Leven na een faillissement: elke maand gaan meer dan 600 bedrijven op de fles

Vorig jaar gingen er in ons land ongeveer 7.500 bedrijven failliet. In sommige kringen hoor je soms pleiten voor meer ondernemerszin in Vlaanderen. Minder angst voor het risico om op je bek te gaan. Want: is het nu zo'n schande om een keertje te mislukken? Humo vroeg het aan mensen die het hebben meegemaakt, en zij denken er anders over: 'Een faillissement raakt je in het diepste van je ziel. Ik heb mij sindsdien geen dág meer goed gevoeld.'

(Verschenen in Humo 3636 op 11 mei 2010)


Ondernemers in moeilijkheden kunnen terecht bij Dyzo (opvolger van Tussenstap en Efrem) »

Adi Jeng en Rebekka Mariani: ‘Een eigen restaurant beginnen: dat doen we nooit meer’

Eén van de 1.015 bedrijven die in maart 2010 de boeken sloten, was de bvba Belgium Cooking Company. Dat was het vehikel waarmee de voormalige ‘Mijn restaurant!’deelnemers Rebekka Mariani (27) en haar vriend Adi Jeng (22) het kasteel Bisschoppenhof in Deurne uitbaatten. We spreken hen nog voor bekend raakte dat ook Dell’Anno in Kortrijk failliet is.

Adi Jeng «Na ‘Mijn restaurant!’ wilden we eigenlijk geen restaurant beginnen. We dachten: we starten rustig, we gaan bij mensen thuis koken. Maar toen kregen we telefoon: kom eens kijken naar Bisschoppenhof.»

Rebekka Mariani «En als je dat kasteel ziet, valt je mond open, hè. 1.750 euro huur per maand, voor zo’n gigantisch pand, leek ons redelijk. De verhuurders gaven ons zelfs een maand gratis huur in de zomer. Dan begin je te denken: het effect van ‘Mijn restaurant!’ speelt misschien nog een beetje, en als we snel zijn, pikken we nog een goeie zomer mee. Achteraf denk ik: we zijn te haastig geweest.»

HUMO Peter Goossens zei onlangs nog: ‘Prachtig kasteel, Bisschoppenhof, maar zelfs Piet Huysentruyt is er nooit in geslaagd om het te laten marcheren.’

Rebekka (knikt) «En Peter Van Asbroeck ook niet. Maar die waren daar natuurlijk niet elke dag.» Adi «Wij dachten: wij zijn hier elke dag zélf, dat móét ons lukken. En die eerste maand hebben we ook super gedraaid: zo’n 25.000 euro omzet, schat ik. Maar daar moeten dan leveranciers af, en lonen, en elektriciteit. En de kosten voor het interieur: daarvoor hadden we in totaal 80.000 euro neergeteld, maandelijks af te lossen in schijven van 5.000.

»Dat volk van die eerste maand is ook nooit teruggekomen. Ik noem dat het Dag Allemaal-publiek: mensen die eens komen kijken. Maar die reserveren geen tafel voor een viergangenmenu. Vanaf september, oktober begon het slechter te gaan. Wij hebben dagen gehad van nul euro. Niks, niks, niks.»

Rebekka «We hebben onszelf geen enkele maand een loon kunnen uitbetalen. Zelfstandigenbijdrage: nooit kunnen betalen.»

Adi «En we hadden te weinig kapitaal. Die zaak moest renderen vanaf de eerste dag: daardoor was het kalf eigenlijk al bij voorbaat verzopen. Wij dachten: als we goeie producten bieden en onze klanten zijn tevreden, dan komt alles wel in orde. Niet dus. Je moet netwerken, investeren in marketing.

»Echt waar, wie een zaak wil beginnen zoals wij: stop, stop, stop daarmee! Dat weet ik nu. Je moet 40.000 euro hebben om dat eerste jaar te overleven. Wij hebben in het begin wel geprobeerd om een lening te krijgen, maar dat is niet gelukt.»

Rebekka «Nog een chance! Anders was de put nog dieper geweest. (Valt even stil) Achteraf gezien lijken wij wel écht naïef, hè. Er waren ook nog schulden van Fleur Délice (in Diest, waar Rebekka en haar zus Deborah vorig jaar meededen aan ‘Mijn restaurant!’, red.). Dat ging niet om grote bedragen – de boekhouder, dat apparaatje van Banksys, nog 300 euro gsm-rekening – maar als je dat een paar maanden niet betaalt, dan sturen ze je echt wel serieuze brieven. Je probeert dat met een afbetalingsplan, maar dat is tweehonderd euro hier en tweehonderd euro daar, en op de duur hou je niks over.»

HUMO Het klinkt een beetje alsof jullie businessplan niet stevig doortimmerd was. Had je dat niet geleerd in ‘Mijn restaurant!’?

