In memoriam: Serge Simonart herdenkt David Bowie

Joseph Conrad schreef ooit ‘Elke mens die sterft, is als een museum dat afbrandt’. Dat geldt exponentieel meer voor boeiende, getalenteerde, unieke individuen. David Bowie was niet alleen met mijlen voorsprong de meest inventieve, getalenteerde, avontuurlijke, kunstzinnige en verrassende popartiest van zijn generatie, hij was ook een begenadigd schilder, een discrete mecenas die gaf zonder erover te pochen, een oprecht inspirator die jonge artiesten steunde, en iemand die nooit zijn ziel verkocht, en altijd het opzoeken van zijn eigen grenzen boven het uitmelken van zijn commerciële succes verkoos.

Door: Serge Simonart | Foto: Jimmy King

Ik heb hem bovendien leren kennen als een hyperintelligente, zeer genereuze gentleman met een superieur gevoel voor humor en een bescheidenheid die nooit valse bescheidenheid was. Veel mindere goden dan hij waren veel meer blasé. Veel mediageile mindere goden hengelden wanhopig, krampachtig en opzichtig naar de aandacht die hij vaak ontweek. Veel mindere goden en andere supersterren hebben van hem geleerd zonder dat ze dat ooit openlijk toegaven. David Bowie was een klasse apart en is onvervangbaar.

Vorige week schreef ik dit in de bespreking van Bowie’s nieuwe, uitstekende cd ‘Blackstar’: ‘Het is een luxeprobleem: een superster die alle kanten op kan en enkel moet kiezen wat hij níét wil doen. Wat de rijke, beroemde, gerespecteerde levende legende die David Bowie is, niet meer wil doen is: tijd vermorsen, want dat is net het enige waaraan hij in z’n 69ste levensjaar een gebrek heeft: tijd. Al toen hij 26 was, schreef hij ‘Time’. En de Stones logen: time is absoluut níét on our side. Tenzij je niet ‘tijd’, maar ‘tijdgeest’ bedoelt, en zelfs dat geldt voor rocksterren slechts in zeer beperkte mate.

Wat doet Bowie dus, wat dééd hij het voorbije decennium, na zijn wake-up call in 2004, wat hij zelf ‘een belachelijk ordinaire garden variety-hartaanval’ noemde? Hij verdween, dook onder, zweeg. Zijn recente bio bevat een hiaat van zes jaar. Vergelijk dat met de neverending tours van Dylan en duizend mindere goden. Vergelijk dat met het jaarlijkse uitbraken van steeds slechtere cd's van Bowies tijdgenoten. Vergelijk dat met het opportunisme van imitatoren die maar al te graag ‘Let’s Dance, part two’ zouden afscheiden.

Er was stilte. En toen een mooie single. En toen weer niets: geen tournee, geen promotiecampagne, geen talkshows, geen stunts. Niets dat de mythe voedde. En, zoals Bowie in ons laatste gesprek had aangekondigd: geen geflirt met imago of alter ego’s. En nu is er ‘Blackstar’ en het is de plaat van een gelouterd man. Een ernstig man ook…’

…En een ziek man. Ik wist dat hij kanker had gehad, maar niet dat hij hervallen was. En het is frappant en een bewijs van het immense respect én liefde die iedereen in zijn entourage hem toedroeg, dat niemand zijn aftakeling heeft doorgebeld naar de media (voor zo’n weetje ontvang je van de ratten der rioolpers algauw een miljoen). Geen ratten dus in Bowies entourage.

De tekenen waren er, voor wie ze wou zien. De single ‘Blackstar’ eindigt op een monotone drone, zoals de horizontale lijn op een monitor aangeeft dat de patiënt is overleden. De nieuwe single, niet toevallig pas uitgebracht, heet al evenmin toevallig ‘Lazarus’ en bevat deze regels: ‘Look up here I’m in heaven / I’ve got scars that can’t be seen’ en ‘Everybody knows me’ – hij wist dat zijn overlijden wereldnieuws zou zijn. En ‘I’m in danger / I’ve got nothing to lose’ – ook zijn vriend Lou Reed had op ‘Magic & Loss’ al over kanker gezongen. En ‘I’m so high it makes my brain whirl’ verwijst niet naar drugs, maar naar pijnstillers. Aan het eind van de clip kruipt hij in een kast – je hoeft geen expert in metaforen te zijn om daar een kist in te zien. Voeg daar nog zijn dooraderde handen bij (geen make-up) en de schedel (een vanitas – Bowie was fan van de kunst uit de renaissance) op de achtergrond in de videoclip voor ‘Lazarus’, en je weet: dit is een afscheid. Al die ouders die hun piepjonge kinderen wijsmaken dat ‘opa nu een sterretje aan de hemel is’… Bowie is nu meer dan ooit een ster.

