null Beeld

Leven en liefde in Borgerhout: een kwestie van (on)geluk

Je hebt kijken en je hebt Kat Steppe-kijken. In tien innig mooie etappes – volgende woensdag de laatste – kuste de reportagemaakster de weerbarstige werkelijkheid van Borgerhout en Antwerpen Noord. Onze Man – niet zo mensenrechtenschendend mooi als Kat Steppe, wel even nieuwsgierig – ging ook een poos rondwoelen in Borgerhout, tastend naar grote kleine verhalen.

'Sommige straten worden na middernacht een supermarkt voor drugs. Maar je moet daar doorheen kunnen kijken'

Ik begin waar ook Kat Steppe begonnen is: aan de toog van café De Valk, in de Offerandestraat. De druk beklante tafeltjes, de jukebox, de biljarttafel, de kassa die voortdurend kleingeld opeet: hier is een perimeter ingesteld die de hufterige werkelijkheid op een afstand moet houden. Je kan het leven vieren, en je kan het leven vergeten – en voor beide opties heeft Diane (53) hetzelfde recept: gul getapte pils. Ze werkt hier al jaren. ‘Een echte cafémadam. Net zoals mijn moeder.’

Diane «Zij heeft ook haar hele leven in cafés gewerkt. Ze leerde me dat je oog moet hebben voor het verhaal van mensen, en dat het beste medicijn tegen de spoken in je hoofd gewoon opgewekt en sociaal zijn is. Mijn mama zat vol liefde, en ze zag iedereen even graag. Als ik een salopette cadeau kreeg, kregen alle andere kinderen in het café óók een salopette cadeau.

undefined

null Beeld

undefined

'Cafébazin Diane en haar dochter Imke: 'Ik heb zóveel mensen zien drinken, zóveel mensen zien kapotgaan.'

»Ze heeft gelééfd, mijn moeder, goed en gelukkig. Ze werkte in de grote Griekse bars, en vlinderde van man naar man. Ik ben van al die mannen een stukje, denk ik – want een echte vader is er nooit geweest. Ik weet wie mijn biologische papa is, maar hij zat niet in de positie om de vaderrol op te nemen. Hij was ook al oud toen: hij is geboren in 1911. Nu zou hij 105 geweest zijn.

De Valk is het soort café waar iedereen gewoon bijzonder mag zitten wezen. De thermostaat staat er op joie de vivre, op muziek en op humor, maar onder die laklaag gloeit het weke onbehagen van mensen van wie de bokshandschoenen gejat werden net voor ze de ring in moesten.

Diane «Ik heb veel vrienden die verslaafd zijn aan drank of aan pillen – omdat ze dingen niet kunnen verwerken. Ik heb zóveel mensen zien drinken, zóveel mensen zien kapotgaan. Hoe het dan komt dat ik altijd zo trots rechtop ben blijven lopen? Je neemt dat laddertje, je kruipt erop, je zet je boven de ellende – en dat maakt je sterk. Of je blijft beneden, begint te drinken en belandt aan mijn toog.»

Uit de jukebox klinkt ‘Harvest Moon’ van Neil Young, dat liedje waar ik me al zo vaak gevaarlijk aan gesneden heb. We praten over de niet zo lenige liefde. Achttien jaar geleden scheidde Diane van haar man.

Diane «Alleen zijn is soms heel droevig, en soms heel gemakkelijk. Maar die breuk heeft grote littekens achtergelaten, ja. Ik wil niet te veel met modder gooien, dus laat ik het zo uitdrukken: mijn man was niet tegen het leven opgewassen, en zocht zijn geluk in de drank. Dat was niet meer houdbaar. We zijn ooit gelukkig geweest, hoor, want anders hadden we er geen prachtig kind aan overgehouden – Corina, mijn volwassen dochter. Maar nu is hij niet meer dan dat: de vader van mijn kind.»

In het curieuze heelal dat De Valk is, is Diane de zon waarrond alle planeten draaien. Zéker als die planeten mannen zijn.