Rebekka «Euh, in ‘Mijn restaurant!’ was ons businessplan óók niet zo uitgebreid (lacht). Ik denk vooral dat we ons niet genoeg hebben omringd met de juiste mensen.»

HUMO Uiteindelijk hebben jullie de boeken zelf neergelegd.

Adi «Als we geen kind zouden verwachten, had ik misschien gedacht: laat die rekeningen maar opstapelen, we trekken dat deze zomer wel recht. We hebben nog overwogen om van onze huurwoning te verhuizen naar de conciërgewoning van het kasteel. We dachten: als we onze huur uitsparen, kunnen we misschien de winter overbruggen.

»Maar er zat geen beterschap in. In de winter, toen we het al moeilijk hadden, belden er op één dag tien mensen af. Het had hard gesneeuwd, en de gemeente strooide niet in onze straat. Dan denk je ook: voor mij hoeft het niet meer. Al die tegenslag blust je uit, hè.»

Rebekka «Op een dag vond ik hem niet meer in zijn keuken: lag hij op zolder te slapen. De puf was eruit.

»Elke week gingen we naar zijn mama, want zij hield de facturen bij. Dan overliepen we de stapel: nu kunnen we díé factuur betalen, díé factuur zal nog wat moeten wachten. Maar het hoopje onbetaalde facturen werd groter en groter, en de inkomsten stegen niet. Dus hebben we beslist om ermee te stoppen. We dachten dat we net niet failliet zouden gaan, maar de put was blijkbaar al te diep.»

HUMO Heb je al een idee van de financiële schade?

Adi «Geen enkel idee. Veel activa zijn er niet om te gelde te maken: tien messen en wat borden, bij wijze van spreken. Een geleaste auto die terug naar de leasingmaatschappij gaat. Een friteuse.

»Ik weet het niet, we zullen wel zien. Ik had stilaan willen uitkijken naar een huis om te kopen. Als ik daaraan denk, ben ik weleens down. Als chef verdiende ik gemakkelijk 2.500 euro per maand. Nu, we hebben er ook veel mensen door leren kennen. En ’t is niet dat we straks niet meer zullen kunnen eten, of ons nooit meer iets kunnen permitteren.»

Rebekka «Maar ergens ben ik wel bang. Die schulden die opstapelen, dat zijn mensen die geduld hebben gehad. Maar dat geduld raakt ook op.»

HUMO Het kan niet prettig zijn om op je zevenentwintigste met schuldeisers te moeten sjacheren. Rebekka «Nee, dat is niet prettig. Maar ik kan veel aan. Ik kan op het minimum overleven, en na de bevalling zal ik weer kunnen gaan werken. En Adi heeft nu weer werk als kok. Hopelijk wordt er een leefbaar afbetalingsplan uitgewerkt... Daar ben ik wel bang voor: dat het ergste nog moet komen. Zullen we moeten opdraaien voor alle openstaande facturen van de bvba?

»Vorige maand was wel moeilijk. Ik was met mijn zus een broodje gaan eten, en ik moest vijf euro van haar lenen om te betalen: ik had gewoon niks meer! Eén keer stonden we op min 190 euro bij de bank. Verder hebben we het niet laten komen.»

Adi (wijst naar zijn tand) «Ik heb een gaatje, ik moet dringend naar de tandarts. Dat wordt dus een kruidnagel erin steken en wachten tot er weer wat geld is.»

Rebekka «Ze zeggen dat zwangere vrouwen gemakkelijk last hebben van koopwoede, maar ik heb alleen nog maar babykousjes gekocht (lacht)

Adi «We zijn met ons gezicht serieus tegen de grond geslagen. We kunnen dit jaar niet op vakantie, en volgend jaar misschien ook niet. We gaan niet meer naar de Delhaize maar naar de Aldi. Het ís zo, hè. We moeten opstaan en verder gaan. Op dat gebied ben ik optimistischer dan Rebekka. Misschien is dat haar moederinstinct.»

Rebekka (boos) «Adi, ik denk dat jij van je wolkje af moet! Bij hem komt altijd alles goed. Ik kan kwaad op hem zijn als hij naar de winkel gaat en een varkenshaasje meebrengt. Ik denk: breng dan toch worst mee! Daar is je maag toch ook mee gevuld.»

Adi «Ik was die worsten beu.»

HUMO Soms lees je in ondernemersbladen dat Vlamingen wat méér failliet zouden moeten gaan: wie altijd bang is om te falen, riskeert ook nooit iets. De vraag is: laat de maatschappij mislukken toe?

Adi «Niet echt. Je voelt de blikken in je rug branden, hoor. En dat is niet fijn. Zeker niet toen een roddelblad schreef dat wij gelinkt werden aan ‘bordelen en diefstal’. Dat doet pijn.»

