Malle Mao: Dwarskijker over 'Vranckx' en 'Jonge Benen'

Zelfs voor beroepsacteurs is het moeilijk om geloofwaardig spontaneïteit te veinzen. Bovendien vind ik een vader-zoonrelatie privé, en dan ook het intieme voorrecht van een vader en een zoon.

Vranckx
Canvas – 20 & 27 juni

Zijn meerderen hebben correspondent Stefan Blommaert met schorre stem teruggeroepen uit China, want voortaan zal de nieuwsdienst van de openbare omroep alleen nog gebruikmaken van zogeheten pop-upcorrespondenten. Als ik het goed begrepen heb, zijn dat verslaggevers die voor langere tijd in een ver en bij voorkeur onpluis buitenland verblijven, zonder zich er metterwoon te vestigen en op dronken nachten kinderen te verwekken bij iets te gewillige plaatselijke vrouwen die, hunkerend naar een luxeleven, in de waan verkeren dat Brussel ongeveer hetzelfde is als Parijs. Zulke lieden pop-upcorrespondenten noemen, is nergens voor nodig en ook nog eens een hoop aanstellerij. Het lijkt me bovendien raadzaam om diepe argwaan te koesteren jegens alles wat met ‘pop-up’ begint.
Stefan Blommaert, een onbesproken personeelslid van de VRT, wilde zijn correspondentschap in Peking kennelijk met een klapstuk afronden. In plaats van een luchtwaardig vliegtuig naar het Tochtgat aan de Noordzee te nemen, besloot hij met een Jeep en in het gezelschap van onder anderen zijn zoon Wannes, een kennelijke cameraman, de zijderoute af te rijden. Een reis van 20.000 kilometer, die hen gedurende vijftig dagen door vijftien landen zou voeren. Daar is een televisieprogramma van gekomen, dat in twee afleveringen van ‘Vranckx’ geprangd werd: twee keer 25 minuten. De uitdrukkingen ‘onbegonnen werk’ en ‘om moeilijkheden vragen’ twistten onder mijn schedeldak meteen om de voorrang.
Volgens een aloud Chinees gebruik werd er een fles sterkedrank ritueel leeggegoten omheen de vertrekkensklare Jeep: een plengoffer dat mogelijk net iets meer geluk brengt dan dat je een fles gedistilleerd in de gorgel van de chauffeur zou gieten. Al begin ik daar ineens aan te twijfelen. Hoewel hij met twee tv-programmaatjes van 25 minuten in het vooruitzicht geen tijd te verliezen had, besteedde Blommaert nogal veel aandacht aan wat er zoal mislukte tijdens zijn reis. Alsof hij ons, professionele belastingbetalers, op het hart wilde drukken dat hij niet voor zijn plezier de zijderoute afreisde. In de Chinese stad Xi’an, waar een omvangrijke moslimgemeenschap zo goed als thuis is, wilde hij de imam spreken, maar die meldde zich inderhaast ziek. Blommaert keek sceptisch en beteuterd tegelijk. In Zuid-China gaf hij te kennen dat hij heel graag een gesprek had gevoerd met een boeddhistische religieuze leider, maar de hoofdmonnik was net de stad uit, en zijn helper wilde hem niet te woord staan. Hij kon naar een ander boeddhistisch klooster, waar de hoofdmonnik, een welgedane schertsfiguur met een zenuwlach, aangaande de dalai lama haastig het standpunt van de Chinese overheid innam: ‘De dalai lama heeft China verlaten. Dat vind ik ongepast.’ Voor het overige zou China vandaag de dag volgens woordvoerders van de overheid haast verrekken van de godsdienstvrijheid.
