Jonge criminelen uit gewone gezinnen: 'Dankzij mijn ouders ben ik er nog'

Eén op de zes Vlaamse jongens en één op de veertien Vlaamse meisjes heeft ooit criminele feiten gepleegd. Dat lijkt veel (dat ís veel), maar het is niet meer dan vroeger. En, nog opmerkelijker: bijna alle daders – 90 tot 95 procent, volgens onderzoekers – groeien er vanzelf weer uit. Het cliché ‘eens een dief, altijd een dief’ is dus gewoon onzin.

(Verschenen in Humo 3653 op 7 september 2010)

Er is nog een cliché dat niet klopt: veel van die jonge boefjes komen uit gewone, gelukkige gezinnen. Journaliste Ria Goris sprak met zes jongens en drie meisjes die als puber op het slechte pad zijn geraakt.

Wij brengen u één getuigenis: het verhaal van Mathijs, nu een voorbeeldig beroepsmilitair maar als tiener een gewelddadige drugsdealer.

Mathijs (24) heeft een zware week achter de rug wanneer ik hem oppik aan zijn kazerne. Een survival-week: je krijgt tijdens de tocht een kip en die moet je dan zelf slachten en klaarmaken. Bijna alle jongens zijn drie of vier kilo afgevallen. Mathijs ook. Maar dat is peanuts in vergelijking met het gewicht dat hij verloor toen hij aan drugs verslaafd was.

Geen buitenstaander zou nog vermoeden dat deze gespierde, goedlachse militair ooit vel over been was en met één been in zijn graf stond. Die drugs zijn voltooid verleden tijd. Mathijs raakt zelfs geen druppel alcohol aan in de brasserie waar hij vertelt over zijn criminele jeugd. Hij rookt wel de ene sigaret na de andere.

Het is niet de eerste keer dat ik Mathijs ontmoet. Hij heeft me een tijd geleden al verteld over die woelige jaren, maar vandaag krijg ik veel meer te horen over de business die hij als dealer opzette. Dat leverde hem duizenden euro’s per maand op, geld dat hij deels opsoupeerde aan dure cocaïne. Zijn prille jeugd lijkt op die van zoveel Vlaamse jongens.

Mathijs leefde met zijn ouders en zijn oudere broer in een gewone buurt in Gent. Zijn vader maakte als gespecialiseerde technicus lange werkdagen, zijn moeder werkte als bejaardenhelpster en volgde later nog een therapeutische opleiding. Mathijs ging graag naar school, en speelde na school met zijn twee jaar oudere broer Steven. Of hij voetbalde buiten met andere kinderen van de buurt.

Mathijs «Er valt niets speciaals te vertellen over die periode, alles liep eigenlijk vlot.

»Mijn ouders zijn wel uit elkaar gegaan toen ik in het vijfde of zesde leerjaar zat. Omdat daar niet veel ruzies aan voorafgegaan waren, kwam het nieuws als een verrassing voor Steven en mij. Op een zondagochtend riepen mijn ouders eerst Steven naar hun kamer, ik hoorde hem even later snikken. Zelf heb ik niet gehuild. Net als mijn vader heb ik mijn emoties altijd ingeslikt, nu nog. Ik was gewoon kwaad. Mijn ouders bleven wel goed overleggen met elkaar, mijn broer en ik verhuisden om de week van mijn ma naar mijn pa. Mijn vader bleef wonen in ons huis, mijn moeder verhuisde naar een wijk verderop.»

Mathijs leerde goed en begon zijn middelbare studie in een college met een heel goede reputatie.

Mathijs «Maar voor mij werd het een rotschool, niet door de leerkrachten maar omdat ik gepest werd. ‘Hè, flappie,’ riepen de andere leerlingen dan, omdat ik grote oren heb. En ze zeiden dat ik konijnentanden had en deden van alles en nog wat om mij het leven zuur te maken. Mijn schoolwerk uit mijn handen trekken en voor mijn ogen verscheuren bijvoorbeeld, of mijn boekentas verstoppen in de wc’s. Soms deelde ik een flinke mep uit aan één van die pestkoppen, want ik ben fysiek altijd sterk geweest, maar dat kreeg ik dan terug zogauw ze in groep waren. Thuis wilde ik daar niet veel over kwijt, uit trots. Ik ging evenmin naar de directeur of een leerkracht, want dan krijg je de reputatie van klikspaan er nog bovenop.

