In vuur & vlam: Onze Man bij de brandweer

In de tweede reeks van ‘Helden van hier’ – elke woensdag op VTM – wordt alles geblust behalve de passie. Je ziet hoe de Gentse brandweerlui vuur bevechten, hoe ze met de venijnige gevolgen van een verkeersongeval omgaan, hoe ze een in het eigen hoofd verdwaalde dronkenman weer tot de wereld bekeren. En hoe ze in de kazerne aan onbekommerde jongensachtigheid doen. Onze Man rukte mee uit met Brandweerzone Centrum, en probeerde niet van de brandladder te donderen.

'Geen hand voor je ogen zien, overal gesis en gekraak: dát geeft je het meeste voldoening'

‘Vuiligheid, maar geen gevaarlijke vuiligheid.’ De officier die net met zijn brandweerploeg is uitgerukt, houdt van gebalde duidelijkheid. Een wagen van een afvalverwerkend bedrijf is gaan lekken, en heeft een dubieus goedje op de rijweg achtergelaten. De brandweer is in full force uitgerukt, vooruitgejaagd door de melding dat het om een gevaarlijke stof gaat. Maar dat blijkt dus mee te vallen: ‘Vuiligheid, maar geen gevaarlijke vuiligheid.’ Er is wel nog uren opruimwerk.

Ik zal het de volgende weken nog vaker meemaken: in de Gentse brandweerkazerne gaat het alarm af, ik sprint naar de commandowagen, en hoor op de radio hoe de noodoproep van een prikkelende vaagheid is. ‘Toegang verschaffen tot woning’ kan betekenen: iemand is thuis gevallen en raakt niet meer op eigen houtje bij de deur. Maar soms wil het ook zeggen: iemand is in huilende eenzaamheid gestorven, en het lichaam ligt al twee weken te gisten. ‘Een ingestort dak’ kan de brandweerploeg naar een onoverzienbare ravage leiden, maar net zo goed naar wat plafondschilfers die naar beneden zijn gekomen. ‘Brand’ is misschien een laaiende vuurzee, misschien een klein fikkie in oververhit struikgewas. ‘Een poesje uit een boom halen en een brand blussen. Mensen hebben lang gedacht dat dát is wat de brandweer doet,’ zegt luitenant Brecht Vandeburie (34). ‘Terwijl ons takenpakket zoveel gevarieerder is. De tijd dat de pompiers in de kazerne zaten te kaarten tot er ergens een brand uitbrak, is echt wel voorbij.’

De sfeer op weg naar een interventie valt nog het best te omschrijven als afwachtende lacherigheid. ‘Maar zodra we via de radio horen dat er mogelijk slachtoffers zijn, slaat dat helemaal om,’ zegt brandweerman Thibault Beerden (24). ‘Dan wordt iedereen stil en ernstig.’

In de weken dat ik in de kazerne rondloop, vallen er nauwelijks ernstige incidenten voor. De dagen waarop er ook weinig kleine interventies zijn, worden gevuld met oefeningen, sport en karweitjes. En hoe langer ze van actie verstoken blijven, hoe minder de brandweerlui hun best doen om hun ennui te verbergen. Ik teken het op uit meer dan één mond: ‘Geef ons snel een goeie brand.’

Thibault Beerden «Er wordt vaak gezegd dat in elke brandweerman een kleine pyromaan schuilt. Dat is natuurlijk overdreven, maar het klopt wel dat dát is wat we willen doen: branden blussen.»

Brecht Vandeburie «Als het dan toch moet branden, dan hoop je natuurlijk dat het tijdens jouw dienst is.

»Tijdens drukke periodes zie je iedereen in de kazerne ontspannen en opgewekt rondlopen. Maar wanneer het al een tijdje kalm is, voel je iets van onrust ontstaan – en wordt er bijvoorbeeld gesakkerd op de officieren (lacht). Dan weet je: tijd dat we nog eens naar buiten mogen.»


Terreur en nieuw leven

Aan de Brandweerzone Centrum is ook een ambulancedienst verbonden. Die komt aan 13.000 interventies per jaar. De brandweer rukt jaarlijk tussen 3.000 en 4.000 keer uit. Voor Kenneth Lafaut (40) was dat een reden om de brandweerwagen in te ruilen voor de ambulance.