HUMO De uitbater van het kasteel trapte ook nog even na: jullie hadden een ‘grote rommel’ achtergelaten, zei hij.

Adi «Ik vind dat heel kwetsend voor de mensen die ons zijn komen helpen. Mijn oma heeft nog mee frigo’s uitgepoetst toen we daar weggingen! De mensen die ons kennen, weten dat we zoiets niet zouden doen. En de anderen geloven het toch niet als je het ontkent.»

HUMO Overwegen jullie om ooit opnieuw te beginnen?

Adi «Met een restaurant? Nee. Als ik ooit weer opendoe, ooit, dan zou het iets kleins zijn. Tien tafels. Ik alleen in de keuken, iemand voor de bediening.»

Rebekka «Dan zou ik misschien nog met hem meedoen. Maar spreek me nu even niet over de horeca.»


Hans Vansteelandt: ‘Ik zeg het eerlijk: ik was te dom. Ik wilde wérken, ik trok mij niets aan van de financiële kant’

Hans Vansteelandt (47) troont me door de lege opslagplaats, een voormalige kippenloods van zijn vader in de Westhoek. Hier stond in betere tijden zijn spuitcabine om vrachtwagens te schilderen. De spuitcabine is gedemonteerd en verkocht. In het kleine reftertje ernaast, waar vroeger zijn werknemers aten, staan nog een opgevouwen tafel en een paar stoelen.

Hans Vansteelandt «Ik werkte als pistoolschilder, maar mijn patron had veel te veel werk. Hij zei: ‘Hans, heb je geen zin om voor jezelf te beginnen?’ Met omgerekend 150.000 euro kon ik starten. Deze loods kreeg ik in bruikleen van mijn vader. In 1987 was dat.

»Mijn zaak was rendabel – enorm rendabel. Mijn vroegere werkgever stuurde elke week een paar camions, ik had daar werk van, ongelofelijk. Ik kon het niet de baas. Ik ben dan mensen gaan aannemen. Op het hoogtepunt werkte er vijf man voor mij. Er kwam zes tot achthonderdduizend euro per jaar binnen. Daar moesten wel de onkosten nog af: personeel, verf.

»Mijn fout – denk ik – is geweest dat ik te goedkoop werkte. Op het einde van het jaar schoot er misschien tien, twaalfduizend euro over. Te weinig om te overleven met twee kinderen.»

Hij neemt een uitpuilende envelop met foto’s van glimmende, vers beschilderde vrachtwagens, minstens honderd. Tot uit Frankrijk kwamen ze, zegt hij met een krop in de keel, en hij wijst naar een vrachtwagen van ‘Claude NORMAND. Aliments du Bétail’.

Vansteelandt «Ik heb er véél geschilderd, hoor. Duizenden! Als ik naar de Ardennen rij, kom ik er nog altijd tegen. (Tranen in de ogen) Dat doet pijn. Ik deed het graag – misschien heb ik te véél gewerkt. Nooit gestopt op zaterdag en zondag. Elke avond werken tot tien uur, dan wassen en gaan slapen. En dan ruzie met mijn vrouw, hè. Alleen voor mijn racemotor had ik tijd. Dat nam ze me kwalijk.»

HUMO Je zei dat je te goedkoop was.

Vansteelandt «Dat hebben véél mensen me gezegd, maar ik geloofde ze gewoon niet. En toen ik het doorhad, was het te laat – enfin, ik was op. Je ziet, ik ben maar een licht manneke, maar ik deed zwaar werk, dag en nacht. Ongezond werk, ook. Beerwagens, ken je dat? Aan de binnenkant moeten die bekleed worden met een soort epoxy, kunsthars. Anders vreet het zuur in de mest zo’n nieuwe tank binnen twee jaar kapot. Niemand wilde dat spul aanbrengen: je moet daarvoor in die tank kruipen, met al die giftige dampen. Ik deed dat. Drie keer ben ik flauwgevallen en hebben ze me er moeten uithalen. »Maar het heeft allemaal niet mogen baten. (Wijst naar zijn blikje bier) Ook door dit, hè. De stress reageerde ik af door te drinken.»

HUMO Wat heeft je uiteindelijk de das omgedaan?

Vansteelandt «Dat mijn vroegere werkgever opeens een hypermoderne spuitinstallatie had gekocht. In één keer mijn grootste klant kwijt! Ik ben zelfs weer bij hem moeten gaan werken, als zelfstandige. En als ik ’s avonds thuiskwam, stonden er nog camions van het leger klaar. Daar verdiende ik niks aan: ik kon er nét mijn verf mee betalen, niet eens mijn werkuren. Honderden heb ik er zo gedaan.»

