null Beeld

Lieven Tavernier over zijn nieuwe cd 'Wintergras'

Lieven Tavernier (67) is de auteur der binnenlandse klassiekers ‘Eerste sneeuw’, ‘De Fanfare van Honger en Dorst’ en ‘De verdwenen karavaan’, drie songs die bekend werden in de versie van de uitnemende Jan De Wilde.

Het lijdt evenwel geen twijfel dat ze zijn bestaan ruimschoots rechtvaardigen, voor zover een bestaan door wie of wat dan ook gerechtvaardigd moet worden. Bovendien heeft Lieven Tavernier nog veel meer mooie songs geschreven, vaak liedjes van verlangen, die ondertussen een onmodieus, naar tijdloosheid neigend, in eigen beheer tot stand gebracht en dan ook geheel onafhankelijk oeuvre vormen. ‘Wintergras’, zijn nieuwe cd, wordt onder anderen door Jean-Marie Aerts, Bruno Deneckere en de aandoenlijk koerende zusjes Eva en Kapinga Gysel bijgekleurd.

Lieven Tavernier «Ik ben me er meer dan ooit tevoren van bewust dat ik de tijd die me nog rest optimaal moet benutten. Dat ik songs kan schrijven, is een grote troost in mijn leven, die losstaat van de appreciatie van andere mensen. Ik hoef ook geen Sportpaleis vol te krijgen. Bij mij draait alles om het maken, en ik ben dankbaar dat ik iets kán maken. En ik heb het bijkomende geluk dat ik me met heel goede muzikanten kan omringen die mijn songs altijd weer mooier maken dan ze zijn. In een interview zei Stijn Meuris ooit: ‘Sommige van mijn cd’s heb ik niet eens uit hun plasticfolie gehaald.’ Ik was geschokt toen ik dat las. Zo stuitend! Zo veel minachting voor alle muzikanten die op die cd’s hebben meegespeeld.»

HUMO Wanneer werd het voor jou duidelijk dat er muziek in je zat, en dat ze er ook uit moest?

Tavernier «In de eerste jaren van de middelbare school – ik was op kostschool – had ik al een gitaartje. Gekregen van mijn vader, die dat instrument hardnekkig ‘banjo’ bleef noemen. Volgens hem maakte ik dan ook ‘cowboymuziek’. Na het ontbijt in de kostschool hadden we nog zo’n twintig minuten vrij, en dan mocht ik in een zaaltje gaan oefenen. Daar is die gitaar een vriend van mij geworden, balsem voor het gekneusde zieltje. En een vluchtmogelijkheid. Van de wereld van de muziek wist ik toen nog maar weinig af: door de kostschoolmuren drong eind jaren 50, begin jaren 60 niets door. Al wist ik wel van het bestaan van Miel Cools af. Ik probeerde toen al liedjes te maken – laat ik zeggen dat ik al vroeg aanvoelde dat die gitaar meer voor me betekende dan zomaar wat voor me uit te zitten tokkelen. Op de kostschool hadden we een leraar Frans, meneer Vercruysse, die bijna stiekem met Georges Brassens en Jaap Fischer kwam aanzetten. Die man zag ook wel dat ik niet ongevoelig voor hun liedjes was. Laat ik zeggen dat ik de kwaliteit van Brassens aanvoelde, ook al begreep ik hooguit maar één vierde van zijn teksten.»

HUMO Je eigen muzikale idioom is schatplichtig aan de countryfolk die in de jaren 60 de wereld begon te veroveren. Hoe heeft die zich aan jou geopenbaard?

