Jeroen Brouwers: 'We moeten de katholieke kerk opnieuw verbieden.'

Met stilistische bravoure schetst Jeroen Brouwers, weinig bevoorrecht ervaringsdeskundige, in ‘Het hout’ de drukkende sfeer van een jongenspensionaat anno 1953. De roman ontleent zijn naam aan een strijkstok, het pernambukhout waarmee een sadistische broeder leerlingen tuchtigt als voorspel tot erger.

Over driekwart van ‘Het hout’ hangt een beklemmende donkerte. Met stilistische bravoure schetst Jeroen Brouwers, weinig bevoorrecht getuige en ervaringsdeskundige, de drukkende sfeer van een jongenspensionaat anno 1953. De roman ontleent zijn naam aan een strijkstok, het pernambukhout waarmee een sadistische broeder leerlingen tuchtigt als voorspel tot erger. Broeder Bonaventura staat erbij, kijkt ernaar en verbijt zijn woede. Zoals de zwakste kinderen ten prooi vallen aan vernedering en misbruik, zo is hij met zijn meegaande karakter node door het Franciscaans instituut ingelijfd. Die band tegen wil en dank geeft ’m uiteindelijk de kracht tot handelen, geleid door het hartverwarmende licht van de liefde dat in het laatste kwart van de roman de donkerte breekt.

'Die halve eeuw schrijverschap spookt geregeld door mijn hoofd. Heb ik die vijftig jaar goed besteed? Is het alles bij elkaar wat? Word ik genoeg erkend?'

HUMO Je had laten weten klaar te zijn met romans, ik ben blij verrast.

Jeroen Brouwers «Ikzelf ook. Maar ineens kwamen die schandalen aan de oppervlakte: seksueel misbruik in de rooms-katholieke kerk, van Amerika tot de lage landen. Ik heb zowel de zaak-Vangheluwe in België als de commissie-Deetman in Holland op de voet gevolgd. Daar kan ik wat mee, dacht ik.

»Er was over dat misbruik, tot op heden, geen Nederlandse roman geschreven.

’t Was schering en inslag op grote schaal, maar dat mocht niet geweten zijn. Dat grote zwijgen moest ook in de letteren maar eens doorbroken worden.»

HUMO Advocate Christine Mussche, die de belangen van slachtoffers van misbruik in de Kerk behartigt, stipte deze zomer in Humo nog aan dat ze ‘vermoeidheid bij de mensen’ opmerkt.

Brouwers «Ik raak niet vermoeid, hoor. Ik heb dat rapport-Deetman, twee lijvige boekwerken, van a tot z gelezen, maar zoals men in Vlaanderen zegt: ik bleef op mijn honger zitten. Dat rapport raakt uiteindelijk de kern niet, de echt schandelijke dingen staan er niet in. De opdracht kwam van de bisschoppen zelf, zo kon de Kerk uiteindelijk toch de regie houden. Bovendien hebben ze allerlei kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders in de schaduw en buiten beschouwing gelaten. Later zijn er alsnog verschrikkelijke verhalen boven water getild, er bleken zelfs kinderen gecastreerd te zijn om homoseksuele neigingen uit te bannen.»

HUMO Onder anderen wijlen bisschop Gijsen kwam in het vizier.

Brouwers «Hij komt voor in mijn roman. Dat was zo’n stiekemerd die masturberende jongetjes begluurde en zo. En hij ging ook weleens de chambrettes binnen. Het systeem van toedekken, ontkennen en af en toe wat intimideren moet echt eeuwenlang gewerkt hebben.»

HUMO De harde cijfers in het rapport-Deetman zijn: 1 op 5 werd seksueel benaderd.

Brouwers «Dat is immens. Zijn dat dan allemaal viezeriken geweest, daar in die kloosters? Ach ja, dat waren waarschijnlijk eenzame mensen die met hun seksualiteit geen weg wisten, vanwege dat celibaat. Je moet toch ergens heen met je seksuele aandriften? Dan is het meest voor de hand liggende een collega uit te zoeken. En als een medebroeder niet lukt, zijn er nog altijd de jongetjes of meisjes over wie je hoort te waken.