HUMO Waarom deed je dat, als het niks opbracht?

Vansteelandt «Maar ja, meneer, wat moet je dan? Je wil toch overleven?

»Van een bankdirecteur van de KBC kreeg ik een lening, op voorwaarde dat ik een nieuwe wagen leaste, een Volvo S80. Een auto van 25.000 euro! En hij eiste bovendien 10.000 euro cash terug van die lening. Corrupt, hè, maar ik was ten einde raad. Voor de middag naar de notaris om die lening af te sluiten, en na de middag met een envelop vol cash naar de bankdirecteur – zo ging dat. Daarna heeft hij me nog in contact gebracht met een stel oplichters. Die beloofden dat ze mij zouden helpen met mijn schulden

bij de btw en de belastingen. Ik heb hen 7.500 euro gegeven: die was ik ook kwijt. Die bankdirecteur is achteraf ontslagen, maar ja, voor mij was ’t te laat.

»Ik zeg het eerlijk: ik was te dom. Ik wilde wérken, ik trok mij niets aan van de financiële kant. Ik heb nog dertigduizend euro geleend van mijn exschoonouders. En nog dertigduizend van mijn ouders. Dat had ik nooit mogen doen. Uiteindelijk hebben de mensen van Efrem (een vzw die zelfstandigen in moeilijkheden begeleidt, red.) me overtuigd dat ik moest stoppen met mijn zaak. Je moet niet bang zijn, zeiden ze, er zal niks met je gebeuren. Dan heb ik toch de knoop doorgehakt.

»Sinds die dag heb ik me niet meer goed gevoeld. Ik ging met mijn motor rijden, in de hoop dat ik ergens tegenaan zou knallen. Ik ben opgenomen, gecolloqueerd door mijn ouders en mijn ex-vrouw. Daar lig je dan, naakt, vastgebonden en platgespoten. Je kan niet eens in je neus peuteren! En toen ik terug thuis kwam, was mijn vrouw weg. Ik had nog juist vijfendertig euro. (Wijst naar zijn huis) Alles was hier weg. Volledig leeg.

»Ik leef nu van een uitkering. Maar ik kan iedere leverancier recht in de ogen kijken: ze hebben allemaal hun geld teruggekregen. Allemaal. En al mijn werknemers hebben ander werk gevonden, op één na: die is met brugpensioen. Ik ben verschoonbaar verklaard (als de rechter oordeelt dat iemand bij een faillissement te goeder trouw was, worden zijn schulden kwijtgescholden, red.). Ik kom ook heel goed overeen met mijn curator – de meeste mensen niet, maar ik wel.»

HUMO Kijken mensen je aan op zo’n faillissement?

Vansteelandt «O ja. Da’s hier bij de boerkes, hè. Iedereen praat over iedereen. Jaja. Ik heb me maanden opgesloten, alleen, hier in huis. »Ze hadden beloofd dat het faillissement binnen een half jaartje afgerond zou zijn. We zijn nu twee jaar verder, en het is nog bezig. Dat begint op mijn systeem te werken. Ik neem zware medicatie: tweemaal per dag valium. Ik weet dat ik er niet bij mag drinken, maar ik ben het zo gewend geraakt dat de valium soms niet meer werkt. Capsules tegen de depressie neem ik ook. En pilletjes voor mijn hart. Zonder medicatie zou het niet gaan, zeker niet.

Ik ben 24 jaar getrouwd geweest: dat kan je zomaar niet wegvegen. En twee prachtige kinderen.

»Mijn levenskwaliteit is voor tachtig procent verminderd. In mijn kop, hè. Sinds 2007 kom ik eigenlijk niet meer buiten: niet op restaurant, niet op reis. Héél af en toe ga ik eens op café. Vorige zondagavond nog, tapbiljarten in een boerencafeetje in Bovenkerke. Na een uur stond ik alweer thuis. Maten zie ik niet meer. Logisch, ik heb me hier twee jaar opgesloten. Als ik vrienden van vroeger tegenkom, zeggen ze: waar woon jij nu eigenlijk, Hans? Ik ben hier nooit weggeweest! Ik mis ze wel, maar ik bel ze nooit. Als ze weten dat je in de problemen zit en ze bellen niet zelf... Ik ga niet op m’n knieën vallen.»

HUMO Zal het beter gaan als dat faillissement helemaal is afgerond, denk je?

Vansteelandt «Ja. Ik drink al veel minder, sinds de stress van dat bedrijf van mijn schouders is gevallen. Ik heb nu ook een vriendin, daar heb ik veel steun aan. Ik heb zeker geen zelfmoordneigingen. Ik heb weer een beetje hoop.