Diane «In het café heb ik veel vrienden, maar niemand met wie ik een relatie zou beginnen. (Lacht) Ik ben veel te sterk voor die mannen.

»Ik heb wel twee heel goeie mannelijke vrienden. Eén van hen is een Pakistaan die al twintig jaar mijn kameraad is. Hij kent me door en door, heeft me gezien toen ik wegging bij mijn man, toen mijn moeder stierf... Dat is een heel zuivere, pure vriendschap – misschien wel kostbaarder dan een relatie.»

Diane is intussen grootmoeder.

Diane «Mijn kleinzoon – hij is twee jaar en acht maanden nu – ontroert me nog het meest. Aan hem merk ik hoe kwetsbaar ik vanbinnen eigenlijk wel ben. Als mijn dochter en haar man hem een beetje plagen, word ik al helemaal week en weerloos. Dat is niet van mijn gewoonte: ik ben tegenover andere mensen altijd opgewekt en zorgeloos, en ik laat nooit écht in mijn hart kijken. Ik heb ook mijn zwakke momenten, maar die heb ik thuis – niemand hoeft die te zien. Ik ween elke dag. Als ik aan mijn moeder denk, bijvoorbeeld, vloeien er tranen. Altijd. Maar niemand weet dat. En dan kijk ik naar de foto van mijn mama, en herpak ik me: ze zou niet gewild hebben dat ik me laat gaan.»

Imke komt het café binnengewerveld, de tweede dochter van Diane. Ze is 15, en alles aan haar glanst: alsof de toekomst haar een mooie belofte heeft gedaan.

Diane «Imke was anderhalf toen haar bompa – die voor haar zorgde – opgenomen werd in het ziekenhuis. Een papa was er niet, de mama was terug naar haar ex-vriend, en voor het overige waren er alleen junkies en drinkers die voor haar zouden zorgen. ‘Geef ze maar met mij mee,’ heb ik toen in het café gezegd nadat ik er met Corina over gepraat had. Ik zou zes maanden voor haar zorgen. Maar op 16 april – dan vieren we altijd onze stille verjaardag – zijn we 14 jaar verder, en ondertussen is ze officieel mijn pleegdochter. Maar dat woord gebruik ik nooit: Imke is mijn dochter, en de zus van Corina.»

Imke (knikt glunderend)

Diane «Door de reacties op ‘Een kwestie van geluk’ besef ik dat mensen het zien als een speciaal verhaal. Terwijl het voor ons allemaal heel gewoon is: het is nu al 14 jaar onze mooie dagelijkse werkelijkheid.»

undefined

'Borgerhout is mijn stad, ik heb in mijn volwassen leven niets anders gekend. En dat is goed, want ik ben niet van plan om ooit nog terug te keren naar Tanger. Daar heb ik niemand, hier heb ik alles'


T.a.v. meneer Heijn

We wandelen door de buurt, die de Offerandestraat als hartslagader heeft. ‘Het is hier grondig veranderd,’ zegt Diane. ‘Vroeger was het hier blank en Vlaams, nu leven er meer dan 170 nationaliteiten door elkaar. De chique zaken zijn weg en vervangen door tweedehandswinkels. Er is meer zwerfvuil, en sommige straten worden na middernacht een supermarkt voor drugs.’

Diane «Maar je moet daar doorheen kunnen kijken. Er is hier nu een Albert Heijn, en wanneer een camion komt lossen, zorgt dat soms voor overlast. Je hebt dan mensen die een brief schrijven aan de hoofdzetel: ‘Die camion in mijn straat, die stoort mij. Doe daar wat aan!’ Ik vind dat verkeerd. Het is niet constructief. Dit is geen chique buurt, maar wel een buurt waar je je thuis kan voelen. En prima als dat niet zo is, maar dan moet je maar in Zoersel of Brasschaat gaan wonen.»

Imke «Al die talen en kleuren: ik vind dat leuk. En ik voel me gelukkig. Ik zit goed waar ik zit, ik krijg veel vrijheid, de mensen rond me houden veel van mij – en ik van hen.»

undefined

null Beeld

undefined

'Shana: 'Ik ben goed bevriend met een Irakese vluchteling die geen huis, geen werk en geen inkomen heeft. Als hij tegen mij zegt dat ik moet léven, dat ik mijn passies moet najagen, dan doet dat me heel veel.'