»Er zijn gradaties: dat hoofd van het middelbaar in mijn boek is werkelijk een extreme sadist, maar van die douchebroeder zou je net zo goed kunnen zeggen dat het een goede opvoeder is, omdat die de kinderen uitlegt hoe belangrijk hygiëne is (lacht).»

HUMO Eén en ander deed Maarten ’t Hart besluiten: ‘Wij moeten terug naar de zestiende en zeventiende eeuw, toen de katholieke kerk in onze lage landen verboden was.’

Brouwers «Daar ben ik het volstrekt mee eens. Niet toevallig eindigt een hoofdstuk met een bom op deze kostschool en op het hele instituut van de roomse kerk. Ja, ik ben het geheel eens met ’t Hart: we moeten de katholieke kerk opnieuw verbieden.

»Waarmee ik meteen ook een deel jeugdsentiment van tafel veeg. Want hoe je ’t ook wendt of keert: ik ben orthodox katholiek opgevoed. Dat blijft in je zitten, zoals een ijzeren staaf in beton bij het bouwen van een huis. Een fundament dat alles overeind houdt. Ik ben volstrekt atheïstisch en ketters geworden, maar er hoeft bijvoorbeeld maar een paus dood te gaan en ik moet dat allemaal zien: van het sterfbed tot en met de inhuldiging van zijn opvolger (lacht). Nog een voorbeeld: als ik op zondagochtend al zappende de mis op de Vlaamse televisie tegenkom, blijf ik altijd even hangen. Ik wil dan toch nog even zien hoe het allemaal veranderd is. Wat zingt men daar eigenlijk? Dat zijn liederen die ik nog nooit gehoord heb. Dus blijf ik even hangen – niet lang, maar toch zo’n minuut of zeven. En dan zap ik weer verder.»


In de goudmijn

HUMO Je hebt vaak over de kostschool geschreven, maar nooit over seksueel misbruik.

Brouwers «Ik heb daar indertijd ook niks over gehoord. Medescholieren moeten wel het één en ander hebben meegemaakt, maar mij is dat toen ontgaan. Pas achteraf ben ik erover gaan nadenken en heb ik beseft dat sommigen opeens wel erg stil of schuw werden. Mij heeft men in seksuele zin niet met zijn poten aangeraakt. Wel ken ik die ranselingen, met een onthaard stoffertje of een stok. Slaan, rammen, aan oren trekken. De brute gang van zaken in ‘Het hout’ is niet overdreven. (Glimlachend) Ja, het is me wat.»

HUMO Zelfs zonder seksueel misbruik is het trauma groot, in 1988 zei je tegen de Nederlandse interviewster Bibeb: ‘Ik heb geen kampsyndroom, ik heb een kostschoolsyndroom.’

Brouwers «In mijn leven was de kostschool zonder meer erger dan het jappenkamp. Ik zag ook het verschil niet tussen een Japanse kampbewaker en een kloosterling. Ik kwam op tienjarige leeftijd op kostscholen terecht en ervoer opnieuw, en nog erger dan in het kamp, de dwang, onderdrukking, vrijheidsberoving. Ik ben daar gebleven tot mijn zeventiende – een hele belangrijke periode in een mensenleven: in je puberteit wordt je karakter gevormd. In mijn leven is dat dus het belangrijkste syndroom of trauma geworden.»

HUMO Geldt dat net zozeer voor je medeleerlingen?

Brouwers «Ik kan niet geloven dat iemand nu met gelukkige herinneringen aan die tijd terugdenkt. Maar ik heb nadien nooit nog contact gehad met medeleerlingen. Tja, ze deden daar uitsluitend aan voetballen en dat geren achter een bal, daar vond ik geen zak aan. Dus ik stond aan de kant, met mijn handen in mijn zakken en mijn rug tegen de muur, te staren naar de wolken. Zo word je vanzelf een eenling.