»Ik probeer het nu in een beschutte werkplaats. De mensen van de werkwinkel vroegen: heb je daar iets tegen? Ik zeg, is dat dan bij gehandicapten? Ik bedoel niet mensen in een karretje en zo, maar... (wijst naar zijn hoofd). Maar dat is apart, blijkbaar. Goed, ik wil dat wel doen. Ik krijg dan gewoon een loon, en ik ga lichter werk doen dan vroeger. (Stil) Je bent daarvoor niet minder dan een ander, hè?»


Philiep Vandoolaeghe: ‘Ik ben tegenwoordig vrijwilliger in de palliatieve zorg, en voor mij is een faillissement vergelijkbaar met een sterfgeval’

Als Philiep Vandoolaeghe (45) een Perrier gaat halen uit de koelkast van het ouderlijk huis, dan serveert hij die in een Perrierglas op een inoxschoteltje. Oude gewoonten sterven moeilijk. Bijna vijftien jaar lang was Philiep de patron van Bellis, een tearoom met weerklank in Roeselare.

Philiep Vandoolaeghe «Bellis is Latijn voor madeliefje. Dat past bij mijn karakter: klein, fijn, decoratief. »Ik ben gestart in 1994, in een huurpand op de markt. Het liep heel goed, ondanks de felle concurrentie. Als je bij ons pannenkoeken bestelde, dan werden die echt gebâkken, voor je ogen. Niet van die opgewarmde microgolfpannenkoeken.

»In 1999 konden we onze zaak uitbreiden naar een achterliggend pand, een oud pakhuis. Het was een tamelijk ingrijpende renovatie, want dat gebouw stond al jaren leeg. Ik had met de eigenaar afgesproken dat wij de verbouwing zouden betalen. Daarvoor heb ik een zware lening van 500.000 euro afgesloten, boven op de lening die al liep voor mijn eerste zaak. Mijn ouders hebben die tweede lening mee ondertekend als pandgever.

»Alles liep vlot, tot mijn moeder begon te dementeren – alzheimer. Ik heb nog twee zussen, en we beslisten het patrimonium van onze ouders te verdelen. Maar dat bleek niet te kunnen, omdat mijn ouders zich met hun eigendom borg hadden gesteld voor mijn lening. Geen probleem, zei mijn schoonbroer: ‘Ik ga die lening terugbetalen aan de bank. Dan komen die eigendommen vrij, en in ruil betaal jij dan die lening af aan mij.’ Oké, we regelen dat zo. In vertrouwen, niks op papier. Helaas had ik niet door wat mijn schoonbroer eigenlijk wilde: die grond verkopen als bouwgronden. Om een lang verhaal kort te maken: er is ruzie van gekomen binnen de familie. De bouwgronden zijn nog altijd niet verkocht.

»’Ah,’ zei mijn schoonbroer. ‘Als het zo zit, eis ik dat je die lening onmiddellijk terugbetaalt.’ Ik heb gezegd: maar ik kân dat niet terugbetalen! En toen heeft de rechter mij verplicht.»

HUMO Kon je dan geen nieuwe lening afsluiten bij de bank?

Vandoolaeghe «Dat had gekund, maar mijn nieuwe zaak liep niet zoals ze moest lopen. Ik had eigenlijk te veel geïnvesteerd: die vijfhonderdduizend euro moet je terugverdienen met koffietjes en pintjes, hè. »Ik draaide een omzet van zo’n 750.000 euro per jaar, maar vraag me niet hoeveel ik daarvan overhield. In het begin kon ik er goed van leven, maar de laatste jaren stak ik er geld aan toe. Maar ja, die zaak was niet gewoon een zaak, dat was mijn kind! En als je voelt dat je kind niet goed is, dan zou je alles doen om het te helpen. Daar zou ik iedereen voor willen waarschuwen: als je voelt dat de zaken achteruitboeren, stop er dan gewoon mee! Ik heb er makkelijk honderdduizend euro van mijn eigen spaargeld in gepompt.

»Enfin, van het een kwam het ander, en op 21 januari 2008 is het faillissement van Bellis uitgesproken. Dat is een vies gevoel. Ik moest de sleutels afgeven, en de auto van de zaak werd in beslag genomen. Opeens had ik geen wagen meer.

»Je ziet zoiets wel aankomen. Je voelt dat je de controle verliest, en dan interesseert het je precies niet meer zo. Je maakt je brievenbus niet meer elke dag leeg, want de post brengt toch alleen maar miserie. Dat heb ik ook van andere mensen gehoord die failliet dreigden te gaan.

»Na al die maanden van onzekerheid was het faillissement éventjes een opluchting. Opeens viel de angst weg. Maar mijn calvarie moest nog beginnen.»

HUMO Je zei aan de telefoon: ‘Je wordt precies bekeken als een moordenaar.’