»Een deel van mijn vroegere makkers van de lagere school heulde mee met de pestkoppen. Ik meed hen en trok steeds meer op met de allochtone jongens uit de buurt waar mijn moeder woonde. Met hen klikte het wél, door hen voelde ik me wél geaccepteerd. We deden onschuldige dingen zoals belletje trekken, maar we gingen ook verder. Ik stal soms, kleine spullen uit sieradenkraampjes bijvoorbeeld. Dat gaf een kick die verslavend werkte. Ik was de enige Vlaming in het groepje, maar als er iets doms gedaan werd, zoals iemand in elkaar slaan, was ik de eerste en de hevigste. Of we trokken sacochen, zoals wij dat noemden. Ooit vond ik in de tas van een oude vrouw het paspoort van haar overleden echtgenoot: toen voelde ik me echt beschaamd.»

Mathijs’ punten op school gingen zienderogen achteruit.

Mathijs «Ik kon niet meer mee met Latijn omdat ik te vaak ziek thuis gebleven was, om de pestkoppen te vermijden. Ik mocht wel overgaan naar het volgende jaar, maar niet in de Latijnse.

»In het tweede jaar ging het van kwaad naar erger. De politie kwam thuis een paar keer over de vloer: eerst voor een vechtpartij, daarna wegens steaming, mensen bestelen onder bedreiging van geweld. Mijn ma viel achterover: ze had nooit vermoed dat ik zoiets zou doen. Ze was erg kwaad en probeerde me meer thuis te houden, maar ik ontsnapte toch. Ik maakte veel ruzie met haar, zodat ik een excuus had om de deur kwaad achter me dicht te gooien en ergens naartoe te gaan ‘om af te koelen’.»

Het hek was van de dam. Op straat werd Mathijs een harde kerel.

Mathijs «Een maat en ik bedreigden mensen met een mes. Ik ontwikkelde zo’n uitstraling dat ik het soms op mijn eentje opnam tegen verschillende jongens samen, of helemaal alleen een volwassen man bedreigde. Dan keek ik zo iemand gemeen in de ogen en zei: ‘Ik geef je de keuze. Ofwel doe je je portefeuille zelf open, ofwel zorg ik ervoor dat je hem openmaakt. Maar geloof me, dat wil je niet meemaken.’ Soms gaf ik iemand op het einde nog een stomp in de maag, zodat hij niet zo makkelijk achter me aan kon komen.»

Samen met enkele maten maakte Mathijs het Citadelpark onveilig, een bekende ontmoetingsplaats voor homo’s.

Mathijs «Ik rolde de mouwen van mijn T-shirt op om mijn spierballen te tonen. Zo lokte ik mannen mee de struiken in, waar enkele maten in een hinderlaag lagen te wachten. »Eén keer drong een homo erop aan dat ik mee in zijn auto zou stappen om naar een hotelletje te rijden. Ik heb hem in de auto bedreigd met een mes. Ik weet niet wat me bezielde, maar ik heb hem in zijn zij gestoken. Hij raakte in paniek en vluchtte de auto uit naar een appartementsgebouw. In de hal hebben mijn maten en ik hem vakkundig in elkaar geslagen. Daarna hebben we zijn auto leeggehaald. We gebruikten meer geweld dan nodig: we waren onder invloed en hadden homo’s niet hoog zitten. Ik gebruikte in die periode bijna dagelijks speed of xtc, sterk oppeppende drugs. Die maken je geprikkeld en agressief.»


Gemeenschapsdienst

Mathijs «De politie heeft me enkele malen opgepakt: voor twee gevallen van steaming, en omdat ik met enkele vrienden twee jonge kerels in elkaar had geslagen. Ik moest voor de jeugdrechter komen. Zij had alleen weet van dat laatste dossier, want het was weekend en ze kon haar gegevens niet raadplegen. Ze kon me dus enkel veroordelen voor die ene zaak van slagen en verwondingen.

»Daar heb ik veel geluk mee gehad, want volgens de wet gold haar vonnis als volledig, ook al waren er andere feiten waar ze geen weet van had. Ik kwam ervan af met 240 uren gemeenschapsdienst. Ik moest verschillende zaterdagen werken in een kinderboerderij. De rechter overwoog een plaatsing, maar er was nergens een plek vrij. Mijn ma vroeg de jeugdrechter om mij in de plaats daarvan zes maanden huisarrest op te leggen, en dat gebeurde ook.»