»Ik zal ook wel een heel gevoelig jongetje zijn geweest (lachje). En gekwetst, bovendien, verraden. In ‘Bezonken rood’ beschrijf ik hoe mijn moeder en ik in het kamp een pact hadden: ‘Wij laten elkander niet in de steek. Wat er ook gebeurt, wij blijven bij elkaar.’ Ik ben nog niet in Nederland of ik word door diezelfde moeder op kostschool gezet.»

HUMO Je bent 74 nu, ouder dan je moeder geworden is. Een overwinning?

Brouwers «Daar heb ik op mijn verjaardag wel even aan gedacht, ja. Zij is 73 geworden, ik heb haar overleefd. Dat tenminste wel.

»Ach ja, dat mens zal het ook wel niet makkelijk hebben gehad. Toen die oorlog uitbrak in Indië, was mijn moeder een vrouw van dertig – jong, vitaal en levenslustig. Haar twee oudste kinderen werden in andere kampen ondergebracht, de twee jongste moest ze bij zich houden. Die moest ze maar in leven zien te houden, terwijl er om haar heen druk gestorven werd. Begin er maar aan. Op die manier wil ik mijn moeder wel ter goede spreken.

»Maar het blijft onbegrijpelijk dat ze me eenmaal terug in Nederland in een kostschool wegstopte. Vóór mijn kostschooltijd was ik een braaf jongetje, dat goed zijn best deed en mooie rapporten haalde. Er was helemaal geen noodzaak om mij op kostschool te zetten.»

HUMO De eliteopleiding in Groot-Brittannië, ook op pensionaten, kwam eerder dit jaar onder vuur te liggen. Psychologen spraken over het kostschoolsyndroom, aangejaagd door het misbruik en het gebrek aan ouderlijke liefde, met als resultaat gebrek aan empathie en angst om relaties aan te gaan.

Brouwers «Precies zoals het in mijn boek staat. Ik heb mezelf weleens vergeleken met die aap die na haar geboorte onmiddellijk van haar moeder weggehaald werd, te eten kreeg uit een soort buis behangen met apenvacht en opgroeide zonder affectie. Toen ze later zelf moeder werd, schopte die aap haar kind op haar beurt weg. Omdat de kind-ouderrelatie kapotgemaakt was, wist die aap niet wat ze moest doen. In mijn leven is het eigenlijk net zo: de relaties met vrouwen en mijn kinderen verliepen altijd moeilijk.

»Ik kan mensen niet emotioneel inschatten. Ik ben hartelijk van aard en dus ga ik nogal naïef op anderen af, denkend dat alle mensen zijn zoals ik: lief en aardig. Dan kun je weleens een dreun tegen je kop krijgen. Tja, betrekkingswaan en het onvermogen mensen in te schatten: niet de meest stabiele basis om menselijke betrekkingen te ontwikkelen. Zo zit dat.

»Je emotionele landkaart wordt in je kindertijd getekend. Punt uit. Dat maakt dat ik eigenlijk niet echt weet wat dat is: liefde. Ik zeg het nu natuurlijk met een boutade, want ik heb grote liefdes gekend in mijn leven. Maar toch is het ook waar, al hebben die grote liefdes wel bijgedragen aan het hertekenen van die emotionele landkaart. Ik heb er twee gehad.»

HUMO Ik tel er, je biografie in de hand, meer.

Brouwers «Ik heb nog wel vrouwen gehad met wie ik gehuwd ben, maar wat échte liefdes betreft tel ik er twee: Gwennie is de laatste, de vorige was Josefien. En daarvoor en daarna waren het relaties, nou ja, waarbij ik me sterk afvroeg wat liefde eigenlijk was. Had ik lief? Werd ik liefgehad?»

HUMO Je hebt op drie kostscholen gezeten. In ‘Satans potlood’ keerde je, 45 jaar later, terug naar de eerste: ‘Ik liep op de goudmijn van mijn schrijverij.’

Brouwers «Een volledig verpeste jeugd ís een goudmijn, ja: een reservoir van ervaringen en overpeinzingen.

