null Beeld Getty Images
Beeld Getty Images

‘Readme.txt’de woede van klokkenluider Chelsea Manning

Klokkenluider Chelsea Manning: ‘Eenheden lieten als loktechniek een stuk draad achter. Raapte een Irakees het op, dan was het een ‘wapen’’

Op 26 mei 2010 werd inlichtingenanalist Chelsea Manning (34) gearresteerd wegens het lekken van overheidsinformatie over de Irak-oorlog via de klokkenluiderssite WikiLeaks. In 2017 werd ze vervroegd vrijgelaten, nu doet ze in ‘Readme.txt’ eindelijk haar verhaal. In deze exclusieve voorpublicatie vertelt Manning over de cruciale periode rond kerst 2009, toen ze in Irak was gestationeerd: het moment waarop ze besloot om haar transitie in te zetten – én om de honderdduizenden documenten openbaar te maken die de wereld een nooit geziene blik zouden bieden op de duistere kant van de oorlog.

Chelsea Manning

De operationele beveiliging in Irak was verre van luchtdicht. In ons zogenaamd hoogbeveiligde kantoor plakten mensen post-its met wachtwoorden van laptops met overheidsgeheimen op diezelfde laptops. De strikte voorschriften tegen de opslag van persoonlijk materiaal werden flagrant genegeerd: allemaal gebruikten we herschrijfbare dvd’s om aan de lopende band gepirateerde muziek, gekraakte computerspellen en illegaal gekopieerde films te verhandelen en op onze gedeelde harde schijf te zetten. Ook in Irak heeft een mens afleiding nodig.

De schokkende kloof tussen wat de manschappen op het terrein wisten en wat de rest van Amerika geloofde, frustreerde me. Het was allesoverheersend. De mensen hadden meer informatie nodig om te begrijpen wat er gebeurde. Ik zag het zelfs op mijn eigen Facebookaccount. Mijn vrienden – vrij liberale mensen – deelden opiniestukken waaruit een diepe misvatting bleek van wat er eigenlijk aan de hand was. Liberale Democraten die voor Obama hadden gestemd, leken sinds hun man de eed had afgelegd te denken dat onze betrokkenheid in Irak ineens prima uitpakte. In feite was het terugtrekkingsplan dat Obama’s regering volgde, nog bedacht door het team van George W. Bush. We hadden er eerder mee kunnen beginnen: we hadden de logistiek en de capaciteit en de impuls om het te doen, maar niet de politieke wil. De overweging om überhaupt in Irak te blijven leek meer te maken te hebben met hoe dat zou overkomen dan met strategie. Het zou een zootje worden als we bleven, en het zou een zootje worden als we zouden vertrekken.

Een deel van mijn werk was het formuleren van inschattingen van wat er zou gebeuren als we het terugtrekkingsplan zouden volgen, en hoe de Iraakse bevolking zou reageren. Maar ik had twee verschillende bazen, en kapitein Martin, de officier die me om die langetermijninschattingen vroeg, had andere prioriteiten dan kapitein Lim, die me voor de taken van alledag wilde inschakelen. Ze maakten ruzie over wie meer van mijn tijd zou krijgen, en het compromis was dat ik door hen beiden werd opgeroepen voor extra diensten.

Dagen van vijftien uur werden gebruikelijk, uiteindelijk werkte ik de hele week achter elkaar door. Ik hing een demotiverende poster bij mijn bureau, die de mensen in het kantoor geweldig vonden: ‘Iraq is a treadmill,’ stond op een kaart van heel Irak als operatiegebied van onze brigade. ‘Running as fast as you can, as hard as you can, going nowhere.’ Half december, in mijn vrije tijd, had ik contact met mijn vriend Louis. ‘Hoe doet de gezondverstandmeter het?’ vroeg hij. ‘Ik denk dat het gezond verstand drastisch is afgenomen,’ antwoordde ik.

Ik kwam die avond drie kwartier te laat op het werk – ik was in een rabbit hole van videogames en websites terechtgekomen. Specialist Smith – niet zijn echte naam – had dezelfde rang als ik, maar was verantwoordelijk voor de nachtdienst, en hij probeerde me aan te pakken vanwege mijn late komst. Later die week gebeurde het opnieuw, maar die keer was Smith erop voorbereid: hij had Adkins, de sergeant-majoor en de militair met de hoogste rang op onze inlichtingenafdeling, om speciale toestemming gevraagd om mij te straffen. Smith liet me weten dat ik elke avond extra vroeg moest verschijnen om te werken, om negen uur, in uniform, in Smiths slaapvertrek, zodat hij me naar mijn dienst kon begeleiden. Het was betuttelend en het was niet de enige straf: Smith nam me ook mijn vrije dag af.