Toon Nauwelaerts (76), sinds 1965 priester in Borgerhout, knikt als ik hem de woorden van Diane voorleg. Hij ontvangt me in zijn mooie huis naast de Sint-Annakerk, in de Goedendagstraat. De Goedendagstraat: daar fleurt een mens van op wanneer hij een stratenplan uitspelt.

Toon Nauwelaerts «De eerste migranten – veelal Marokkaanse mannen die hier kwamen werken – kwamen in 1970 aan in de buurt rond het huidige Hof ter Lo. De leegstaande huizen daar werden goedkoop verhuurd. Die eerste migranten sliepen er in shiften: ’s nachts diegenen die overdag werkten, ’s morgens diegenen die de nacht deden. Zodra gezinshereniging mogelijk werd en er dus ook vrouwen en kinderen kwamen, vestigden ze zich overal in Oud-Borgerhout.

undefined

null Beeld

»Het ging allemaal vrij geleidelijk, herinner ik me, en de migranten werden ook goed ontvangen: mensen haalden trots hun beste Frans boven. Maar geleidelijk aan veranderde de sfeer. De instroom werd groot en er ontstonden frustraties en spanningen. De tweede generatie begon zich in de jaren 80 en 90 wat agressief op te stellen. Tegelijk zag je de verharding bij de autochtonen, en de steile klim van het Vlaams Blok. Dat is echt een heel moeilijke periode geweest. Maar ik wanhoopte niet. Ik heb nooit gedacht dat het nooit meer goed zou komen met deze buurt.»

Nauwelaerts had er een goed zicht op: hij bekommerde zich mee om jeugdhuis De Cluys, in de Generaal Eisenhowerlei.

Nauwelaerts «Het kende zijn glorietijd in het eerste deel van de jaren 70. Daarna ging het heel sterk bergaf. In 1980 hebben we met de raad van bestuur beslist om de werking specifiek af te stemmen op migranten. Rond de eeuwwisseling ben ik gestopt, maar ik ben altijd naar de activiteiten van Kras – zoals het nu heet – blijven gaan.

»In het begin stelden de migranten zich nogal agressief op. ‘Dat is hier van ons,’ sprak uit hun attitude – maar zich echt engageren in het jeugdhuis was er niet bij. Nu is het helemaal anders. Er zijn een hoop vrijwilligers die heel geëngageerd zijn. Het is een gemengde ploeg, ook, terwijl in mijn tijd jongens en meisjes nog strikt gescheiden bleven. Op het jaarlijkse buurtfeest op het Terloplein voel je het verschil: tien jaar geleden was de spanning met vooral Marokkaanse jongeren daar tastbaar, nu is het een vrolijk en divers feest waar iedereen bij wil zijn. Er zijn vast mensen die er anders over denken, maar ik vind dat de buurt de afgelopen jaren ten goede is veranderd.»


De gril van God

Zohra Cherkaoui (60) is een Marokkaanse van de eerste generatie. Ik tref haar bij Al Ikram, de armoedeorganisatie waarvan haar zoon Nordin hoofd en hart is. Drukte en prettige chaos regeren, want het is de eerste dag in een nieuw pand. Zohra is het pientere rustpunt.

Zohra Cherkaoui «Ik begreep die spanning in de hoogdagen van het Vlaams Blok niet. Ik herinner me mijn eerste jaren hier als heel harmonieus: mijn kinderen kregen speelgoed van de Belgische buren. En plots stond dat allemaal op de helling. Maar nu gaat het weer beter. De grote spanning is weg.»

Zohra kwam in de jaren 70 samen met haar man naar België – ze was toen 19.