De stem: die volle croonergalm, van tenor tot bariton, kamerbreed, dramatisch en gestileerd. Maar ook een flexibele stem, die moeiteloos overschakelde naar cockney of falsetto. Een stem die alle genres aankon, van rauwe rock tot zwoele soul en beklijvende ballads en gospel (‘Underground’). Een vertelstem ook, die, zoals Frank Sinatra, nooit zomaar teksten afratelde, maar verhalend fraseerde. Een stem die zich ook aanpaste aan het onderwerp en het personage: ‘Ashes to Ashes’, in de rol van een aan lagerwal geraakte astronaut, zong hij anders dan, pakweg, ‘Golden Years’ of ‘Let’s Dance’.

De componist: om te beginnen een superster die bijna altijd zijn eigen materiaal schreef. Geenszins vanzelfsprekend, getuige de carrières van tijdgenoten als Rod Stewart, Joe Cocker, Tina Turner en hele horden mindere goden die andere songwriters materiaal lieten aanleveren. En in tegenstelling tot, pakweg, een metalact, legde Bowie zich geen limieten op en bestreek hij zowat alle genres. ‘Space Oddity’ was pop, maar tegelijk veel meer dan dat. Wie deed anno 1972 beter dan ‘Ziggy Stardust’? Wie deed een jaar eerder beter dan ‘Life on Mars’? Er waren riffsongs (‘Stay’, ‘Rebel Rebel’, ‘The Jean Genie’). Er waren ballads, altijd schwärmend, nooit klef, en vaak meer een eigen genre dan een ballad, zie bijvoorbeeld het onderschatte ‘Loving the Alien’. Zelfs zijn coverversies waren vaak beter dan het origineel (vergelijk de dozijnen versies van ‘Wild is the Wind’).

De performer: ja, Bowie was, ook live, een kameleon die grossierde in alter ego’s. Ziggy, de Thin White Duke, de Man Who Fell To Earth, de Earthling… Voor mindere goden (hallo Marilyn Manson?) zijn alter ego’s een pose, een masker, een harnas dat hun banaliteit of onzekerheid moet verbergen. Maar ook als zichzelf was Bowie één brok charisma, getuige zijn laatste tournee, de ‘Reality Tour’, een hoogtepunt waarmee hij in 2004 ongewild in grote stijl eindigde.

Het rolmodel: om monotonie te vermijden en uit plaatsgebrek zal ik niet opsommen wie er allemaal door Bowie werd beïnvloed. Wie niet? En vooral: ook zij, vaak supersterren, die het nooit publiekelijk toegaven.

De mens: hyperintelligent, leergierig, genereus en vaak superieur grappig. Een gentleman die kritiek en laster altijd stijlvol en sereen pareerde. Een gever die vaak jongere artiesten die naar hem opkeken, hielp, en gul was met complimenten en publieke steunbetuigingen. Een pater familias die apetrots was op zijn zoon, de filmregisseur Duncan en zijn dochtertje Alexandra, Lexi voor de vrienden. Typerend ook dat Duncan, voorheen ‘Zowie Bowie’, carrière maakte onder zijn echte naam Duncan Jones, en niet wilde teren op de artiesten- en merknaam van zijn vader.

Voor cynici die denken dat ik mijn band met Bowie uitmelk: ik heb vanochtend 48 oproepen gekregen, van nieuwsdiensten, kranten, radiostations etc. Ik zal enkel iets zeggen op Humo’s Wildsite en bij 'Van Gils & gasten', vanavond op Eén. Wat volgt is een persoonlijk artikel, niet omwille van mijn ego, maar omdat enkel een persoonlijke benadering zinvol is, en een valabel alternatief voor alle andere reacties van mensen die Bowie niet kenden en enkel recycleren wat iedereen al weet. En als ik vermeld dat iets aan mij werd verteld, is dat om aan te geven dat het informatie uit de eerste hand betreft, geen roddel of uit de bio overgeschreven weetje.

Je herkent een ster aan de mensen met wie hij zich omringt.

