Jan Hoet overleed 5 jaar geleden: 'Je moet fris naar de dingen kijken'

'Ik geloof dat het universum oneindig is maar dat er, en dat lijkt een contradictie, uiteindelijk niets verloren gaat. Alles blijft erin. Niets kan eruit. Dat betekent ook dat, als je sterft, je er nog altijd bent. Je weet alleen niet hoe en op welke manier. Dat was misschien wel het mooie aan mijn ongeluk in Hamburg: heel even kreeg ik een glimp van het leven na mijn overlijden. En dat was nog niet zo gek.’ Zo heeft kunstpaus Jan Hoet het laten optekenen in het prachtig uitgegeven huldeboek ‘Jan Hoet’, dat naar aanleiding van zijn 77ste verjaardag bij uitgeverij Hannibal is verschenen.

(Verschenen in Humo 3799/26 op 7 juli 2013)

Hoet heeft de dood in de ogen gekeken. Vorig jaar zakte hij op de luchthaven van Hamburg in elkaar en werd vervolgens in comateuze toestand weer naar België gebracht. Op de cultuurredacties werd al hard aan zijn in memoriam gewerkt. Maar Hoet, geharde vechter die hij altijd al was, haalde het – de kat kwam weer. En als ik mij die verregende ochtend in ‘zijn’ S.M.A.K. (Stedelijk Museum voor Actuele Kunst in Gent) aandien, neemt hij als vanouds met jongensachtige charme de honneurs waar.



Een man die zo ver heen is geweest dat ‘ik heel even een glimp kreeg van het leven ná mijn overlijden’, ja, daar kan vast wat van worden geleerd. Al is het maar – de lezer weze hierbij gewaarschuwd – dat je vooral niet te zuinig op uitroeptekens moet zijn!?



Jan Hoet «Mijn roots liggen in Geel. Mijn vader was er hoofdgeneesheer en psychiater, in de kolonie van de zottekes. Ik ben in 1936 geboren, mijn jongste broer in 1944, in de kelder, tijdens een bombardement. Mijn vader heeft zelf de bevalling gedaan, samen met de dokter-psychiater die naast ons woonde.

»‘Geel’ was uniek in de wereld: de geesteszieken werden er opgenomen in de familiekring van de omwonende gezinnen. In mijn tijd liepen er meer dan tweeduizend zottekes rond. Voor ons was dat zeer normaal. Of juister: het leek normaal, want in Geel was het abnormale normaal (lacht). In Geel kon het gebeuren dat je als jonge gast niet wist of iemand nu wel of niet je broer was.»



HUMO Huh??



Hoet «De zottekes zaten bij ons in huis, en als kleine snotneus beschouw je die ook als broers. Bij ons zaten er drie: Jefke, Stan en Palma – die laatste was een epileptica, Stan was een schizofreen, Jefke deed helemaal niets. (Denkt na) Of nee: Jefke breide – de hele dag. Maar dat breien had geen resultaat; er kwam niets uit zijn priemen, verstaat ge? Palma kreeg af en toe een aanval. Dat is gruwelijk om zien, hè. Niet zo aangenaam: ze bijten hun tong af.»

HUMO Wat hebben uw ouders u geleerd? Met welke waarden werd u opgevoed?

Hoet «Mijn vader heeft mij boven alles in de wereld van de kunst geïntroduceerd. Hij was verzamelaar en een goede vriend van Constant Permeke en Gust De Smet. Hij kende Jean Brusselmans, Edgard Tytgat, Frits Van den Berghe en vele anderen.

»Vader kocht kunst en ik ben erin meegegaan. Vanaf mijn tien, elf jaar zat ik op internaat, bij de jezuïeten in Turnhout. Dan mag je maar om de zes weken naar huis. Mijn ouders schreven mij iedere week welke kunstenaars ze hadden bezocht en welke doeken ze hadden gekocht. Dat speelde in mijn hoofd, ik begon mij daar van alles bij voor te stellen. Wat voor mensen gingen schuil achter al die namen: Jules De Sutter, Hubert Malfait, Henri-Victor Wolvens? Als ik met Allerheiligen of Kerstmis eindelijk naar huis mocht, wilde ik per se mee met mijn ouders naar al die schilders. En zo is dat gegroeid. Van jongs af aan, dus.

