null Beeld

Laster en achterklap: Serge Simonart reageert

In Dag Allemaal van 19 januari 2016 verscheen een lasterlijk artikel over Humo-journalist Serge Simonart en zijn uitspraken na het overlijden van David Bowie, dat op talrijke manieren de regels van de correcte journalistiek, de welvoeglijkheid en de moraliteit overschrijdt. Simonart houdt eraan voor eens en altijd te reageren op de roddel en laster die hem te beurt zijn gevallen.

Serge Simonart

'Je verwijt een kardinaal ook niet dat hij over Jezus praat, of een sportjournalist dat hij het over bekende voetballers heeft'

Blijkbaar vindt Dag Allemaal dat anonieme, lasterlijke roddels op het internet een aanvaardbaar uitgangspunt voor een artikel vormen. Daarbij worden leugens gepresenteerd als feiten. Het artikel over mij hangt aaneen van gissingen en insinuaties die roddel en afgunst verbergen – géén namen, géén feiten, géén bewijzen. Anonieme ‘collega-journalisten’ mogen ongehinderd en zonder enig bewijs leugens spuien. Alleen al het feit dat die zogenaamde collega’s hun naam niet willen noemen, bewijst de laakbaarheid van hun beweringen.

Ook van de algemene pejoratieve beweringen wordt nérgens enig bewijs verstrekt. Alles is er op gericht om aan stemmingmakerij te doen, om mijn professionele reputatie te schaden. Idem wat de leugenachtige - en meestal even anonieme - scheldcannonades op asociale media betreft. Ook in Focus Knack waren trouwens trollen actief. En in De Standaard. En zelfs op dit eigenste humo.be.


Lees ook 'In memoriam: Serge Simonart herdenkt David Bowie'

De feiten. De dag dat David Bowie stierf, kreeg ik telefoontjes en verzoeken van zowat alle media (tot de RTBF nieuwsdienst en vanuit Nederland toe). Ik ben op slechts twee verzoeken ingegaan: die van Radio 1 en 'Van Gils & gasten' op Eén. Had ik mijn band met Bowie willen uitmelken, dan zou ik álle aanvragen hebben aanvaard en overal zijn opgedraafd.

Als Lieven Van Gils mij in het begin van zijn programma uitdrukkelijk vraagt: ‘Hoe goed kende jij Bowie?’, dan heb ik de keuze: ik kan zeggen: ‘Dat zijn uw zaken niet,’ of ik kan beleefd en naar waarheid proberen te antwoorden op zijn vraag. Ik heb voor dat laatste gekozen, en ik neem er geen woord van terug. Als bewijs van mijn terughoudendheid nog dit voorbeeld: ondanks herhaaldelijk aandringen vond ik het niet nodig om foto’s van mij en Bowie mee te brengen die de redactie wilde tonen op de videowall in het decor van Van Gils.

Ik ben bescheiden begonnen met te zeggen: ‘Ik was een vage kennis van Bowie, géén intieme vriend.’ Da’s dus het tégendeel van 'koketteren' of 'aanstellen', zoals het in het artikel wordt genoemd. Bovendien moet je blind of van zeer slechte wil zijn om niet te zien dat ik bij Van Gils oprecht geëmotioneerd was.


Bekijk ook 'Serge Simonart in 'Van Gils & gasten' over het overlijden van David Bowie'

Ik word zelf ook in het stuk geciteerd, ook al heb ik Dag Allemaal géén interview toegestaan. Toen ik door de journalist werd opgebeld, heeft hij op geen enkel moment gevraagd: ‘Mag ik u interviewen?’. Ik heb hem zeer kort maar zeer duidelijk gemaakt dat ik niét wenste mee te werken aan zijn roddelstuk, maar zelfs mijn weigering wordt weergegeven als een interview. Het is, kortom, een moedwillig, tendentieus roddelstuk dat mijn goede reputatie als journalist schaadt.


Op de foto in Paisley Park

Als enige journalist in België publiceer ik al 30 jaar internationaal, mijn interviews en artikels verschenen in ongeveer 200 magazines in pakweg 40 landen. Ik bezit daarvan bewijsexemplaren en facturen. Ik heb ook nog de bandopnames van al mijn interviews.