Tavernier «Ik luisterde elke avond naar een radioprogramma op France Inter, dat een openbaring voor me was: ‘Le Pop-Club’ met José Artur. Toen ik voor het eerst de klank van de akoestische gitaar van Tim Hardin hoorde, wist ik meteen hoe een gitaar moest klinken: heel anders dan die van de Mechelse chansonnier Kor Van der Goten (een voorloper van de kleinkunst, red.). Ik ben mijn oude helden altijd trouw gebleven – Townes Van Zandt, John Prine, Guy Clark – en ik was meteen klaar met de zogeheten kleinkunst. In 1971, toen ik nog maar net afgestudeerd was, koesterde ik drie magische elpees: ‘Blue’ van Joni Mitchell, ‘Stories’ van David Blue en ‘Blue River’ van Eric Andersen. Drie keer blauw. Ik kan die platen nog altijd met evenveel genoegen beluisteren. Ik associeer ze ook met een mooie, opwindende tijd: mijn studentenjaren aan het eind van de jaren 60.»

HUMO Die vooral bij de verschrikte burgerman ook als de Woelige Jaren bekendstaan. Hoe woelig waren ze voor jou?

Tavernier «Ik liep nooit mee in betogingen van AMADA, want het credo van Brassens, uit zijn lied ‘Le pluriel’, was in mijn hersenen gestanst: ‘Sitôt qu’on est plus de quatre on est une bande de cons’: zodra we met meer dan vier zijn, vormen we een bende klootzakken. En natuurlijk kwam Bob Dylan toen ook met z’n Stenen Tafelen de berg afgedaald: ‘It’s not he or she that you belong to’ en ‘Don’t follow leaders’. Kortom: neem je lot zelf in handen, durf alleen te staan, laat je niets wijsmaken.»

HUMO ‘De fanfare van honger en dorst’ gaat over de tijdgeest van het eind van de jaren 60, en over verbondenheid en vriendschap in die dagen. Een samenhang die van beperkte duur bleek te zijn, want de fanfare van honger en dorst viel uiteen: noodzakelijkerwijs, zou ik bijna zeggen.

Tavernier «Maar: er ontstaat een nieuwe fanfare aan het eind van dat lied, en er zullen altijd wel weer nieuwe fanfares opstaan. Zonder die conclusie had dat lied geen zin gehad. Fritz, mijn jongste zoon, is een rapper, die onder de naam Froze optreedt: hij is duidelijk een kind van déze tijd, en ik ben daar blij om. Zijn wereld bestaat uit gasten die opnieuw een vuist durven te maken, die bóós zijn, en ook iets te vertellen hebben over hun boosheid. Als je op díé leeftijd – het zijn twintigers – niet boos bent, dan doe je het volgens mij niet goed. Nu, ik vind het jammer dat mensen van mijn generatie nog zo zelden boos zijn.»

HUMO Ik weet dat je in 2008 in een ingezonden stuk de restyling van Radio 1 op de hak nam. Ik durf te wedden dat je nog altijd boos bent om het vermarkten van de radio.

Tavernier «Het was mij ter ore gekomen dat mijn nummers overdag niet meer gedraaid zouden worden op Radio 1, wat overigens ook voor Wannes Van de Velde, Jan De Wilde en nog een hoop andere singer-songwriters gold. We kregen nooit te horen waarom we niet meer thuishoorden in de nieuwe kotsbak die ze restyling noemden bij de VRT. Ik heb het Evert Venema, de coördinator, nog op de man af gevraagd, maar die kon me niets anders zeggen dan ‘dat het niet persoonlijk was bedoeld’. Terwijl ik het wel als persoonlijk ervoer. Ik vond dat hij me precies en dus aan de hand van argumenten moest uitleggen wat er fout was aan mijn songs, of aan de productie van mijn cd’s.

»Wannes stierf in 2008, het jaar van de restyling. In de Classics 100 van Radio 1, de keuze van de luisteraars die op het einde van dat jaar werd uitgezonden, stond uiteraard ‘Ik wil deze nacht in de straten verdwalen’. Ik kon mijn oren niet geloven toen ik de presentator hoorde zeggen: ‘Een lied van een man die we de laatste tijd helaas veel te weinig hebben gehoord.’ Kon het nog cynischer?»