Zes maanden lang kreeg Mathijs heel weinig bewegingsvrijheid.

Mathijs «Ik mocht na school hooguit twintig minuten naar buiten om sigaretten te kopen. Dat kwam me nog niet zo slecht uit. Ik bleef redelijk clean, ik smoorde alleen geregeld een joint op het terras zonder dat mijn ma dat doorhad. Ik probeerde het vertrouwen van mijn ouders opnieuw te winnen en hen ervan te overtuigen dat ik veranderd was.

»Mijn ma controleerde me voortdurend. Als ze zelf niet thuis was wanneer ik van school kwam, belde ze me op de vaste lijn. Ik heb die zes maanden een halve videotheek aan films verslonden.»

Zogauw het huisarrest voorbij was, was alles weer snel om zeep.

Mathijs «Ik had tijd gehad om na te denken: ik wilde minder criminele dingen doen, maar ik wilde er wél meer geld aan overhouden. Vanaf nu braken mijn makkers en ik in huizen in: we kozen woningen uit van mensen die we kenden en van wie we wisten dat ze met vakantie waren. We roofden dingen uit auto’s en deden gewapende invallen bij kleine drugsdealers. We namen zowel het geld als de drugs mee.

»Als we uitgingen, ging het er ruig aan toe. We raakten geregeld betrokken bij vechtpartijen en kregen soms scherven in ons lijf. Ik voelde er niet veel van, want in die periode was ik al onder de invloed van cocaïne. Dat verdooft je mond en keel, en je voelt nog weinig pijn. Je voelt je een grote Jan als je cocaïne genomen hebt. Ik dacht dat ik iedereen aankon. Iemand moest maar op een uitdagende manier naar me kijken en ik sloeg er al op los. Mijn ouders wisten van niets. Als mijn ma vroeg naar een snee of schram op mijn nek of arm, zei ik iets over een vechtpartij. Ze was dan allang blij dat het dat maar was.»

Ook op school liep het langs geen kanten.

Mathijs «Ik deed het vierde jaar middelbaar voor de derde keer over en zat als bijna 18jarige tussen veel jongere gasten. Ik spijbelde veel en mijn punten waren ernaar. Met mijn hoofd zat ik bij mijn groeiende drugsbusiness. In het begin verkocht ik vooral xtc. Het voordeel van dealen was dat ik geen andere criminele feiten meer moest plegen om aan geld te geraken – en ik had veel geld nodig. Speed kostte niet zoveel, ongeveer 12,5 euro per gram, maar de prijs van cocaïne liep algauw op tot 50 euro per gram. Ik kon het spul tegen discountprijs kopen, maar dan nog was het gebruik duur. Ik nam elke dag minstens een gram of meer cocaïne, en het nam geleidelijk toe.»

Mathijs kon zijn ouders lange tijd zand in de ogen strooien. Maar dat bleef niet duren.

Mathijs «Mijn ma stelde veel vragen. Dat was één van de vervelendste zaken: je verzint de ene leugen na de andere, en je moet die allemaal proberen te onthouden, want anders val je door de mand. Op een bepaald moment stort zo’n kaartenhuis toch in elkaar.

»Ik had geld verdiend met een vakantiejob, en mijn moeder merkte dat dat geld heel snel op was. ‘Ofwel ga je naar de hoeren, ofwel zit je aan de drugs,’ zei ze. Ze stond erop dat ik een urinetest deed bij de huisarts. Ik gaf toe dat ik cannabis gebruikte in de hoop met rust gelaten te worden, maar ze hield niet af. ‘Ma, je gaat dingen te weten komen die je niet wilt weten,’ zei ik. De resultaten waren een shock voor haar: er werden niet alleen sporen gevonden van cannabis, maar ook van speed, xtc en cocaïne.

»Mijn broer was opgelucht dat het eindelijk uitkwam. Steven wist veel en zag me vaak met rare ogen thuiskomen, maar hij heeft altijd gezwegen. Dat moet heel moeilijk voor hem geweest zijn.»