Ik interviewde honderden sterren, zonder ooit enige vorm van ophef, mislukking of om het even welk laakbaar incident. Dat wekt afgunst op, ook bij minder succesvolle collega’s. De sneren komen niet toevallig van concurrenten van Humo. Die in het verleden soms bij Humo solliciteerden en werden afgewezen.

De ironie is dat ik, in tegenstelling tot veel andere journalisten, in werkelijkheid helemaal niet zo’n groot belang hecht aan mijn band met sterren. Ik heb bijvoorbeeld, alweer in schril contrast met tal van ‘collega’s’, nog nooit voor mezelf een handtekening gevraagd, terwijl ik er makkelijk duizend had kunnen verzamelen.

Eén journalist, Thomas Lowette, publiceerde in Het Volk ooit een lasterlijk artikel waarin hij beweerde dat mijn interviews met Bowie verzonnen waren. Helaas voor hem was uitgerekend die week mijn zoveelste interview met Bowie gefilmd en werd het uitgezonden op Canvas, zodat iedereen kon zíén dat het echt was.

Een andere journalist, een Humo-collega nota bene, ging overal roddelen dat ik mijn interview met Paul McCartney had verzonnen en wedde voor (toen nog) 20.000 frank dat ik had gelogen dat Macca voor mij een stukje zong. Het staat op band. Ik heb het nog. Ik liet Guy Mortier de band van A tot Z beluisteren met het artikel ernaast. Ik heb de 20.000 frank nooit gekregen, en verontschuldigingen evenmin.

Ook over mijn bezoeken aan Paisley Park is jarenlang geroddeld dat ik ze verzon. Onlangs tweette Paisley Park zélf een foto waarop ik te zien ben op het podium aan de voeten van Prince, en dan nog hielden een paar door frustratie en nijd verblinde roddelaars op het internet vol dat het fake was. Ach.

Het is trouwens voor iemand in mijn positie onmogelijk om een interview te verzinnen of te verdraaien, vermits er heel wat getuigen van zijn. Op dat internationale niveau zijn dan op de hoogte: in de eerste plaats natuurlijk de artiest zelf, vervolgens zijn manager en/of management, PA (personal assistent), pr (public relations), mensen van het moederhuis van de platenfirma (meestal in Londen of New York), werknemers van de platenfirma in België (meestal Brussel), en, in geval dat (zoals vorige maand met Prince in Paisley Park) het interview werd geregeld door de concertpromotor, ook de werknemers van die concertpromotor.

Vlaamse roddelbladen daarentegen kunnen manipuleren en schrijven wat zij willen zonder dat sterren uit pakweg Hollywood dat ooit te weten komen, want zij lezen geen Nederlands. Mijn interviews daarentegen verschijnen vaak in landen met de taal die de sterren praten (Engels, Frans) zodat zij mijn stukken wél lezen, en hun management ook. Het is dus voor mij onmogelijk om vals te spelen. Bovendien moet ik vaak vooraf mijn Engelse uitgetikte versies van het gesprek naar het management sturen.

'Kortom: ik sta recht in mijn schoenen, heb een vlekkeloze reputatie en heb niets te verbergen. Vergelijk die feiten met bovenstaande anonieme jaloerse roddel.'

Op professioneel vlak kan mij niets worden verweten: ik ben eerlijk, correct, goed voorbereid, ervaren en ik stel vragen die, laat ik het zo voorzichtig mogelijk zeggen, iets minder dom zijn dan die van anderen. Bovendien spreek ik perfect Engels en is mijn passie voor muziek oprecht. Dáárom kan ik al die sterren interviewen, níét omwille van mijn schone ogen. Niemand kan mij feitelijk iets aanwrijven, vandaar die stemmingmakerij en roddel.


Onnozel Belgje

Ik ben wereldwijd de enige journalist die David Bowie 6 keer heeft geinterviewd. Al die interviews waren exclusieve one-on-one gesprekken, géén zogenaamde round tables (waarbij een zestal journalisten uit evenveel landen samen één ster interviewen), noch persconferenties. Daarnaast heb ik Bowie nog enkele keren informeel ontmoet en met hem gepraat over ettelijke onderwerpen buiten de muziek. Niets meer, niets minder. Bij 'De laatste show' formuleerde ik het ooit zo: ‘Als ik in New York in moeilijkheden zou zitten, dan zou Bowie mij helpen. Maar het is ook weer niet zo dat ik op een zondagavond onaangekondigd bij hem kan aanbellen en vragen: ‘Iman, wat schaft de pot vandaag?’’

