null Beeld

Jan Arends - Keefman / Lunchpauzegedichten / Ik had een strohoed en een wandelstok / Roofbloem

Jan Arends zag ze vliegen. De veertig jaar geleden gestorven dichter en schrijver van korte verhalen sleet zowat een derde van zijn volwassen leven in inrichtingen, voor zowel geesteszieken als alcoholisten. Hij was een masochist met een hang naar destructie, liet het gemis aan een vader steeds dieper in zijn ziel krassen, had de gewoonte bekenden in het holst van de nacht een telefonische tirade toe te brullen, outte zich in een berucht geworden interview als een curieuze fetisjist: ‘Zoals een ander homoseksueel is, ben ik huisknecht. Ik dien aan tafel en heb een stijve lul.’

Op z’n achtenveertigste sprong Arends uit het raam van zijn flat, vijf hoog. Eerder die dag was zijn dichtbundel ‘Lunchpauzegedichten’ van de drukker gekomen, twee dagen later zou die in een Amsterdamse boekhandel feestelijk aan pers en publiek voorgesteld worden.

Het werk van Jan Arends kan niet los van zijn leven gelezen worden. Zo is het titelverhaal van ‘Keefman’, de twee jaar voor zijn dood verschenen verhalenbundel, een uitgesponnen uithaal van een patiënt naar zijn psychiater, irrationeel en paranoïde. Ook de rest van de bundel, gesteld in pijnlijk klinische taal, wordt bevolkt door hele gekken en halvegaren, allen neurotische zenuwpezen.

Ook de postuum verschenen prozaverzameling ‘Ik had een strohoed en een wandelstok’ drijft op angst en ongemak. En in Arends’ gedichten zijn talloze regels te turven die met verkrampte trekken en angst in het oogwit aan het papier toevertrouwd moeten zijn: ‘Een strelende hand / doet / mij ook pijn’. Of nog: ‘Ik ben bang / voor het licht / van de zon die opkomt’.

Toch loont het de moeite te proberen, desnoods middels partiële amnesie, het werk van Arends niet louter als autobiografisch proza en bekentenislyriek te lezen – het is allemaal waar, jazeker, maar daarnaast is het ook allemaal waardevol. Ongeveer zoals ‘De schreeuw’ van Munch, de universele pijn van het zijn verbeeldend. De ‘ik’ in Arends’ werk is immers, behalve een gestoorde zonderling, ook de onaangepaste twijfelaar in elk van ons. ‘Ook aan mij knaagt de verrotting van de moderne tijd,’ luidt het in het prozafragment ‘Brief’.

In zijn verhalen was Arends de chroniqueur van het verval, niet toevallig is ‘bijl’ zowat het vaakst voorkomende woord in zijn proza én in zijn poëzie. Daarmee beende hij de taal steeds verder uit, het ritme dwingend en meeslepend, en hakte hij alles weg tot slechts de essentie restte. Die boorde hij nog meer aan als dichter: ‘Wie / kan zo mager / praten / met de taal / als ik? // Om pijn / te schrijven / heb je / weinig woorden / nodig.’

Het resulteerde in poëzie die vernieuwend van vorm zijn tijd vooruit was, merkwaardig universeel in zijn minimalisme. Met slechts enkele woorden per vers deed de dichter ranke vormen op de pagina groeien: ‘Ik / schrijf gedichten / als dunne bomen’. Waarna de bijl vanzelfsprekend niet veraf is.

Maar men kan ook, net zo goed als een boomachtige, een soort zendmast in een Arends-gedicht ontwaren: met die wijdvertakte antennes detecteerde hij in zijn overgevoeligheid kwellingen en malheur én stuurde hij dat verdriet in onontkoombare taal gevat de wereld in. Zo vatten zijn woorden de onzekerheid, schaamte en frustratie die in de condition humaine ingebakken zitten: ‘Mijn dag verstrijkt / in regelmaat van schande / Ik ben een arme man / en alle leven doet mij zeer.’

Arends was dertig jaar geleden al een Verzameld Werk ten deel gevallen: ‘Vrijgezel op kamers’, een band van zesenhalve centimeter dik, net geen 600 bladzijden met elke Arends-snipper die bijeen gegraaid worden kon. Een boek als een grafsteen: het ligt niet alleen even plomp en zwaar in de hand, het sluit het werk ook met een marmeren zwaarte van alle lucht af. Een dergelijk Verzameld Werk is voor een schrijver de kortste weg naar de vergetelheid.

Daarom is het een zegen dat nu het beste van Jan Arends in vier dunne boekjes verkrijgbaar is: afzonderlijke herdrukken van ‘Keefman’, ‘Lunchpauzegedichten’ en ‘Ik had een strohoed en wandelstok’ en een door Arie Boomsma samengestelde bloemlezing uit de poëzie onder de titel ‘Roofbloem’ (De Bezige Bij/Lebowski). Alle boekjes bevatten ook liefdevolle duiding door bewonderaars als Menno Wigman (‘Hier kotst iemand zijn hart uit met een minimum aan woorden’) en Maartje Wortel (‘De taal is zo krachtig dat je er af en toe bang van wordt’).

Schrijfster Inez van Dullemen, jeugdvriendin van Arends, schrijft in een nawoord bij ‘Keefman’ dat het hoofdpersonage van het titelverhaal in hun gesprekken nog Leefman heette en dat de veel wrangere naam opgedoken moet zijn ten gevolge van ‘het onvermogen van Jan om de goede toetsen te kunnen vinden’: ‘In verwarring sloeg hij voortdurend de K aan in plaats van de daarnaast liggende L.’

Veertig jaar na de dood van Arends is Keefman alsnog ook weer een beetje Leefman, dankzij deze vier herdrukken. Jan Arends leeft!


Schrijfster Maartje Wortel over Jan Arends:

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234