'Een klein beetje arrogantie helpt: als het dakpannen regent, kun je er maar beter van uitgaan dat die náást je kop zullen vallen'

Kenneth Lafaut «Ik was eerst brandweerman, maar het kazerneleven zat me niet zo lekker. Het liefst ben ik met mensen bezig, ga ik op interventie. Ik werd een beetje zenuwachtig van al het oefenen en sporten in de kazerne. Ik voelde mij wat opgesloten, ja, en besloot om naar de ziekenwagen over te stappen. Minder het technische, meer het medische. Dat maakt me heel gelukkig.»

Lafaut beschikt over sterke gynaecologische kwaliteiten, bleek uit de eerste aflevering van ‘Helden van hier’. Hij kalmeerde kundig een vrouw die thuis op bevallen stond, en bracht vervolgens eigenhandig het kindje ter wereld.

Lafaut «We worden wel vaker opgeroepen voor vrouwen die op bevallen staan, maar meestal is er net tijd genoeg om ze toch nog naar het ziekenhuis te brengen. Dat was hier duidelijk niet het geval: het water was gebroken en de weeën waren in volle gang. Op het moment zelf stond ik niet stil bij het bijzondere wat ik aan het doen was: er moest nú gehandeld worden, punt. Maar toen de mama en de baby vervolgens door de ladderwagen met de schelp geëvacueerd werden, en ik op de begane grond applaus kreeg van de brandweer, deed me dat veel. Ik had iets gedaan dat niet in m’n dagelijkse takenpakket zit, en dat maakte me trots. Zeker toen bleek dat moeder en kind het uitstekend stelden, en ik een kaartje en suikerbonen kreeg.»

Op dat kaartje staat een markante geboortedatum: 22 maart 2016.

Lafaut (knikt) «Het was de dag van de aanslagen, ja. Veel collega’s waren in Brussel om bijstand te verlenen, en de hele dag probeerden we zo goed mogelijk te volgen wat er gebeurde. En toen kwam dus die oproep. Heel ontroerend, eigenlijk: op een dag die gedomineerd werd door agressie, lelijkheid en dood, konden wij helpen om nieuw leven ter wereld te brengen.»


Pompiersparadox

Het is een warme nacht, en op de tweede verdieping van de kazerne kijkt de brandweerploeg met dienst uit over een schijnbaar gelukkig Gent. Dan wordt er plots een ladderwagen gesommeerd: een vrouw moet geëvacueerd worden uit een appartement op de derde verdieping, en de lift doet het niet. Twee ambulanciers zijn al ter plaatse. We haasten ons naar het opgegeven adres, de sirene snijdt de dikke, zompige lucht aan flarden. We treffen een triest tafereel: een broodmagere, oude vrouw is al enkele dagen ziek, en eet niets meer. Haar man, die herstelt van een operatie, ligt als een tedere schaduw naast haar in bed, en fluistert met iele stem pogingen tot troost in haar oor. De kamer staat vol Mariabeelden, maar de Heilige Maagd heeft klaarblijkelijk geen nachtdienst.

'Je gaat geen brandend huis binnen zonder iets van primaire angst te voelen.'

Voorzichtig leggen de ambulanciers de vrouw in de schelp, en vervolgens nemen de brandweermannen het over – via de ladderwagen gaat het naar de begane grond, waar de ambulance wacht. Daarna is er het ziekenhuis, en daarna? Ik besluit om er niet verder over na te denken.

Vandeburie «Ik begrijp je bezorgdheid, maar je moet op interventie vooral doortastend handelen, en je niet laten leiden door je emoties. Dat is een beetje de paradox van de pompier. Enerzijds kun je, denk ik, alleen maar een goeie brandweerman zijn als je fundament empathie is. Als je oprecht bezorgd bent om mensen die in nood zijn, en absoluut wilt helpen. Maar anderzijds moet je al dat onheil op een nogal prozaïsche manier benaderen. Het mag niet aan je blijven kleven, want dan hou je het niet vol. Als pompier word je hoe dan ook op een dag geconfronteerd met de dood. Als je dan introvert bent en het allemaal opkropt, draag je na verloop van tijd veel te veel gewicht mee.»

