null Beeld

Leonard Cohen: 'Ik ben als een non: getrouwd met een mysterie

Wie ooit in Canada was weet hoe ze daar Leonard Cohen koesteren, met een verontwaardigde trots verwant aan wat wij Belgen voor Jacques Brel voelen. 'Hij is een Canadees, géén Amerikaan!' roepen ze, zoals wij steigeren als de Fransen Brel claimen.

De Joodse afkomst van Leonard Cohen is geen voetnoot, ook al bulkt zijn oeuvre van verwijzingen naar het katholicisme (‘Just some Joseph looking for a manger’) en heeft hij vijf jaar in een boeddhistisch klooster geleefd. In 1973, toen Israël in de Jom Kipoeroorlog tegenover Syrië en Egypte stond, ging hij zelfs officieel in dienst bij de luchtmacht en speelde hij concerten voor de troepen. En recent nog maakte hij er een punt van om in Tel Aviv op te treden, ondanks dreigementen uit Arabische hoek.

Cohen leerde gitaar spelen in de zomer van 1950, tijdens een ‘zomerkamp voor Joodse kinderen van armen huize’, toen een socialistische vriend gedichten van Federico García Lorca over de Spaanse burgeroorlog op muziek zette. Zelf schreef hij eerst gedichten, publiceerde een paar bundels en romans ‘waarvan ik niet kon leven’, en stuurde dan pas een demo met z’n drie eerste nummers naar de bekende zangeres Judy Collins, die ze meteen op plaat zette.

Ongelofelijk dat het schitterende debuut ‘Songs of Leonard Cohen’ al bijna vijfenveertig jaar geleden verscheen, in 1968. Ik herinner me hoe mijn ouders die plaat oplegden, zij die meestal neerkeken op de in hun ogen banale pop. Nog ongelofelijker is het dat geen enkele noot ervan gedateerd klinkt. Misschien omdat Cohen, al wordt hij nu met de hippies en de sixties geassocieerd, zijn songs op een andere planeet schreef. Niet in San Francisco, níét met flowers in z’n hair, maar toen al als een monnik, in een klein kaal huis op het griekse eilandje Hydra, waar de tijd stil was blijven staan. In het cd-boekje van ‘The Essential Leonard Cohen’ staat een foto waarop je hem op het kale dakterras van dat huisje gitaar ziet spelen: een typisch beeld. Terwijl Jim Morrison, Brian Jones, Jimi Hendrix en een vracht andere rocksterren aan een overdosis bezweken en The Beatles hun psychedelische ‘Magical Mystery Tour’ lanceerden, was hij wars van drugs. Pas later had hij een korte maar heftige flirt met lsd en amfetamines. ‘De eerste keer dat ik heroïne probeerde moest ik meteen kotsen. Alleen speed hielp me: mijn metabolisme en mijn manier van doen zijn zo slow motion dat die drug me in een normaal ritme bracht.’

undefined

Verbijsterend aan die eerste drie elpees (in 1969 volgde ‘Songs from a Room’, in 1971 ‘Songs of Love and Hate’) is hun maturiteit, hun gratie. Cohen was geen piepjonge debutant – bijna vierendertig – en Columbia twijfelde of zo’n ouwige, wereldvreemde en bovendien Canadese dichter wel een publiek zou vinden. gelukkig dacht John Hammond, de producer die ook Bob Dylan ontdekt had, daar anders over.

Normaliteit en sereniteit zijn Cohens peilers, en ongetwijfeld was zijn samenwerking met überweirdo Phil Spector aan ‘Death of a Ladies’ Man’ in 1977 dáárom zo’n cultuurschok. ‘Ik hoopte Phil te treffen in een Claude Debussy-fase, maar hij bleek in een Richard Wagner-fase te zitten. Hij hield graag nepschietpartijen met z’n lijfwachten, en toen een violist iets deed dat hem niet zinde, richtte hij zijn blaffer op hem. De man pakte z’n vioolkist en we hebben ’m nooit teruggezien. Eén keer kwam Phil naast me staan en stak hij de loop van een colt in m’n nek – ik herinner me nog dat het ijskoud was in de studio, want hij zette de airco graag hoog. Hij, poeslief: ‘Leonard, je weet toch dat ik je graag zie, hè?’ Ik, rillend: ‘Ik hoop het, Phil.’