»Die artiesten kenden mij als ‘de kleine Jan’. Ik vond hen veel boeiender en sympathieker dan mijn leraars op school. Die mannen práátten met mij: ‘Kijk, Jantje, zo moet ge verf maken en zo moet ge uw penseel vasthouden.’

»Na al die ontmoetingen wilde ik zélf kunstenaar worden. Schilder! Maar mijn ouders wilden dat ik eerst de humaniora zou afmaken. Eerder mocht ik niet naar de academie. Zo ging dat toen in de burgerij: éérst uw diploma. Uiteindelijk heb ik dat diploma voor middenjury behaald: ik was buitengevlogen op 't college.»

HUMO Waarom??

Hoet «Deugnieterij, zeker? Voor prullen zetten ze je aan de deur. Ik was nogal rebels, ik stak van alles uit. Eigenlijk wílde ik dat ze mij buitengooiden. Nadien trok ik naar de kunsthumaniora van Sint-Lucas in Gent; ook daar werd ik buitengesmeten. Door Jef Wau­ ters, een schilder van zeemzoete kinderkopjes en zo. Een zéér slechte artiest, die jaloers was dat mijn vader nooit iets van hem wilde kopen. Bij ons thuis kwam de kunstenaar Jos Verdegem – zeer beroemd in Gent – en die zei: ‘Kom bij mij in het atelier werken. Je zult er veel meer leren dan op school, bij die onnozele Jef Wauters

HUMO Was u goed als schilder?

Hoet «In het begin wel. Ik kon behoorlijk tekenen en omgaan met verf.»?

HUMO En toch hebt u het opgegeven?

Hoet (gedecideerd) «Ja, omdat ik geen artiest ben. Een artiest... dat is iets anders. Ik was een pseudo-artiest, ik bracht niets nieuws, ik werd altijd beinvloed door iedereen. Versta je? Eerst maakte ik Permekes, nadien Andy Warhols. Ik zag iets dat mij interesseerde en dan dacht ik: ‘Dat kan ik ook!’, en dan schilderde ik à la méthode de... Maar dat is geen echte kunst, natuurlijk. Dat is epigonisme – het ergste wat in de kunst bestaat. Echte kunst moet uit jezelf komen. Het moet komen uit een autobiografische erkenning van bepaalde faculteiten. Als kunstenaar. Versta je?»

HUMO Nee, maar ga rustig verder.?

Hoet «Je moet... een andere zienswijze brengen. Kunst heeft vanzelfsprekend met techniek te maken, en die had ik. Maar 't heeft ook met een visie te maken, een oordeel over het verleden. Maar dat oordeel had ik niet. Hoe Joseph Beuys zijn oordeel opbouwt en weergeeft, hoe Ilya Kabakov dat doet, Daniel Buren, noem maar op. Door hén heb ik ge-

leerd wat echte kunst is. Maar in mezelf zat het dus níét. Dat besef was verschrikkelijk. Een marteling! Ongelooflijk, hè. Ik kon het niet – zo simpel is het. En als je het niet kunt, dan stop je er beter mee. Als dat geen mooie levensles is! (lacht lang en smakelijk).

»Dus ben ik maar naar de normaalschool gegaan, bij Oc­tave Landuyt: ik werd regent plastische opvoeding (zucht, om de verloren droom). (Mijmerend) Eigenlijk hoor ik gelukkig te zijn dat ik op tijd mijn niet-kunstenaarschap heb ontdekt. Anders had ik nog méér jaren verloren.»

HUMO Herinnert u zich?nog het precieze moment waarop u besefte: ik kan het niet?

?Hoet «Ik herinner mij dat moment maar al te goed. Het was in 1964. Ik was als kunstenaar uitgenodigd voor de jongerenbiënnale van Parijs. Landuyt had mij gezegd: ‘Meedoen, verdorie!’ Maar ik kwam tot níéts. Een maand vóór die biënnale ben ik ermee gekapt. Foert! Ik ben kunstgeschiedenis gaan studeren, aan de universiteit, terwijl ik ondertussen lesgaf.