Angelo Mendoza (24) weet waar zijn luitenant het over heeft. De jonge duiker moest onlangs voor het eerst op zoek naar een lichaam in het water. Al tijdens de interventie wist hij naar wie hij op zoek was: een vriend.

Angelo Mendoza «Toch heb ik toen geen seconde getwijfeld. Dat ik het slachtoffer kende, stuwde me zelfs vooruit. Sowieso haat ik het gevoel machteloos te zijn – ik wil iets dóén. En ik wilde vooral dat de familie snel een antwoord zou krijgen. Dat ze geen twee of drie weken – de tijd vóór een lichaam komt bovendrijven – in onzekerheid moest leven.»

Toen Mendoza het lichaam van zijn vriend in het water vond, ging de wereld op zwart.

Mendoza «Tijdens die interventie heb ik iets heel bijzonders gevoeld – iets wat ik nooit meer wil voelen. In principe ben ik iemand die de dingen makkelijk kan plaatsen. Menselijk leed, de dood: het blijft allemaal niet zo hangen. Maar dit kwam veel te dicht. Gelukkig kan ik er goed over praten met mijn collega’s. En met mijn nonkel: hij is óók brandweerman, en óók duiker. ‘Dit ga je nooit vergeten,’ zei hij me. ‘Maar je kunt het wel een plaats geven.’ En dat probeer ik nu te doen.»

Vandeburie «Brandweerman zijn op de plaats waar je woont, maakt je kwetsbaar. Want ooit tref je dan iemand die je kent – zoals Angelo.»

We moeten naar een brandje in een leegstaand flatgebouw dat ooit nog Miss Oostblok is geweest. In een smerige kelder heeft een kookpot vlam gevat – allicht was een kraker hier aan het worstelen met de cuisson van zijn rundslapje. De ploeg met dienst dooft het vuur met een haast laconieke routine.

Vandeburie «Zulke interventies zijn eenvoudig en overzichtelijk. Je weet wat je te doen staat. Het zijn de tricky situaties die je als brandweerman de grootste voldoening geven. Dan haal je de échte pompiers eruit. Ergens binnengaan, geen hand voor je ogen zien, overal geknetter, gesis en gekraak, en dan toch koelbloedig blijven en de juiste beslissingen nemen. Onlangs nog had ik een brand in een ondergrondse gang vol met machines. Die rij machines werd één grote lont: op een paar seconden tijd stond alles in brand. Op zo’n moment de juiste mensen rond me verzamelen, de juiste dingen doen en de juiste risico’s nemen: dat is ontzettend bevredigend.»

Een brandweerman mag geen bang muisje zijn, zou je zo denken.

Beerden «De adrenaline en de opleiding nemen het over tijdens grote interventies. Pas achteraf sta je stil bij de interventie.»

Mendoza «Natuurlijk: je gaat geen brandend huis binnen zonder iets van primaire angst te voelen. Maar je moet de knop meteen omdraaien. Bij mijn eerste uitslaande brand besefte ik: ‘This is for real.’ En meteen daarna: ‘Nu blijf ik gewoon rustig en doe ik mijn job.’ Professionalisme moet het altijd winnen van angst.»

Vandeburie «De grote waaghalzerij bestaat ook niet meer: we nemen nooit onverantwoorde risico’s. Maar helemaal zonder gevaar is het natuurlijk nooit. Een klein beetje arrogantie helpt: als het dakpannen regent, kun je er maar beter van uitgaan dat die náást je kop zullen vallen in plaats van erop.

»Je wéét dat je een risico loopt als brandweerman. Ik las onlangs nog een artikel over de collega’s die de afgelopen vijftien jaar zijn omgekomen: dat zijn er niet weinig. Het is mijn grootste nachtmerrie: met achttien man naar een brand rijden, en met zeventien terugkomen. Die gedachte zit altijd in m’n achterhoofd wanneer ik belangrijke beslissingen neem tijdens een interventie.»