»Alle door mij zeer gewaardeerde schrijvers hebben een rare jeugd achter de rug. Je moet toch iets uit je jeugd zien te halen dat je aan het schrijven houdt. Ik heb een knoop in mijn brein gekregen doordat ik zo ongelukkig was in mijn jeugd. Daardoor is mijn schrijverskarakter, net als dat van bijvoorbeeld Reve, het type van de eeuwige melancholicus geworden.»

HUMO Je hebt het in ‘Satans potlood’ over ‘tedere ontroering’. ’t Moet de enige plaats in je oeuvre zijn waar de bitterheid wijkt voor mededogen als het over je kostschooltijd gaat.

Brouwers «Die eerste, in Zeist, was een vriendelijke kostschool. Toch moet ook daar van alles gespeeld hebben: de tuinman vertelde me bij mijn bezoek over een frater die opgehangen gevonden is, met ontuchtige lectuur aan zijn voeten.

»Zeist was een lagere school, onderwijs voor de vijfde en zesde klas. Nadien werd ik in Soesterberg neergepoot. Maar ik had onmiddellijk door dat het niet een gewone kostschool betrof. Dat heette een missiehuis, omdat je werd opgeleid tot priester-missionaris. Dus heb ik me zo misdragen dat ik daar na enige trimesters van werd afgetrapt. Anders was ik nu misschien ook bisschop of kardinaal. Of paus. Dat zou nog leuk zijn geweest!

»Zo kwam ik in Bleijerheide terecht, dat model heeft gestaan voor het pensionaat in ‘Het hout’. Dat was de verschrikkelijkste, de meest spartaanse kostschool; je karakter werd er gewoon geknakt. We zijn intussen zestig jaar verder, maar nog altijd droom ik van dat pensionaat. Druipend van het zweet schrik ik dan wakker, met bonkend hart van angst.»

HUMO Je portretteert Bleijerheide niet bepaald flatterend, ook door de parallellen met de nazi’s. Ben je niet beducht voor heisa, zoals bij ‘Bezonken rood’?

Brouwers «Daar haal ik toch mijn schouders voor op? Zoals ik ook al over ‘Bezonken rood’ zei: ik heb een roman geschreven, geen historisch werk. ‘Het hout’ speelt zich af in 1953, kort na de oorlog, in een door een Duitser gesticht instituut, tegen de Duitse grens aanliggend. Ik kon niet anders dan voortdurend parallellen met de nazi’s zien.

»Een oud-leerling van Bleijerheide – van na mijn tijd – heeft een stichting in het leven geroepen, Mea Culpa, en is bezig met al dat verschrikkelijks in kaart te brengen. Het staat allemaal op het internet: wie heeft wat bij wie gedaan? Dat heb ik bij het schrijven natuurlijk nauwgezet bestudeerd. Er is een zekere Bulletje geweest, die ik niet gekend heb maar die wel in mijn roman voorkomt. Stel dat de neef van Bulletje mij komt vertellen dat zijn oom zich altijd goed gedragen heeft, dan kan ik glimlachend naar die stichting verwijzen.»

HUMO In Bleijerheide was je niet langer een braaf jongetje, in ‘De zondvloed’ beschrijf je zelfs een heuse ontsnappingspoging: ‘Ik heb besloten dat ik niet op de groepsfoto wil.’

Brouwers «Tenslotte word je onvermijdelijk balsturig: waarom moet ik godverdomme op die kostschool? Die ontsnapping is historisch: ik wilde er niet officieel bijhoren, ik wilde niet op de groepsfoto. Een tijd terug bood een literair antiquariaat een hele serie schoolbladen uit die jaren aan, met foto’s. En wat blijkt? Ik sta daar niet op, krankzinnig genoeg (lacht).

»Letterlijk aan het eind van de straat van dat pensionaat lag de grens met Duitsland. Als ik Nederland in trok, zou ik onmiddellijk weer naar de kostschool gebracht worden en dus begon ik de andere kant uit te lopen. Ik strandde in een dorpje tegen de rand van Aken aan. Daar zat ik op een bank en het regende. Iemand kwam naar me toe, vroeg wat ik daar deed en haalde er de politie bij. Die heeft me toen teruggebracht naar het pensionaat.»