Cohen werd, zoals hij zelf monkelend zingt, ‘born with the gift of a golden voice’. Zijn stem is ‘a thousand kisses deep’. ’t Is een monotone, oudtestamentische, soms lugubere bariton die gravitas en tristesse uitstraalt, al adviseerde de Japanse zenmeester Joshu Sasaki, Cohens vriend en goeroe, hem een keer om ‘nog verdrietiger’ te zingen. In z’n hele carrière heeft hij zich slechts twee keer schor geschreeuwd: op ‘Is This What You Wanted?’ en ‘Leaving greensleeves’, niet toevallig twee middelmatige nummers (allebei te vinden op ‘New Skin for the Old Ceremony’ uit 1974).

Zijn spreekstem is nog dieper dan z’n zangstem. ‘Een goed verleidingsmiddel?’ vroeg ik hem eens. ‘Ik heb er eigenlijk maar één tastbaar succesje mee geboekt,’ antwoordde hij. ‘De kat van een vriendin van me was ziek. Ik ging ernaast liggen en begon wat sutra’s te zingen, traag en diep... En de kat werd beter. And I got the girl. Toen ik gestopt was met sigaretten en whisky dacht ik dat mijn stem weer lichter en hoger zou worden, maar nee: ze blijft dalen. Ze zeggen dat ik niet kan zingen, zoals ze dat ook van Bob Dylan zeggen. Maar daarop antwoord ik altijd: ‘Dylan kan niet zingen zoals Picasso niet kon schilderen.’ Ik vraag niet dat een zanger zo luid, zo hoog of zo snel mogelijk zingt, ik vraag dat hij mij ontroert.’

Essentieel voor Cohens sound zijn de backingzangeressen: Jennifer Warnes natuurlijk, die al in 1972 met hem zong en vijftien jaar later een hitje zou scoren met een prachtige versie van zijn ‘Famous Blue Raincoat’, maar ook de wonderlijke Julie Christensen, Perla Batalla en Sharon Robinson. ‘Zonder hen voel ik me alleen, alsof ik zit te masturberen in de studio.’


Life of a Ladies’ Man

In deze age of lust is Leonard Cohen nog een echte Artiest die zich op Muzen verlaat. Hij en Eros zijn altijd on speaking terms geweest. Kijk hoe inventief hij een platgetreden pad als liefdesverdriet omschrijft: ‘I showed my heart to the doctor: he said I just have to quit / Then he wrote himself a prescription / And your name was mentioned in it!’ Die vrouw heeft hij, gok ik, niet in bed gekregen (‘But you stand there so nice, in your blizzard of ice / Oh, please let me come into the storm’). Maar ik gok óók dat je een afgewezen Cohen zo zelden zult zien als de komeet van Halley. Een bekende dame bij wie hij een blauwtje liep was Nico van de Velvet Underground. ‘Ik ging met haar naar een optreden van Jimi Hendrix. Op een bepaald moment wilde ik naar huis. ‘ga maar, ik blijf,’ zei ze koel. Later zag ik haar met Jimi in z’n limousine. No hard feelings, ik heb zelfs nog een keer met Jimi gejamd. Kan je je ons niet samen op een podium voorstellen? Ik eigenlijk ook niet.’

De Marianne uit ‘So Long, Marianne’ is Marianne Ihlen. Cohen leefde met haar en haar zoontje Axel in Hydra en Montréal. Iedereen staart zich blind op het refrein, maar andere zinnen geven een beter beeld van hun relatie: ‘I love to live with you’, ‘I used to think I was some kind of gypsy boy / Before I let you take me’, ‘I need your hidden love’. Hoe zou het voelen de muze van Cohen te zijn, om bijna vijfenveertig jaar na datum jouw song nog overal te horen?