»Ik had geen geld, en toch kocht ik al kunst. In 1965 kocht ik een Raoul De Keyser, in 1966 een Raveel, in 1967 een Andy Warhol – elk jaar wilde ik tenminste íéts kopen, telkens voor ongeveer 7.500 frank. Een Warhol voor 7.500 frank! Onwaarschijnlijk, hè. Maar voor mij was het wel een maandwedde.»


Blote borst

HUMO U hebt talent altijd zeer vroeg ontdekt. Wat is uw geheim??

Hoet «Aan de basis ligt: de droom, het verlangen. Toen ik twaalf was en wij van Geel naar Gent verhuisden, mocht ik mee aan het handje van mijn ouders naar het Museum voor Schone Kunsten. Ik liep het gebouw binnen en was als door de hand Gods geslagen: ‘Mama, papa, wat een schoon huis is dat hier toch!’ En tegen de concierge zei ik: ‘Hier zou ik graag willen wonen!’ Iedereen schoot in de lach, natuurlijk. Het was... een verborgen verlangen. Iets dat blijft hangen en dat met schoonheid te maken heeft. Voilà. Later ging ik, nog altijd twaalf jaar, alleen naar dat museum. Maar de conciërge liet mij eerst niet binnen: kinderen hoorden begeleid te zijn. Want je zou maar 's een blote borst te zien krijgen! (lacht smakelijk) Mijn vader heeft er toen voor gezorgd dat ik wél binnen mocht. In mijn eentje ben ik vele tientallen keren dat museum gaan bezoeken. Ik voelde mij daar thuis, omringd door schilderijen.

»Met mijn moeder bezocht ik de veilinghuizen. Soms wist ik beter dan zij welke werken getoond werden. Ik kende de prijzen, de afmetingen, de namen van de kunstenaars uit het hoofd, zoals een ander kind de coureurs uit de Ronde van Frankrijk kent. Isidore Verheyden, Albert Claeys, Al­ fred Verwee, Emile Claus: dát werd toen gekocht. En ik kende dat allemaal: ‘Kijk, ma, daar hangt een Verwee.’ Ik was altijd met kunst bezig. Als je aan een normaal kind van die leeftijd had gevraagd wat hij mooi vond, had hij waarschijnlijk een prulschilderij aangewezen, een landschap van een zonsondergang, bijvoorbeeld, of van een clown of een zigeuner. Maar door zoveel in ‘mijn’ museum rond te lopen, begreep ik dat zoiets geen kunst is. Ik scheidde al zeer vroeg het kaf van het koren. En thuis hingen de Permekes aan de muur, de Brusselmansen, al die schilderijen die zoveel krachtiger zijn. Ik vond Permeke toen de Michelangelo van onze tijd. Ik ben zelfs 's bij Permeke met vakantie gemogen!

»Ik ben altijd nieuwsgierig geweest naar het nieuwe, naar iets dat voordien niet bestond, iets dat je nog nooit gezien had. Zo ben ik van Permeke naar Karel Appel gesprongen, mijn vader achterna. Karel Appel, dat was de veruitwendiging van het expressionisme, maar dan op een andere manier. De ‘Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst’ gaf vaak lezingen, mét de kunstenaars erbij. Dáár heb ik mijn blik leren ontwikkelen. Ik herinner me de lezing van Karel Appel als de dag van gisteren, in de aula van de universiteit. Stampvol. En gediscussieerd dat er na afloop werd: ‘Wat is dat voor kloterij!’, want Karel Appel uitte zich als barbaar! Maar ik vond dat helemaal geen kloterij, ik vond dat fantastisch! Formidabel! Want ik had het begrepen: Karel Appel becommentarieerde eigenlijk de oorlog: ‘Weg met die slappe cultuur, dat flauwe formalisme, die zoeterige esthetica!’ Appel tekende en kleurde als een kind. Gewéldig.»


Eeuwig kind

HUMO Zijn er kunst­ stromingen waarvan u zegt: ‘Hieraan doe ik niet

mee. Hier hou ik niet van’?