Waar het boem zegt

De centrale wacht, het communicatiecentrum in de kazerne waar de noodoproepen binnenkomen, spuwt een onheilsbericht uit: een ongeval met geknelden. Met een rotvaart razen we door een file op de autosnelweg. De kermende sirene duwt de auto’s op het ene rijvak naar links en de andere naar rechts, en zo ontstaat er een richel waar de interventiewagens nét door kunnen. Ik sterf een keer of vijf tijdens de rit: in een brandweerwagen zitten is niet iets voor iemand die zich bange weesgegroetjes biddend door het leven helpt. Het zijn stuk voor stuk stoere manskerels, de brandweerlui met wie ik op weg ben, doortastende types met een patent lichaam en ogen die zelfvertrouwen verraden. Ga met deze mannen de prehistorie in, en je weet: straks geven ze een mammoet een efficiënte nekslag, en is er weer een week lang vlees om te braden.

'Onze eerste ambitie is: mensen in nood helpen. Niet: met onze stoerheid in de etalage gaan staan om te scoren bij de vrouwen'

Vandeburie «De eerste keer in een brandweerwagen, met alle toeters en bellen, dat geeft iedereen een kick. De eerste keer een brandend huis binnengaan uiteraard ook. Dan voel je toch een zekere trots: we hebben goed ons mannetje gestaan. Maar na verloop van tijd wordt dat stoere, dat mannelijke een evidentie. Het hoort bij de job, bedoel ik: het is niet iets waar we extra ons best voor doen. En natuurlijk zijn vooral de jongere collega’s heel bewust met hun lichaam bezig: ze weten welk effect ze sorteren op het andere geslacht. Op zich is die associatie met stoerheid trouwens ook niet zo onlogisch. De situaties waar mensen van weglopen – waar het boem zegt of waar de vlammen uit het dak knallen – daar rijden wij naartoe, hè.»

Mendoza «Maar onze eerste ambitie is: mensen in nood helpen. Niet: met onze stoerheid in de etalage gaan staan. Ik ben niet bij de brandweer gegaan om te scoren bij mooie vrouwen. Wel omdat ik het heel graag wilde doen. Die mythe beschouw ik als een extraatje. Het is ook een sociaal glijmiddel bij een eerste kennismaking: mensen zijn per definitie meteen in je geïnteresseerd. Het is een job waarin je veel meemaakt, en waar mensen graag verhalen over horen. Dat is ook voor ons nuttig, want sommige interventies moet je echt van je af praten.»

Beerden «Ik vind het wel leuk, dat jongensachtige. Stop veel mannen samen in een kazerne, en je krijgt een kleuterschool voor volwassenen. Ik vind dat charmant, en het zegt ook iets wezenlijks over ons: we zijn mensen die graag actief in het leven staan, die zich niet willen laten overrompelen door de dingen.»


Meid voor alle werk

‘Man zit vast in lift’: ook dat is een interventie. We gaan ter plaatse, en met behulp van een technicus van de liftfirma wordt de man al bij al behoorlijk snel bevrijd – al zou ik hem toch aanraden om de halve kilo gehakt in zijn supermarktzakje niet meer op te eten.

Vandeburie «Een standaardinterventie, zoiets, logisch dat de brandweer dan gebeld wordt. Maar we worden ook steeds vaker opgeroepen voor knullige problemen. De brandweer is een beetje de meid voor alle werk geworden. Zeker in een grote stad als Gent vragen we ons geregeld af hoe iemand het in zijn hoofd heeft gehaald om de brandweer te bellen. Voor de gekste dingen eerst: mensen zitten met een vliegendemierenplaag, en bellen ons. Of er is een klein waterlek dat makkelijk opgelost kan worden door even een kraantje dicht te draaien. Vaak denken ze dan nog dat we de boel ook wel zullen opdweilen. Voor een vrouwtje van 80 doen we dat met plezier. Maar sorry, dertigers en veertigers: voor jullie gaan we dat echt niet doen.»

Vandeburie kon niet anders dan brandweerman worden. Zijn vader was het, en als kind al was hij gefascineerd door het roerige leven in de kazerne.

Vandeburie «Als we de sirene hoorden en mijn vader op interventie vertrok, begon ik bij mijn moeder te zeuren: ‘Zullen we de wagens achternafietsen?’ Toen ik geslaagd was voor de selectieproeven van de brandweer, ben ik meteen met school gestopt – ik zat in het zevende jaar. Mijn broer is later trouwens óók brandweerman geworden.»