Vandoolaeghe «Een week na mijn faillissement ging ik naar een begrafenis. Ik ging naast iemand zitten die ik kende: die stond op en ging ergens anders zitten! Maar je hebt ook mensen die je bellen: ‘Je mag mijn auto lenen. En als je geld nodig hebt’ (slikt)... Het raakt me nog altijd. De extremen, hè. »Er zijn er ook die je nog dieper in de grond willen stampen. Iemand heeft na het faillissement de curator gebeld om te zeggen dat ik in mijn appartement boven de zaak nog spullen had staan van de bvba. Ik had daar inderdaad een paar terrasstoelen staan die we in de zomer gebruikten. Het was hartje winter, dat appartement deed dienst als magazijn! Maar ze deden alsof ik de hele inboedel probeerde te verduisteren.

»Misschien ben ik kwaad omdat ik het faillissement nog altijd niet heb verwerkt. Ik ben tegenwoordig vrijwilliger in de palliatieve zorg, en voor mij is een faillissement vergelijkbaar met een sterfgeval. Het verwerkingsproces verloopt in fases, en woede is één van die fases.»

HUMO In een interview over de crisis zei een failliete ondernemer vorig jaar in Humo: ik ben altijd nodig geweest, en nu is mijn agenda opeens leeg.’

Vandoolaeghe (knikt) «Een faillissement raakt je in het diepst van je ziel: je naam, je faam, je fierheid. Toen mijn zaak tien jaar bestond, heb ik een groot feest gegeven: toen had ik mezelf verkleed als de Zonnekoning (lacht). Ik zeg altijd: ik ben van mijn troon gevallen. Ik ga nog altijd niet graag terug naar Roeselare.»

HUMO Van wat leef je nu?

Vandoolaeghe «Ik heb véél geluk gehad dat ik nog geen vijftien jaar zelfstandige was. Daardoor kon ik nog terugvallen op een werkloosheidsuitkering: zo’n duizend euro.»

HUMO Heb je het moeilijk om rond te komen?

Vandoolaeghe «Nee. Vroeger verdiende ik natuurlijk veel meer – zo’n tweeduizend euro, denk ik. En ik had ook voordelen in natura: ik at in de zaak, ik had een auto van de zaak, de benzine en de gsm werden betaald... Maar dat mis ik niet.

»Ik kijk nu anders naar het leven. Vroeger keek ik van binnen naar buiten, nu kijk ik van buiten naar binnen. Mijn zaak, mijn auto, mijn status: daar was ik echt mee bezig. In het begin was het zeer moeilijk om dat los te laten. Nu niet meer.

»Ik ben nooit stilgevallen of in een depressie gesukkeld. Dat heeft ook te maken met dat werk op palliatieve: een lijkzak ziet er vanbinnen voor iedereen hetzelfde uit, hoor. Ik werk ook als vrijwilliger voor Efrem, in een ziekenhuis, voor Make a Wish, met gedetineerden, met mentaal gehandicapten...»

HUMO Al die mensen hebben het sléchter dan jij. Probeer je jezelf op die manier te troosten? Vandoolaeghe «Voor een stuk wel. Maar ik kick er niet op om mensen met miserie te zien, hè. Voor mij is dat vrijwilligerswerk een soort roeping. In al die instellingen vroeg niemand mij: wat kom jij hier doen? Iedereen vroeg: wanneer zien we je terug?»

HUMO Mis je je zaak?

Vandoolaeghe «Ja. Elke dag. Ik ben niet jaloers als ik een andere zaak zie floreren. Maar als ik ooit de kans zou krijgen om Bellis opnieuw te openen: meteen.»


Mireille: 'Mijn leven afgepakt'

In 1990 ging de kledingwinkel van Mireille (57) over de kop: een exclusieve boetiek die mikte op de kapitaalkrachtige bewoners uit de Antwerpse noordrand. Als je haar vandaag ziet, zou je zeggen dat ze de zwarte bladzijde heeft omgeslagen. Ze woont in een gezellig appartement, leuke meubels, een klein bibliotheekje. Wel jammer dat de bank twee jaar geleden weer beslag heeft laten leggen op haar hele inboedel - zéventien jaar na haar faillissement.

Mireille «Ik richtte me op een publiek dat niet met om het even wat aan de schoolpoort wilde gaan staan. Het soort klanten dat pulls van dertigduizend frank kocht en zei: 'Geef er maar twee, want 't is om te gaan zeilen.'

»Om de winkel te openen, had ik in 1987 een lening van 75.000 euro aangegaan. Het was bij een bank in het Antwerpse die zich specialiseerde in jonge ondernemers - ze gaven heel veel mogelijkheden, maar als er wat misliep, waren ze meedogenloos. Maar mijn zaak draaide, en mijn afbetalingen volgden netjes het financiële plan.

