Ilja Leonard Pfeijffer - Brieven uit Genua

Ilja, reumatische, droopy labrador en opdringerig kefkeesje in één titanenlichaam. Ilja, grote, breedsprakerige, aan de kroonluchters van de literatuur slingerende sterrenzoon. Ilja, met zijn onder hun cholesterolgehalte bezwijkende liefdes, zijn passies en zijn afschuw, zijn taal die uit elk harnas springt.


Lees ook het interview met Ilja Leonard Pfeijffer

En met zijn lieve varkensoogjes, smoor op Genua. Die Ilja Leonard Pfeijffer heeft ‘La Superba’, zijn palazzo vol rellerige schoonheid, een niet-fictieve broer geschonken. ‘Brieven uit Genua’ (De Arbeiderspers), de verzameling brieven die hij van 2012 tot 2015 schreef aan verschillende personen en instanties, biedt een haast microscopische inkijk in Pfeijffer. Ik verwed er een koppel Negroni’s om dat zelfs zijn huisproctoloog nog nooit zo diep in Pfeijffer heeft zitten pulken.

Die robuuste eerlijkheid heeft consequenties, want ze geldt ook voor wie Pfeijffer onderweg tegenkomt. In het nuffige dameskapsalon dat het Nederlandse en Vlaamse literaire wereldje uiteindelijk ook maar is, zal niet iedereen trots rondgillen dat hij een alineaatje gekregen heeft. Nog maar enkele weken geleden complimenteerde ik op deze pagina Daan Heerma van Voss met de manier waarop hij over seks schrijft: ‘Ik geloof zijn piemels en kutten.’ Nou, nu weet ik ook hoe dat komt: hij heeft gewoon z’n dagboek zitten overpennen. Pfeijffer, de snaakse roddelkont, beschrijft in een brief immers hoe Van Voss samen met Jamal Ouariachi en David Pefko na een optreden in Antwerpen per taxi twee Roemeense hoertjes laat aanslepen. Die vingeren elkaar in een hotelkamer – o, desolate wreedheid. Die hele scène hád ik al eens gelezen, licht vervormd weliswaar: Van Voss heeft ze gebruikt in ‘De laatste oorlog’, zijn recentste roman.

Pfeijffer is niet geschokt door het trieste feestje van de drie jonge schrijvers. ‘Het zijn geen nitwits,’ wil hij nog toegeven, maar hun bloedeloze apathie stoort hem. ‘Ze geloven nergens in en je kunt niet eens zeggen dat ze hun geloof zijn kwijtgeraakt. Ze hebben het nooit gehad.’

En dat is net wat deze naar alle windstreken hollende turf samenhoudt, dat is wat de zeven zielen in die imposante bast in een betrouwbare omhelzing knelt: he cares. Het kan Ilja Leonard Pfeijffer altijd wat schelen. Je kunt hem (als je dat zou willen, tenminste) zijn vadsige roddelzucht aanwrijven, zijn ijdeltuiterij, zijn praalzucht met zijn vol brillantine gewreven zinnen. Maar nooit zul je hem kunnen verdenken van cynisme. Pfeijffer gelóóft. In zijn stad, in de literatuur, in de vriendschap. In zijn leven en in de liefde. En of hij zich nu richt aan zijn ‘onwaarschijnlijkste vriendin’ Gelya of aan het Nederlands Letterenfonds, of hij nu schrijft over aikido of over het door vluchtelingen aangeraakte Europa, altijd is het dwingend en dringend, en heeft hij iets op te hoesten.

De literatuur is de basiliek waarin hij hartstochtelijk blijft bidden. ‘Wij zijn twee samoerai,’ schrijft hij Peter Nijssen, zijn uitgever, ‘geharnast door de beste vaklieden van het land en als laatsten opgeleid in de geheime kunst van ontwrichtend bloemschikken en dodelijke kalligrafie.’ En zo gretig en vilein als hij gossipt over het Nederlandse en Vlaamse literaire wereldje, zo gul en teder penseelt hij zijn vrienden. Zijn brief over Gerrit Komrij is mooi, ronduit móói: ‘Zijn geest was te lenig en te levendig om zich te beperken tot één enkele bloedserieuze persoonlijkheid.’

Verder? Pfeijffer schrijft brieven aan zijn moeder – het zijn vehikels om het over zijn kindertijd en ‘het onmetelijke oerwoud van mijn jeugd’ te hebben, waarin comfort duelleerde met fantasie, en almaar wassende eruditie met geile sloopdrift. Die tocht zet hij verder in de brieven die hij zijn jongere zelve schrijft – het blijkt liefdevol bekvechten met die maquette van de schrijver die hij nu is. ‘Je zult schrijver zijn en je zult de trots kennen dat je dat kunt zeggen en dat je kunt zeggen dat je alles voor die trots hebt opgeofferd.’

Als polemicus vind ik Pfeijffer niet per definitie indrukwekkend – hij kauwt te weinig op spectaculaire gedachten, en het verbaast me dat hij meegaat in de idolatrie voor paus Franciscus. Maar dan heeft hij het weer over de liefde – uiteraard loopt hij opnieuw op een obese verliefdheid – en gaan de pagina’s roekeloos blinken. Zelfs als de protserige Pfeijffer zich roert, en hij in turbospermataal met een gewetenloze opsomming van al zijn liefjes en veroveringen komt, sta je glimlachend aan de kant te kijken.

‘Ik ken haar listen en lagen. Ik voel haar klauwen in mijn huid voordat zij zelf op het idee komt om mij te kietelen. Ik ken de giftige smaak van haar tong in mijn oor na sluitingstijd. Ik ken het gesis van haar staart die speelt met mijn pen.’ Hier gaat het niet over een sikkeneurige geliefde die zijn gedachten vergiftigt, wel over alcohol. Want nadat hij zevenhonderd pagina’s lang gedronken heeft, industrieel veel maar passioneel ernstig, stopt hij er doodleuk mee. Pfeijffer heeft statige alinea’s opgeschreven over zijn vloeibare koningin, lyrisch betoogd hoe hij in drank het perfecte plagerige speelkameraadje heeft gevonden, en zelfs de stamboom van zijn onmatigheid uitgevlooid: de ober doen draven is een familietrek. Maar dan is er Stella, het Italiaanse meisje met wie hij toch aardig wat hemels boven de zevende gaat wonen, maar hem van de drank af wil. Ik gok dat dat liefde is. Dat is ook wat deze ‘estafette van brieven’ is: liefde.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234