null Beeld Tim Dirven
Beeld Tim Dirven

‘Over cinema’

Marc Didden: ‘Scorsese, Jagger, Bob Marley... voor een gewone jongen uit Hamont zonder ambitie ben ik veel interessante mensen tegengekomen’

Als filmliefhebber schuimde hij honderd Brusselse bioscopen af. Als regisseur maakte hij ‘Brussels by Night’ en ‘Sailors Don’t Cry’. Als docent scenarioschrijven onderwees hij Robin Pront, Kaat Beels en Jonas Govaerts. En als Humo-journalist interviewde hij Martin Scorsese en Woody Allen. In zijn nieuwe boek ‘Over cinema’ kijkt Marc Didden terug op een leven vol film.

Ewoud Ceulemans

“Het klinkt als de titel van een Duitse roman, maar ik ben een man zonder ambitie. Dat is echt waar. Men gelooft dat niet, maar ik heb nooit ambitie gevoeld. Alles is mij overkomen. Dat gebrek aan ambitie heeft mij ook wel een beetje gefnuikt, financieel bijvoorbeeld. Als zich de kans voordeed veel geld te verdienen, door een reclamefilm te maken, of een film met Urbanus zoals ze me ooit hebben aangeboden, zei ik: nee.

“Ik heb dat vandaag nog altijd. Ik heb het geluk gehad – en mijn vrouw wordt kwaad als ik dat zeg – dat ik nooit heb gewerkt. Dat is écht zo. Ik besef dat als ik zie hoe hard andere mensen moeten werken om 1.500 euro per maand te verdienen. Op de dag dat ik uit het RITCS kwam, ben ik voor Humo beginnen te werken. Dat is bijna vijftig jaar geleden.

“Sindsdien heb ik altijd een beetje geschreven. Nooit een grote roman, nooit een dichtbundel. Maar wel stukjes, bedenkingen, een interview of de synopsis van een scenario. En dat heeft nooit aangevoeld als werk. Ik doe dat gewoon graag. En dat komt ook vlot. Ik heb vanochtend, voor dit interview, al een column geschreven en doorgestuurd. A nice way to start your day.

“Ik wil het niet te veel over mijn gezondheid hebben, maar ik ben vorig jaar heel ziek geweest. Zo ziek dat ik veel naar het ziekenhuis moest. Voor ik werd opgenomen, heb ik twee Atoma-schriftjes gekocht. Ik dacht er niet aan om mijn memoires te schrijven, maar gezien mijn leeftijd – ik ben nu 73 – ben ik een beetje aan het terugkijken. Ik heb het eigenlijk niet zo voor nostalgici: je moet in het nu leven, vind ik, en een beetje toekomst valt ook wel mee. (lacht) Maar nu komt het vanzelf om wat aan vroeger te denken. Ik vroeg me af: waarom heb ik dat gedaan, films gemaakt? En wat betekent film in mijn leven?

“En dus, tegen de verveling in het ziekenhuis, ben ik nota’s beginnen nemen. Wat is het eerste beeld dat ik ooit gezien heb? Wat is de eerste film die me echt is bijgebleven? Waarom ben ik zelf films gaan maken? Waarom kreeg ik de kans om al die cineasten te interviewen, en waarom heb ik net die cineasten geïnterviewd? Die mijmeringen zijn een tekst geworden, de eerste helft van dit boek. En na mijn verhaal wilde ik, uit een vorm van nederigheid, ook cineasten aan het woord laten die echt de wereld hebben veranderd, zoals Woody Allen, Martin Scorsese, Ken Loach of Bertrand Tavernier. Die dag in, dag uit met films maken bezig zijn en niet, zoals ik, ocharme vier langspeelfilms en vijf-zes documentaires hebben gemaakt.

