Jef Geeraerts wordt 75: het ontroerparcous

In het Gentse Sint-Pietersstation komt Jef Geeraerts me met forse tred tegemoet gestapt, de panden van zijn lederen vliegeniersjas achter hem aan wapperend. Sinds onze vorige ontmoeting lijkt hij weer een paar jaar jonger geworden: ongeveer zestien moet hij vanmiddag zijn. Zo meteen, stel ik me voor, scheurt hij weg op zijn scooter, met de lekkerste meid van het stationsbuffet achterop. Alleen kwatongen beweren dat hij volgende week 75 wordt.

Speciaal voor de gelegenheid heb ik een klein fotoalbum meegebracht, waar Geeraerts prijkt in velerlei maten, gewichten en poses. De kleuter die per driewieler door het vooroorlogse Hoboken rijdt; de humaniorastudent in kniebroek die drie zwartgerokte jezuïeten flankeert; de assistentgewestbeheerder met tropenhelm die Congolese wegarbeiders uitbetaalt aan een tafeltje in de brousse; de gevierde thrillerschrijver die de Gouden Strop krijgt voor ‘De zaak Alzheimer’; de literaire pelgrim die op het balkon van het huis van Ernest Hemingway staat, in Key West, Florida. De meest intrigerende foto is een portret van de achttienjarige Geeraerts, uitgedost in een donkergrijs wollen colbert met das, klaar om een paramilitaire opleiding aan de Antwerpse Koloniale Hogeschool aan te vatten. Ik vraag hem of hij nog iets gemeen heeft met de jongeman die hem vandaag, 57 jaar later, verlegen aankijkt.

JEF GEERAERTS (bekijkt het portret lang en aandachtig) «Ik zie vooral een jongen die álles uit het leven wil halen. In die zin ben ik nog niks veranderd: het wilde beest ligt aan de ketting, maar mijn honger naar avontuur, naar Nieuwe Ervaringen, is niet gestild. Ik ben wel minder overmoedig geworden. Vroeger was mijn levensattitude: laat maar komen, ik zie wel wat er gebeurt. Die roekeloosheid ben ik kwijt. ‘Be strong and careful’ is mijn levensmotto. Of, zoals mijn vader dikwijls zei: leef als een ouwe vos. Hij had gelijk: wie wil overleven, kan maar beter lichtjes paranoïde zijn.

»Ik heb al mijn verwachtingen ingelost, en méér dan dat: ik zal tevreden sterven, zonder spijt of wrok omdat ik niet genoeg geleefd heb. En ik ben nog altijd een man met plannen. In 2006 komt er een nieuw boek. Het blijft een sprong in ’t duister, maar totnogtoe is dat meestal goed afgelopen. Een writer’s block, daar lach ik mee: er zijn genoeg truken om er geen last van te hebben. Dus ploeg ik gewoon voort. Mijn ressort is nog niet gebroken, hè. Ik heb medelijden met uitgebluste mannen van vijftig, zestig die al gecapituleerd hebben: ze zijn al dood, nog voor ze gestorven zijn.

»In mijn adolescentenjaren leidde ik een dubbelleven. Bij de jezuïeten van het Onze-LieveVrouwcollege zat ik als een gevangene mijn tijd uit. Ook dat was: een soort van dood. De jezuïeten probeerden – om met Stalin te spreken gaten in onze jongensziel te boren om geniepig naar binnen te kunnen kijken. Per geluk ben ik er rap van genezen, vooral omdat mijn ouders vrijzinnigen waren: thuis werd ik tenminste niet met die dogma’s rond de oren geslagen. Mijn échte leerschool bevond zich buiten de schoolmuren. Op mijn achttiende had ik al twee jaar een verhouding met een jodin die veel ouder was.

»Ook de koloniaal met tropenhelm van die andere foto herken ik nog goed. Afrika heeft me gemaakt tot wie ik ben. Ik voel alleen maar blijdschap als ik terugdenk aan die jaren. Ik was toen wel een vreselijke Streber, een arrivist. Alles stond in het teken van mijn carrière als koloniaal bestuursambtenaar. Ik was zeker geen racist – negers heb ik nooit beschouwd als Untermenschen – maar ik heb me soms wel als een racist gedragen. Ik vond vaak dat de negers niet hard genoeg werkten en gaf hun dan strenge orders. Het moest vooruitgaan, hè. Maar na het werk werden ze mijn kameraden. Om vijf uur ’s avonds, bij het ondergaan van de zon, zeiden ze: ‘Mambomo abongoli.’ Mambomo dat was mijn bijnaam verandert.