Vel over been

Mathijs en ik verwisselen de rookruimte van de brasserie voor de eetruimte, en gaan dan opnieuw richting rookhoek. Ondertussen vertelt hij onverminderd door. Zodra hij op dreef is, is deze ogenschijnlijk rustige kerel een spraakwaterval.

Mathijs «Ik ging ermee akkoord om een ontwenningskuur te volgen: om van de druk van thuis af te zijn, en om voor mezelf te bewijzen dat ik ook zonder drugs kon. In de periode ervoor liep ik constant stoned rond, maar toch lukte het gemakkelijk om clean te worden. Ik werkte goed mee in de ontwenningskliniek, het was voor mij een kans om het vertrouwen van mijn ouders te herwinnen. Maar intussen hoorde ik op de afdeling allerlei verhalen en cijfers die me op ideeën brachten om mijn business nog te verbeteren.»

Zodra Mathijs weer buiten was, investeerde hij hogere bedragen in zijn drugshandel en ging hij meer werken met middle men.

Mathijs «Ik verkocht niet meer rechtstreeks aan gebruikers: zo liep ik minder gevaar. Ik verkocht aan ongeveer twintig mensen, voornamelijk vanuit de horecazaak waar ik werkte. Ik ben altijd een harde werker geweest en ik lag goed bij de baas. Daardoor kreeg ik al snel veel verantwoordelijkheid. Die misbruikte ik om geregeld uit de kassa te stelen, honderden euro’s op enkele maanden tijd. Ik veranderde de simkaart in mijn gsm om de drie weken, uit voorzorg, en bestellingen gebeurden altijd in een codetaal.

»Vechten deed ik niet meer. Ik had geregeld veel geld op zak, dus ik kon me geen stommiteiten permitteren. Ik was wel een bikkelharde zakenman: ik leverde goed spul en ik was correct met mijn klanten, maar ik verwachtte hetzelfde van hen. Niet op tijd betalen betekende in elkaar geslagen worden.»

'Ik stak hem in zijn zij. Hij rende in paniek weg, maar we kregen hem te pakken en sloegen hem in mekaar'

Zelf ging hij ondertussen zienderogen achteruit.

Mathijs «Ik gebruikte zoveel cocaine dat ik geen eetlust meer had. Ik woog nog maar 65 kilo, voor bijna 1 meter 90. Mijn baas begon te vermoeden dat er iets niet klopte en zette me na enkele waarschuwingen aan de deur. Daardoor zat ik veel thuis. In die periode ben ik doorgeslagen. Ik gebruikte zoveel dat ik vel over been werd. Als ik in de spiegel keek, zag ik een vogelverschrikker: onder mijn ogen zag ik helemaal blauw, mijn kaken waren ingevallen en ik zag lijkbleek. Ik had een kippennek, en mijn bovenarm was niet dikker dan mijn pols nu. Uiteindelijk woog ik nog 56 kilo.

»Mijn ma was vreselijk bezorgd, ze was bang dat het echt verkeerd zou aflopen. Ze geloofde natuurlijk al lang niet meer dat ik clean was, en er waren testen die dat zouden bewijzen, maar wat kon ze doen? De ontwenningskuur had mij niet bepaald geholpen. Ik besefte zelf ook wel dat ik moest proberen te stoppen, maar eerst had ik nog een belangrijke deal af te handelen. Ik had op krediet voor 6.000 euro 10.000 xtc-pillen besteld, een klant van mij zou daar de helft van opkopen. Die belde op het laatste moment af, maar ik moest wel met het geld op de proppen komen. Op tijd – ik kende de spelregels. Ik hield de boekhouding van mijn xtc- en cocaine-business gewoonlijk goed uit elkaar, maar nu klopte die niet meer: ik had te weinig geld in de xtc-pot om mijn schuld af te lossen, terwijl het geld uit de cocaïnekas grotendeels naar eigen gebruik ging. In die periode gebruikte ik soms tot bijna 10 gram cocaïne per dag, voor bijna 500 euro dus.»

Mathijs had zich lang onaantastbaar gewaand, maar begon nu toch goed bang te worden dat het zijn beurt was om in elkaar geslagen te worden.