Didden: ‘Ik heb het geluk ­gehad – en mijn vrouw wordt kwaad als ik dat zeg – dat ik nooit heb ­gewerkt. Dat is écht zo.’ Beeld Tim Dirven
Didden: ‘Ik heb het geluk ­gehad – en mijn vrouw wordt kwaad als ik dat zeg – dat ik nooit heb ­gewerkt. Dat is écht zo.’Beeld Tim Dirven

“Ik heb veel last van de tweezijdigheid in mijn hoofd. Ik ben maker en criticus, wat ook betekent dat ik kritisch ben voor mezelf. Dat verlamt me soms. Ik heb al een film gemaakt waarvan ik tijdens het filmen voelde: dit lukt niet. Ik zeg niet graag welke, om de mensen die daaraan meegewerkt hebben niet te beledigen, want zij hebben zich ten volle ingezet.

“Als je iets maakt, stap je uit de rij. Ik heb dat gedurfd. En een paar keer is dat gelukt. Maar ik ben geen volbloed cineast. Films maken is voor mij niet altijd een droom geweest. Sommige van mijn collega’s, om Dominique Deruddere en Frank Van Passel niet te noemen, die ademen op een set. Die kunnen dat aan. Als regisseur moet je een CEO zijn. Op een set loopt veertig, vijftig man rond die niets doen als jij niet zegt: ‘Die lamp moet daar hangen en die groene muur moet geel zijn.’

“Ik ben dus geen echt setdier: ik sta niet graag echt vroeg op om om 4 uur ’s nachts op het Vierarmenkruispunt te staan, in de sneeuw, en daar het eerste shot van de film te draaien. Maar dat boys in the band-gevoel dat je in die zes-zeven weken opbouwt, dat productiefeest dat altijd heel emotioneel is… Dat vond ik de toffe kant.

Te veel verhalen

“Ik ben er nu wel klaar mee, met film. Ik denk niet dat ik er nog een ga maken. Maar ik zeg ook niet dat het compleet gedaan is. Ken je Alain Cavalier? Wat hij doet, zou ik ook willen doen: een film bij mij thuis maken. Dan vraag ik de acteurs om bij mij koffie te komen drinken, en ondertussen film ik ze en zeg ik hen wat ze moeten zeggen. Ik heb een script klaar, van 85 pagina’s. Het heet Zeep. Ik zei tegen Nino Lombardo, de producent met wie ik al twee films heb gemaakt: ‘Het is nogal een saaie film. Wil je het lezen?’ Hij zei achteraf: ‘Ik vind het niet saai, ik vind het filosofisch.’ Ik dacht: that’s a nice way of putting it. Moest ik kerngezond zijn, had ik die film al gemaakt.

“Ik heb nog maar weinig binding met film, merk ik. Er zijn tegenwoordig zo veel niches. Nog maar weinig mensen vertellen een universeel verhaal dat iedereen zou kunnen aanstaan. Zwarte filmmakers vertellen zwarte verhalen, homo’s maken films over homo’s... Maar in een goed verhaal kan iedereen zich toch herkennen? Als ik discussies lees in Amerikaanse vakbladen over een straight regisseur die een gay verhaal wil vertellen, denk ik: natuurlijk mag dat. En omgekeerd mag dat ook. En van mij mogen zwarte regisseurs films over cowboys maken.

“Maak daar niet je titel van, maar ik kan niet meer mee met de wereld. Ik merk dat mijn smaak steeds meer buiten de normen valt. Misschien ben ik een sentimentele aap. Ik zie niet graag films met geweld, tenzij het een louterende functie heeft, zoals bij Scorsese. Maar films waar ze zomaar mensen uit bomen knallen, dat zie ik niet graag. Ik weet dat dat bloed fake is, maar ik vind het toch akelig. En ik kijk ook niet graag naar films die over drugs gaan. Ik vind dat een fake manier om spanning te creëren. Ik ben niet naïef, ik weet dat er veel drugs worden gebruikt, maar mij interesseert dat niet. Ik neem zelf geen drugs en ik ben niet geïnteresseerd in die personages.