Dat was de laatste druppel. Ik voelde me op het randje van... nou ja, alles. Het enige wat ik deed, was werken of nadenken over het werk. En nog was het niet genoeg: nu wilden ze me behandelen als een kind. Ik ging door het lint. Blind van woede gooide ik de dichtstbijzijnde tafel omver. Smith probeerde me in bedwang te houden, waardoor ik me alleen nog maar meer aangevallen voelde. Er kwam een andere soldaat binnen en ze hielden me samen vast.

De woede kwam snel op en was even snel weer weg. Ik heb die dienst afgemaakt zonder verdere incidenten. Maar het kwaad was geschied: de verantwoordelijke voor de administratie, die me toch al haatte, was één van de mensen die het gevecht hadden gehoord en die waren komen kijken. Het was als een vroeg kerstcadeau voor haar: een kans om over me te klikken. Ze meldde het aan sergeant Adkins. Maar Adkins vond mijn werk waardevol en mijn prestatieniveau hoog genoeg om me geen disciplinaire maatregelen op te leggen. Als hij dat wel had gedaan, had ik geen toegang meer gehad tot geheime informatie en was ik een stuk minder nuttig voor hem geweest. Hij had personeel nodig.

MENSELIJK SCHILD

Louis begon zich zorgen over me te maken. Hij stuurde me een zorgpakket: een paperback van Richard Stallmans ‘Free Software, Free Society’, met een persoonlijke opdracht van de auteur, die me aanmaande om te ‘vechten voor vrijheid’; een paar delen van Neil Gaimans Sandman-epos; een boek genaamd ‘The Relaxation Response’ en andere boeken over omgaan met ptss.

Op kerstavond 2009 moest ik werken, zoals elke avond. Het duurde nog een maand tot mijn verlof en ik was de dagen aan het aftellen. Een deel van mijn taak was bij te dragen aan route-opruimingspakketten, de legerterm voor een routineoperatie die we ’s nachts uitvoerden om de wegen veilig te maken voor onze infanterie. Ik moest evalueren of er bermbommen, landmijnen of potentiële hinderlaaglocaties waren.

Die avond adviseerde ik sterk tegen wat Route Aeros werd genoemd, een voorgesteld pad dat geen deel uitmaakte van ons normale verplaatsingspatroon. Er was een zeer goede reden waarom we die route normaal niet gebruikten: in de buurt bevond zich een enorme hoeveelheid wapens, wist ik uit informatie over een dreigingsgroep die ik in de gaten hield. Maar ik had geen enkel gezag. En het was de route die de tactici in het Speciale-Troepenbataljon van de brigade wilden nemen, dus deden ze dat.

We hebben een gespecialiseerd militair voertuig, de Buffalo, dat van tevoren routes controleert en vrijmaakt voor de infanterie. De Buffalo die we die nacht uitzonden, werd aangevallen met een bermbom. Die was waarschijnlijk op het laatste moment opgezet, mogelijk door dezelfde groepering die ik volgde, toen die zich realiseerde dat wij om de één of andere stomme reden heel langzaam reden op een weg die voor hen gemakkelijk toegankelijk was.

Het voertuig raakte door de explosie beschadigd, maar een burgerauto die aan de kant was gegaan om ons door te laten, kreeg de volle laag. Daardoor kwamen onze soldaten er levend af, maar een Iraakse burger in de auto was op slag dood, en nog eens vier anderen raakten zwaargewond.

'Sommige eenheden lieten een stuk draad achter op de grond. Als een Irakees het opraapte, had hij een ‘wapen’: dan konden ze hem doodschieten.' Beeld Shutterstock / photolinc
'Sommige eenheden lieten een stuk draad achter op de grond. Als een Irakees het opraapte, had hij een ‘wapen’: dan konden ze hem doodschieten.'Beeld Shutterstock / photolinc

De reactie in mijn eenheid maakte me kotsmisselijk. In plaats van kwaad te zijn over de willekeurige dood van een voorbijganger waren mijn medesoldaten opgetogen: oef, onze mensen leven nog. En kijk, zelfs ons voertuig is amper beschadigd! De dode en gewonde Irakezen, die niets met de strijd te maken hadden, werden niet eens als spijtige slachtoffers gezien. Er werd over hen gesproken als over een menselijk schild. ‘Een meevaller dat die burgers in de weg zaten,’ zeiden ze – maar dan met een scheldwoord voor Irakezen. ‘We moeten gewoon zorgen dat ze onze konvooien voortaan altijd omringen.’