»Die negers waren ook mijn jachtvrienden. Ongelooflijke uren hebben we samen meegemaakt. En levensgevaarlijke situaties zoals die keer dat ik, verlamd van angst, bijna gedood werd door een aanstormende olifant. Ik kan nog altijd niet bevatten dat ik nog leef, terwijl zoveel anderen het loodje hebben gelegd. Ik moet bekennen dat ik altijd enorme chance heb gehad.»


Laatste kwartier

‘All well-told stories end in death’: het is altijd Geeraerts’ schrijversmotto geweest, van zijn eerste Congo-boek ‘Ik ben maar een neger’ tot zijn laatste roman noir ‘Geld’ van vorig jaar. Ook in zijn brievenboeken sluipt de man met de zeis tussen de regels. Heel soms slaat doodsangst om in paniek, als hij denkt aan een traag, pijnlijk einde. In ‘Tien brieven rondom liefde en dood’ schrijft Geeraerts, dan veertig, aan een vriendin: ‘Zal ik razend naar je slaan, met voorwerpen gooien, schreeuwen, schelden omdat ik me er te laf voor voel? Lieveling, jij hebt meer kracht en moed dan ik, zal jij me dan helpen om het te doen, alleen of samen?’

GEERAERTS « Die vragen hebben Eleonore en ik allang voor onszelf beantwoord, maar ik wil er niet over praten; het is te intiem. Ik wil alleen kwijt dat we zullen doen wat gedaan moet worden. Maar of we samen gaan? Ik ga nooit de beslissing van mijn vrouw manipuleren. Dat is haar keuze.

»Ik ben vaak een vitalist genoemd, maar met het vitalisme heb ik niks te maken: dat is een literaire stroming met onder anderen Marsman en Slauerhoff, schrijvers die behoorlijk ver van mij staan. Ik ben gewoon iemand die heel graag leeft, wat betekent dat ik veel sterfangst heb. Niet zozeer de dood maakt me bang, maar het sterven. De langzame dood. De aftakeling. Vooral dan geestelijk. Gisteren zei Eleonore me nog: ‘Als je ooit in een rolstoel zou zitten, zou ik daar minder problemen mee hebben dan als je de ziekte van Alzheimer zou krijgen.’ Dat vind ik een mooi teken van liefde, maar voor mij is dat vooruitzicht de hel. Als ik niet meer kan functioneren cum dignitate, zoals de oude Romeinen zeiden, dan hoeft het niet meer. Ik wil mijn waardigheid bewaren tot mijn laatste snik. Mijn rug moet kaarsrecht blijven. Het zou door mijn ziel snijden als men me zou gaan zien als een ouwe sukkel die zijn beste tijd gehad heeft: (schamper) ‘Zie bompa in zijn zetel zitten.’ De dood komt toch: waarom zou je je erheen slepen? Laat de dood een genade zijn. Of nog beter: een vervulling. En laat ze alstublieft niet te laat komen.

»Ik zie wel enorm op tegen het afscheid van Eleonore. En ook tegen het afscheid van ons huis. Als ik ’s nachts, na een concert of een bezoek bij vrienden, terug naar huis rijd over de brug van Baarle, vraag ik me altijd af: hoeveel keer zal ik dit nog kunnen doen? Ik wil ook sterven in ons huis, niet achter de sanseveria’s van een home. Alleen al de gedachte dat ik elke dag smaakloze rommel gevoerd zou krijgen in plaats van de fijne gerechten die mijn vrouw bereidt... De horror! Maar ik heb een voorgevoel dat die ellende me bespaard zal blijven. Ook voor de ziekte van Alzheimer ben ik niet bang: de voortekenen zijn afwezig. Ik onthou nog al mijn telefoonnummers en ik sta nooit plompverloren in de gang, tobbend wat ik daar in godsnaam kwam zoeken. Een plotse beroerte waarop het licht uitgaat, dat is wel mogelijk; bon, laat het dan alstublieft pijnloos zijn.