“Ik probeer mijn woorden te wikken en te wegen, want ik wil niemand voor het hoofd stoten en ik vind dat iedereen mag maken wat hij wil maken. Zo heb ik me als docent ook altijd opgesteld. Ik heb mijn eigen films nooit als lichtend voorbeeld genomen. Ik heb altijd gezegd dat studenten zelf hun verhalen moeten kiezen. Ik heb daar zelf ook nooit last van gehad: ik heb mijn films gemaakt zoals ik ze wilde maken. Ze hebben niet verschrikkelijk veel succes gehad, en ze zijn ook niet volledig verdwenen. Maar ik heb bij het schrijven van een verhaal me nooit afgevraagd of het wel zou aanslaan.

null Beeld Tim Dirven
Beeld Tim Dirven

“Vroeger ging ik alles zien en ik ging ook nog heel veel naar het theater. Maar mijn 73-jarig brein kan geen twintig verhalen verwerken. Daarom ben ik nooit filmcriticus geworden: ik wil niet op dinsdagmiddag een Franse komedie zien om de dag erna naar een Roemeens abortusdrama te gaan. En daarom ga ik niet graag naar filmfestivals, waar mensen als jij dertig films in een week zien. Het is heel goed dat iets als Film Fest Gent bestaat, of het festival in Oostende, maar ik kan niet zo veel verhalen slikken in zo’n korte tijd. En ik houd niet van die recepties. Voor dat soort dingen zijn mijn sociale vaardigheden niet zo groot. Ik praat graag, maar ik heb geen talent voor smalltalk. En voor je het weet sta je op zo’n receptie naast Siegfried Bracke. Dan is de poëzie ook weg.

“Dit jaar heb ik nog drie films gezien, denk ik. ‘West Side Story’, onder andere. En ‘Elvis’, maar dat vond ik niet echt goed. Vroeger zag ik soms drie films per week. Maar tegenwoordig zit ik altijd alleen in de zaal. Dat vind ik ook niet leuk, dan kun je beter thuis blijven. Al moet ik daarbij wel toegeven dat ik niet om acht uur ’s avonds ga, maar in de namiddag.

Cinema spelen

“Zoals ik van elk boek in mijn kast weet waar ik het gekocht heb, zo weet ik van elke film waar ik die gezien heb. Vroeger waren er honderd stadsbioscopen in Brussel. In Le Soir stond elke dag een kolom: ‘Les 100 Cinémas de Bruxelles’. Dat waren geen multiplexen, hè. Dat was telkens één zaal. Hier rond het Beursplein alleen waren al twee of drie cinema’s. De Ambassador, tegenover de Beursschouwburg. Achter de hoek was de Palace. En op de Vlaamse Steenweg was een derde, een hele grote. In de Victory, in de Nieuwstraat, hadden ze een vitrine. Als er een cowboyfilm speelde, stonden daar paarden en mannen met lasso’s. Als het een oorlogsfilm was, stonden daar tanks en Amerikaanse helmen in. Toen ze ‘De langste dag’ speelden, hebben ze heel de ontscheping van de geallieerden daar nagebouwd.

“Wij hadden thuis geen tv: mijn ouders hebben er pas in 1963 een gekocht, omdat mijn moeder de begrafenis van Kennedy wilde zien. Maar mijn vader huurde soms een projector om thuis een film te zien. Dan speelden we cinema thuis. Daar kwam altijd gedoe van. Soms schoot de film in brand. Of het laken dat we als doek gebruikten, viel naar beneden. En dan keek je naar een film op een muur met bloemetjesbehang.

“Ik had drie oudere broers en Leon had de ambitie om zelf films te maken. Hij had ook een camera. Wij gingen heel veel naar de cinema, maar we mochten enkel naar de enfants admis-films gaan. Zo heb ik een heel grote filmcultuur opgebouwd. Met cowboys en indianen die Frans praatten, want die films waren kopieën die uit Parijs kwamen en in het Frans gedubd waren. Later bleken die dan van grote regisseurs als Howard Hawks te zijn.

“Ik dacht toen nooit dat ik zelf een film ging maken. Dat was het strafste, toen ik hier in een zaal in Brussel de eerste kopij van Brussels by Night zag. Op het scherm verscheen: ‘Een film van Marc Didden’. Mijn vader was toen juist dood. Ik dacht: moest hij dat gezien hebben, dat de naam van zijn zoon in letters van een meter hoog op dat grote scherm stond... Ik was toen 33 jaar en ik had een film gemaakt. Dat vond ik toch straf.