HUMO Ook dat hoofdstuk in ‘De zondvloed’ is doordrongen van de verdrongen seksualiteit: ‘Ikzélf ben een enorme lul.’

Brouwers «Als je iets zo fanatiek wegdrukt, wordt het een alom aanwezig geheim. Dat gist. Want in je puberteit doe je, net als die honderden anderen, niks anders dan masturberen. En dan die broeders ook nog, dat alles in datzelfde instituut. Dat bloeit en dat gist.

»Ook naar Bleijerheide ben ik teruggekeerd, met Gwennie. Ik was er in geen vijftig jaar geweest. Het is nu geen kostschool meer, maar een conferentieoord of zo. De muren zijn daar weg, maar die speelplaats is er nog, die kastanjebomen staan er nog en die gebouwen zijn er nog. Dat viel bovenop mij als een hele zware lap: ik was weer terug, voelde die sfeer daar. Tenzij ik me dat verbeeldde, maar zoveel verbeeld ik me nu toch ook weer niet.»

HUMO In je verslag van dat bezoek, ‘Heimwee’, schrijf je: ‘Ik ontwikkelde er de onbeheersbare drang tot verzet, protest, opstand, strijd, ontmaskering, wraak.’

Brouwers «Tot ik op mijn zeventiende ein-de-lijk van mijn ouders van die kostschool af mocht. Toen kwam ik als puber terecht in een maatschappij die ik niet kende. Met grote verbazing en vreugde liep ik rond. Een meisje had ik nog nooit gezien, nooit aangeraakt, nooit aangekeken. Volstrekt wereldvreemd was ik.

»Ik ging naar het stadsbibliotheekje van Delft. Ha! Al die boeken! Ik ben gewoon bij de a begonnen en heb zo alles doorgelezen. Ik kreeg al die boeken voor volwassenen natuurlijk niet mee, dus werd mijn moeder ook lid van de bibliotheek. Op haar kaart kon ik lezen wat ik wou.»

HUMO Een prima moeder.

Brouwers (smaalt) «Ja, ja. Die had waarschijnlijk niks in de gaten (lacht). Maar zo zat dat. En maar lezen en allengs tot het vage idee komen dat boeken schrijven misschien ook wel iets voor mij zou kunnen zijn. Ik wilde iets met kunst doen. Componist? Daar moest je vele studies voor ondernemen en daar had ik geen geduld voor. Acteur? Nee. Schilder? Ik piekerde maar, tenslotte werd het schrijven. Het makkelijkst van alle kunsten om te beoefenen: je hebt er geen vooropleiding voor nodig en een potlood en oude enveloppe volstaan (lacht). Ik kon zo aan tafel gaan zitten en proberen.»


Lachen met Jezus

HUMO ‘Heb jij weleens gelachen eigenlijk?’ vraagt broeder Bonaventura aan een kruisbeeld.

Brouwers «Dat soort fratsen had ik nodig, want anders werd mijn boek te zwaar. Ik moest veel geestigheid rondzaaien, om het allemaal te relativeren. ’t Is natuurlijk je reinste ketterij wat ik schrijf: dat men de heilige hostie nuchter moet nuttigen, opdat het lichaam van de zaligmaker niet terechtkomt tussen raapsteeltjes en gekookt spek – hoe kom je op de gedachte, enfin (lacht)?»

HUMO Ook geestig: de jacht van de broeders op strips, ‘waarin een eend in matrozenhemd maar met ontbloot onderlijf avontuurtjes beleeft met drie eender afgebeelde neefjes’.

Brouwers «Ineens kwam toen vanuit Amerika het bericht dat stripverhalen nefast zijn voor kinderen: ze worden leeslui, gaan imitatiegedrag vertonen, en gaan over tot zelfmoord door verhanging. Ik zweer het je, daar is literatuur over (lachje). Dus ook onschuldige dingetjes als Donald Duck werden verboden. Ach, alles was verboden, ook de moderne letteren: alles was vies en verdacht en moest buiten de belangstellingssfeer gehouden worden van wie dan ook, van zowel de broeders als de leerlingen.»