Over ‘Suzanne’ bestaat verwarring. In het Chelsea Hotel in New York had Cohen eind jaren zestig de negentienjarige Suzanne Elrod leren kennen (ze is te zien op de hoes van ‘Death of a Ladies’ Man’, links van de zanger). Hij verhuisde met haar naar een dorpje in Tennessee en ze kregen twee kinderen: Adam in 1972 en Lorca in 1974. Maar de Suzanne in de song is Suzanne Verdal, de ex van een bevriende beeldhouwer. Zij nam Leonard mee naar ‘her place near the river’ (een loft bij de Saint Lawrence, in het oude deel van Montréal), ‘she feeds you tea and oranges’ (de theesoort Constant Comment, die gedroogde sinaasappelschillen bevat), terwijl ‘the sun pours down like honey on our lady of the harbour’ (een verguld madonnabeeld op de Notre Dame-de-Bon-Secours) en ‘you’ve touched her perfect body with your mind’, ’omdat dat de enige manier was, want ik kreeg haar niet in bed’. Waar you staat bedoelt de schrijver natuurlijk I (de doorzichtigste truc in het handboek van de liedjesschrijver). Want elk woord in die song is waar, geeft Cohen nu toe.

Het verhaal van de echte Suzanne, een danseres, zou overigens een tragisch vervolg krijgen: ze brak haar rug in een ongeluk en raakte aan lagerwal. Volgens de laatste berichten is ze dakloos in Los Angeles. Als dat zo is, voelt de zanger zich dan niet moreel verplicht om zijn muze financieel te steunen?

Ook ‘Sisters of Mercy’ is echt gebeurd. ‘They lay down beside me, I made my confession to them / They touched both my eyes and I touched the dew on their hem’. Cohen was op hotel in Edmonton, een Noord-Amerikaanse stad met zware winters. Terwijl een sneeuwstorm woedde, ontmoette hij twee verkleumde meisjes. Al dan niet met bijbedoelingen nodigde hij hen uit om zich op te warmen in zijn hotelkamer. Daar vielen ze meteen in slaap op z’n bed, en begon hij te schrijven: ‘Op een stoel aan het raam met uitzicht op de Saskatchewan. Mijn enige tekst die in één keer op papier stond.’ Er kwam geen seks van, en hij zag de meisjes nooit terug. In de song is hij niet jaloers, hij laat hen vrij: ‘And you won’t make me jealous / If I hear that they sweetened your night / We weren’t lovers like that, and besides it would still be all right’. Waar zijn ze nu, die twee liftsters? En hebben ze ooit geweten dat dit prachtige nummer over hen ging?

Cohens teksten zijn veel vrouwvriendelijker dan die van Dylan, ook al is de vleselijke liefde alomtegenwoordig: ‘The Smokey Life’ zou over het orgasme van een vrouw kunnen gaan (‘I’ve never seen your eyes so wide / I’ve never seen your appetite quite this occupied’), en ‘A Thousand Kisses Deep’, dat gaat over de tanende krachten van een verleider op leeftijd, is opgedragen aan een zekere Sandy. Maar één keer maakte de gentleman een faux pas, toen hij op het podium verklapte dat ‘Chelsea Hotel #2’ over Janis Joplin ging. Niet alleen pijnlijk door de zin ‘you were (...) giving me head on the unmade bed’, maar meer nog door de kille slotzin ‘That’s all, I don’t even think of you that often’. Op ‘Death of a Ladies’ Man’ staat het ook niet echt verfijnde ‘Don’t go Home with Your Hard-On’, dat hij zong met Dylan en dichter Allen Ginsberg, die tijdens de opnames toevallig langskwamen.

Iggy Pop vertelde me een goeie anekdote over hoe Cohen in een Amerikaans blad een contactadvertentie had gezien van een jonge vrouw die schreef dat haar ideale man ‘het animale van Iggy Pop en het cerebrale van Leonard Cohen’ had. Leonard stelde Iggy voor om die vrouw als team tegemoet te treden. Zo gezegd, zo gedaan.

Ze maakten een polaroid van hen beiden en Leonard verleidde haar aan de telefoon. Iggy, grijnzend: ‘Len heeft alleen met haar afgesproken. geen idee of er wilde seks van gekomen is.’

Cohen was ook ooit samen met Joni Mitchell, over wie een vriend hem vroeg: ‘En, hoe is het om samen te leven met Beethoven?’ Er waren nog lange affaires, onder andere met de Franse fotografe Dominique Isserman, aan wie hij ‘I’m Your Man’ opdroeg, en met actrice Rebecca de Mornay, die vermeld wordt als coproducer van ‘The Future’ uit 1992, ‘omdat ik mijn songs toeschrijf aan wie ze heeft geïnspireerd, ongeacht hoeveel tijd hij of zij eraan heeft besteed’. Recent maakte hij de onderschatte cd ‘Blue Alert’ met zijn (intussen ex-) vriendin Anjani Thomas.