Hoet «Weinig. Neem het kubisme. Picasso schilderde het kubistische portret van kunsthandelaar Ambroise Vollard. Maar zijn vrienden vonden het flauwekul: ze herkenden er Vollard niet in. Tot het kleinzoontje van Vollard op het doek toeliep en riep: ‘Kijk! Opa!’ Dat kind had onbevangen gekeken, snap je; hij was de enige die Picasso echt had begrepen. Een toeschouwer projecteert zijn eigen kennis, zijn weten op een doek. Als die kennis te beperkt is, zal hij het doek lelijk vinden. Eigenlijk kijkt hij naar zichzelf. Is dat geen mooie les! Je moet léren kijken, nietwaar. En ik ben altijd een beetje kind gebleven. Van het één in het ander, snap je?»

HUMO We kennen Jan Hoet als een chaoot, altijd opgewekt, altijd enthousiast, altijd van de hak op de tak springend, zonder enige structuur. is dat het resultaat van...

Hoet (enthousiast) «Ja! Het resultaat van eeuwig kind willen blijven! Je moet fris naar de dingen kijken. Je moet jezelf ook afvragen: ‘Is this nice to look at?’ Kunst is een vak, met secrets, met geheimen. En met interpretatie.»

HUMO wat zijn die secrets?

Hoet «Dat zijn de achterliggende bedoelingen van de kunstenaar. En bij de echt groten zijn die bedoelingen er, geloof me vrij. Altijd is er een verbondenheid met leven en dood. Vermeer zei: ‘Mijn schilderijen zijn zo klaar als water’. En hij had gelijk! Maar zijn vriend Antoni van Leeuwenhoek, lenzenslijper en één van de uitvinders van de microscoop, had via zijn lenzen ontdekt dat water níét glashelder is, maar boordevol beestjes zit. Net daarover kregen ze ruzie: helder versus troebel water. De waarheid versus het mysterie. Wetenschap versus kunst.»

HUMO Ondertussen zit?de wereld, ook de wereld van de kunst, in een diepe crisis.?

Hoet «Kunst wordt te sociaal. Iedereen is vandaag de dag kunstenaar. Als jij straks op een piëdestal gaat staan en roept: ‘Ik ben kunstenaar’, wel dan bén je het. Dat is... het bankroet van de echte kunst. Er is een overaanbod van kunstenaars, van kunstwerken, van musea, van tentoonstellingen. En van kunstkenners (lacht). Door de bomen zie je het bos niet meer. Kunst leeft bij de gratie van het geheim. Terwijl wetenschap dat geheim probeert te doorgronden. Maar als een geheim doorgrond is, is het niet langer een geheim. Dat is de dood van de kunst. Wetenschap maakt kunst stuk. Je moet het geheim niet doorgronden, nee, je moet het geheim koesteren.

»Alles in de kunst draait tegenwoordig om de markt. En de musea, in plaats van te wei-

geren dat spel mee te spelen, doen méé aan de markt, vormen er een onlosmakelijk deel van. De musea zijn in hetzelfde bedje ziek als de televisie: ze liggen allebei wakker van de kijkcijfers. En daar doen ze allebei toegevingen aan. Het sociale! En de kunstenaars doen er noodgedwongen ook aan mee.

»(Mijmerend) Een kunstenaar heeft een vijand nodig waartegen hij kan vechten en zich afzetten. Maar die vijand bestaat niet meer. Ja, er is het gevaar van de islam, maar dat ligt nog te ver weg. Ik zeg je: zonder gevaar, zonder vijand: geen kunst.»

HUMO Maar neem nu Luc Tuymans...?

Hoet (onderbreekt) «Indertijd kocht ik een Tuymans voor 250 euro! Niemand wilde dat. Mijn moeder heeft háár Tuymans 800 euro betaald, op een expositie, de enige Tuymans die er toen verkocht werd. Tuymans was een nieuw, fris geluid. Toch in het begin. Nu schildert hij naar mijn smaak te analytisch.

»Onlangs is er een werk van Tuymans verkocht voor 2,5 miljoen euro! Allee, voor een nog levende kunstenaar! En het kán niet anders of dat bedrag speelt in Tuymans' hoofd als hij aan een nieuw doek begint: ‘Nu ga ik eens in één, twee, drie 2,5 miljoen verdienen, zie’ (lacht). Bij iederéén in zijn geval moet dat spelen. Er zijn er die eraan kapotgaan. Maar Tuymans niet: hij blijft het verdomme meester! Een groot artiest, hè. Maar de druk van de markt moet vreselijk zijn.