Dat zijn vast boeiende familiedinertjes, daar bij de Vandeburies.

Vandeburie «Mijn ma en mijn vrouw zuchten soms: ‘We gaan toch niet wéér de hele dag over de pompiers zeveren, hè?’ Ik ben ook nog vrijwillige brandweerman bij de post waar mijn broer blust. Na een shift in Gent ben ik dus vaak stand-by, en kan ik nog steeds opgeroepen worden. Toegegeven: er is nogal véél brandweer in mijn leven.»

Vandeburie is een exponent van de nieuwe generatie brandweerlui: jong, geëngageerd, speels in de omgang, maar ernstig wanneer het letterlijk dan wel figuurlijk brandt.

Vandeburie «Ik ben sinds mijn 18de bij de brandweer – een goeie vijftien jaar, nu – en heb in die tijd heel veel zien veranderen. Er was de structurele hervorming van 2015. Sindsdien is er meer organisatie en structuur binnen de kazerne, maar dus ook veel meer regels en voorschriften. De woningen zijn geëvolueerd: in de huizen van de jaren 80 sprongen de vensters kapot en had je meteen een uitslaande brand. In hedendaagse woningen – denk aan passiefhuizen, bijvoorbeeld – speelt een brand zich voornamelijk bínnen af. Het materiaal is beter geworden. Het wagenpark van toen ik binnenkwam in 2001, is op geen enkele manier te vergelijken met wat we nu hebben staan. En er is de verjonging. Toen ik als 18-jarige in de brandweerwagen zat, voelde ik me héél piep. Ik zat daar tussen vaders – mannen van in de 40 en 50. Die waren heel beschermend tegenover mij. ‘Niet in de eerste vuurlinie, moatje. Sta maar achteraan, en kijk hoe wij het doen.’ Dat was fijn, want het gaf een gevoel van veiligheid. Maar tegelijk brandde ik natuurlijk ook van dadendrang: ik wilde zélf die lans in mijn handen hebben. De gemiddelde leeftijd toen lag rond de 45, nu zitten we onder de 40. Van de 450 brandweermannen in de kazerne zijn er zeker 300 nieuw binnengekomen de afgelopen vijftien jaar.»

Vandeburie is zes jaar brandweerman geweest, vier jaar korporaal, drie jaar onderofficier, een jaar adjudant, en is nu sinds twee jaar officier.

Vandeburie «Het is mijn geluk dat ik alle graden doorlopen heb. Dat geeft me een voordeel tegenover collega’s die met een ingenieursdiploma meteen als officieren zijn binnengestroomd. Ik heb ook het ruwe werk gedaan, de lastige karweitjes. Ik hou van mijn huidige job: een interventie leiden. Ik moet het overzicht bewaren, snel een structuur installeren, de dingen goed bijsturen. Maar ik mis het oude werk soms, ja. Als het goed brandt, denk ik weleens: ‘Verdorie, ik zou nog eens in de vuurlinie willen staan.’»

Beerden «Net daarom koester ik momenteel weinig hiërarchische ambities. Ik ben bij de brandweer gegaan omdat ik graag dingen dóé. Ik ben degene die de bomen wil vellen, die de brand wil blussen. Misschien wil ik wel korporaal worden, want heb je meer kans on lansdrager te zijn bij een brand. Maar hoger hoeft momenteel niet: in de hiërarchie stijgen zou m’n werkplezier aantasten.»


Geen Spaans graan

Graan is brandbaar, leer ik in de haven van Gent. Voor de tweede dag op rij heeft de lading in het ruim van een monsterlijk groot cargoschip vuur gevat. Met gigantische grijparmen wordt het graan op de kade geschept en daar wordt het geblust. Groot gevaar dreigt er niet, maar de operatie duurt wel enkele uren. En hoewel het geen spectaculaire operatie is, zie ik bij de opgeroepen brandweerlui iets wat me zeer voor hen inneemt: ze doen dit gráág. Ze hebben de baan waar ze als 10-jarige in technicolor van droomden.