»Soms, als ik ’s ochtends in bed wanhopig naar het plafond lig te kijken, denk ik aan mijn vader, mijn moeder en schoonmoeder. Door zelfhypnose hoor ik dan weer haarscherp hun stemmen in mijn hoofd, alsof ze staan te praten aan de andere kant van de slaapkamerdeur. Ik hoor weer hun attenties, hun liefdevolle woorden. En het volgende moment zie ik hen liggen, koud, als een wassen pop. Dat is zo onbevattelijk, zo onwezenlijk... Er zijn ook ochtenden dat ik alleen de ademhaling van Eleonore hoor en verlamd naar het plafond kijk. Een neurobioloog heeft me eens gerustgesteld en uitgelegd dat dat niks anders is dan een chemische reactie van serotonine, testosteron en adrenaline in mijn hersenen. Als ik me een paar minuten later opricht, verandert die chemische samenstelling en wandel ik vrolijk de dag in.

»Verweer tegen de ouderdom ís mogelijk: vooral erotiek en existentiële verwondering behoeden je voor de versuffing. Laat ik het over dat laatste hebben, want vrijen heb ik al voldoende aangeprezen (lacht). Toen ik vanmorgen om zeven uur in het halfdonker de kranten uit de bus ging halen, zag ik de maan in het laatste kwartier staan. Een adembenemend beeld. In de prehistorie waren mensen al gebiologeerd door de stand van de maan, en een kleine eeuwigheid later sta ik in de stilte van een ochtend in de 21ste eeuw met dezelfde verwondering naar dezelfde maan te kijken. Met een soortgelijke aandachtigheid kan ik door de verrekijker naar de vogels in mijn tuin kijken. De beheersing van hun vleugelslag, de perfecte coördinatie van hun bewegingen... Dat fascineert me tot ontroerens toe.»


De zwarte vogel

Na een halfuur meldt Geeraerts dat hij uitgepraat is over zijn ouwe dag. ‘Ik voel mezelf helemaal niet oud, dat is het hele probleem. Het liefst ga ik om met jonge mensen, die kijken tenminste nog vooruit.’ En hij doet ook nog een suggestie.

GEERAERTS «Weet je, ik zou graag eens over emoties praten. Als de Humo-lezer iets van mij wil begrijpen, moet hij kijken naar wat me diep emotioneert. Da’s belangrijker dan mijn toevallige levensverhaal.»

HUMO Ga je gang.

GEERAERTS «Toen ik als achtjarige heiden bij de jezuïeten terechtkwam, prentten die me in dat gevoelens, net zoals seks, zondig en gevaarlijk waren. Ik moest ze leren onderdrukken, op straffe van een berisping of een vernedering. Zoals in dat gedicht ‘If’ van Rudyard Kipling: ‘If you can keep your head when all about you are losing theirs (...) yours is the earth and everything that’s in it, and – which is more you’ll be a man my son!’ (Docerend) Een emotie is heel wat anders. Dat revigoreert: het geeft je kracht, maar tegelijk overkomen sterke emoties je beter niet te vaak, of je gaat eraan kapot. Emoties tonen zich bij mij door tranen, angstzweet, rillingen, kippenvel en voorbijgaande verlammingsverschijnselen. Kortom, het zijn extreme ontroeringen.

»Ik ben in dat opzicht nooit dieper gegaan dan toen Eleonore bijna stierf aan een buitenbaarmoederlijke zwangerschap die verkeerd behandeld werd. Toen we elkaar aankeken, na haar operatie, op de intensieve afdeling, was dat het meest onwerkelijke moment in mijn leven. Ik had gedacht dat ik haar nooit meer levend zou terugzien, maar ineens lag ze daar, als een schim die teruggekeerd was uit het dodenrijk. Onvergetelijk. In mijn jonge ja-ren zou ik zulke momenten nooit zo hartstochtelijk beleefd hebben. Toen ging ik zo blind in alles op dat ik pas achteraf besefte wat me overkomen was. Nu ben ik bewuster geëmotioneerd.

»Nog zo’n ervaring was het overlijden, begin januari, van een goeie vriend, een monsignore die in Rome voor de prelatuur werkte. Toen Eleonore en ik hem gingen bezoeken op zijn ziekbed, ging er een huivering door me heen: die lieve, superintelligente man herkende ons nog nauwelijks. Terwijl ik hem omhelsde, besefte ik dat de zwarte vogel al heel dicht boven z’n hoofd cirkelde, klaar om op zijn schouder te gaan zitten. Twee dagen later was hij dood.»