»Kunst is handelswaar geworden, met vraag en aanbod – wat vroeger niet het geval was. Toen de bankencrisis uitbrak, beseften de mensen: ‘Mijn geld is nergens meer veilig. Dan stop ik het nog liever in kunst. Want dan hangt er tenminste iets aan de muur waarmee ik kan uitpakken als er bezoek komt.’

»Eigenlijk ligt Andy Warhol aan de basis van dat uitgesproken marktdenken. En tegelijk hekelde hij het, met zijn schilderijen van soepblikken en dollarbiljetten.?Luc Tuymans heeft dat ook: hij overstijgt het marktden­ ken door zijn intelligentie en zijn strategische kijk.»

HUMO Dan sta je toch mijlenver van de naïviteit van de blik van het kind waarover je het zonet had?

Hoet «Dat is precies waar ik naartoe wil: net die naïeve blik dreigt voorgoed verloren te gaan.»


Verkeerde terminal

HUMO U zit hier al langer dan een uur tegenover mij als een Beau Brummell van veertig, met de oogopslag en de glimlach van een schooljongen. maar toch lag u onlangs nog in coma, en op de cultuurredacties werd uw in memoriam al voorbereid.

Hoet «Ik heb altijd geprobeerd te leven van wat ik krijg, niet van wat ik ben. Want in we­ zen ben ik niets, niemendal. Je bent niet, je krijgt. En ja, dat is religieus. Want van wie krijg je het anders dan van den dieje daar (wijst naar de hemel). Ge­nade, godverdomme! Onder­ gaan! Alles ondergaan, ook de ziekte. Geen minuut, geen se­ conde heb ik mij verzet.»

HUMO Had u pijn?

Hoet «Ja, maar ik onderging die pijn. Ik heb dat geleerd van mijn schoonbroer die chirurg is en prof aan de universiteit. In 1990 heeft hij mij geopereerd, ik had nierkanker. Ik vroeg: ‘Doet dat pijn, zo'n operatie?’ En zijn antwoord was: ‘Als je pijn hebt, is dat jouw schuld. Je moet ons op tijd verwittigen. Dan geven wij je een spuitje en de pijn gaat weg.’ Zo simpel zit het leven in elkaar.»

HUMO U hebt al uw haar nog, u bent slank, u oogt nog altijd ontzettend jeugdig, ondanks uw 77 jaar. Hoe doet u het??

Hoet «Dat zit in de familie, hè. Vooral langs de kant van mijn moeder. Maar ook langs die van mijn vader. Rust ken ik niet, heb ik niet nodig. Ik ben altijd bezig. Mijn geheim is: ik werk

niet, ik speel. Ik geniet, man! Ik kan genieten van niemendal: van naar een chauffage te kij­ ken (hilariteit)

HUMO Wat was er nu precies met u gebeurd ?op de luchthaven van Hamburg? U zat, geloof ik, in de verkeerde terminal?

Hoet «Het was om zot te wor­ den. Verschrikkelijk. Ze roepen je om, je kijkt naar het bord, je kijkt op je klok en je denkt: ‘Oeioeioei, ik zit verkeerd. Maar als ik mij rep, haal ik het nog net.’ Ik heb gespurt, man, met mijn handbagage en de hele bataclan. Dán zie je af. Veel beter ware geweest kalm te blijven en te zeggen: laat ik dat vliegtuig maar missen, ik neem het volgende wel. Maar nee, ik heb mijn longen en mijn hart aan flarden gelopen. Pas op: ik heb die terminal gehááld. Maar toen ik er aankwam was ik pompaf en ben ik ineengestuikt. Báf op de grond. Er be staat zelfs een foto van! Te­ genwoordig heeft iedereen een camera: in iedere gsm zit er één. Ik stortte ter aarde en meteen was er een man die zijn gsm greep en mijn val foto­grafeerde. Als dat geen kunst is (lacht)! Ik heb die foto thuis liggen.»

HUMO iedereen dacht?dat u een hartinfarct had gekregen. Maar dat klopte niet.?

