null Beeld

Jan Cremer over Het Lieve Leven

Het Lieve Leven zit soms zeer simpel in elkaar. Neem de levensles van (fantastische) schilder en (weergaloze) best­sellerschrijver Jan Cremer (73): ‘Je komt alleen. Je bent alleen. Je gaat alleen.’ Voor dit motto heeft oorlogskind kleine Jan in de vroege jaren veertig de basis gelegd. En hij werkte het en cours de route uit tot een ijzersterk Leitmotiv dat hem, voorwaar, voorwaar, geen windeieren legde: twaalf miljoen exemplaren heeft hij wereldwijd van ‘Ik Jan Cremer’ verkocht. De onverbiddelijke bestseller wordt deze maand vijftig.

Maar, in mijn ogen nog sterker: voor zijn huidige schilderijen (kijk zijn ‘Seascapes’ maar ’ns na op YouTube) vangt het Woeste Beest ‘enkele ton’ per stuk. Kunstkenners zijn van oordeel dat de schilder Jan Cremer in de verre toekomst nog belangrijker zal blijken dan de schrijver.

Jan Cremer en zijn fantastische vrouw Babette, née Sijmons, ontvangen mij op hun Geheim Landgoed, ‘ergens ver weggestopt op de grens tussen Toscane en Umbrië, Italië’, waar Jan zijn schildersatelier heeft. Het tweetal reist voortdurend heen en weer tussen hier en Parijs, waar Jan een tweede atelier houdt, en Amsterdam, waar Babette een galerie runt. We zitten samen aan tafel, op een terras met een schitterend uitzicht op glooiende olijfgaarden en met cipressen begroeide heuveltoppen. Het bier is lekker koel, de zon brandt, en Babette ligt spinnend aan onze voeten. Kan het Leven Liever zijn?

HUMO Jan, jij bent de zoon van een opmerkelijk paar. Aan de ene kant een schitterende, twintigjarige Hongaarse schoonheid uit Boedapest, aan de andere kant een Nederlandse vrijbuiter, wereldreiziger en vrijdenker van zestig, Jan Cremer senior. Wat hebben je vader en je moeder je bijgebracht?

Jan Cremer «Ik heb mijn vader nauwelijks gekend: hij is geboren in 1877 en overleed toen ik twee was. Hij blaakte van levenslust en was zeer sterk. Hij had een technische opleiding genoten en kwam aan de kost als zelfstandig elektricien, met meerdere winkels – elektriciteit was in die jaren nog zeer nieuw. Mijn overgrootouders langs vaderskant waren Duitsers, een geslacht van paardendokters en militaire wapensmeden.

»Mijn vader had er een gewoonte van gemaakt gedurende een korte tijd keihard te werken en vervolgens met dat geld een grote reis te maken. En over die tochten schreef hij dan reisverhalen. Binnenkort komt bij De Bezige Bij een biografie van hem uit. De schrijver van die biografie levert mij voortdurend nieuwe feiten. Zo leer ik, met een achterstand van zeventig jaar, mijn vader pas nu echt kennen. Hij was een grote, mooie man, 1m95, zeer charmant en een gepatenteerde vrouwenversierder. Ik heb een kist vol met hartverscheurende liefdesbrieven, aan mijn vader gericht, van twintig verschillende vrouwen. Maar iedere keer dat het ernst werd, schrok hij terug en verdween. Toen ik in de jaren zeventig research deed voor mijn trilogie ‘De Hunnen’, kwam ik vaak in contact met stokoude, meestal Duitse vrouwtjes die door mijn vader nog waren opgevrijd. Met tranen in de ogen spraken die dames over hem: ‘Ach, der Jan Cremer…’ Hij was uitvinder, fotograaf, en werkte aan een perpetuum mobile.»

HUMO En uitgerekend die vrolijke flierefluiter valt op een van zijn reizen voor een jonge Hongaarse beauté.

