sociale organisatie als intercultureel bemiddelaar voor mensen zonder papieren. Hij studeert ook aan de universiteit. Met de hulp van Payoke probeert hij een definitieve verblijfsvergunning te krijgen. De trauma’s en de nachtmerries blijven.

HUMO Waarom wilde je dit verhaal vertellen?

AMANUEL «Omdat ik wil dat er een einde komt aan dat wrede systeem van de mensensmokkel, dat zoveel wonden slaat. Wat ik heb meegemaakt, gebeurt nog elke dag in België. Kwetsbare vluchtelingen betalen grof geld aan smokkelaars en zijn totaal aan hen overgeleverd. Dromen van jonge mensen worden kapotgeslagen. Hun waardigheid en hun toekomst worden afgenomen. Het is pijnlijk, wreed en onmenselijk. Iemand moet zeggen: ‘Het is genoeg.’ En omdat de slachtoffers niet kunnen spreken, wil ik hun stem zijn.»

Payoke lanceerde de sensibiliserings-campagne ‘Mensen zijn niet te koop’ tegen mensenhandel. Op de website www.mensenzijnniettekoop.be leest u getuigenissen van slachtoffers.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234