Joyce Delbaere: 'Ondertussen werkt iedereen mij tegen. Zelfs mijn eigen moeder'

Joyce Delbaere werkt aan haar roman ‘Effe chille’. Elke week houdt ze de Humo-lezer op de hoogte van haar vorderingen.

‘Gisteren ben ik niet buiten geweest. Ik heb de hele dag geschreven, zonder pauze. De voorlopige titel is ‘Brief aan mijn uitgever’. Ik wou Geert laten weten dat hij nog een kans maakt bij mij. Hij mag mijn boeken uitgeven als hij zijn vrouw verlaat. Zo begon ik. Maar dan nam de inspiratie het van mij over. De woorden verschenen als een aanrollende zee. Deze tekst gaat over alles. Ik beschreef werelden waarin Geert en ik zouden kunnen leven, als hij maar de juiste beslissingen zou nemen.

Ondertussen werkt iedereen mij tegen. Zelfs mijn eigen moeder. Ze stuurde vanochtend een sms met de vraag hoe het met mij ging. Ik stapte meteen in mijn wagen en reed het hele eind naar haar toe. ‘Mama,’ zei ik, ‘het gaat keigoed met mij. Ik heb twee meesterlijke boeken geschreven, en gisteren nog een literaire tekst van een niveau waarvan ge zegt: ‘Amai, wat een niveau!’

Mijn uitgever is heel enthousiast, maar hij is de gevangene van een gemene vrouw. Hij kan alleen nog maar met mij communiceren via kaartjes die hij tussen mijn autoruit en ruitenwisser klemt, en waarop staat dat hij mijn wagen zogezegd wil kopen. Op die manier laat hij weten dat hij aan mij denkt. Want die duivelin heeft hem totaal onder controle, die kan op haar computer heel zijn doen en laten volgen. Maar zo’n kaartje heeft geen wifi, hahaha!’

‘Eet ge wel genoeg?’ vroeg mijn moeder. ‘Ge zijt wel heel erg mager geworden, niet?’

‘En ook geen bluetooth!’

‘Iedereen krijgt van die kaartjes, Joyce. Als ge de IKEA buitenstapt, steekt er bijna altijd zoiets achter de ruitenwisser.’

‘Daarom is het zo slim, zijn kaartje valt niet op tussen die andere kaartjes. Maar ge gelooft mij niet, of wa?’

‘Wat staat er dan op dat kaartje wat niet op die andere kaartjes staat?’

Het kaartje stak in mijn handtas. Ik hoorde een hond waarschuwend blaffen. En we moeten meer luisteren naar wat de natuur ons zegt. Het zou dom zijn dat kaartje aan mijn moeder te laten lezen. Misschien stond er een code op die zij kon ontcijferen, en waarmee ze mij in moeilijkheden kon brengen. Want dat achter die heks van Geert een hele organisatie schuilging, dat had ik al wel door. Anders was mijn boek al lang gepubliceerd. En hoe moeilijk is het om effe te checken wie mijn moeder is, en haar bij het complot te betrekken. ‘Moeder, kent gij een zekere Myriam? Haar man heet Geert.’

‘Een Myriam? Met een Geert? Even denken...’ Zoveel Myriams kent mijn moeder niet, hoor. Daar moest ze beslist niet over nadenken. ‘Ik denk het niet, kindje.’

Hoe doorzichtig. En dat kindje altijd! Deed ze dat om onze biologische band te benadrukken? Dat had toch enkel zin als ze niet echt mijn moeder was? ‘Ge kent die Myriam dus niet. Dat zal ik maar geloven, zeker? En iets anders: zijt gij wel mijn biologische moeder?’ – ‘Wat is dat nu voor een vraag. Natuurlijk ben ik uw biologische moeder! Waarom vraagt ge dat?’ – ‘Kunt ge dat bewijzen?’ – ‘Wat hebt gij toch!’ riep mijn moeder. ‘Hebt gij iets ingenomen of zo? Of moet gij speciale medicamenten slikken?’

Ik had het kunnen voorspellen. Het is een klassieke truc. Als iemand met pijnlijke waarheden voor de dag komt, dan moet ge hem of haar gewoon medicaliseren. Wegproblematiseren zeg maar. Tof woord trouwens, wegproblematiseren. De welzijnssector zal daar superblij mee zijn.

‘Amai, toffe manier van doen! In plaats van trots te zijn op mij omdat ik een paar schitterende boeken heb geschreven, begint ge mij frontaal aan te vallen. Is dat hoe een normale moeder omgaat met haar dochter? Als ge mij dan toch wilt beschuldigen van druggebruik of wat dan ook, stel u dan maar eens de vraag wie hier normaal is! Ik denk niet dat gij dat zijt! Ik ben weg, en ik denk niet dat ik ooit nog terugkom. En wij lijken langs geen kanten op elkaar. Dat zegt op zich al genoeg.’ Mijn moeder, allee ja, het mens dat ik altijd als mijn moeder heb beschouwd, stamelde wat. Ze probeerde mij tegen te houden, maar ik rukte mij los. Ik sprong in mijn auto en reed naar Geert. Er was niemand thuis. Ik liep zijn tuin in en ging op het terras zitten, met ‘Brief aan mijn uitgever’ onder de arm, in een teakhouten stoel en die stoel gaf mij een cool gevoel, als je weet wat ik bedoel. Ik begon te zingen, want ik voelde mij blij en zorgeloos.’

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234