Het kon me niet schelen dat het galgenhumor was om lucht te geven aan de schrik en de opluchting. Ik was geschokt. Ik bleef maar denken aan het bijna universele geloof onder soldaten dat zulke mensenlevens, in vergelijking met de onze, volkomen vervangbaar waren. Ik keek de hele dag via een scherm naar burgerdoden, elke dag. Soms waren ze het gevolg van een persoonsverwisseling. Maar bepaalde eenheden gebruikten ook een loktechniek waarbij bijvoorbeeld een kalasjnikov, of zelfs iets zo onschuldigs als een draad, op de grond werd achtergelaten. Als een Irakees het nietsvermoedend oppakte, hield hij een wapen vast, en hadden de Amerikaanse sluipschutters een excuus om te schieten.

Ook soennitische extremistische groepen, zoals Al Qaida en Islamitische Staat in Irak (die later zou opgaan in Isis), doodden veel ongewapende onschuldigen. Die aanvallen waren gericht op ons, de Amerikanen, maar wij waren niet de slachtoffers. Wij hadden T-muren, grote verplaatsbare barricades, en Hesco-barrières, enorme schanskorven die met zand werden gevuld. Aanvallen met geïmproviseerde bomvoertuigen kwamen het meest voor: dan vulde een extremistische groep een grote auto met explosieven, die vervolgens tegen een doelwit aan werd gereden om zoveel mogelijk doden te maken. Gelijktijdige aanvallen werden dan overal in de stad gecoördineerd. Dat soort incidenten haalt de voorpagina’s als het in het Westen gebeurt, maar in Bagdad, met enkel Iraakse slachtoffers, was het een bliepje op de radar. De dood was overal en iedereen die een kant had gekozen, was verantwoordelijk.

Maar het voorval met de Buffalo kon ik niet uit mijn hoofd zetten. Het was míjn eenheid geweest, ík had de afweging gemaakt, wíj hadden het gevierd. Elke eenheid had dat soort verhalen. Hoezeer we ook probeerden ze te verhullen in klinische verslagen vol zorgvuldig gecodeerde acroniemen en eufemismen, achter iedere grote actie school een tragedie. Stuk voor stuk waren ze een optelsom van lijden en dood, zoveel ingewikkelder en diepgaander dan iedereen wilde toegeven.

Ik werd op eerste kerstdag pissig wakker vanwege Route Aeros. Ik kon niet geloven dat iemand ondanks alle waarschuwingen de opdracht had gegeven om die route te gebruiken. Dat geweld was te voorkomen geweest. Ik voelde me machteloos.

Ik heb de feestdag niet gevierd. Ik miste de kerstmaaltijd omdat ik bezig was het relaas van het Route Aeros-incident te verspreiden. Thuis was er niemand die ik kon bellen. Mijn tante was die dag weg, mijn vriendje Dylan beantwoordde mijn telefoontjes niet meer en ik had niets te zeggen tegen mijn ouders.

FIJNE FEESTDAGEN

Eind december, een paar dagen na Kerstmis, schreef ik een brief aan een verslaggever met wie ik in Washington D.C. had gedatet. Deels was het een aanklacht, deels een verdoken aanbod om informatie te lekken – hoewel de brief, net als alles wat ik schreef, natuurlijk door de censuur moest voor hij bij hem terechtkwam. Ik luchtte mijn hart over mijn oversten – ‘Ze laten me werken als een muilezel, maar als ik over mijn carrière wil praten, zijn ze plotseling doof’ – maar schreef ook lyrisch over de fenomenale hoeveelheid gegevens die de inlichtingendiensten de voorbije zes jaar hadden verzameld: ‘Honderdduizenden, zo niet miljoenen rapporten, samen één van de belangrijkste collecties uit onze geschiedenis. Ze bevat alle soorten kennis in één compleet overzicht: zowel kwantificeerbare gegevens – cijfers, tijdstippen – als niet-kwantificeerbare – emoties, verhalen over gewone levens. Van banale rapporten over de vondst van een wapenopslagplaats tot gruwelijke, wrede, gewelddadige verslagen over nachtelijke missies die verkeerd zijn gegaan. En toch zijn ze, vaak onnodig, allemaal als geheim aangemerkt. Maar ze zijn historisch! Ik wou dat al die informatie zich in het publieke domein bevond. Dat zou de oorlog niet eerder beëindigen, nee. Maar als we een gedetailleerd verslag hebben van wat een antiterreurstrategie eigenlijk inhoudt, kan ons dat er misschien van weerhouden om ze een volgende keer, al is het over twintig jaar, nog eens te gebruiken.’

Ik verontschuldigde me voor het doorzeuren – ik ben twintig uur achter elkaar op geweest, schreef ik – en vertelde hem dat ik bij niemand mijn hart kon luchten. ‘Fijne feestdagen!’ Ik zette mijn naam eronder en tekende een cartoongezichtje van mezelf dat naar hem glimlachte. De censors lieten alles doorgaan. Maar de verslaggever begreep mijn hint niet: hij schreef vooral over kwesties van sociale rechtvaardigheid voor homo’s, niet over militaire operaties en het nationale veiligheidsapparaat.