Zohra «Hij was hier al geweest, als gastarbeider. We waren in Tanger getrouwd, maar wilden in België een toekomst uitbouwen. We behoorden tot de eerste lichting: veel Marokkanen waren hier nog niet. Dag en nacht verschil met nu, ja: geen moskeeën, geen Marokkaanse slagers. In het begin was dat heel moeilijk. Ook al omdat ik niet zoveel sociaal contact had: mijn man ging uit werken, ik deed het huishouden.»

In 1973 krijgen Zohra en haar man hun eerste kind.

Zohra «Een jongen. Toen hij zeven maanden was, werd hij ziek. Maar niemand kon zeggen wat er precies scheelde, en welke medicijnen hij nodig had. We gingen naar het Sint-Erasmusziekenhuis hier in Borgerhout. De dokters namen mijn kindje mee, en kwamen terug zonder. (Met zachte ogen) Mijn jongen was gestorven. We hebben hem hier begraven. Natuurlijk, want Borgerhout moest zijn thuis worden.»

Een jaar later wordt de eerste dochter van de Cherkaoui’s geboren, nog een jaar later Nordin. In totaal komen er zeven kinderen.

Zohra «Maar voor mij zullen het er altijd acht zijn. Eén van de jongens hebben we trouwens Rachid genoemd – dat was de naam van ons gestorven kindje.»

In haar ogen is het verdriet blijven haperen, maar in haar woorden woont het kranige fatalisme van de gelovige: ‘Het is zoals God het wil.’ Zo kijkt ze ook naar de tweede tragedie die aan haar geluk kwam peuzelen.

Zohra «Zes jaar geleden is mijn man gestorven. Dat was heel zwaar – ook voor de kinderen. Maar we haalden moed uit de waardering die hij kreeg. Als iemand uit de Marokkaanse gemeenschap sterft, gaat dat nieuws meteen rond. En de dag erna gaan mensen voor hem bidden in de moskee. Na de dood van mijn man was de moskee overbevolkt: iederéén wilde komen bidden voor hem. Hij was een milde man die mensen kon verzoenen. Toen er meer en meer Marokkaanse families in Borgerhout kwamen wonen, liep dat weleens uit op ruzie. Mijn man bemiddelde dan tussen de gezinnen.

»Ik mis hem nog altijd erg. Thuis had hij zijn vaste plaats, en vaak voelt het alsof hij zal binnenkomen en zich daar weer gewoon zal neerzetten. Maar het is zoals God het wil: we zullen niet meer samen eten en praten.»

Na de dood van haar man, en met de meeste van haar kinderen de deur uit, wil Zohra niet eenzaam thuis zitten. Ze bezoekt in haar eentje de moskee en engageert zich bij Al Ikram.

Zohra «Het is mijn tweede thuis geworden. Wat mijn éérste thuis dan is? Borgerhout natuurlijk. Dit is mijn stad. Ik heb in mijn volwassen leven niets anders gekend. En dat is goed, want ik ben niet van plan om ooit nog terug te keren naar Tanger. Daar heb ik niemand, hier heb ik alles.»

undefined

'Op het jaarlijkse tuinfeest van mijn vroegere instelling begon iedereen te applaudisseren: 'Zie je wel, eentje van ons die het gehaald heeft!''


Kwestie van instelling

‘‘Het is zoals God het wil’: dat hoor ik een Irakees met wie ik hier in Borgerhout onlangs bevriend raakte óók altijd zeggen,’ vertelt Shana Van Uytven (30), met wie ik aan de praat raak in een zijstraatje van de Turnhoutsebaan. ‘Maar in zijn ogen zie ik verdriet dat niet wil wijken. Hij werkte als soldaat in Bagdad, en vluchtte naar hier: ‘Ik was dat vechten en dat permanente oorlogssfeertje zo beu.’ Zo iemand heeft jaren voorsprong genomen op zijn werkelijke leeftijd, denk ik. Als je al een heel leven moet vechten, als je voortdurend in overlevingsmodus zit, dan word je volwassener dan je misschien wel hoort te zijn. Ik herken dat wel een beetje. Overleven: het is de rode draad in mijn leven.’