'Brandweerman, astronaut: dat zijn de typische jongensdromen, hè. En dromen móét je najagen'

Beerden «Brandweerman, astronaut: dat zijn de typische jongensdromen, hè. Je kunt twee dingen doen: ze aan je laten voorbijgaan, of er alles aan doen om ze werkelijkheid te laten worden. Ik heb voor het tweede gekozen. Want dat moet je doen in het leven, vind ik: je dromen najagen. Zelfs voor het dubbele van wat ik nu verdien, zou ik niet naar Brussel willen pendelen. Weet je, toen er toelatingsproeven waren, ben ik als een gek beginnen te trainen. De maximumwaarden op de sportproeven moesten mijn minimumwaarden zijn. En dat lukte: ik eindigde als derde van meer dan duizend kandidaten. Wel, dat was, tot nu toe, de gelukkigste dag uit mijn leven. Dat schijnbaar ongrijpbare doel uit mijn jeugd was plots heel tastbaar geworden.»

Mendoza «Ik vond mijn draai niet op school, en wist niet wat ik wilde studeren. Maar er was wel die droom: brandweerman-duiker worden, net als mijn nonkel. En het is ook effectief mijn droomjob: ik ben nog nooit tegen mijn zin gaan werken. Nog nóóit. Dan zit je juist, hè.»

Beerden «Dat herken ik. Ik vond mijn eerste weken als brandweerman zo ontzettend spannend. En eigenlijk is dat gevoel nooit weggegaan. De kazerne binnenkomen en die rode wagens zien: ik word er nog steeds gelukkig van.»

Vandeburie «Dat heb ik in het begin vaak moeten horen: ‘Kom je weer onnozel omdat je een pompierauto ziet, Brecht?’

»Trots, daar gaat het voor mij om. Heel af en toe maak je als brandweerman het verschil tussen leven en dood. Iemand levend uit een brand sleuren en weten: waren we één minuut later geweest, dan had deze mens het niet gehaald. En wat het extra mooi maakt: je doet dat nooit als individu. Bij de brandweer werkt geen enkele superman. Nee, je doet het in team.»

Beerden «Het is heel moeilijk om uit te leggen wat er nu zo bevredigend is aan mensen helpen. Maar ik kan je verzekeren: het is zo’n mooi gevoel.»

Mendoza «Ja: de brandweer heeft me geleerd hoe onwezenlijk fijn het is als iemand je dankbaar is. Je kunt je echt niet voorstellen wat een doodgewone dankuwel van een oud vrouwtje met je doet.»

Beerden «De brandweer is als één grote familie.»

Vandeburie «Ik heb vrienden in de kazerne, mensen met wie er meer is dan enkel collegialiteit. Niet onlogisch: er zijn weken waarin ik mijn collega’s meer zie dan mijn vrouw. En met een aantal van die gasten deel ik álles – behalve het bed.»


De buik van de walvis

In de eerste aflevering van ‘Helden van hier’ zat een aandoenlijk mooi fragment met Angelo Mendoza én een walvis in de hoofdrol. Laatstgenoemde was niet naar Gent gezwommen om het Gravensteen, de hipstermeisjes en de charismatisch spartelende burgemeester. Het arme dier was onzacht in aanraking gekomen met een schip, en meegesleurd naar de haven. Een imposante kraan en de duikersploeg van de Gentse brandweer takelden het dode dier op de kade.

Mendoza «Er zijn veel reacties gekomen op mijn enthousiasme bij die interventie – mensen namen er aanstoot aan dat ik zo vrolijk was terwijl dat dier dóód was. Maar het was al gestorven vóór wij erbij geroepen werden. Waarom zouden we dan niet van de interventie mogen genieten? Naar een walvis duiken in Gent: dat is once in a lifetime, hè. Dat maak ik nooit meer mee.»

Het euforische plonzen van Mendoza, zijn jonge kreetjes: arbeidsplezier werd plots iets heel concreets.

Mendoza «Je zag daar hoe ik echt ben: spontaan, impulsief, met veel joie de vivre. Zeker toen ik doorhad dat de mond van die walvis een heel eind openstond, en ik er dus ín kon. Stel dat ik ooit kinderen heb, dan zal ik ze kunnen vertellen dat ik in de buik van een walvis gekeken heb. Hoe wijs is dat?»

Bekijk hier een fragment uit de VTM-serie 'Helden van hier: door het vuur':

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234