Bowie was alles wat zijn ex Angie níét was. Zij was wat de Amerikanen ‘loud’ noemen: vulgair, storend assertief, opdringerig, opportunistisch, bemoeiziek. Bowie was trots en dankbaar dat zijn zoon was uitgegroeid tot een intelligente, evenwichtige, nuchtere en bovendien aimabele volwassene – ondanks de invloed van Angie. Ook al omdat Duncans opgroeien samenviel met Bowies lost weekend, zijn cokejaren. Maar los daarvan was Angie ook een parasiet die bij David jarenlang zwijggeld losweekte middels emotionele chantage - ze bleef de moeder van zijn zoon.

Bowie werd zoals zoveel popsterren in het begin van z’n carrière opgelicht en misbruikt, maar omringde zich in later jaren enkel met beschaafde medewerkers, zoals de pr-goeroe Alan Edwards, net zoals Bowie zelf een gentleman die David feilloos afschermde voor alle bullshit waarvoor een ouder wordende superster geen tijd meer wil vrijmaken. Later zou Edwards ook voor Prince werken – die weet ze ook te kiezen. Decennialang was Bowies rechterhand de eigenzinnige, discrete en ook al beschaafde en verfijnde Coco Schwab, die hem bijna overal vergezelde en zijn sociale leven organiseerde. Vergelijk dat met de pittbulls (m/v) met wie de Madonna’s van deze wereld zich omringen.

Bowie was ook loyaal en vaak té vergevingsgezind. Toen hij het idee van Tin Machine uitbroedde, benaderde hij de broers Tony en Hunt Sales, met wie hij aan Iggy Pops ‘Lust for Life’ werkte. Die twee waren (ik weet het, ik heb hen ontmoet) op z’n zachtst gezegd flamboyant en onberekenbaar. Bovendien waren het junks en hadden ze vanuit de goot over Bowie geroddeld. Maar Bowie vergaf. Net zoals hij de briljante gitarist, maar al even nijdige roddelaar Earl Slick vergaf en opnieuw in dienst nam. Vergelijk dat met andere supersterren die werken met zwarte lijsten en erger.

Kleine gulle daden typeerden hem. Toen hij op ‘Let’s Dance’ de voor het grote publiek totaal onbekende song ‘Criminal World’ coverde, had hij gehoord dat de auteurs ervan, Peter Godwin en de gruwelijk onderschatte Duncan Browne, in geldnood zaten, en hij wist dat ze elk aan de opbrengst van de auteursrechten van één track op een hitplaat minstens een huis zouden overhouden. Alweer: ik ken dozijnen pop- en rocksterren die ‘hun’ songs laten schrijven door hun muzikanten maar toch een songwriting credit opeisen.

De vriendschap tussen David en Lou Reed was geen public relations en evenmin wederzijds opportunisme. Ze deelden niet enkel hun intelligentie, talent, benadering, levensvisie (al was Bowie veel meer het zonnetje in huis) en gevoel voor humor. Bowie vertelde me ooit hoe hij en Iman met de Reeds naar de Met gingen en hij de hele voorstelling op z’n hand moest bijten om niet in lachen uit te barsten om de kurkdroge en zwaar sarcastische bon mots die Lou hem influisterde. En de trotse, iets minder genereuze Lou draafde voor niemand op, behalve voor Davids verjaardagsconcert in Madison Square Garden.

Opdat dit geen al te hagiografisch geslijm zou worden, vermeld ik dat Bowie ook een aantal missers, flops en prullen heeft afgescheiden – als cd was ‘Never Let Me Down’ een dieptepunt, wat hij me, lachend en vol zelfspot bevestigde: ‘Ah, my nadir!’ Maar geen enkele artiest, in geen enkele discipline, produceert enkel meesterwerken. Terugkijkend is het verbazend hoe weinig rommel Bowie heeft uitgebracht. Hebben Neil Young, Dylan, de Stones, Prince en zelfs Paul McCartney het wat quality control betreft beter gedaan? Ik dacht het niet.

Wat iedereen steeds weer beweert, is dat Ziggy en de Berlijnse periode fantastisch waren enzovoort. Maar ik blijf zeggen dat op de twee eerste cds van Tin Machine prachtige songs stonden, extreem vitaal en meesterlijk gezongen (ik ben nooit zo opgewonden en jaloers geweest als die keer toen ik een repetitie van Bowie met Tin Machine meemaakte in de studios van U2 in Dublin – het cliché dat muziekjournalisten gefrustreerde muzikanten zijn klopt vaak niet, maar toen wel). En latere cd's werden steevast onderschat omdat puristen graag een snobistische ‘Vroeger was het/hij beter’-houding aannemen en omdat er geen hits op stonden. Maar ‘Hours’ was een uitstekende (en zeldzame) plaat over de midlife crisis – die van zijn vrienden, beweerde Bowie publiekelijk, maar tegen mij grapte hij: ‘Ook die van mij. Maar als je dit herhaalt zal iedereen mij geloven en niemand jou.’ Bekijk de clip van ‘Thursday’s Child’: dat zijn nagespeelde, maar echt gebeurde beelden – tot de contactlenzen toe. Ook ‘Heathen’ was een topper. Maar alweer één zonder hits. Bowie deed toen al, en zou dat alsmaar meer doen, enkel en alleen zijn zin. Wie ‘Let’s Dance’ part two verwachtte (of eiste, want fans kunnen hardnekkig zijn, ’t is niet voor niets de afkorting van fanatics) mocht afhaken.