HUMO In de Humo-reeks ‘Wat het leven de moeite waard maakt’ had je het eens over de genade van klassieke muziek.

GEERAERTS «Muziek kan me overvallen en me in één seconde totaal weerloos maken. Dat vermag geen enkele andere kunst. Ik heb er lang over nagedacht hoe dat komt, en eindelijk denk ik het te weten: muziek is onstoffelijk. Een schrijver heeft een kleitablet, papier of een pc nodig, een architect kan niet zonder hout, metaal of steen, een schilder moet verf hebben. Maar muziek kan met niks het onzegbare uitdrukken. In vergelijking met componisten zijn schrijvers aandoenlijk onhandige sukkelaars.

»Op het vlak van klassiek ben ik een alleseter. Van de Vlaamse polyfonisten tot modern klassiek, en alles wat ertussen zit: Schumann, Wagner, Bruckner, Schubert, noem maar op. Bij mijn liefste stukken zijn de twee kwartetten van Janácek, de zes suites voor cello van J.S. Bach, de nocturnes en mazurka’s van Chopin, de sonates, impromptu’s en moments musicaux van Schubert... Ach, ik kan eindeloos doorgaan.» HUMO Weet je precies waar en wanneer de ontroering toeslaat? GEERAERTS « Zéér precies. Soms ga ik ervoor zitten, spoel de cd door naar het punt waar de trigger zich bevindt en laat me vervolgens overweldigen. Ik denk aan bepaalde maten uit ‘Der Tod und das Mädchen’ van Schubert, aan sommige cantates van Bach. Maar waarom precies die maten een chemische reactie in mijn brein veroorzaken, weet ik niet. Ik hoef ook niet alles te weten, zolang de emotie maar blijft komen.

»Als ik met klassieke musici over muzikale emoties praat, worden ze zwijgzaam. Daar houden ze niet erg van. Ik ken eigenlijk maar één uitzondering: een Amerikaanse vriend, eerste violist van het Emerson Quartet, die me eens vertelde dat hij altijd de tranen in de ogen krijgt bij een bepaalde passus van een Beethoven-kwartet.»

HUMO Herinner je je nog de eerste keer dat muziek je omverblies?

GEERAERTS « Dat is een scherp beeld. Het is 1942, ik zit met mijn moeder in de Antwerpse Cinéma Rex, kijkend naar ‘Wenn die Götter lieben’ over het leven van Mozart. Wanneer Beethoven op bezoek is bij Mozart, begint hij een klavecimbelstuk te spelen. Dat stuk greep me meteen bij de keel, zo hevig dat ik snikkend wegdook in de armen van mijn moeder. Toen ik tien jaar geleden nog eens naar die film ging kijken, in het Filmmuseum, voelde ik bij die scène opnieuw dezelfde hevige emotie. Onverklaarbaar.

»Hetzelfde heb ik met het hardop lezen van sommige zinnen uit ’The First 49 Short Stories’ van Ernest Hemingway. Of de openingszin uit ‘Honderd jaar eenzaamheid’ van Gabriel García Márquez (citeert uit het hoofd:) ‘Vele jaren later, staande voor het vuurpeloton, moest kolonel Aureliano Buendía denken aan die lang vervlogen middag toen zijn vader hem meenam om kennis te maken met het ijs.’ Ik krijg er nu wéér kippenvel van.»

HUMO Heb je eigenlijk niet veel meer het temperament van een jazzman: snel, nerveus, beweeglijk?

GEERAERTS «Jazz zegt me niet veel, want ik ken het niet, behalve Chet Baker dan, trompettist hors catégorie.

»Maar kijk nog eens goed naar die foto van toen ik achttien was. In mijn ogen zie je een vreemd soort melancholie. Ook dát tekent mijn karakter. Ik ben licht manisch-depressief, zonder ooit echt absolute hoogten en laagten te bereiken. Als ik somber ben, dan kan ik me verliezen in een muziekstuk dat largo gespeeld wordt, met een majestatische traagheid. Maar klassiek is natuurlijk niet alleen maar traag. (Verrukt) Neem de jubelende levenslust in de muziek van Mozart. Hoe hij spelenderwijs tovert met noten. Die tomeloze Sturm und Drang die erachter zit. Pure koorts! Bij zijn dood was hij paS 36, maar hij had een grotere erfenis nagelaten dan een tachtigjarige.»