Toen ik ’m over al die mythische veroveringen aansprak, relativeerde hij ze, zoals hij alles relativeert. ‘Ik ben geen lelijke, talentloze nobody, en toch was het bijna altijd een aangename verrassing als een vrouw mij toegang tot haar hart en haar schaamstreek verschafte. Ik heb veel stickmen gekend, mannen die hun lul achternaliepen, en de besten beseften donders goed dat ze alleen maar een bedding konden leggen. Want uiteindelijk kiest een vrouw jou, en niet omgekeerd. Nu, mijn dancing days zijn voorbij, dus ik lig er niet meer wakker van.’

Ik herinner me het moment waarop ik afscheid van hem nam toen hij in het Brusselse Amigo hotel verbleef. Ik maakte een grapje: ‘Als ik een knappe vrouw was, kreeg je m’n lichaam om je te bedanken voor je mooie muziek.’ Hij haalde droef glimlachend de schouders op en zei iets als: ‘Mensen denken dat ik hier straks een orgie hou, maar als jij hier buitenstapt, ben ik weer alleen.’


Kloostercel, fabriek, bordeel

Leonard Cohen is het prototype van de ‘stille waters, diepe gronden’mens. uiterlijk is hij kalm en sereen, spreekt hij mild en bedachtzaam, maar onderhuids woelen en kolken twijfels en somberte. Drie van de vier keer dat ik ’m zag speelden z’n rusteloze vingers met zo’n grieks draadje met bidkraaltjes die in het Engels niet toevallig worry beads heten. Toch is de treurnis in zijn werk overroepen. Een Engelse criticus schreef ooit dat ze ‘bij Cohens platen als bonusmateriaal scheermesjes moeten stoppen om je polsen over te snijden’, maar dat is flauwekul.

Zijn gevoel voor humor is miskend. Zijn stijl is deadpan, sardonisch, kurkdroog. Over zijn platenfirma zei hij ooit: ‘I have always been touched by the modesty of their interest in my work’ – een prachtig eufemisme om te zeggen: ‘Mijn werk laat hen siberisch.’ Die platenfirma wilde ooit ‘Hallelujah’ niet uitbrengen wegens ‘niet goed genoeg’. Bij hem thuis zei hij toen de telefoon rinkelde, z’n stem druipend van honingdikke zelfspot: ‘Wellicht is dat iemand die de nacht met mij wenst door te brengen.’ En concertgangers kennen het melige grapje waarbij hij als eerste bisnummer ‘I Tried to Leave You’ brengt. En natuurlijk het laconieke

‘I said to Hank Williams: ‘How lonely does it get?’ Hank Williams hasn’t answered yet’.

Leonard Cohen is een genre apart: zalvende hymnes voor dagelijks gebruik – bij liefde(sverdriet), een glimp van geluk of naderend onheil, pijn, schuldgevoel of als morele steun in barre seizoenen (‘It’s four in the morning, the end of December...’). Hij vindt dat menselijke activiteit de impact van een lied bepaalt: ‘Mensen gebruiken muziek om door een nacht te raken, om wonden te helen.’ Zoals hij in ‘Memories’ zelf zingt over dansen op de standard ‘Stardust’: ‘So We’re dancing close (...) She says: ‘You’ve got a minute left to fall in love’’.

In z’n huis slingeren letterlijk honderden notitieboekjes. Zijn werkkamer houdt volgens hem het midden tussen ‘een kloostercel, een fabriek en een bordeel’. Volgens hem volstaat het voor een songschrijver om ‘ontvankelijk’ te zijn. Al blijft componeren ongrijpbaar: ‘Je bent als een non: getrouwd met een mysterie.’

‘The voices in my head, they don’t care what I do, they just want to argue the matter through and through’ zingt hij. Voor ‘Democracy’ had hij zestig strofen. ‘Ik bedenk een onderwerp en vervolgens schaaf ik jaren aan een tekst, snoeiend, verfijnend, om alles tot de essentie terug te brengen... Ik begin met een walvis en eindig met een skelet. En dan zijn we plots een eeuw verder. Ik wou dat ik vlugger kon werken, maar het lukt me niet.’ Meestal werkt hij ’s ochtends vroeg: ‘Ik sta op rond vier uur en begin meteen te werken. Alleen dan is mijn geest helder en receptief, lang voor de telefoon begint te rinkelen en de buitenwereld zich opdringt.’

