In memoriam: Leonard Cohen

Hij kondigde het recent al zelf aan, voor wie tussen de lijnen kon lezen, en nu is het zover: Leonard Cohen is niet meer. ‘Het duurt niet lang meer voor ik in een eventueel hiernamaals jou de hand kan reiken,’ zei Cohen toen zijn muze Marianne Ihlen onlangs stierf. Nu blijkt dat we dat letterlijk mochten nemen.

Cohen was haast de enige consequente hippie. En dat is het net: hij was nooit écht een hippie. Want in tegenstelling tot bijna al zijn beroemde generatiegenoten bezondigde hij zich niet aan opzichtige relatiebreuken, aanstellerig geflirt met drugs, mediagenieke carrièrezetten of potsierlijke kostuums of decors. Geen enkele andere artiest was verder weg van Spinal Tap, psychedelia of flowers in your hair dan Leonard Cohen.


Bekijk ook: de 10 grootste hits van Leonard Cohen

Gek genoeg is de song waarbij ik altijd meteen aan Cohen moet denken er eentje van Dylan: ‘Dignity’. Want Cohen was, veel meer dan Dylan, een figuur die een grote waardigheid uitstraalde. En dat was geen pose. Dylan was altijd impulsiever en avontuurlijker maar ook opportunistischer. Dylan heeft ridicule periodes gekend, zich tot stunts verlaagd, en bewust zijn eigen mythe georkestreerd en gevoed. Niets van dat alles voor Cohen, die consequent en sereen zijn eigen koers voer, wars van de mode of trend van het moment.

Het typeert Cohen ook dat hij, op een korte, door producer Phil Spector opgelegde uitspatting na, nooit elektrisch is gaan spelen. Dylan was geenszins de eerste die de elektrische gitaar ontdekte maar hij had algauw door dat er in de rock ’n roll véél meer poen te rapen viel dan in de folk. Dylan goes electric was dan ook niet enkel een artistieke maar ook een financieel gemotiveerde keuze. En de verafgoding, waar Dylan meer van houdt dan hij wil toegeven, is vele malen groter en lucratiever in de rock en pop dan in het folkmilieu. Een beetje zoals in de politiek het linkse kamp verwacht dat zijn helden menselijk en aards blijven, terwijl het rechtse kamp minder bezwaar maakt tegen rijke, machtige, ijdele of megalomane medestanders. Het was Cohen die boogie street (zijn eufemistische term voor hoereren in de media en de reclame) zoveel mogelijk meed, terwijl Dylan meesurfte op elke lucratieve golf.

Zijn reputatie van ladies man was, zeker op latere leeftijd (ik ontmoette hem pas voor het eerst toen hij al 55 was), zeer relatief. De vijf keer dat ik ‘m ontmoette was hij alleen, of toch niet met een vrouw die de zijne was. Hij tourde lang met twee ook uiterlijk prachtige zangeressen. Toen ik hem opbiechtte dat ik een zware crush had op één van hem, zei hij ‘Je had er sneller bij moeten zijn, zij is lang single geweest, op zoek naar de juiste man, maar nu is ze net verloofd.’ Zijn opmerkingen over vrouwen, die, zoals het een gentleman past, nooit spontaan kwamen, enkel na vragen of bedenkingen van mijn kant, waren altijd gekruid met die typische Cohensiaanse melancholie. Het was niet enkel zijn diepe basstem die elke mijmering omrandde met een droef tintje. Ook zijn toon en woordkeuze deden spijt, gemiste kansen en berusting vermoeden.

Eén keer sprak ik hem lang in zijn daksuite in het Amigo hotel in Brussel. Toen zei hij, vol zelfspot maar ook wat somber ‘Kijk mij hier nu zitten, de zogenaamde ladies man, alweer alleen in een riante hotelsuite.’ Ik overwoog toen om een paar mooie vriendinnen op te trommelen om Cohen een gezellige avond te bezorgen, maar voelde ook schroom omdat ik dacht dat hij dat opdringerig en pedant zou vinden, én omdat ik me geen pooier wilde voelen. Maar het was een feit: Cohen was de man van enkele diepe, lange, monogame relaties met echte muzen zoals Marianne Ihlen, Suzanne Elrod, Rebecca De Mornay en Anjani Thomas, niét de artiest die in elke stad op jacht ging naar gewillige groupies. Die levenshouding heeft hem ongetwijfeld een dosis eenzaamheid bezorgd, maar ze dwingt ook respect af.