Dat is nog een understatement, zal ik straks denken, wanneer ze mij beheerst en in krachtige, serene zinnen haar verhaal heeft gedaan. Dat begint bij een vader die, uit alles wat er te ontkennen valt in een mensenleven, dit had uitgekozen: het vaderschap.

Shana Van Uytven «Pas toen ik 5 was, heeft een DNA-test aangetoond dat ik wel degelijk zijn dochter ben. Ik ben altijd alleen geweest met mijn moeder. Maar zij liet me óók voortdurend in de steek – je mag het gerust verwaarlozing noemen. Op mijn 15de wilde ze bij haar toenmalige vriend gaan wonen en liet mij alleen in het huis achter. Enfin, alleen: er was ook een berg schulden. Eerst werd de elektriciteit afgesloten, later het gas. Ik zie mezelf daar nog zitten, met alleen een wekkerradiootje. (Cynisch) Nadat ik dat afgeduwd had, zag ik waar ik wakker was geworden: in de armoede.

»Ik had een leercontract als kapster, maar ik moest de helft van m’n loon afgeven aan m’n moeder. ‘Voor kost en inwoon’ – terwijl er eigenlijk niets was. Ik vluchtte in het uitgaansleven. Tot mijn moeder dat hoorde, en ze bij de politie klacht indiende: ik was een junkie. Terwijl ik helemaal geen drugs gebruikte. Ze maakte zich achteraf nog heel druk omdat de politie het niet nodig had gevonden om een drugtest af te nemen.»

Uiteindelijk dropt de moeder van Shana haar bij het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg.

Shana «Ze deed haar verhaal, keek op haar horloge en zag dat het tien uur was, en zei dat ze moest gaan werken – ze poetste in cafés. Dat was het dan: mijn moeder ging werken, en ik werd in een instelling geplaatst.

»Ik heb vijf jaar in die instelling gezeten. Ondertussen was ik wel opnieuw beginnen te studeren, want ik wilde absoluut een diploma halen. Een jaar lang lukte dat behoorlijk, maar toen werd ik om de haverklap ziek. Mijn moeder had me altijd geleerd om door te gaan: gevoelens en emoties, dat was ballast. En hulp zoeken was al helemaal taboe. ‘Zorg dat er nooit iemand is tegen wie je dank u moet zeggen’ – dat idee. Maar ik was óp. Vier maanden lang heb ik toen elke dag twintig uur geslapen. Ondertussen was ik 18 geworden, en moest ik een keuze maken: blijven studeren en van het OCMW leven, of gaan werken.»

Het wordt het tweede. ‘Omdat ik al zoveel deurwaarders had gezien in mijn leven.’ Shana gaat aan het werk als verkoopster in De Zeeman, weet wat geld opzij te zetten, en kan op haar 19de alleen gaan wonen. Wanneer er na twee jaar een einde komt aan die baan, besluit ze om toch weer te gaan studeren.

undefined

null Beeld

Shana «Ik wilde iemand zijn in het leven, en de maatschappij teruggeven wat ze mij gegeven had. En dus ging ik studeren voor opvoeder. Ik wilde aan de andere kant staan. Maar op school werd ik zó hard geconfronteerd met wat er ontbrak in mijn jeugd, dat het meer therapie dan opleiding was. Ik werd almaar kwader en kwader. Kwaad op de wereld, kwaad op de mensen rond me die het zo verknald hadden. Er zijn mensen die in oorlog leven, en toch nog zorgen voor hun kinderen – en wat hadden die van mij gedaan?»

Op haar 20ste merkt Shana dat ze gevoelens krijgt voor een meisje. Dat meisje is nu – laten we maar even een sprongetje maken naar wat geluk – al vijf jaar officieel haar vrouw.