Hoet «Het was geen infarct maar een hartstilstand. Door het spurten en de emoties. In het ziekenhuis hebben ze mij gereanimeerd. Later, in Gent, wilden ze me opereren. Op de operatietafel zelf zakte mijn bloeddruk tot nul. Opnieuw hartstilstand. Opnieuw reani­ matie. Opnieuw erdoor gekomen. Een mens is taai, hè. Zelfs de dokters hadden mij opge­ geven. Die van ‘De zevende dag’ hadden al vrienden van mij gebeld om in de studio een getuigenis over mij te komen afleggen.»?

HUMO Wat leert die hele historie u over het leven?

Hoet «Relativeren, hè. Zeer sterk. Het leven is niets. Zoals ik al zei: je bént niets, je krijgt alleen maar. Wat ik ook vind: de jeugd van vandaag de dag is zo mak. Ze komt niet meer in opstand. Zij relativeren te véél. Dat is natuurlijk de schuld van de discotheken: Carré, de din­ges, ze kennen het allemaal. En drugs, hè, onvoorstelbaar! Ze liggen in slaap. En cocaïne! En extasies! Ik heb geen extasies nodig. Ik bén verdorie extasies. Mijn drug is adrenaline. Het zit in mij.

»(Fluistert) Wat ik ook vast­stel: het vrouwelijk geslacht is zoveel sterker geworden. Stér­ ker dan het mannelijk. (Knipoog) In onze tijd was dat wel anders, hè, kameraad.

» Krachtige meiden. Je moet er geen klap van krijgen. Ook mentaal: ongelooflijk. Fris! Helder! Vooruitstrevend!»

HUMO Vroeger waren er nauwelijks vrouwelijke topkunstenaars.

?Hoet «Maar nu wél, geloof me vrij. Ghada Amer, uit Egyp te, bijvoorbeeld. En Marina Abramovic?, natuurlijk! Prach­ tige vrouwen. Vroeger werd het gewoon niet aanvaard dat een vrouw kunst maakte. Nu dus wél. We kunnen niet an­ ders (hartelijke lach): de vrou­wen hebben de deemoed af gelegd. Het onderdanige is weg. Ze geven je tegenwoor­ dig lik op stuk. En ze hebben gelijk, verdomme! Dat is mis­ schien het goeie aan deze tijd: de geboorte van de bevrijde vrouw.»?

HUMO U wordt vaak omschreven als ‘de kunstpaus Jan Hoet’.?

Hoet «Zeg maar: ‘de kunst­ onderpastoor Jan Hoet’ (hilariteit). Ik heb trouwens nooit van het begrip ‘paus’ gehou­ den. Dus: nee, het streelt mijn ijdelheid niet.»?

HUMO Staat u nu anders tegenover het leven? Past u meer op uzelf??

Hoet «Niet echt. Ik ga ge­ woon door. Maar ik bouw hier en daar wat af en ik let wat beter op mijn eten. Vroeger sliep ik drie, vier uur per nacht, echt waar. Nu probeer ik acht uur te slapen. Maar soms lig ik in bed te daveren van helderheid. Dan móét ik opstaan of ik word zot. Roken doe ik nog uiterst elden, alleen als het gezellig wordt: zo'n twee, drie sigaretten per dag (lacht). En whisky raak ik niet meer aan.»

HUMO Durft u nog vlot een vliegtuig in?

?Hoet «Als het nodig is, waarom niet? Vorige zondag ben ik nog naar Wenen gevlogen, en terug. Helemaal alleen. (Denkt na) Ik heb wel dat dialyseprobleem: drie keer in de week moet ik aan de machine, anders krijg ik een crisis en raak ik in coma. Al tien jaar!»

HUMO Hoe rijmt u dat met uw internationale leven?

Hoet «Goeie afspraken, zeker? De dokters begrijpen zelf niet hoe ik me red. Maar ik heb mijn adressen, over de hele wereld. Je krijgt een naald in je arm voor de uitstroom van het bloed, dat gaat naar de machine, en via een andere naald komt het gezuiverd weer bij je binnen. En nee, pijn doet het niet. Je ligt daar maar te liggen, hè. In Gent vindt mijn dialyse 's nachts plaats. In München moet het overdag. Alle afspraken maak ik in functie van die dialyse. Als ik pakweg naar Polen ga, hoor ik eerst mijn medisch dossier op te sturen naar de kliniek aldaar. En ik moet er precies op tijd zijn: overdag duurt het vier uur, 's nachts acht. Al het vuile vocht dat in je zit, moet door de machine. 's Nachts slaap ik er gewoon doorheen. Wenen, Venetië, Stuttgart: overal kennen de dokters mij.»