En wat te denken van een ladies man die ervoor kiest om als asceet aanslepende jaren door te brengen in een Boeddhistisch klooster met enkel spartaanse mannen als gezelschap?

Het was ook een bittere ironie die hem méér kraakte dan hij openlijk toegaf, dat uitgerekend een vrouw hem oplichtte: terwijl hij in het klooster zat, ging manager en ‘vertrouwenspersoon’ Kelley Lynch aan de haal met minstens 5 miljoen dollar van Leonards zuurverdiende centen. Het bankroet dreigde – wat ook iets zegt over hoeveel geld er tijdens een carrière wordt afgeroomd door allerlei managers, assistenten, platenfirma’s, agents enzovoort, want het was abnormaal dat een artiest van Cohens allure na een halve eeuw hard labeur niét steenrijk was. Ironisch genoeg hebben wij Cohens recente tournees (387 concerten, tusen zijn 76ste en 80ste levensjaar) enkel en alleen te danken aan de fraude van Lynch: Cohen wilde zijn kinderen toch wat geld nalaten.

En zijn kleinkinderen,waaronder de kleindochter die zijn dochter Lorca heeft met verwante ziel Rufus Wainwright. Met typisch gevoel voor tongue in cheek understatement gaf Cohen toe dat die oplichterij ‘een tijdelijke deuk in mijn opgewekt humeur’ veroorzaakte. Ook de roepnaam die hij, als zanger, aannam in het klooster Mount Baldy getuigde van humor en zelfrelativering: Jikan (vrij vertaald: de zwijger). En, het doet me nog steeds grinniken, toen hij, na decennia verwaarlozing, eindelijk een Grammy won, zei hij in z’n dankwoord met superieur sarcasme: ‘Ik had nooit gedacht dat ik deze prijs ooit zou krijgen. In fact, I was touched by the modesty of your interest in me’.

‘Elk mens die sterft is als een museum dat afbrandt,’ zei schrijver Joseph Conrad eens. Zo is het: met de dood van een bijzonder mens sterven ook al diens ervaringen, inzichten, gevoelens, impact. Dat geldt voor àlle bijzondere mensen, ook de onbekende, en bij artiesten is het een schrale troost dat een grote brok van hun bestaan is gekristalliseerd in hun oeuvre. En voor de muzikale en tekstuele pracht die Cohen nalaat is ‘oeuvre’ geenszins een te pompeus woord. Want die Nobelprijs voor Dylan had ik op z’n minst gedeeld met Cohen.

Maar de dood van iemand als Leonard Cohen proeft nog zuurder. Een generatie verliest de maker van de soundtrack bij hun leven. Maar, en dat hing ook in de lucht tijdens Cohens laatste twaalf (12!) concerten in België, mensen kwamen niet alleen naar hem luisteren maar hem ook groeten, eer bewijzen. En tegelijk kwamen ze zich aan zijn aanwezigheid laven. Cohen had, door zijn beschaafde, serene en waardige levenshouding, iets van een moreel kompas. Ook al was hij onzichtbaar, op retraite in het klooster op Mount Baldy, of cocoonend en mediterend met zijn familie, of simpelweg incommunicado, toch was het belangrijk te weten dat hij er nog was. Want, en dat gevoel heb je bij àlle artiesten die er echt toe doen, een wereld zonder Leonard Cohen erin is niet langer diezelfde wereld.

Overigens was de Belg die hem de laatste jaren het beste kende niet ik en evenmin promotoren Herman Schueremans of Pascal Van De Velde (die de mooie concerten in openlucht in Gent organiseerde), maar wel Marilyn Ambach, dochter van Paul Ambach, die meer dan een jaar met Cohen op tournee ging als lid van diens productieteam. Dit is, samengevat, haar relaas dat ze mij vanochtend deed:

‘Leonard was precies de man die je uit zijn mooie muziek kende: galant, sereen, warmhartig, grootmoedig. Ik heb hem eigenlijk tijdens een ongelukkige periode van mijn leven leren kennen: ik was gedestabiliseerd, ik had net mijn echtgenoot ontmoet, maar het was pril, ik had geen idee dat ik met hem twee kinderen zou krijgen, maar ik wist wel dat ik wilde settelen en moeder worden. Lang touren was dus geen prioriteit, maar Leonard kon ik niet weigeren.