Shana «We vonden elkaar meteen. Maar makkelijk was het niet, want ook mijn vrouw droeg flink wat bagage mee. Ze was vroeger misbruikt en zat vast in een destructieve relatie met een man die parasitair gedrag vertoonde. Hij had haar volledig geïsoleerd én schulden bezorgd. Ze had niets meer – zelfs geen identiteitskaart. De verzorger in mij werd meteen wakker. (Flauwe glimlach) Eigenlijk heb ik haar gekidnapt.

undefined

null Beeld

»Tien minuten slordig overleg, meer was niet nodig, en toen zijn we samen gaan wonen. Ze had enorm veel schulden, maar ik wist waar ik aan begon. Ik was dus niet verrast toen er twee weken later een brief in de bus stak: al onze bezittingen zouden openbaar verkocht worden. Ik heb dat op het nippertje kunnen vermijden door bij de arbeidsrechtbank schuldbemiddeling aan te vragen. We moesten 18.000 euro betalen. Vier jaar hebben we met z’n tweeën geleefd van duizend euro per maand. ’s Ochtends ging ik werken als buurtbegeleidster, daarna ging ik naar school.»

Ondanks dat recipe for disaster haalt Shana haar diploma. Kort daarna is er het jaarlijkse tuinfeest van de instelling waar ze vijf jaar een idee van een thuis heeft gekregen.

Shana «Ik kwam daar toe, en iedereen begon te applaudisseren. Ik zag de trotse euforie in hun ogen: ‘Zie je wel, eentje van ons die het gehaald heeft!’

»Ik ging aan het werk als opvoeder. Maar in 2014 zakte ik als een kaartenhuisje in elkaar. Ik was óp. Mijn vrouw had een zware rugoperatie ondergaan, en ik zorgde en zorgde en zorgde... Ik bleef maar zorgen tot ik mezelf helemaal kwijt was. Ik wist niet meer wie ik was en wat ik wilde. Uiteindelijk ben ik zelf naar de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis gestapt. Een paar weken zouden wel volstaan, dacht ik. Maar hoe harder er met mij gewerkt werd, hoe meer er naar boven kwam. Ik ben toen ook gestopt met cannabis – mijn vrouw was verslaafd, en ik was meegegaan in die verslaving. Dat was uiteindelijk nog de makkelijkste strijd. Ik voelde zelf dat ik dichtklapte, dat ik alle toegangen barricadeerde als ik rookte. Ik heb m’n laatste joint gesmoord toen ik twee dagen in opname was.»

Shana wordt doorverwezen naar mozAïek, een eenheid van het psychiatrisch centrum Sint-Amedeus in Mortsel.

Shana «Daar heb ik een jaar gezeten. Dat was ingrijpend, want ik moest alles laten vallen. Toen ik er twee maanden was, is mijn vrouw gestopt met cannabis, en toen kreeg ze ook een crisis. Want er was natuurlijk een reden waarom ze blowde: ze wilde wég van haar nachtmerries, en alle kwaaie emoties die daaronder woekerden. Al haar trauma’s kwamen naar boven, en ze werd opgenomen in een centrum in Boechout. Ik maakte intussen hetzelfde mee: alles wat ik jarenlang had opgekropt, verdrongen en genegeerd, bokste me genadeloos in het gezicht. Ik zeg nu vaak tegen mensen die hun verdriet wegmoffelen dat ze het moeten toelaten. Mijn vrouw en ik hadden de fout gemaakt om alles te parkeren.»

Intussen studeert Shana opnieuw. Via het volwassenenonderwijs probeert ze maatschappelijk werker te worden.

Shana «Iedereen adviseerde me om het níét te doen, want ik zou toch weer in dezelfde valkuilen trappen. Maar ik heb de afgelopen jaren veel geleerd. Ik heb intussen aanvaard dat dat gewoon is wie ik ben: iemand die graag zorgt. Maar ik moet de grens bewaken. Ook voor mezelf willen zorgen.

»Ik leef van de RVA, mijn vrouw is sinds haar rugoperatie gedeeltelijk invalide. Het is niet makkelijk om rond te komen – we hebben nog geen 2.000 euro per maand. Maar we hebben het ooit met de helft gedaan, hè.»

Shana is intussen goed bevriend met de Irakese vluchteling die ze hier in Borgerhout op bevel van het toeval ontmoette.