Op oudejaarsavond was ik weer alleen. Ik zat buiten in een rookhoek, vlak bij het IT-centrum waar al ons internet naar binnen werd gepompt. Je ziet de sterren in Irak helder en duidelijk, zoals thuis in Oklahoma. Ik stak de ene sigaret na de andere op en besloot dat dít mijn decennium zou worden. Het was 2010, ik was 22 en klaar om wat te dóén. Ik wilde niet langer vastzitten. Ik wilde niet de rest van mijn leven met genderdysforie worstelen. Ik wilde eindelijk uitzoeken of ik klaar was voor de transitie die ik al zo lang uitstelde. Ik wilde de dingen in gang zetten waarin ik geloofde. Hoe zoetsappig het ook klinkt: ik keek omhoog naar de sterren en besloot dat ik wilde proberen de wereld te veranderen, in plaats van me overweldigd te voelen door al wat ik er vreselijk aan vond.

Dus kwam ik die week in actie: ik zou de wereld laten zien wat ik zag. Ik had op herschrijfbare dvd’s al een enorme hoeveelheid gegevens gedownload, als offline back-up voor mijn werk, voor het geval er een trage verbinding was of mijn computer crashte: 400.000 documenten over gewapende incidenten, rapporten over bermbommen, human intelligence die door onze manschappen op het terrein was verzameld – een schat aan informatie die bekend zou worden als de logboeken van de oorlog in Irak. Ik hoefde nooit te verbergen wat ik aan het doen was: de schijven waren gelabeld en lagen open en bloot op kantoor.

'Iraanse burgerslachtoffers werden weggelachen. Onder soldaten was de overtuiging bijna universeel dat zulke mensenlevens vervangbaar waren.’
 Beeld AFP
'Iraanse burgerslachtoffers werden weggelachen. Onder soldaten was de overtuiging bijna universeel dat zulke mensenlevens vervangbaar waren.’Beeld AFP

Maar nu was ik klaar om ze met de buitenwereld te delen. Ik voegde er de bestanden uit Afghanistan aan toe die ik al eerder had gedownload. Op 8 januari begon ik met het overzetten van de dvd’s naar mijn persoonlijke laptop. Ik zette ze op mijn MacBook Pro en vervolgens op de sd-kaart die ik tijdens mijn verlof mee naar huis wilde nemen. We brandden allemaal zoveel dingen op herschrijfbare dvd’s en namen zo vaak gegevensdragers mee uit het beveiligde kantoor – voor persoonlijk gebruik of voor training – dat niemand er zelfs maar van opkeek.

Mijn verlof kwam er snel aan en ik was vastbesloten om de informatie vrij te geven. Onder geen beding kon ik dat op papier doen – stel je eens voor dat je bij een kopieerwinkel achter mij in de rij zou staan! Terwijl ik me inbeeldde hoe een journalist de digitale collectie zou openen, voegde ik er een tekstbestand met uitleg aan toe met de titel ‘readme’. Ik wilde geen twijfel laten bestaan over de historische betekenis van de gegevens. Ik was door het leger goed getraind in de kunst van het schrijven van een samenvatting, het aansturen van actie en het aanmanen tot voorzichtigheid: ‘Gegevens over de historische betekenis van twee oorlogen, Irak en Afghanistan. Alles is al ontdaan van identificerende informatie. Je zult er enkele maanden mee aan de slag moeten om uit te zoeken hoe je zo’n grote hoeveelheid gegevens het best kunt vrijgeven en de bron kunt beschermen. Dit is mogelijk één van de belangrijkste documenten van onze tijd, dat de mist van de oorlog doet optrekken en de ware aard van de asymmetrische oorlogvoering van de 21ste eeuw onthult. Have a good day.’

Het zou nog weken duren voor ik het kon overhandigen, en het werd alleen maar erger. Het internet was, zoals altijd, de plek waar ik troost zocht, waar ik aangaf dat ik pijn had. Ik stuurde Louis een bericht, ’s avonds laat, aan zijn kant van de wereld: geen reactie. Dus wendde ik me tot Facebook: ‘...voelt zich zo alleen,’ zette ik als statusupdate achter mijn naam. De volgende ochtend zag Louis het bericht. Ik verspilde geen tijd aan smalltalk. ‘Ik ben de weg kwijt,’ schreef ik.

Hij dacht dat het speels bedoeld was. ‘In Irak? Dat is niet goed :-( Ik dacht dat jij mensen moest vinden!’

‘Figuurlijk,’ antwoordde ik. ‘Ik weet niet wie ik ben, waar ik ben, wat ik wil... Ik ben moe. En alleen... En wanhopig.’

Chelsea Manning, ‘Readme.txt’, HarperCollins

null Beeld rv
Beeld rv
README.text Beeld rv
README.textBeeld rv

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234