»In december 1990 bestelde ik zoals ieder jaar een zomercollectie. Maar die moest van over zee komen, en door de Golfoorlog (de eerste Golfoorlog brak uit in januari 1990, red.) liep de levering vertraging op. Het werd januari, februari, en onze schappen waren nog altijd leeg. Ik verkocht niets, maar ik had wel al mijn factuur betaald.

»Financieel stond het water me aan de lippen, en ook mijn relatie is toen spaak gelopen. Opeens stond ik er alleen voor. Ik zag enorm af. Ik woog nog 43 kilo. Met mijn drie kinderen moest ik rondkomen met duizend euro per maand, het absolute minimum.

»De veer is gebroken toen zo'n rijke Hollandse dame niet door mijn winkelmeisje bediend wilde worden: 'Ik wil alleen door de eigenaar geholpen worden.' Ik ben heel rustig naar de deur gestapt en heb haar gevraagd de zaak te verlaten. Dat werd een hele scheldpartij, ze is nog met haar neus tegen de winkelruit gelopen ook. Voor mij was dat de druppel. Ik kon niet meer, was helemaal leeg en uitgeput.

»Ik ben naar een vriendin gestapt, een advocate. Ik zei: 'Ik stop ermee, ik vraag het faillissement aan.' Zij zei: 'Mireille, alsjeblieft, je weet niet wat je gaat meemaken. Ze gaan je dood doen.' Ik had een lening met 'persoonlijke borgstelling': mijn moeder had zich borg gesteld met een stuk grond in Zoersel.

»Mijn vriendin heeft gelijk gekregen. Het is uitgedraaid op een faillissement, en mijn moeder was haar grond kwijt. Ik ben er jarenlang door van de kaart geweest.»

In de jaren na haar faillissement verhuist Mireille eenentwintig keer. Van kamers naar studio's naar appartementjes, en altijd met drie kinderen in haar zog.

Mireille «We sliepen maandenlang samen in één bed, in een appartement in de hoerenbuurt waar de kakkerlakken 's morgens over je heen kropen. We hebben geleefd op kamertjes met alleen koud water.

»Na maanden rondsjokken had ik eindelijk een appartementje gevonden waar we een beetje konden wónen. En toen kwamen de deurwaarders, voor de eerste keer. De kinderen hadden sowieso al niet veel meer, maar we hadden wel nog een stuk of driehonderd stripverhalen, Suske en Wiske en zo. Zelfs die hebben ze meegenomen. De kinderen hysterisch, natuurlijk.

»Ik heb mijn jongens ondergebracht bij hun grootmoeder en hun tante. En daarna heb ik alles ingepakt en heb ik een serieuze zelfmoordpoging gedaan. Op de muur had ik geschreven: 'als je mij vindt, help me dan niet'. Het enige wat ik niet gedaan had, was de telefoon uittrekken. Blijkbaar heeft een vriend verschillende keren naar me gebeld en heb ik uiteindelijk toch opgenomen. Hij hoorde dat ik héél raar klonk, en hij heeft de politie gebeld.

»Ik heb dan twee jaar thuisgezeten, op de zetel. Ik was een wrak. Ik kwam alleen buiten om mijn kleinste naar school te brengen. Mijn kinderen vroegen: mama, wanneer ga je eens stoppen met wenen?

»Maar: ik ben nooit gaan lopen voor mijn schuldeisers. Als ik verhuisde, schreef ik me altijd netjes in: ze hebben me altijd kunnen vinden. Ik heb niet één of ander postbusadres geopend, zoals veel mensen die failliet zijn gegaan.

»Na een paar jaar kreeg ik weer zin om te gaan werken. Veel mensen doen dat niet, na een faillissement: ze pakken je toch alles af. Maar ik heb het wél gedaan. Er werd geen beslag gelegd om mijn loon, ik werd met rust gelaten. Ik ging ervan uit dat mijn schulden met de opbrengst van het faillissement waren betaald.

»Vijf jaar geleden is mijn vader gestorven. Hij liet me een klein bedrag na. Ik ben toen voor alle zekerheid gaan informeren bij de Nationale Bank - daar houden ze alle schulden bij. Maar toen ik vroeg welke schulden er nog op mijn naam stonden, kreeg ik een blanco vel papier. Ik vroeg: 'Betekent dit dat ik geen schulden meer heb?' Dat werd bevestigd: bij de Nationale Bank waren er geen schulden van mij bekend.

»Met het geld van mijn vader heb ik vrienden terugbetaald die me hadden geholpen om te overleven. Mijn moeder heb ik nooit kunnen terugbetalen. En ik heb mezelf een bed gekocht - ik had twaalf jaar lang op de grond geslapen! Sinds mijn faillissement ben ik nooit meer gelukkig geweest - als ik morgen doodga, zal ik dat alleen erg vinden voor de kinderen - maar ik functioneerde weer een beetje. Ik begon eindelijk te geloven dat de zon ook voor mij nog kon schijnen.