De kunstmaffia

HUMO uUbezit heel?wat schilderijen van kunstenaars die u zeer?jong hebt gekocht. U moet ontzettend rijk zijn.

?Hoet «Raar, hè. Maar ik verkoop zo'n werk nooit. Ik hou het bij of ik geef het weg. Mijn Warhol heb ik nog altijd. En bij mijn afscheid heb ik mijn Tuymans aan het museum geschonken: ‘The Body’, één van zijn absolute meesterwerken. Is nu waarschijnlijk twee miljoen euro waard. Verkopen doe je altijd te vroeg. Dus hou je kunst maar beter bij. Op voorwaarde dat je het mooi vindt, natuurlijk.

»(Denkt na) Succes bij leven heeft vaak met het karakter van een kunstenaar te maken. Een ambetante, onsympathieke kunstenaar verkoopt niet. Denk aan Vincent van Gogh: heeft in zijn hele leven welgeteld één schilderij verkocht. Je moet je eigen pr verzorgen, verdorie.»

HUMO Bent u nooit bang om een oordeel over een kunstenaar te vellen? U kunt hem maken, maar ook breken.

Hoet «Nooit bang voor geweest. Ik flap eruit wat ik voel: negatief of positief. Pas op: ik zit niet altijd juist. Het is niet omdat Jan Hoet zegt dat mijnheer X een groot schilder is, dat hij ook zal verkopen. Ik krijg vaak brieven van schilders: ‘Mijnheer Hoet, wilt u eens naar mijn werk komen kijken?’ Dat doe ik dan. Maar meestal is het slecht. Dat zeg ik rechtuit: ‘Beste vriend, dit trekt op niets.’ Dan krijg je achteraf een razende brief: ‘Onnozelaar! Ik heb altijd al gedacht dat je van de maffia was!’ (Tot zijn secretaresse) Is het niet waar, Christine? Dat ik dat soort brieven krijg? (Christine knikt bevestigend)

HUMO ik heb een probleem met conceptuele kunst.? Je ziet een vitrine, een installatie, een schilderij waarvan je op het eerste gezicht denkt: wat is dit voor onzin. en nog lelijk ook. maar vervolgens komt er iemand bij je staan, Jan Hoet bijvoorbeeld, die je het verhaal vertelt van wat áchter dat kunstwerk zit. Dan moet je toegeven: ja, dat doek heeft wel iets. maar is het niet zo dat?een echt kunstwerk op?zich moet staan en voor zich moet spreken? en dat het dus geen bijbehorend verhaal nodig heeft??

Hoet (bijna wanhopig) «Maar dat verhaal ís het kunstwerk, verdorie! Het maakt er een wezenlijk deel van uit. Je moet altijd de mens achter het kunstwerk zien. De conceptuele kunst is zo gegroeid: vanuit onthechting van de markt. De boodschap is: ik verlaat de markt, en wel híérom. Een kunstenaar als Michael Heizer trekt zich terug in de Sierra Nevada, als een monnik, weg van de markt, leeft van wat de woestijn hem biedt, en geeft dat geheel vorm. Je kunt hem gaan bezichtigen, je kunt met 'm praten, maar je kunt dat kunstwerk niet kopen. Want die man en zijn verhaal zijn zélf het kunstwerk. Kunst en esthetica moeten worden onttrokken aan hun emotionele en sentimentele componenten. Het is niet meer Velázquez waarbij je denkt: ‘Ach, wat mooi!’ Het is de attitude van de kunstenaar, die zélf een verhaal wordt. Ah ja! Zonder verhaal zegt conceptuele kunst níéts. Schrijf dat maar op!»?

HUMO Voorwaar, we hebben weer wat bijgeleerd. Wel bedankt voor deze wijze lessen, mijnheer Hoet. Long may you run!


Het lieve leven en hoe het te lijden: Jan Hoet (2)

Het lieve leven en hoe het te lijden: Jan Hoet (3)

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234