HUMO Nog eentje om het af te leren: Jezus wordt nooit afgebeeld ‘met plaggen halfzware shag op zijn tors en dotten poetskatoen onder zijn armen’.

Brouwers (lacht) «De Heiland is immer gewaxt. Dat heeft nog nooit iemand opgemerkt: waarom heeft die vent geen haar – behalve dan zijn fraaie lokjes onder de doornenkroon? Die Bonaventura gelooft al niet meer, daarom komen in die man dat soort gedachten op. Hij eet ook hosties uit de zilveren bus in de sacristie, verkleedt zich in de misgewaden en onaneert in het wijwatervat.

»Er was daar in Bleijerheide een broeder Bonaventura. Een bijzonder aimabele, hele lieve man. Mijn vriend. En dus heb ik hem de eer gegeven die rol te spelen in mijn roman. Toen ik van school wegging, ben ik gaan corresponderen met die broeder. Maar hij schreef me terug: ‘Schrijf me maar niet meer, Jeroen, want men wil dat niet hebben.’ Ik, eigenwijs, bleef brieven sturen. Die werden me ongeopend teruggestuurd. Dus weet ik verder niet wat er met die Bonaventura gebeurd is. Ik weet alleen dat hij uitgetreden is, een vrouw heeft ontmoet en kinderen heeft gekregen. En intussen dood is. ’t Zou interessant zijn meer te weten: die man moet een bochel van herinneringen en frustraties meegedragen hebben.»

HUMO De historische Bonaventura was blijkbaar de biograaf van Franciscus.

Brouwers «Zeker, de éérste biograaf van Franciscus. Dat heeft Brouwers opgezocht (lacht). Mijn hoofdpersonage heeft de naam gekregen van een gelijkgestemde, wat erudiete man van ruim zeven eeuwen terug. Het strookt met zijn interesse voor boeken, dat maakt ook aannemelijk dat hij ‘Het hout’ heeft geschreven.

»Die orde van Franciscus, dat was verder niks; een losgeslagen bende. Ik heb mijn huiswerk gedaan, hoor. Zo weet ik dat Franciscus een vrolijke man was, die vedel speelde en de hele dag zong. Ook zijn geschriften heb ik bekeken; hier en daar heb ik een echo in mijn boek verwerkt. In dat pensionaat heerst natuurlijk niet de Heilige Liefde die de ordestichter bezongen had. Hetzelfde geldt voor Jezus Christus: als er ooit een Jezus Christus geweest is, zal hij niet gewenst hebben dat zijn leer – hij had geen leer – is uitgegroeid tot deze woekering van onvrijheid. Zo, alles gaat naar de kloten. Ja, toch?»

HUMO Weet je nog wanneer je van je geloof gevallen bent?

Brouwers «Rond mijn twintigste? Natuurlijk ben ik ook misdienaartje geweest en was ik ontvankelijk voor die verhalen. Maar tussen je vijftiende en zeventiende geloof je niet. Je accepteert dat gewoon als een gegeven: je komt ter wereld als kind van katholieke ouders en je wordt vanzelf katholiek opgevoed. Dat heeft niks met geloof te maken. Geloven doe je pas op het moment dat je denkt: ik wil helemaal niks met zulk geloof te maken hebben. Geloven doe je dus eigenlijk pas als je ermee ophoudt (glimlacht).

»Ik ben zelfs nog voor de kerk gehuwd geweest. En daarna was het definitief helemaal uit. Maar dan ook echt definitief, zoals je een mes slaat in een stuk vlees. Nooit meer enige kerk vanbinnen gezien.»

HUMO Met de taal van de kerk heb je wel je voordeel gedaan.