Het kwam me voor dat de zoon van Stefan Blommaert op last van zijn vader enkele vragen had ingestudeerd. Nabij de Chinese muur vroeg hij: ‘Die wachttorens, wat voor functie hadden die eigenlijk?’ Waarop Stefan Blommaert haast schools tekst en uitleg gaf, zoals eerder afgesproken en ingestudeerd. Zelfs voor beroepsacteurs is het moeilijk om geloofwaardig spontaneïteit te veinzen. Bovendien vind ik een vader-zoonrelatie privé, en dan ook het intieme voorrecht van een vader en een zoon.
Een reis langs de zijderoute kan niet anders dan avontuurlijk zijn, moet Stefan Blommaert hebben gedacht, en daarom vestigde hij onze aandacht op zijn autopech: voor ze Kazachstan bereikten, wolkte er onheilspellende stoom onder de motorkap van de Jeep vandaan. ‘Na grondig onderzoek wordt het vermoeden bevestigd dat er iets mis is met de thermostaat,’ sprak Stefan Blommaert met het soort ernst dat dringend aan een dot ironie toe is. We kregen nog meer automechanica te verduren: een ongemak dat aan een verhitte sensor te wijten was, en – je zult het altijd zien – de radiator was gebarsten. Of dit bijdroeg tot de spanning durf ik te betwijfelen, al denkt de niche der automecaniciens daar vast wel anders over. Geëmmer over visa die niet verleend werden door Oezbekistan en Turkmenistan, ‘landen die niet van journalisten houden’, vond ik ook al tijdverlies. Ergens in Tadzjikistan bevond zich een tunnel die een ware hellekrocht was. De weg in de tunnel zat vol kuilen – ‘meer putten dan weg’ stelde Wannes Blommaert vast – en het was er nog donkerder en griezeliger dan je zou verwachten van tunnels in Tadzjikistan. Alleen al over die tunnel, en het leven dat zich erin probeert te handhaven, zou je een mooie documentaire kunnen maken – wat zou Werner Herzog er al niet mee doen? – maar dit programma, een jammerlijke haastklus, jakkerde eroverheen, op weg naar de slotconclusie: de Chinezen komen, als ze er al niet zijn. In ieder geval financierden ze de spoorwegen van Bulgarije al, om het transport van hun handelswaar langs de nieuwe zijderoute te bespoedigen. Ach, de Chinezen, met hun arbeidsmodel waar ik niet reikhalzend naar uitkijk; de Chinezen die met het oog op een commerciële zone een heel gebergte afgraven; de Chinezen, die een compromis tussen totalitarisme en kapitalisme hebben bedacht. Jammer dat malle Mao het niet meer kan meemaken, maar wat goed dat hij allang ter ziele is.