Leonard hield aan rituelen. Voor elk concert gaf hij ons bijvoorbeeld een zalving: hij wreef olie uit een mooi klein flesje op onze pols. Wij liepen dan in processie achter hem aan het podium op, ook de crew. Er hing een familiale sfeer. Hij at heel weinig, groenten- of fruitshakes. Hij dronk wel sloten koffie. Vroeger was hij kettingroker maar daar was hij op dokters orders mee moeten stoppen. Hij grapte ‘Op mijn tachtigste zal ik terug beginnen met roken’. Ik geloof dat die sigaret op de hoes van zijn laatste cd een montage is.

Hij had geen lijfwachten, was vaak alleen, had enkel één Turks meisje als personal assistant in Los Angeles. Zijn producer reed vaak mee in de auto. En Leonard was altijd stijlvol, ik heb ‘m zelfs op lange vluchten naar Australië nooit zonder kostuum gezien. Er was iemand die ‘wardrobe’ deed. Bij andere artisten is dat een legertje dat honderd podium outfits en make-up beheert. Maar Leonard was heel self-sufficient, hij stond er op om zijn kleren zelf te wassen, hij vond dat gezellig en rustgevend.

Vrouwen heb ik op tournee nooit gezien. Ik denk dat hij het gehad had, dat hij nu rust wilde, niet de headaches met vrouwen.

Hij had altijd een notaboekje en een balpen bij de hand om invallen te noteren. En hij tekende en schilderde ook vaak. Ik heb van zijn zoon Adam een mooi schilderjtje van een bird on a wire gekregen.

Ik koester de vele korte gesprekjes die ik met hem heb gehad. Leonard vertelde mij over de paniekaanval die hij vroeger in Jerusalem had, toen hij het podium niet op durfde… In het begin moest ik hem vaak lastigvallen met work related stuff en durfde ik hem niet goed benaderen. Later hadden we toffe smalltalk wachtend op de tourbus. Hij gaf me levenslessen, hij sprak over meditatie, de teneur van die gesprekjes was een beetje à la zijn songtekst ‘there’s a crack in everything that’s how the light gets in’.

Ik zag hem voor het laatst in 2013, toen zijn we samen voor de shabbat gaan eten. Hij mailde me nadien nog voor feestdagen en ook toen mijn kinderen werden geboren. Ik wilde Leonards zegen. Hij noemde mijn kinderen ‘a blessing’ en zond ‘much love to you and your beautiful family’. Die laatste email ondertekende hij met ‘Eli Ezer’ (figuur uit de Bijbel). Ik heb ‘m ook gefeliciteerd met z’n laatste plaat. Ik weet dat Adam en Leonard het allebei juist en mooi vonden om die laatste plaat samen te maken. Adam heeft het nooit makkelijk gehad om als singer-songwriter met de schaduw van z’n vader te moeten leven.

Voor mij was Leonard mijn baas, maar ook mijn mentor, een soort grootvader, een rabbijn en een vriend. Hij behandelde iedereen gelijk, hij sprak over ons als ‘my co-workers’ en had een vriendelijk woord voor iedereen, van de technicus tot de kelner. Leonard op tournee was het absolute tegendeel van een celebrity lifestyle. Hij droeg zelf z’n gitaar op z’n rug. Hij wilde een simpel logement. Hij schreef in afzondering en kwam soms drie dagen zijn kamer niet uit. Op tournee was er telkens een concertdag, gevolgd door een vrije dag en een reisdag.

Ik voel me nu verdrietiger dan toen mijn grootvader stierf, want die heb ik minder goed gekend. Ik heb nu spijt dat ik niet méér van die tournee heb genoten, dat ik niet meer relaxed was. Ik denk dat ik het heel moeilijk zal hebben om na Leonard te moeten werken met grote ego’s en aanstellers.’

So long Marianne. So long, Leonard. Je was een échte poëet en een gentleman. En het wandelende bewijs dat beautiful losers vaak vele malen interessanter zijn en meer schoonheid voortbrengen dan winners. Jammer dat je bezwijkt aan de grootste constructiefout in de schepping, want botweg sterven is echt no way to say goodbye. Er is één troost: ‘…you’ll be hearing from me long after I’m gone, I’ll be speaking sweetly to you from a window in the tower of song.’

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234