‘Lust for Life’. Díé song associeer ik nog het meest met Bowie. Hij was een cultuurvreter die wereldwijd gretig musea en galeries bezocht (vergelijk dat met de rocksterren die nooit uit hun hotelkamer komen, of die de dag doorkomen met zuipen en nazi-parafernalia verzamelen à la Lemmy). We stonden ooit (midden jaren 90, hij was nog relatief jong en kerngezond) voor zijn bibliotheek en hij mompelde oprecht gedeprimeerd: ‘Zelfs al word ik 100 jaar, dan nog zal ik dit nooit gelezen krijgen.’ Ik ken dozijnen rocksterren die nog nooit een boek hebben gelezen.

Het voorbije decennium draafde hij één keer op: hij zong in New York gratis op een benefiet ten voordele van kunstopleidingen voor kinderen. En hij maakte er een punt van om, alweer onbezoldigd én onaangekondigd, op een concert van David Gilmour een song van zijn tijdgenoot en kennis van toen Syd Barrett te zingen. Hij was die avond bijzonder goed bij stem, kreeg een staande ovatie nog voor hij z’n mond opende en mompelde, typerend, ‘Wow, you’re very kind, ik hoop dat ik jullie dadelijk niet teleurstel’. As if. Om maar te zeggen: hij had op honderd manieren nog wat meer poen, roem en status bij elkaar kunnen graaien, moeiteloos en buiten competitie. Maar hij zong gratis en quasi anoniem.

De laatste keer dat ik hem officieel interviewde, was een gesprek onder vrienden. Begrijp me niet verkeerd: ik was slechts een vage kennis van Bowie, geen intieme vriend, maar net omdat hij mij, noch Humo, noch België nodig had, en net omdat hij zo makkelijk de superster had kunnen blijven – afstandelijk, hoofs, ongenaakbaar, berekend - was het verrassend, aangenaam en vleiend dat hij praatte en bewoog alsof we samen gezellig een regenachtige namiddag in zijn buitenhuis doorbrachten. Hij vroeg me wat er op z’n bord lag, hij kon het niet goed zien – lavendelzaadjes, herinner ik me. Hij toonde me foto’s van zijn (toen) 5-jarige dochtertje met Iman. Bowie en Lexi in Disneyland. Bowie en Lexi picknickend in Central Park. Stijlicoon Bowie in een potsierlijke sweater – het soort vestimentair gedrocht dat 5-jarige kinderen hun vader cadeau doen. Bowie die Lexi leerde fietsen... 'Stop! Stop!' zei ik. 'Je bent mijn idool, ik wil dit niet zien.' Hij moest erom lachen, en zei een beetje meewarig ‘Ach, na al die jaren… laten we het gezellig houden.’

De laatste keer dat ik hem zag, in 2007, deed hij me voor de grap een beduimeld tweedehandsboek cadeau: ‘The art of conversation’ door ene Milton Wright uit, schat ik, 1950. Alle vorige keren moest ik hem afremmen: hij raadde me steevast boeken en films aan die ik absoluut moest lezen/zien, en als ik zijn enthousiasme niet temperde, vrat hij zo kostbare interviewtijd op – door ándermans werk te roemen. Vergelijk dat met al die sterren wier aandacht verslapt als je één seconde afwijkt van hun favoriete onderwerp: henzelf.

Onlangs op de 'Bowie is…'-tentoonstelling in Groningen, en eerder al op de vernissage in Londen, voelde ik me raar omdat die tentoonstelling naar mijn gevoel iets posthuums had. En nu is het zover. In ‘Space Oddity’ zong hij: ‘Check ignition and may god’s luck be with you… into something greater,’ Bowie maakte het mee dat astronaut Chris Hadfield zijn song in de ruimte zong (google het!) Nu is hij daar zélf ergens, floating in a most peculiar way…


Lees meer over David Bowie »

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234