Brouwers «Natuurlijk. Ik heb aan mijn katholieke opvoeding ook veel rijkdom overgehouden: smaak voor muziek en opera, een gevoel voor uiterlijk vertoon. Die barokke taal heeft me ook verrijkt; mijn stijl is er min of meer op geënt. Ik ben met verschillende talen groot geworden; in Indië had ik ook dat Maleis – het Indonesisch heet dat tegenwoordig – al in mijn oor. Op de kostschool kwamen daar het Latijn en het Duits bij. Toen ik naar Vlaanderen verhuisde, was er de taal die hier gesproken werd. Die taalagglomeratie heeft me bijzonder verrijkt. Heb je gemerkt dat ik in dit boek voor het eerst Vlaamse woorden durf te gebruiken? Het woord ‘plaasteren’ bijvoorbeeld, voor ‘gipsen’. Of ‘nefast’. Dat zijn toch prachtige woorden, ook al gebruikt men ze in Amsterdam niet? Toen mijn uitgever me daarop attendeerde, heb ik geboden ze te laten staan. Dat verrijkt het allemaal.»

HUMO O ironie: als uitgeversknecht heb je bij al die Manteau-auteurs dat Vlaams net weggepoetst.

Brouwers «Ik zou dat indertijd hebben weggestreept, ja. Vieze, vuile hypocriet dat ik ben (lacht).»


De verrotte schrijfhand

HUMO Je bent een halve eeuw schrijver. Is het glas, alles bij elkaar, eerder halfvol of halfleeg?

Brouwers «Ik kies voor het volle glas.

»Die halve eeuw spookt dezer dagen wel geregeld door mijn hoofd. Heb ik die vijftig jaar goed besteed? Is het alles bij elkaar wat? Word ik genoeg erkend? Afgaande op de verkoopcijfers zeg ik: nou nee, dat houdt niet over. Ik voel me niet miskend, alleen: het brengt niks op (lacht). Ik hoop dat ‘Het hout’ een knallende bestseller wordt, zodat ik eindelijk adem heb om een beetje frivoler te kunnen leven. Ik ben niet straatarm, daar gaat het niet om. Maar het is toch altijd passen en meten en dubbeltjes omdraaien en zo.»

HUMO Heb je eraan gedacht bij die verjaardag het schrijven maar meteen eraan te geven?

Brouwers «Dan is mijn huis afgebroken, dan heb ik niks meer (grimast). Nee, dat is nooit in me opgekomen. Moet ik als een ouwe lul afscheid nemen van wat ik gedaan heb, een schommelstoel kopen en hier gaan zitten wiegelen terwijl ik de tuin in kijk? Dat is niks voor mij, dat hoort niet bij mijn karakter. Ik moet altijd iets doen. En dat is schrijven, iedere dag, soms gewoon een brief of een dagboekblad. Waarom zou ik stoppen?»

HUMO Omdat het lijden is, weten we uit ‘Kroniek van een karakter’. Of omdat je verlamde hand het je ook al niet makkelijker maakt.

Brouwers «Dat gezeur over het lijden, dat was de puberteit van mijn schrijverij. Nu zit ik daar niet meer over te zeiken: ik ga aan mijn tafel zitten, pak mijn pen en schrijf. En die verrotte hand heeft niks te zeggen. Die moet van mij gewoon doorschrijven. Daar is die hand voor. Verder kan ik er niks meer mee, maar met speciale pennen lukt schrijven dus wel. Ook daarom moet ik iedere dag schrijven: ik moet die hand, voor zover dat nog mogelijk is, lenig houden om te schrijven. Mijn geest is soepel zat.»

HUMO Ben je uiteindelijk tevreden met de discipline die je in je puberteit gekozen hebt?

Brouwers «Schrijven is een eenzaam bedrijf, maar na vijftig jaar ga ik daarover niet meer zeuren. Het allerliefst zou ik klassieke componist zijn geworden, maar ontevredenheid over mijn keuze is er niet meer bij. Op een gegeven moment zijn schrijven en leven één geworden. Dat is verliteratuurd leven, dat is leven voor je vak.