Mathijs «Die dagen stond ik onder zo’n grote druk dat ik de problemen met die deal opgebiecht heb aan mijn moeder. Ook zij was bang: ze wou me haar spaargeld geven om uit de klauwen van die mannen te blijven. Maar ik vond dat ik dit zelf moest oplossen. Ik kwam zo min mogelijk buiten, legde mezelf op om bijna geen cocaïne te gebruiken. Ik liet wel geregeld een pakketje voor een klant uit het raam zakken, want ik had het geld nodig. Ik ben er net op tijd in geslaagd om het verschuldigde bedrag te betalen.»


Kantje boord

Mathijs «Ik wilde stoppen met drugs, maar na die weken van zelfopgelegd huisarrest wilde ik eerst nog eens goed uitgaan. In die eindejaarsperiode ben ik nauwelijks thuis geweest. Ik was voortdurend onder invloed. Mijn moeder was woedend. ‘Als ik nu nog drugs bij je vind, geef ik je aan bij de politie,’ dreigde ze.

»Eén van de volgende dagen vond ze pakjes coke in mijn bed: die waren uit mijn kousen gegleden. Zonder iets te zeggen is ze me gaan aangeven. Niet lang daarna kreeg ik een oproep van de politie: ik moest me melden. Ik voelde natuurlijk nattigheid en bracht nog snel wat drugs onder bij een vriend. Op het politiekantoor hoorde ik dat mijn moeder een klacht tegen me had ingediend. Dan breek je. Als iemand uit het drugsmilieu zoiets doet, sla je die in elkaar. Maar wat doe je met je eigen moeder?

»Ik was woest. Als mijn ogen konden doden, dan had ik haar neergebliksemd zogauw ik thuiskwam. Ik moest meteen weg, ik heb geen woord tegen haar gezegd. Ze heeft die dag veel schrik gehad dat ze mij nooit meer levend zou terugzien. Maar na enkele uren was ik bedaard. Mijn moeder had me altijd proberen te helpen en steunen, dat wist ik. Dat zij nu zoiets deed, bewees dat ik goed fout bezig was. Ik belde haar op om te zeggen dat ik me zou laten helpen. Maar nog was ik niet helemaal klaar.

»‘Geniet nog maar even van je vrijheid, want het zal voor het laatst in lang zijn,’ hadden de politiemannen tegen me gezegd. Er was sprake van een gedwongen opname. Ik heb die dag alle coke opgesnoven die ik nog had, ongeveer 10 gram, en ben toen naar huis gegaan om te zoeken of er niet nóg ergens spul was. Ik had 48 uur aan een stuk niet geslapen, het zweet parelde op mijn voorhoofd. Ik was echt een freak op dat moment, bangelijk.

»Steven zei iets tegen mij. Hij, die altijd zo kalm is, stond op het punt om met mij te vechten. Ik wist niet meer wat ik deed, en de situatie liep uit de hand. Mijn ma trilde op haar benen, ze heeft zich in de kelder verschanst en heeft vandaar de interventiedienst van de politie gebeld: ‘Kom snel of er gebeuren hier ongelukken.’ Die agenten hebben me meegenomen naar een ziekenhuis.»

Mathijs was er erg aan toe.

Mathijs «Mijn neus lag helemaal open van het snuiven, mijn ademhaling viel soms even weg en ik had hartritmestoornissen. Het was kantje boord geweest, vertelden de dokters nadien. Als ik nog iets verder was gegaan met de drugs, had mijn hart het wellicht begeven. De papieren voor de gedwongen opname lagen klaar, maar voor mij was dat niet meer nodig. Ik ging akkoord met een vrijwillige opname.»

Zeven maanden lang bracht Mathijs door in een ontwenningskliniek.

Mathijs «Ik werd er heel goed begeleid, maar in het begin was het aartsmoeilijk. Ik kreeg allerlei regels opgelegd en kwam geregeld in de verleiding om weg te lopen. Ik was jarenlang de grote Jan geweest, en nu was ik patiënt. Ik was ook gewend om veel macht over mensen te hebben, en dat lukte daar niet. »Ik had nooit geleerd met gevoelens om te gaan en was ook niet van plan om dat te leren. Ik heb het nog altijd moeilijk met gevoelens tonen. Toen ik na mijn opname een relatie begon, heeft het twee maanden geduurd voor ik aan mijn vriendin kon zeggen: ‘Ik zie u graag.’ Want door dat te zeggen, gaf ik haar macht over mij. Ik was bang om gemanipuleerd te worden. Uiteindelijk is ze weggegaan met een ander en wérd ik dus gekwetst, maar ik heb gelukkig ook leren relativeren. Ik weet nu: niet alle vrouwen zijn zo. Ik kan me nu in de plaats stellen van een ander: dat is redelijk nieuw.»