»Tot november 2007 - ik woonde hier drie jaar. Op een ochtend zat er een brief van een deurwaarder in de bus. Ik dacht: dat is een vergissing. Ik heb die brief drie keer moeten lezen voor ik besefte dat het écht over mij ging. Het was een brief van mijn oude bank: ik moest hen nog 115.000 euro, stond er. Binnen acht dagen te betalen! Zoniet: inbeslagname, enzovoorts.

»Ik ben recht naar die bank gereden. Je moet daar dan aan een loket uit de doeken doen dat je een faillissement achter de rug hebt, met allemaal mensen die meeluisteren - die schaamte gaat nooit weg, hè. Ze hebben me daar dan in zo'n muf klein kamertje gezet. Komt er zo'n bankbediende voor mij zitten: 'Ja, én?'

»Ik zeg: 'Wat is dit allemaal? Zeventien jaar niks van jullie gehoord, en nu dit? En net nu ik mijn leven weer op de rails heb!' Hij: 'Wij móéten u niet aanschrijven, wij mógen dat.' Ik weer: 'En de Nationale Bank dan?' Hij: 'O, voor de Nationale Bank zijn banken als wij een grijze zone. Wij zijn niet verplicht om die schuld aan hen te rapporteren.' Ik kreeg daar de ene klets na de andere!»


HUMO Was je schuld dan nog niet verjaard?

Mireille «De bank heeft daar een ander standpunt over. Daardoor blijft de zaak maar voor de rechtbank komen.

»Weet u wat die man zei toen ik vroeg waarom ze zeventien jaar gewacht hadden om mij die brief te sturen? 'Zo'n faillissement als dat van u, wij weten dat mensen daarvan moeten bekomen. Dus geven we hen een kans om zich te herpakken.' Ik zeg: 'En zeventien jaar later komt u mijn leven definitief afpakken? Ik ben 54 jaar!' Antwoord: 'Wij zien dat zo niet.'

»Hij pakte mijn rekeninguittreksels van de laatste week en zei: 'We kunnen ook beslag leggen op het huis van uw moeder.' Toen ben ik beginnen te roepen: 'Als je dat doet, pleeg ik zelfmoord!' Mijn moeder was toen 85 jaar, en ze was haar grond al aan me kwijt.»

HUMO Over hoeveel geld ging het oorspronkelijk? Want na zeventien jaar zit daar waarschijnlijk een enorm pak interesten in.

Mireille «Sowieso, ja. Het strafste is: de bank kan niet eens precies zéggen hoeveel geld ik nog schuldig ben. Mijn advocaat heeft een jaar lang gevraagd om de rekeningen te zien, maar de bank wilde daar nooit op antwoorden. Het is echt: dreigen om te zien hoeveel ze nog kunnen loskrijgen.»

Kort na de brief van de deurwaarder laat Mireille zich opnemen in een psychotherapeutische instelling.

Mireille «Ik was ziek geworden van die toestand. Elke nacht werd ik badend in het zweet wakker. Braken. Hartkloppingen. Ik heb me dan een paar maanden laten opnemen. Toen ik terugkwam, merkte ik dat een deurwaarder al mijn spullen was komen opschrijven om ze in beslag te nemen. Ik ben in shock teruggegaan.

»In 2009 is de zaak voor de beslagrechter gekomen. Na de pleidooien heb ik aan de beslagrechter gevraagd om vijf minuten iets te mogen zeggen. Dat is niet gebruikelijk, want je bent zwak en onwetend en de tegenpartij kan je op je woorden pakken, maar het mocht. Ik heb dan uitgelegd dat ik me nooit heb verstopt, dat ik ondanks al mijn problemen voor mijn kinderen ben blijven zorgen en dat ik 17 jaar later nóg maar eens een nieuw trauma te verwerken krijg.

»De rechter heeft de bank op alle punten in het ongelijk gesteld, omdat hun rekening niet klopte. Maar de bank ging in beroep: de zaak wordt nu in september behandeld. En ondertussen ga ik eraan kapot. Dit is een aanslag op mijn lichaam: de adrenaline giert voortdurend door mijn lijf. Ik zeg altijd: dat wordt nog kanker.

»Ik wil aan die bank geen euro meer betalen: ze hébben mij al twee keer alles afgenomen! Ik ben nu 57 jaar. Je denkt: nog een paar jaar werken, en dan wat rust. Maar als ze me nu nog eens alles afpakken, dan ben ik dood. Dan hoeft het niet meer.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234