Een song als ‘Anthem’ beschouwde hij pas na een decennium als voltooid, en de klassieke zin ‘There’s a crack in everything, that’s how the light gets in’ wachtte twintig jaar op de juiste context. ‘Ik recycleer constant, maar ben ook niet te beroerd om een hele song weg te gooien. Wat telt is dat een song onvermijdelijk en natuurlijk aanvoelt, alsof hij altijd al bestaan heeft. Kunst is het verbergen van kunst.’ Heel soms improviseert hij: in Londen in 1970 zag hij een blinde bedelaar op straat op wiens karton ‘Please don’t pass me by’ geschreven stond; een dag later stond er al een song met die naam op de setlist.

Dylan merkte terecht op dat Cohens songs hoe langer hoe meer op gebeden beginnen te lijken – later werk als ‘If It Be Your Will’, dieper en trager gezongen dan ooit, straalt inderdaad devotie uit. En Cohens beste doen niet onder voor het beste op, pakweg, Dylans ‘Blood on the Tracks’. Dylan en Cohen hebben elkaar ‘een dozijn keer’ ontmoet. Eén keer vroeg Dylan tijdens een middagje shoptalk hoelang Cohen aan ‘Hallelujah’ had gewerkt. ‘Vier jaar,’ zei Cohen, en hij vroeg hoe lang Dylan aan ‘I and I’ had gewerkt. ‘Een kwartier.’ Cohen ziet daarin het bewijs dat Dylan de betere songschrijver is, of geeft in interviews uit tact en grootmoedigheid toch die indruk. Ik zie in Dylans antwoord eerder zijn competitiegeest doorschijnen, en zijn zin voor provocatie. En ‘I and I’ is de minder goeie song.


Priester ceremoniemeester

I’m your fan. Heel wat andere sterren hebben zich vroom geuit als pelgrims op weg naar Cohens Tower of Song: Jeff Buckley, Kurt Cobain, Nick Cave, Rufus Wainwright, Michael Stipe, Sting, Tori Amos... Maar laat ik volstaan met een citaat van Bono: ‘Ik voel me nederig én vernederd als ik naar Leonard Cohen luister. Hij is puur, waarachtig, betrouwbaar. En zelfs uit het grootste afval weet hij absolute schoonheid te distilleren.’

Cohens invloed is groot, en nooit volledig in kaart gebracht. Leg bijvoorbeeld ‘Seems So Long Ago, Nancy’ eens naast ‘Caroline Says’ of ‘Oh Jim’ op Lou Reeds ‘Berlin’, dat vier jaar later uitkwam. Toen Reed Cohen op 10 maart 2008 inleidde in de Rock and Roll Hall of Fame, zei hij: ‘We mogen dankbaar zijn dat we in dezelfde tijd leven als hij.’ Veertig jaar eerder had Lou de door New York dolende Canadees op straat aangeklampt met de vol bewondering geuite woorden: ‘Jij bent toch de man die ‘Beautiful Losers’ (zijn tweede roman uit 1966, red.) heeft geschreven?’

Cohen is altijd al een oude ziel geweest. Sommige songs op zijn eerste drie elpees ademen niet alleen de levenswijsheid maar ook de berusting van een tachtigjarige. ‘Ik ben een licht masochistische, manisch-depressieve tobber, een eeuwige pessimist, een twijfelaar; als ik tien uur slaap krijg toebedeeld, lig ik eerst vijf uur te woelen. Schoonheid creëren kan overcompensatie zijn, als je kop vol lelijkheid zit.’ Cohen is als een abt die respect afdwingt. Hij maakt geen soul, maar elke noot op elk van z’n platen is soulful.