De therapeute: ‘Ze worden steeds jonger’

Vzw Oranjehuis in Kortrijk staat bekend als een pionier in de aanpak van jongeren die zich in nesten werken. Grondlegger Willy Vandamme startte ongeveer elf jaar geleden met een vernieuwend initiatief: contextbegeleiding. Dat houdt in dat jongeren en ouders intensief worden begeleid in hun thuissituatie om opnieuw aansluiting te vinden bij elkaar. Vaak zijn er op dat moment al veel potten gebroken. Soms zien de ouders het niet meer zitten met hun kind: ze willen hun handen ervan aftrekken, zeggen dat het genoeg is geweest. Contextbegeleiding was en is geregeld het laatste alternatief voor een plaatsing. De vzw staat ongeveer dertig gezinnen per jaar bij met contextbegeleiding, en nog eens honderd gezinnen met een nieuwe vorm van intensieve begeleiding.

Heidi D’haene, criminoloog en orthopedagoog van opleiding, was van meet af actief bij de contextbegeleiding. Ik tref haar in een kantoortje boven een leefgroep van het Oranjehuis waar enkele jongeren luidruchtig tekeergaan.

Heidi D’haene «We beginnen niet aan zo’n begeleiding zonder een contract. Daar staat onder meer in dat de jongere zich engageert om tijdig naar school te gaan of om een opleiding te volgen, en wat de consequenties zijn als hij zich misdraagt, bijvoorbeeld door opnieuw drugs te nemen. Ouders zijn vaak sceptisch: ‘Hij heeft het al zo lang verknoeid, waarom zou het nu wel lukken?’ Ze hebben zich al zo dikwijls onmachtig gevoeld in hun opvoeding. Vandaar dat contextbegeleiding staat of valt met kort op de bal spelen.

»Als de afspraak is dat een jongere om acht uur uit bed moet en het lukt hen niet om hem daartoe te dwingen, dan mogen ze ons bellen. Vijf minuten later staan we daar om de jongere uit bed te jassen. De afspraken zijn duidelijk; als ze niet gerespecteerd worden, weet de jongere dat hij geplaatst kan worden. Dat kan in een open of een gesloten instelling, dat hangt af van de jeugdrechter.»

In de loop van de voorbije tien jaar zag Heidi D’haene een aantal verschuivingen.

D’haene «We krijgen steeds meer gezinnen uit de middenklasse. De ouders hebben vaak goede jobs, werken hard, en compenseren dat door hun kinderen materieel te verwennen. Ze proberen vriendjes te zijn met hun kinderen. Zeker na een echtscheiding zie je nogal eens dat zoonof dochterlief de vertrouwenspersoon van één van de twee ouders wordt, en dan is het voor die ouder moeilijk om tegelijk grenzen op te leggen. De jongeren pikken dat niet, ze zijn al erg jong zelfstandig en mondig. Ze eisen hun zakgeld op, of de vrijheid om onbeperkt uit te gaan. Mag dat niet, pech, dan doen ze het toch. Ze schrikken er niet voor terug om hun ouders te brutaliseren.

»We zien ook het andere uiterste: ouders die te strikt willen zijn en straffen opleggen die niet in proportie staan tot wat er gebeurd is, zoals de gsm van hun kind een maand lang afnemen omdat hij of zij te laat thuis was. Dat leidt tot rebellie.

»Kinderen geraken ook op steeds jongere leeftijd in de problemen. Tien jaar geleden werkten we veel met 15tot 17jarigen, nu zien we steeds meer 13- tot 14-jarigen die zich niets aantrekken van God of gebod. Ik sta ervan te kijken hoe vaak de situatie uit de hand loopt door het wegvallen van één van de ouders: door een overlijden na ziekte, door zelfdoding, door een scheiding. Natuurlijk begeleiden we ook gezinnen waarvan de partners wel samen zijn, maar niet zelden zijn er dan spanningen tussen de ouders, of is één van hen constant weg voor het werk.»

Het verontrust Heidi D’haene dat de waarden en normen van een deel van de jongeren die ze begeleiden, zijn aangetast.