Thuis in Congo

GEERAERTS « Een meer getemperde emotie wekken landschappen bij me op. Als kleine jongen was het mijn grote droom ooit de Mount Everest te zien. En ik héb ’m gezien, op een kristalheldere dag, van veertig kilometer afstand, op 6.000 meter hoogte. Een grotere verstilling heb ik nooit meegemaakt.

»Ik kan minutenlang zwijgend naar een mooi, intact landschap kijken dat in een bepaald licht baadt. Precies zoals ik vanmorgen naar de maan keek. Dan maakt het niet uit of ik op trektocht ben in Laos, Lapland, de Himalaya of de Canadian Rockies.

»De Congolese savanne heeft wel nog altijd een aparte plaats in mijn hart, al kan ik dat landschap niet meer losweken van mijn ervaringen als koloniaal. In Afrika ben ik voor het eerst met een negerin naar bed geweest. Een belangrijk moment, want toen voelde ik me voor het eerst echt thuis in Congo. Ik heb véél van de Afrikaanse vrouwen gehouden. Toen ik decennia later terugreisde naar Afrika, om het continent te tonen aan Eleonore, was ik geëmotioneerd toen ik voet aan de grond zette: ook dát was een thuiskomst.

»Ik ben voor het eerst geraakt door ’n landschap in de Kempen. Mijn vader had me meegenomen naar Brecht, om een buitenhuis te bezichtigen dat hij wilde kopen. Elf was ik toen. Ik weet nog dat ik de heide inliep en verbaasd was door geuren die ik, als stadsjongen, niet kende. Nu ik het vertel, hoor ik ook weer de geweerschoten van Duitse soldaten die toen net aan het oefenen waren in de buurt. Inmiddels is mijn paradijs in Brecht kapotgemaakt, maar ik heb me voorgenomen daar niet over te zeuren. Voor je het weet, zit je als een zielige bompa te liegen dat het vroeger allemaal zoveel beter was.»

HUMO In de inleiding van ‘De omweg naar Santiago’ schrijft Nooteboom dat hij zo van Spanje houdt omdat het Spaanse landschap over hemzelf gaat. Herken je dat?

GEERAERTS «Ik heb dat met wildernissen, bijvoorbeeld Alaska. Ongerepte landschappen die er al duizenden jaren onveranderd bijliggen. Daar heb ik weer contact met een deel van mezelf dat nog niet gedomesticeerd is door zeden en gewoonten. Net zoals jagen me terugvoert naar een oerversie van mezelf. Voor mij is jagen altijd veel meer geweest dan het doodschieten van beesten. Het is meer: een in ere herstellen van wat de beschaafde mens nog van het dier in zich heeft. Dat kan men alleen bereiken door in contact te komen met het wilde dier. En dat contact is precies het jagen: een nabootsing van het dier.»

HUMO Ben je immuun voor kitsch? Blijf je onbewogen bij André Hazes, of het weerklinken van de Brabançonne op de laatste Tourdag?

GEERAERTS « Die geprefabriceerde ontroering bij sportprestaties van ‘onze Belgen in het buitenland’ vind ik verwerpelijk. Ik moet niets hebben van rillingen op commando, zeker niet als er ook nog eens de Brabançonne bij weerklinkt.

»Voor inferieure rommel als smartlappen heb ik geen tijd. Mijn leven is te kort om me ermee bezig te houden.»

HUMO Waarom zou een traan van een Hazes-fan minder waard zijn dan jouw ontroering bij een cellosuite van Bach?

GEERAERTS «Bach heeft zoveel meer niveau dan Hazes: ben ik elitair of pretentieus als ik zoiets durf te beweren? Ik ben blij dat ik tot de categorie mensen behoor die wél ondersteboven kan zijn van Bach. Daar ga ik me niet voor schamen. Pas op, ik vind Bach-liefhebbers geen superieure mensen in vergelijking met leden van de Hazes-fanclub: je vindt er evenveel verachtelijke individuen als elders. Denk bijvoorbeeld maar aan Franz Stangl, de commandant van concentratiekamp Treblinka, die ’s avonds geëmotioneerd naar Schubert-liederen luisterde, zowat het hoogste wat onze cultuur voortgebracht heeft, terwijl onder zijn leiding 800.000 mensen geliquideerd werden.»