Jonge benen
Canvas – 1 juli


'
Tim Wellens zei met een geamuseerd grijnsje dat je op de plek waar hij zich bevond geen dopingcontrole hoefde te vrezen omdat het dichtstbijzijnde laboratorium volgens de dopingwetgeving te veraf lag'


Hoewel ik met vallen en opstaan geslachtsrijp geworden ben tussen de Oude Kwaremont en de Kluisberg, heb ik weinig affiniteit met de wielersport – naar Vlaamse maatstaven deug ik dus niet. Toch bleek ik enigszins ontvankelijk te zijn voor ‘Jonge benen’, een drieluik over het veelbelovende viertal Tim Wellens, Jasper Stuyven, Louis Vervaeke en Sean De Bie, een vriendenkring op ruisende fietswielen. Behalve benijdenswaardig jong – titaantjes – vond ik ze ook sympathiek, en onvergelijkbaar anders dan de renners van weleer, die zich onder het nahijgen in welhaast uitgestorven dialecten plachten te verslikken, terwijl ze ten overstaan van Fred De Bruyne vergeefs naar woorden hapten waarmee ze hun mislukte demarrage zouden kunnen goedpraten. ‘Wie de fok is Fred De Bruyne?’ hoor ik talloze bezitters van iPadden en slimme mobieltjes, de bloem der natie, hardop denken. Googelen maar! Desnoods tot je een ons weegt! Kijk, dat noem ik nog eens lekker crossmediaal bezig zijn. Jammer dat Aimé Van Hecke het niet meer mag meemaken. De nieuwe generatie wielrenners lijkt me de mondigste ooit, voor zover het kwartet van ‘Jonge benen’ haar significant vertegenwoordigt. Het zijn ook zelfverzekerde kinderen van hun tijd, die whatsappen dat het een aard heeft – eerste persoon voltooid tegenwoordige tijd van het werkwoord whatsappen: ‘Ik heb gewhatsappt’. Nog lelijker hoeft het Nederlands, ook qua schriftbeeld, voor mijn part niet te worden. Maar laat ik nog even in de wielrennerij volharden: ‘Wielrenner én student,’ riep Jasper Stuyven triomfantelijk maar ook wervend, zo van: het ene sluit het andere niet uit. Waarna hij zich in het blikveld van zijn bezorgde modelsupporter, zijn moeder, en een cameraploeg over een cursus boog. De scènes die zich in het ouderlijke huis van de aankomende kampioenen afspeelden, waren het veelzeggendst: de vader van Sean De Bie die een haast lachwekkende hoeveelheid fotoalbums, lijvige ordners die stuk voor stuk de geschiedenis van zijn wielrennende zoon behelsden, op tafel begon te stapelen. Haast langs de neus weg vertelde hij dat hij zelf ook wielrenner was geweest in zijn jeugd, een veelwinner zelfs. Dat moest ook wel, want voor zijn vader telde maar één ding: ‘Winnen! Winnen! Winnen!’ Als hij al eens tweede of derde werd, dan zwaaide er wat: ‘Ik ben vaak het huis uit gevlucht.’ Hij was gelukkig geen doorslagje van zijn ouweheer geworden, maar wel een begrijpende vader van eigen vinding, die ongeremd trots was op zijn zoon. Een aardige man, als ik me niet vergis.
De moeder van Louis Vervaeke herinnerde zich dat haar zoon eens geheel verstoord weigerde zijn bord leeg te eten, omdat ze het middagmaal enkele minuten later had opgediend dan hij in zijn trainingsschema had voorzien. Hij zou volgens zijn moeder ook aanhoudend zijn grenzen willen verleggen, ook al kwam hij daardoor weleens in een fysieke gevarenzone terecht. Van topsporters verwacht ik niets anders dan zulk monomaan gedrag, maar al bij al viel het mij bij deze jongens niet erg op. Ze leken elkaar ook niet te willen aftroeven. Nu ja, drie van hen waren ploegmaats, maar dat belet hen natuurlijk niet om ook haantjes te zijn. Zou vriendschap de competitiegeest wezenlijk verzachten? Het viel me ook op dat ze er na een wielerwedstrijd niet erg gehavend uitzagen, tenzij ze tegen het wegdek waren gesmakt. Teleurstellingen verbijten – een sporttak op zich – konden ze klaarblijkelijk als de beste. Nu ja, daar waren ze ook jong genoeg voor.
Als doping ter sprake kwam, sloegen ze vanzelf een ironische toon aan: Tim Wellens, die op Tenerife zijn voordeel deed met een hoogtestage, zei met een geamuseerd grijnsje dat je op de plek waar hij zich bevond geen dopingcontrole hoefde te vrezen omdat het dichtstbijzijnde laboratorium volgens de dopingwetgeving te veraf lag. Dat was volgens hem – hij bracht er nog een ironisch grijnsje bij voort – misschien wel de reden waarom sommige renners uitgerekend dáár op hoogtestage gingen. Na een dopingcontrole vatte Sean De Bie – Bieke voor intimi – de controleur als volgt in woorden: ‘’t Was een heel goede mens, denk ik.’ Ik bracht er een ironisch grijnsje bij voort.
Hoewel ik vooral beroepshalve en uit plichtbetrachting naar ‘Jonge benen’ heb gekeken, ging dat niettemin met een zeker genoegen gepaard: een innemend en elegant gemonteerd tv-programma met vaart. Straks ga ik even een eiwitshake uitproberen, die, naar ik van ‘Jonge benen’ heb geleerd, bevorderlijk zou zijn voor de recuperatie. Maar eerst ga ik even paardvoltigeren. Ieder z’n sport.
Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234