In verband met mijn opmerking bij Van Gils op Eén over de ‘setlist’: vanzelfsprekend beweer ik niet dat een wereldster het van mij laat afhangen welke songs hij op zijn volgende tournee zal spelen. Ik ben niet achterlijk, en evenmin megalomaan. Natuurlijk beslist een artiest dat uiteindelijk zélf. Ik zei enkel dat Bowie mij ooit vroeg: ‘Stuur me eens een lijst van volgens jou verwaarloosde en te weinig live gespeelde songs met argumentatie, ik ben benieuwd wat je daarover denkt.’ Ik stuurde hem een handgeschreven brief van vijf bladzijden (ik heb er nog de getypte kladversie van, op papier en van een computer uit ongeveer 1997) en wat later belde Bowie me erover op en ging hij er in detail op in. Dat is alles. Niets meer, maar ook niets minder.

In mijn in memoriam over Bowie verwijs ik naar mezelf (zoals ik ook bij Van Gils deed) als ‘een onnozel Belgje’ en vermeld ik uitdrukkelijk dat Bowie mij natuurlijk ‘niet nodig’ had. Natuurlijk geen woord daarover in Dag Allemaal of Focus Knack. Niettemin kende ik hem beter en zag ik hem vaker dan gelijk welke andere Belg, tot spijt van wie ’t benijdt. Er zijn ook rocksterren die ik totaal niet ken, hoor, ook al hou ik veel van hun werk. Neil Young, bijvoorbeeld. Of de helaas ook al met haar gezondheid sukkelende schat Joni Mitchell, die vijf (5!) geplande interviews last minute afbelde.

Maar het is kinderachtig en vals om mij te verwijten dat ik soms publiekelijk over sterren praat. Het is tenslotte mijn werk. Je verwijt een kardinaal ook niet dat hij over Jezus praat, of een sportjournalist dat hij over bekende voetballers praat. Ik heb een lange lijst van aanbiedingen om over sterren te komen praten die ik heb afgewezen.

Ik heb ook vaak schnabbels geweigerd, zoals aanbiedingen om boeken over sterren te schrijven (Bowie, U2, Leonard Cohen, noem maar op), boeken die na mijn weigering steevast toch werden geschreven door andere journalisten die de ster niet eens ontmoet hebben.

Ik draaf ook niet op in panels om daar mijn status te verzilveren of nog meer een BV te worden dan ik helaas al ben – ik heb bijvoorbeeld tot drie keer toe geweigerd om deel te nemen aan 'De slimste mens', een fijn programma waarbij anderen, ook journalisten, soms slijmen om eraan te mogen deelnemen. Ik heb in 30 jaar tijd slechts in 4 talkshows gepraat over (een deel van) mijn werk. Ik had er makkelijk 40 kunnen doen.

'Ik netwerk niet en ben evenmin actief op Facebook of Twitter. Ik schrijf. Ik interview. In eer en geweten.'

In tegenstelling tot andere muziekjournalisten heb ik nog wat anders in mijn leven. Ik heb een journalistiek genre uitgevonden: de Onze Man-stukken, vaak geïmiteerd door dezelfde ‘collega’s’ die mij belasteren. Ik maak radioprogramma’s. Ik schrijf romans – ook daar word ik vaak of genegeerd, of aangevallen.

Ik begon op mijn 18e bij Humo, en heb op al die tijd nooit een roddel gepubliceerd over wie dan ook, laat staan over collega-journalisten, noch heb ik mijn positie als journalist misbruikt voor het beslechten van een persoonlijke vete. Ik netwerk niet en ben evenmin actief op Facebook of Twitter. Ik schrijf. Ik interview. In eer en geweten. Niets meer, niets minder.

Dit stukje is bedoeld voor sympathieke Humo-lezers, die zich na al dat gekrakeel misschien afvragen hoe dat allemaal verloopt, interviews en werken in een haaienpoel.

De anonieme roddelaars op het internet wens ik van harte beterschap – get a life, dan hoef je niet jaloers te zijn op dat van een ander.

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234