HUMO Begrijp je dat?

GEERAERTS «Die Stangl maakte zelf zijn handen niet vuil, da’s een groot verschil met de uitvoerders. Maar een bevredigende verklaring is het niet. Ik denk dat die beulen in compartimenten denken, net zoals de dieren. Een leeuw die een zebra besluipt, leeft in dat éne moment. De rest van de wereld bestaat dan niet meer.»


De milde grijsaard

HUMO Kun je je nog kwaad maken, op je vijfenzeventigste? GEERAERTS « Ik ben altijd koleriek geweest, daar hebben de jaren niks aan veranderd. Maar alles is beter dan te eindigen als een milde grijsaard met een lach op zijn gezicht. Ergernis is brandstof. Als ik Bush zie acteren, voel ik razernij opkomen: hop, hij is de wereld weer aan het belazeren. Of Franstalige ministers die na al die jaren nog steeds geen Nederlands kunnen spreken: die pretentie revolteert me.

»Ik erger me ook blauw aan al die doorzichtige desinformatie in de media, die mengeling van geestelijke luiheid en gebrek aan intelligentie. Domheid vind ik onvergeeflijk; het irriteert me. Domoren verdienen geen compassie, ook niet als ze dom geboren zijn: dan moeten ze maar zo bescheiden zijn om hun bek te houden. Ik kan razend worden als ik geconfronteerd word met idiotieën. Daarom selecteer ik zorgvuldig de programma’s die ik op televisie wil bekijken, anders zou ik me letterlijk dood ergeren. Een documentaire in ‘Histories’ wil ik graag zien, of ‘Het Bourgondisch complot’, en dat zijn maar twee voorbeelden, maar bespaar me alstublieft die andere rommel.

»Ook in de literatuur beperk ik me voor mijn gemoedsrust tot de betere non-fictie. Romans, daar raak ik zelden nog doorheen. Vooral boeken over de Tweede Wereldoorlog blijven me boeien, omdat ik op die manier weer de meest beslissende jaren in mijn jeugd beleef. Ik was een kind van tien toen de Duitsers binnenvielen, vijf jaar later was ik een vroegrijpe puber toen de Engelse soldaten in onze straten liepen. Die beelden laten me niet meer los.»

HUMO Kun je nog geroerd worden door een beeld, in de zee van ellende die de nieuwsuitzendingen over ons uitstorten?

GEERAERTS «Nee, die beelden doen me, om zo te zeggen, niets meer. Maar als ik ga nadenken over de gevolgen van bijvoorbeeld de tsoenami, dan kan mijn verstand wel stilstaan alleen al de gedachte aan al die kleine kinderen die tussen de stapels lijken vruchteloos hun ouders zochten. Maar de beelden zelf... (zucht) Dikwijls zijn het plaatjes, door een regisseur aaneengelast om een dramatisch effect op te wekken. Daar kijk ik dwars doorheen.

»Maar ik zal niet ontkennen dat mijn onbewogenheid ook met gewenning te maken heeft. Je kán ook niet meevoelen met alle miserie in de wereld; dan zou je gewoon gek worden. Dat soort apathie zie ik wel bij meer mensen, en tegelijk zijn ze heel angstig voor wat de toekomst zal brengen. Dat komt omdat we veel te hoge verwachtingen koesteren. Wie niet met een chique auto rijdt en een eigen huis heeft, wordt al snel gezien als een mislukkeling. In onze maatschappij heerst de cult of narcissism. Stel je een beetje nederiger op en je komt fluitend de dag door, denk ik dan. Of: ga een jaar in Afrika wonen en je ziet alles weer in het juiste perspectief.

»Hier spreekt de oude man, maar we hebben het verdomd goed, hoor. Zelf maak ik me niet druk in al die modieuze onheilsscenario’s die de kranten ons dagelijks oplepelen. Tegen die verdwazing heb ik een zenboeddhistische gelijkmoedigheid ontwikkeld: het kan me niet meer schelen wat er nog allemaal te gebeuren staat, want ik kan er toch niks aan doen. Voilà.

»En nu ga ik de ober nog ’s roepen: laten we er alvast één drinken op mijn tachtigste verjaardag.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234