Tussen 1994 en 1999 verbleef deze ruimdenkende Jood in Mount Baldy Zen Center, een boeddhistisch klooster in Californië, bij de nu 103-jarige Joshu Sasaki. Toen ik ’m vroeg wat iemand die zestig jaar een zeer werelds bestaan had geleid bezielde om zich terug te trekken in een blokhut in de kille bergen boven Los Angeles om daar een spartaans bestaan te leiden, en ik suggereerde dat hij na jaren decadentie behoefte had aan afzondering en sereniteit, bleek ik te dwalen: ‘Een zenklooster is geen plek om te gaan schuilen voor jezelf, het is een druk zoemende bijenkorf waar monniken als kiezelstenen in een zak zijn die elkaar polijsten. Privacy is het allereerste dat je vaarwel zwaait. Ego het tweede. Ambitie het derde. Slaaptekort is een gegeven. Gelukkig heb ik een sterk gestel en geef ik niet gauw op. En het idee in de natuur te leven en te aanvaarden wat de dag brengt ontroert me.’ Cohens roepnaam in het klooster was Jikan of ‘de stille’. Een materialist is hij nooit geweest: de vier keer dat ik ’m ontmoette, met soms zes jaar ertussen, had hij telkens hetzelfde kostuum aan.

Toen ik Cohen vertelde over de ontluisterende foto waarin de veroordeelde James Brown te zien was als straatveger, zei hij dat ik hém op Mount Baldy had kunnen zien ‘als kok, schoonmaker, secretaris, sneeuwruimer en bedelaar, want monniken moeten geregeld verplicht om eten schooien, om nederigheid aan te kweken’. Na vijf jaar verliet hij het klooster en daalde hij à la Mozes van de berg af, maar dan met demo’s in plaats van stenen tafelen onder de arm. Toen ik ’m vroeg hoe het was om na die lange afzondering weer in het drukke Los Angeles te wonen, zei hij droog: ‘Ik rook opnieuw.’

Maar ook als hij thuis is, in z’n Tower of Song, is hij zelden écht thuis. Cohen heeft de onrust van een gekwelde workaholic, het is zijn motor. Werkeloosheid is voor hem ‘de bron van alle kwaad’.

Nooit gedacht dat ik een oplichter dankbaar zou zijn. Maar als Kelley Lynch, Cohens ex-manager – én exvriendin, wat het verraad nog erger maakt – niet met al z’n geld (meer dan vijf miljoen dollar) aan de haal was gegaan terwijl hij in het klooster zat, zou hij nu niet aan het touren zijn. En hadden we u bij deze Humo niet de uitstekende dubbelaar ‘Live in London’ kunnen aanbieden.

Cohen heeft het lang moeilijk gevonden om voor een publiek te staan. Wijn drinken hielp, of zo leek het toch: ‘I fought against the bottle, but I had to do it drunk’ zingt hij in ‘That Don’t Make It Junk’. De eerste jaren speelde hij vaak in abominabele omstandigheden, zoals veel artiesten van zijn generatie – verwante geest Nick Drake hield er een depressie aan over, Steely Dan een decennia aanslepend trauma, Joni Mitchell podiumangst. Het was ook vechten tegen opdringerige drummers die zich niet konden verzoenen met hun plaats (op de verre achtergrond!) in zijn repertoire.

Op het podium is hij formeel maar warmhartig – een perfecte gastheer, een priester-ceremoniemeester. Op het Isle of Wight Festival speelde hij zijn mergzachte muziekjes in de regen, ná Jimi Hendrix, om vier uur ’s ochtends, voor een half miljoen apestonede of dronken hippies. Het zegt veel over zijn charisma dat hij daar niet werd uitgejouwd – ‘als enige,’ zegt Kris Kristofferson. De sfeer op zijn concerten is apart: mensen komen luisteren, maar ook zich laven, getuigen ván, troost zoeken, en Cohen laadt hun batterijen op. In een kille sportarena kan hij de sfeer van een intiem gesprek oproepen, en hij kan pakweg ‘Suzanne’ of ‘Bird on a Wire’ nog altijd een ziel inblazen, ook nadat ze decennialang door straatzangers en muzakfabrikanten aan flarden zijn gezaagd. Sommige liedjes slaat hij over omdat hij de hoge noten niet meer haalt (ooit was dat geen beletsel: in ‘One of us Cannot Be Wrong’ hoor je zelfs lallen en vals fluiten, en het werkt perfect). Hij speelt amper nog gitaar, stram van ouderdom. En helaas: dat goedkope synthesizertje dat de laatste twintig jaar ‘verbergt dat ik op gitaar maar één trucje ken’ duikt iets te vaak op. En het kan aan mij liggen, maar ook bij hem blijf ik allergisch voor bouzouki’s.

Respect. En da’s een understatement, net zoals al zijn songs.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234