»Buiten de vervaardiging van literatuur is in mijn leven zo goed als alles fout gegaan. Dat heeft ook met de literatuur te maken. Met de eenzelvigheid die je als schrijver creëert, met het feit dat je niks meer meemaakt. Het leven gaat als herfstbladeren langs je raam voorbij. Maar ik heb toch voldoening over het feit dat ik mijn leven heb gevuld met literatuur. En in wiens leven gaat niet van alles fout?»

HUMO Volg je de letteren nog altijd op de voet?

Brouwers (knikt) «Het is en blijft mijn vak, ik hou mijn archief nog altijd nauwgezet bij. Elke week knip ik uit kranten en bladen interviews en recensies, geen snipper over een in het Nederlands publicerende schrijver ontsnapt aan mijn aandacht. Geregeld vraag ik dan aan Gwennie: waarom doe ik dit eigenlijk nog? ’t Is een hobby’tje, verder zonder enig nut of enige waarde of zin. Maar al knippende lees ik het ook allemaal, met als gevolg dat ik héél goed op de hoogte ben.»

HUMO Wat is je conclusie over de stand van de letteren?

Brouwers «Dat het mijn letteren niet meer zijn. Het is zo braaf en doodgewoon – alsof ik het allemaal eerder al gelezen heb, alsof ik het tot in den treure ken. Nee, het gulzige lezen uit mijn jeugd heb ik niet meer.

»Natuurlijk vallen me bijzondere schrijvers op. Joost de Vries schrijft prachtige boeken. Van Maartje Wortel heb ik nog nooit iets gelezen, maar ik weet: die moet ik lezen, dat is goed. Of Yannick Dangre, die ik al in de gaten heb van bij zijn debuut. Merijn de Boer is ook een vriendje van me. Zij schrijven allen boeken die merkwaardig zijn, die afwijken.»

HUMO Voel je het polemisch nog weleens kriebelen?

Brouwers «Nee. Maar dat past mij ook niet meer. Op mijn leeftijd moet ik niet gaan zitten katten op de jeugd die net begint. Dus maak ik mij maar kwaad over een onding als de Taalunie, godverdomme. Een volstrekt nutteloos spookinstituut. Wat doen ze daar, tegenwoordig onder leiding van godbetert een Vlaming, met al die miljoenen die ze aan subsidies krijgen? (Op een nuffig schoolmeestertoontje) ‘Nederlands is een taal die overal ter wereld wordt onderwezen.’ Ach, schei toch uit!»

HUMO Tot slot: welk van je boeken zal het langst overleven?

Brouwers «‘Bezonken rood’, denk ik: ’t is een everseller geworden, we zitten aan de 46ste druk en ruim tweehonderdduizend exemplaren. Mooi, jazeker, maar Brouwers valt dan wel samen met ‘Bezonken rood’. Ik word vastgepind aan één titel, terwijl ik mooiere, betere boeken gemaakt heb. Mijn hart ligt bij ‘De zondvloed’: dát is mijn boek, daar zit alles in. Maar die roman is te lijvig: dikke boeken verdwijnen het eerst.»

HUMO Zoals je in ‘Restletsels’ schreef: ‘Geen tak van de creatieve kunst valt zo snel de vergetelheid ten prooi als literatuur.’

Brouwers «Dat is toch ook zo? Een schrijver hoeft maar dood te zijn en zijn oeuvre is weg. Waar is Reve in godsnaam heen, met dat werk dat wij prachtig vonden en dat dat waarschijnlijk nog is? En Mulisch? Die is net dood en niemand heeft het nog over ‘m. Wie leest Multatuli nog, om maar eens de grootste te opperen? Dus denk je als schrijver: waar zit ik het in godsnaam allemaal voor te doen? Dan heb je na al die jaren tenslotte een oeuvre gemaakt en begin je te denken dat het vergeefs werk geweest is. Want het beklijft niet, vijf jaar na mijn dood zal men het niet meer lezen. Ach ja, alles gaat naar de kloten. Toch?»

Twee dagen na ons gesprek beslist de rechter dat Brouwers zijn boshuisje moet slopen, ons ritueel met de esdoornzaadjes ten spijt. Alles gaat naar de kloten, ja.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234