HUMO Je muziek moet natuurlijk gehoord worden. Maar hoe?

Tavernier «Ik merk dat jongeren niet meer aangewezen zijn op de radio. Mijn zoon Fritz heeft zo z’n eigen kanalen op het internet, al zou hij toch bij Studio Brussel aan bod moeten kunnen komen, wat ook niet het geval is. En ondertussen is Radio 1 Radio Bart geworden – zo te horen is elke nieuwe cd van Bart Peeters een historische gebeurtenis. Hij haalde ook nagenoeg alle media toen hij zich had voorgenomen een sabbatjaar te nemen. Een sabbatjaar! Als je je jarenlang krom hebt gewerkt aan de lopende band, kan ik me nog wel voorstellen dat je er een jaar tussenuit wil, maar dat iemand die muziek maakt aan een sabbatjaar toe is, dat gaat er bij mij niet in. En na zijn sabbatjaar mocht hij in wel tien interviews vertellen dat zijn sabbatjaar erop zat. Zijn heiligverklaring op Radio 1 kan niet lang meer uitblijven.»

Schop onder kont

HUMO Veertien jaar geleden nam Jan De Wilde drie songs van jou op: ‘Eerste sneeuw’, ‘De fanfare van honger en dorst’ en ‘De verloren karavaan’. ’t Was alsof zijn coverversies jouw eigenlijke begin markeerden.

Tavernier «Ik was toen vreselijk onzeker over wat ik maakte. Ik was er dan ook absoluut niet zeker van dat Jan mijn songs om de juiste reden opnam. ‘Wellicht doet hij het alleen maar uit vriendschap,’ dacht ik. En dus niet om de kwaliteit van mijn werk. Ik heb eigenlijk nooit complimenten over mijn songs aanvaard. Zei iemand er iets goeds over, dan dacht ik meteen: ‘Jaja, het zal wel.’ Pas de laatste jaren heb ik geleerd mondjesmaat te accepteren dat er misschien wel enkele mensen zijn die mijn werk oprecht mooi vinden.»

HUMO Ik heb je toen samen met Jan De Wilde geïnterviewd. Je had het toen over je verlammende onzekerheid, en over je bijna pathologische plankenkoorts. Ik zag je vorig jaar tijdens de Radio 1 Sessie van Bent Van Looy, een oud-leerling van je. Je leek meer op je gemak dan ooit tevoren.

Tavernier «Een paar jaar geleden ben ik met White Velvet, de band van Koen Gisen en An Pierlé, op tournee gegaan. An maakte zich vooraf veel zorgen over mijn stuitende gebrek aan podiumvastheid. Ze zei me: ‘Telkens als je ‘sorry’ zegt op het podium, betaal je 5 euro.’ Ik was geneigd me in vrijwel elke bindtekst te excuseren voor het feit dat ik op het podium stond. De eerste avond heeft An Pierlé voldoende geld aan mij verdiend om een paar fijne lingeriesetjes te kopen, denk ik. Maar goed, gaandeweg ging het beter – ik had zo te zien een schop onder mijn kont nodig.»

HUMO Laten we het over ‘Wintergras’ hebben, je nieuwe cd. ’t Kan aan mij liggen, of aan de herfst, maar ik vind dat er nogal wat afscheid in zit, en ook dood.

Tavernier «Toch niet meer dan gewoonlijk? Ach, ’t zal wel met de aard van Tavernier te maken hebben, maar afscheid zie ik niet louter als iets negatiefs, want vóór je afscheid kunt nemen, moet er een ontmoeting hebben plaatsgevonden. Die ontmoeting is dan het goede nieuws. Ik merk dat veel mensen mijn liederen nogal donker vinden. Ik geef toe dat ze niet happy zijn, maar ronduit pessimistisch zijn ze nu ook weer niet. Ik heb mezelf opgevoed met schrijvers als Nescio en Tsjechov: ’t zijn geen vrolijke fransen, maar er zit niettemin een sublieme lichtheid in hun werk. Mijn liederen gaan vaak over de aanvaarding van ons geboortecontract, waarin gestipuleerd staat: ‘Wij kunnen u niet beloven dat het alle dagen feest zal zijn.’ Dat contract druist tegen de hedendaagse geluksindustrie in, en maar goed ook.»