Shana «Die jongen heeft geen huis, geen werk en geen inkomen. Als hij tegen mij zegt dat ik moet léven, dat ik mijn passies moet najagen, dan doet dat me heel veel. In mijn vrije tijd zing ik. Ik doe het nu al anderhalf jaar, ik leg er al mijn gevoel in, en ik wil dat blijven doen. Mensen zeggen me vaak dat het lijkt alsof ik méén wat ik zing. (Glimlacht) Misschien is dat wel zo.»

undefined

'De eerste migranten werden hier goed ontvangen: mensen haalden trots hun beste Frans boven. Maar geleidelijk aan veranderde de sfeer'


De passie van Lassie

Ruth Lasters (37) meent het ook als ze de lof zingt van de Perry Fruit, een groenten- en fruitwinkel in de Bleekhofstraat. We worden er bediend door de Marokkaanse uitbaters.

Ruth Lasters «Maar iederéén komt hier over de vloer. Net als in de Royal Fish, de viswinkel vlakbij. Ook uitgebaat door Marokkanen, maar ik zag er onlangs wel een chassidische jood de beste vis uitkiezen voor zijn huwelijksfeest. Ik vind het haast choquerend dat ik daardoor ontroerd werd: eigenlijk zou het de normaalse zaak van de wereld moeten zijn.»

Lasters, de schrijfster die in januari nog de Herman de Coninckprijs kreeg voor haar poëziebundel ‘Lichtmeters’, geeft Frans op de campus Borgerhout van de Spectrumschool en is er gelijkekansencoördinator. Ik mag Lassie zeggen, want haar leerlingen doen dat ook. ‘Dat mag. Lassie was toch een wijze hond?’

Lasters «‘Borgerhout? Werk jij in Borgerhout?’ Dat is de misprijzende standaardreactie. Mij kwetst dat echt: het is alsof mijn familie beledigd wordt. Want ik draag mijn leerlingen in het hart. Het zijn gewone jongens en meisjes, met hun talenten en hun dromen, hun verdriet en hun geluk.»

De Spectrumschool, voor technisch en beroepsonderwijs, is een concentratieschool.

Lasters «Ik vind het gruwelijk dat leerlingen van witte scholen nooit in contact komen met leerlingen van concentratiescholen. Nooit! Dat is zó abnormaal. Eigenlijk zouden ze één dag per week samen in de klas moeten zitten.»

Het kan anders. Prince Appiah (20), die in het zevende jaar elektriciteit zit op de Spectrumschool, vertelt over het theaterproject REL.

Prince Appiah «Daarvoor werken we samen met leerlingen van het Xaveriuscollege, een ASO-school. We zijn op tweedaagse naar Ieper geweest om elkaar te leren kennen. Dat was zo geweldig dat we klachten kregen over nachtlawaai (grijnst). De kloof tussen beroeps en ASO bleek daar pure fictie: iedereen was heel open, en we werden snel persoonlijk. Er was bijvoorbeeld een gast bij die overduidelijk gay is. En dat vond iedereen prima – óók de moslims in de groep.»

Prince – met Ghanese roots, maar geboren en opgegroeid in Borgerhout – heeft er al een woelig parcours op zitten. Hij vertelt me over de zes scholen waar hij zat, en eindigt telkens met hetzelfde laconieke zinnetje: ‘En toen werd ik daar buitengesjot.’ Ik kan me hem wel voorstellen, pain-in-the-ass-Prince, maar ik zie toch vooral de bonkige, sappig formulerende viersterrenkerel van wie het onmogelijk níét houden is.

undefined

'Ik wil zo rijk als Donald Trump worden, en met dat geld wil ik dan de wereld ten goede veranderen. En iedereen zal weten waar het allemaal begon: in Borgerhout, baby'

Prince «Ik voel dat het deze keer gaat lukken. Omdat dit een school is waar je een tweede kans krijgt. Ik ben het levende bewijs: hier ben ik ook buitengesjot, maar twee jaar later mocht ik terugkomen.