Cremer «De broer van mijn vader, Cornelis Cremer, had een houthandel in Parijs en een handelspost in Ivoorkust. Samen trokken zij naar Soedan, Opper-Volta en Ivoorkust. Het zwerven zat die twee in het bloed. Onrustige mensen, ook. Nou, op één van die reizen, op weg naar Palestina, houdt mijn vader halt in Boedapest. Hij loopt er een chic café-restaurant binnen en wordt er bediend door een onwaarschijnlijk mooie meid, een ballerina die haar opleiding aan het conservatorium zelf betaalde door als serveerster bij te klussen: mijn toekomstige moeder. Zij kwam uit een familie van verarmde adel, allemaal militairen. De peetvader van mijn moeder was de legendarische admiraal Miklós Horthy.

»Mijn moeder was een ontzettend temperamentvolle vrouw. Ze werd achternagezeten door zowat alle huwbare jongemannen van Boedapest. Nou, ze wees iedereen af: niemand was goed genoeg voor haar. Maar voor die boomlange vrolijke Frans uit Nederland viel ze dus met overgave. Let wel: mijn vader was toen zestig en mijn moeder twintig! Normaal gezien zou mijn moeder arts of advocate zijn geworden, maar ze had artistieke ambities – vandaar dat ballet. De familie van mijn moeder was zéér gekant tegen haar Nederlandse aanbidder. Toen mijn vader even later weer naar Enschede vertrok, heeft mijn moeder al haar kleren en sieraden in één koffer gepropt en is ze hem achterna gereisd. Zeer obstinaat, eigenwijs mens, mijn moeder. Ze zijn in Nederland getrouwd, maar enkele maanden later begon het opnieuw bij m’n vader te tintelen en vertrok hij weer op reis. Alleen.»

HUMO Ondertussen bleek je moeder zwanger. Van jou.

Cremer «Ja, hij liet haar gewoon voor onbepaalde tijd achter. Mijn moeder had zich Enschede, voortgaande op de praatjes van mijn vader, altijd voorgesteld als een tweede Parijs. Maar in werkelijkheid was het een grauwe fabrieksstad. Bovendien sprak ze geen woord Nederlands. Boedapest is een prachtige, zwierige stad. Bij haar thuis hadden ze knechten en dienstmeiden, ze was een luxeleven gewend. Ze had zelfs haar eigen paard. En daar zat ze dan, zwanger, in een stad waar ze niemand kende. Alleen met haar trots. Zo werd ik geboren.»

HUMO Neem je het je vader kwalijk dat hij jullie in de steek liet?

Cremer «Ik neem hem niks kwalijk. Een echte Cremer reist graag. Punt. Maar de echte ramp was dat hij twee jaar later plotseling overleed. Met zijn Duitse afkomst was hij pro-Duits, maar wel tégen het nazisme. Dat schreef hij ook in zijn krantenartikels. Hij raakte gewond tijdens een obscure caféruzie en belandde in het ziekenhuis. Daar bleek dat hij met een mes gestoken was. Uiteindelijk is hij in dat ziekenhuis gestorven.»

HUMO Waarom is je moeder niet met jou terug naar Boedapest getrokken?

Cremer «Omdat wij toen in volle WO II zaten. Ze kon niet meer terug. Ach, het staat allemaal neergeschreven in ‘De Hunnen’. Na de dood van mijn vader werden wij in enkele maanden tijd helemaal leeggeroofd. We hadden niets meer. De rest van de oorlog hebben wij in bittere armoede doorgemaakt. Onvoorstelbare armoede, eigenlijk, waar je nu niets meer van begrijpt: één gepofte aardappel per week, bijvoorbeeld. We hadden helemaal niks. En mijn moeder weerde iedere hulp af. Ze haatte Enschede, ze haatte Holland, ze haatte de taal. Wij spraken een soort koeterwaals onder elkaar: een mengelmoes van Hongaars, Russisch en Zwitserduits. Babette heeft het taaltje van mijn moeder nooit kunnen begrijpen.

»Mijn moeder… dat is de oer-Cremer. Mijn ooms langs moederskant werden in de oorlog ingelijfd en vochten als officier aan Duitse zijde, aan het Oostfront. Duitse officieren kwamen ons hun groeten en post overbrengen in Enschede. Zo kregen ook wij de naam deutschfreundlich te zijn. We werden helemaal gemarginaliseerd.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234