HUMO Zijn de personages in je liedjes half of helemaal verzonnen? Of mogelijk helemaal niet?

Tavernier «Ze leven of leefden echt, maar van mij krijgen ze als het ware een tweede leven, of beter: een parallel leven. In ‘De verdwenen karavaan’ had ik het al over mensen die je, hoe dierbaar ze je ook waren, onherroepelijk uit het oog verliest. Zulke mensen wil ik vaak weer oproepen in een song, in het volle besef dat het nooit tot een wiedergutmachung kan komen. Maar de kwaliteit van een lied heeft niets met waarheidsgetrouwheid te maken. Ik hou niet van met hartenbloed geschreven confessies, van exacte kopieën van een treurige ervaring die je hebt doorgemaakt, want de exacte weergave van zulk verdriet is daarom nog niet ontroerend. Eén van mijn wetten voor songwriters is: ‘De waarheid mag een lied niet in de weg zitten.’ Klinkt het pretentieus?»

HUMO ’t Valt wel mee.

Tavernier «Maak liever een nieuwe waarheid.»

HUMO Je dode moeder duikt op in ‘De schoonheid van de mist’, en ook in ‘Het werd, het was, het is gedaan’ kom je haar tegen, als in een visioen. Het komt me voor dat ‘moeder’ in een tekst altijd meer effect sorteert dan ‘vader’.

Tavernier «Ik weet niet precies waarom mijn dode moeder geregeld in mijn werk opduikt. Pas naderhand zie ik de betekenis van sommige van mijn teksten in – het gebeurt ook dat ik me verwonderd afvraag: ‘Was ik daar toen mee bezig?’ Alsof ik me de aanleiding van een song al niet meer scherp kan herinneren. Ik heb nooit bij mezelf gezegd: ‘En nu ga ik een lied over mijn moeder schrijven.’ En naderhand kan ik denken: ‘Haar nog een leven geven is misschien mijn taak.’ Ze is totaal onverwacht gestorven, toen ze de leeftijd had die ik nu heb. Ik was – stel je voor – met de Jongcommunisten in Rusland. In Odessa verscheen de reisgids ineens in mijn hotelkamer. In zijn Frans met een zwaar Russisch accent zei hij: ‘Votre père est décédé.’ Dat was voor mij onbegrijpelijk, want mijn vader was in goede gezondheid toen ik naar Rusland vertrok. Ik ben toen in m’n eentje naar België teruggereisd. Eenmaal geland in Zaventem, belde ik onmiddellijk naar mijn ouderlijk huis. Mijn broer nam op en zei: ‘Ogenblikje, ik geef je vader door.’ En mijn vader kwam aan de lijn. Mijn moeder was overleden. ’t Was het soort ervaring dat misschien werkt in de literatuur, maar je wil ze toch liever niet meemaken. Ik had me dus van Odessa tot Zaventem via Moskou aan één stuk door op mijn overleden vader ingesteld, om hém had ik gerouwd, maar niet om mijn moeder.»

HUMO Wat maakt je gelukkig in deze fase van je leven?

Tavernier «Laat ik het maar mijn gave noemen: het vermogen om songs te schrijven. Ik put nog altijd veel troost uit het vormgeven van mijn leven in liedjes. Ik vermoed dat de Here gedurende die zeven dagen, toen hij tegen de chaos in flink aan het vormgeven was, ook wel gelukkig zal zijn geweest.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234