D’haene «Een voorbeeld: ze zijn hooguit veertien jaar, maar vrijen erop los met verschillende partners. Seks is een consumptieartikel geworden, ze doen gewoon na wat ze in videoclips zien, zonder veel gevoel erbij. Ook hun gedrag op het internet tart soms de verbeelding. ‘Stort zoveel geld op mijn rekening en je kan naar mijn site gaan,’ sms’te een meisje. Je kon dan zien hoe ze naakt in bad ging. Dat gebrekkige besef van grenzen uit zich ook op andere terreinen: uitgaan en zwaar drinken bijvoorbeeld. Een jongen ging er prat op dat hij het hele weekend sterkedrank verzet had en toch niet had moeten overgeven.

»Maar naast dat extreme gedrag zie ik ook veel eenzaamheid bij jongeren. Ze chatten wel, maar maken ze zo echt contact met elkaar? Je leest veel zwartgallige gedachten op chatsites van jongeren.

»Ik ben ervan overtuigd dat het voor jongeren vandaag de dag heel moeilijk is om zonder kleerscheuren groot te worden. Er komen zoveel beelden en sterke prikkels op hen af, terwijl er tegelijk een grotere zelfstandigheid van hen verwacht wordt. Ze krijgen te veel verantwoordelijkheid en moeten te veel keuzes maken op jonge leeftijd. De grenzen tussen ouders en kinderen vervagen. Bij de gezinnen die wij begeleiden, is het vertrouwen zoekgeraakt. Het is een broos proces om van daaruit toch weer bruggen te bouwen.

»Mensen wachten ook vaak te lang om de stap naar de hulpverlening te zetten. Er zijn dikwijls al veel breuken, het is al heel erg misgelopen voordat de eerste hulpverleningscontacten ontstaan. De stap naar verandering komt ook nooit vanzelf, zeker niet in een situatie die al lang scheefloopt. Verandering roept weerstand op. Precies daarom zijn duidelijke afspraken en het engagement van alle gezinsleden zo belangrijk.»


De jeugdgevangenis van Everberg

Mathijs en ik zijn twee uur en ongeveer vijftien sigaretten verder. Ondanks zijn rookverslaving is Mathijs in topconditie. Hij kwam vandaag als één van de beste van zijn bataljon uit allerlei fitnessproeven. Heeft hij voor het leger gekozen vanwege de structuur?

Mathijs «Misschien wel. Als kind droomde ik er al van om soldaat te worden, maar door die periode in de ontwenningskliniek ben ik structuur echt gaan waarderen. En in het leger kan je je ontwikkelen: niet alleen je fysieke kracht, je krijgt hier ook veel lessen over strategie en omgaan met wapens. Als ik iets doe, wil ik het goed doen.

»Ik heb volledig gebroken met mijn vroegere maten. Dat is misschien nog het moeilijkste: een breuk maken met je verleden. Maar het is nodig, want anders blijf je hangen in het milieu. Je moet dan zeker kunnen terugvallen op een thuisfront dat je steunt.

»Als je zo’n kind als ik hebt, denk ik dat je als ouder wel gaat twijfelen aan jezelf. Maar ik heb de miserie enkel aan mezelf te danken. Doordat ik op mijn ouders kon blijven rekenen, ben ik er nog. Goed dat mijn ma kordaat is opgetreden toen het uit de hand liep. Vanzelf was het me niet gelukt om te stoppen.

»Ik ben wel beschaamd dat ik ook geld gestolen heb van mijn ouders. En ik vind het erg dat mijn grootvader is overleden voor ik clean was. Hij is gestorven met het idee dat zijn kleinzoon een onverbeterlijke drugsverslaafde was. Ik probeer geregeld naar zijn graf te gaan en hoop dat hij dat van ergens hierboven ziet.

»Er is één ding waar ik trots op ben: dat ik mijn sterke karakter, dat ik vroeger gebruikte om foute dingen te doen, nu inzet voor positieve dingen. Niet iedereen die zo lang en zo diep in de shit gezeten heeft, kan daar nog uit klimmen. Ik ben blij dat ik sta waar ik nu sta, en dat de bruggen met mijn familie niet opgeblazen zijn.»

Uit: ‘De weg terug: bekentenissen van (ex)criminele jongens en meisjes uit gewone gezinnen’, Ria Goris, Uitgeverij Van Halewyck

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234