“Aan de mensen die ik heb geïnterviewd, heb ik nooit gezegd dat ik cineast was. Sommigen wisten dat wel - Scorsese wist het, omdat hij ook connecties had met het Filmmuseum in Brussel. En Bertrand Tavernier vroeg me: waarom doe je eigenlijk interviews? Ik zei: ten eerste kan ik niet goed leven van cinema en ten tweede vind ik het een kans om met interessante mensen te spreken. Ik denk dat hij eerst dacht: hij zal wel een slechte cineast zijn, als hij nog moet leven van interviews.

“Ik had veel zin om met die mensen te praten en ik kon dat. Als ik dacht: ik heb zin om eens met Woody Allen te praten, of met Bertrand Tavernier, was dat na een paar telefoons wel geregeld. Het hielp dat ik een klein beetje bekend was in het milieu en dat ik voor een medium werkte - Humo - waarin ze graag verschenen voor promotie.

‘Over cinema’, van Marc Didden. Beeld rv
‘Over cinema’, van Marc Didden.Beeld rv

“Het eerste interview met Woody Allen, toen ‘Interiors’ uitkwam, ging wel heel moeizaam. Ik maakte het samen met Willem Dauw, toen bekend als Willem van de Fillem. Elke dag zeiden ze me: ‘Misschien kan hij morgen.’ Er was toen nog geen internet, dus ik moest op mijn kamer wachten tot ze me belden. Aan New York had ik dus ook niets. En als ik zelf belde, was ik een ambetanterik. Toen zei ik: het zal niet meer gaan, want ik moet deze namiddag de trein naar het vliegveld nemen. Pas dan hebben ze me gezegd: als jullie om 12 uur bij hem thuis aanbellen, kun je tot 14 uur bij hem blijven en ben je nog op tijd de luchthaven.

“Bij het tweede interview was ik minder enthousiast over de film, ‘Manhattan Murder Mystery’. Maar de offerte om Woody Allen te interviewen in het Ritz-hotel in Parijs vond ik niet iets om nee tegen te zeggen. Ik heb hem er toen ook op gewezen dat ik al bij hem thuis was geweest. Er stond toen een spreekstoel in zijn living, die hij in een kerk in Frankrijk had gekocht. Dat zei ik hem. Net als welk boek dat er toen op zijn toilet lag. Er hing toen een olifant in de kamer: de affaire met Mia Farrow. We mochten daar niet over spreken, maar hij begon er zelf over, dat was heel raar. Hij heeft me achteraf bedankt dat ik daar zelf geen vraag over had gesteld.

“Ik ben bij veel mensen thuis geweest. Dat gebeurde toen nog. Bij Woody Allen, maar ook bij Bryan Ferry, bij Marianne Faithfull, bij Emmylou Harris, bij Bob Marley. Het eerste interview dat ik heb gedaan, was trouwens met Tina Turner. Een boek over muziek, dat komt misschien nog.

“Ik was recent op een avond tv aan het kijken, langs verschillende zenders. En ik zeg dat dan niet luidop om mijn vrouw niet te irriteren, maar in bijna elk programma zat iemand die ik al was tegengekomen. Op één zender was er een interview met Mick Jagger, op een andere was er een film met een acteur die ik kende en op de BBC was er een interview met Emmylou Harris en daarna een film met Marianne Faithfull, met wie ik twee keer ben gaan eten. Dan besef ik ten volle: ik ben op veel plaatsen geweest, en ik ben veel interessante mensen tegengekomen. Toen dacht ik: ik heb toch een merkwaardig leven geleid, voor een gewone jongen uit Hamont, zonder ambitie.”

Marc Didden, ‘Over cinema’, Luster, 287 blz., €26,95

Stad Leest en De Morgen presenteren een avond met Marc Didden. Hij spreekt op zondag 6 november over zijn nieuwste boek. Ook u kunt erbij zijn.

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234