»Het gekke is dat als je een film van mijn schoolparcours zou maken, het een léúke film zou zijn. Ik zou mijn 12-jarige zelve niet de raad geven om iets anders te doen. Of ja: ik zou hem zeggen dat hij minder Prince-koeken moet eten. Daar wordt hij namelijk dik van (schatert het uit, wordt dan weer ernstig). Eén keer ben ik thuisgebracht door de politie, voor een diefstal – ik was nog een kleine jongen. Mijn moeder was daar ongelooflijk verdrietig over. ‘Is dat wat er van jou moet worden? Na al wat ik voor je gedaan heb?’ Toen heb ik mezelf beloofd dat ik er nooit meer de oorzaak van zou zijn dat mijn moeder zich slecht voelde.»

De ouders van Prince verhuisden in het begin van de jaren 90 van Ghana naar België.

Prince «Ik weet heel goed wie ik ben: een Ghanese Belg uit Borgerhout. Ik heb ook niets dan goeie herinneringen aan mijn kindertijd hier. Voetballen op straat, rondhangen op het Krugerplein, een gigantisch sneeuwballengevecht uitlokken: véél gekke dingen meegemaakt. Borgerhout was mijn pretpark.

»In mijn vriendenkring zat echt vanalles: Marokkanen, donkere Afrikanen, autochtone Belgen. Ik ben blij dat dat thuis aanvaard werd: ik mocht iedereen meebrengen. Dat is niet zo vanzelfsprekend, hoor, want hier wonen ook veel mensen die niet open-minded zijn.»

De biologische vader van Prince keerde terug naar Ghana.

Prince «De nieuwe vriend van mijn moeder beschouw ik als mijn échte vader – ik zou hem nooit stiefpapa noemen. De relatie van mijn moeder en mijn vader is de relatie die ik later wil: ze zijn soulmates. En ze weten wat humor is. Ik zie veel droge, saaie koppels. Mijn ouders zijn zo niet.»

undefined

'Prince Appiah zit op de Spectrumschool waar dichteres Ruth Lasters lesgeeft: 'Dit is een school waar je een tweede kans krijgt. Ik ben het levende bewijs: ik ben hier al eens buitengesjot.'

Prince heeft nog een broer en een zus.

Prince «Maar mijn broer, die in Nederland woonde, is vorig jaar gestorven. Ik zocht hem regelmatig op, maar in de twee maanden voor zijn dood had ik hem niet meer gezien. Het was dodehoeknieuws: ik had het totaal niet zien aankomen.

»Ik hou er niet van om mijn emoties te tonen, en veel dingen hou ik gewoon voor mezelf. Ook over de dood van mijn broer had ik niemand verteld, terwijl ik wekenlang niet kon slapen. Dat heeft de verwerking nog moeilijker gemaakt, want zo was er natuurlijk niemand om me te troosten.

Toch is er een plek waar Prince zijn gevoelens van onzichtbaarheid redt: de studio waar hij aan zijn muziek werkt.

Prince «Wie de rap heeft uitgevonden, is een genie. Die moet z’n eigen standbeeld krijgen! Op m’n 11de kende ik de liedjes van 2Pac, Ice Cube en 50 Cent al uit het hoofd. En uiteraard liep ik rond in een broek van maat 40 en zo’n wit XXL-shirt (lacht). Hiphop was mijn vitamine: ik hield van de energie die de muziek me gaf, en ik wilde dat ook doen, mensen zo raken. Al sinds m’n 12de neem ik dingetjes op op m’n pc. Maar het was allemaal heel amateuristisch, niks serieus. Tot vorig jaar. Toen heb ik beslist om ervoor te gaan: in een studio werken, mixtapes maken, videoclips. Als Rico Savage – da’s mijn artiestennaam – wil ik zo eerlijk mogelijk zijn. Ik wil hiphop niet gebruiken om de perfecte versie van mezelf de wereld in te sturen. Ik wil niet als een engel klinken, want ik ben geen engel. En ik wil niet als een duivel klinken, want ik ben geen duivel. Nee, het is als mezelf dat ik rijk wil worden. En met rijk bedoel ik Donald Trump-rijk, hè. Met dat geld wil ik dan de wereld ten goede veranderen. En iedereen zal weten waar het allemaal begon: in Borgerhout, baby.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234