Piet Van Haut: ‘De stunts die ik heb gerealiseerd, horen thuis in sprookjes en films. Ik ben het achtste wereldwonder.’ Beeld Joost De Bock
Piet Van Haut: ‘De stunts die ik heb gerealiseerd, horen thuis in sprookjes en films. Ik ben het achtste wereldwonder.’Beeld Joost De Bock

Exclusieve voorpublicatie‘het mirakel van België’

Meesteroplichter Piet Van Haut: ‘Laat mij met iemand praten, en binnen het halfuur geeft die persoon mij 25.000 euro’

‘Ik ben de man die alles kan. Niemand krijgt ooit vat op mij,’ orakelde meesteroplichter Piet Van Haut (52) tegen iedereen die het horen wilde. Toch moest en zou auteur Maarten Inghels een roman schrijven over de man die ontelbare slachtoffers voor miljoenen oplichtte en zich voordeed als oliesjeik, onderzoeksrechter en zelfs koning der Belgen. Eén van onze Humo-journalisten waarschuwde de jonge schrijver nog voor de manipulaties van de beroepscharlatan. Maar Inghels zag vooral fantastisch materiaal voor een bestseller, en ging in zee met het zelfbenoemde ‘mirakel van België’. Een exclusieve voorpublicatie.

Op de ­nationale radio hoorde ik een hakkelende stem verklaren dat hij één van de allergrootste meesteroplichters ter wereld was, met een levenslange loopbaan van oplichting, valsheid in geschrifte, misbruik van vertrouwen en valse naamdracht, en dat hij het allemaal deed in de hoop op televisie te verschijnen. Dat was Piet Van Haut. Hij vertelde dat hij als minderjarige van huis was weggelopen en sindsdien de rekeningen van zijn treinreizen, merkkledij en hotelovernachtingen naar zijn onschuldige ouders stuurde. Elke nacht sliep hij ergens anders. Hij was door meer dan dertig dokters onderzocht, zei hij, waarna zij concludeerden dat hij een IQ van 35 had en uitgesproken debiel was. ’s Ochtends deed hij zich voor als directeur en ’s avonds als advocaat. Niet gehinderd door zijn beperkte intelligentie vertelde Piet Van Haut hoe hij zich bijvoorbeeld voor procureur-generaal uitgaf en een helikopter van de rijkswacht had opgevorderd voor een inspectievlucht boven de gevangenissen van ­Brussel, Gent en Antwerpen.

Via de telefoon wist hij meermaals het politiekorps te verschalken door zich op het gezag van een voorgewende hoge magistraat te laten schrappen uit de internationale opsporingsdatabanken. Aangezien hij in de loop der jaren ettelijke miljoenen heeft gestolen, door bij diverse banken frauduleuze leningen aan te gaan of particulieren geld af te troggelen, was hij voor vier jaar in de gevangenis beland, vanwaar hij zijn activiteiten onverminderd verderzette. Meer dan negenhonderd vrouwelijke advocates kwamen op bezoek, gelokt door de belofte een stuk van zijn fortuin te krijgen, zei hij, het ging om meer dan tien advocates per dag. Ik had zelden iemand zo erg horen stotteren.

Naar ik begreep was Piet Van Haut op vrije voeten. Een snelle zoekopdracht langs zijn profielen op het internet leerde mij dat hij nog steeds in de nieuwste luxewagens rond­reed en in ­privévliegtuigen de wereld rondvloog ­alsof de duivel hem op de hielen zat. Met zichtbaar plezier verkocht hij zijn kleurrijke verhalen in de pers. Ik was geërgerd en geamuseerd tegelijk, en instinctief begreep ik dat ik over deze figuur wilde schrijven vanwege de jongensachtige romantiek die ervan afdroop. Zoals iemand anders voor de kick uit een vliegtuig springt, dacht ik een spannend schrijfproject te hebben gevonden. Even de controle verliezen. Een avontuur zonder echt gevaar.

Ik stuurde een bericht naar een journaliste van het weekblad Humo die ik vaagweg kende en van wie ik te weten kwam dat ze de meesteroplichter een keer had ontmoet voor een gesprek, waarna ze uiteindelijk had besloten niet over hem te schrijven. De journaliste was zo vriendelijk om voor mij het volledige persoverzicht over de meesteroplichter te kopiëren en per post te bezorgen. Het dikke pakket viel enkele dagen later in mijn brievenbus. Correctie, de postbode belde aan omdat de envelop niet door de brievenbus kon. De stapel overspande de decennia van de jaren 80 tot nu en bewees dat hij inderdaad één van de grootste meesteroplichters van de Lage ­Landen was. De krantenkoppen luidden bijvoorbeeld: ‘Meesteroplichter pleit zichzelf vrij’; ‘Piet Van Haut zorgt opnieuw voor opschudding’; ‘Fantast dient klacht in tegen 237 advocaten en magistraten’; ‘Meesteroplichter op de loop’; ‘Oplichter Piet Van Haut zwerft rond in Duitsland’. Bij wijze van waarschuwing voegde de journaliste ook nog een screenshot toe van zijn digitale berichtjes. Hun conversatie was eenrichtingsverkeer. In de loop der jaren deed Piet Van Haut haar verscheidene ­voorstellen voor reportages met hem in de hoofdrol: berichten over de sm-wereld, het lot van geïnterneerden, zijn allernieuwste telefoon die niemand anders had. Hij vroeg haar bijvoorbeeld: ‘Is het geen goed idee om het jaar af te sluiten met mij op de cover van Humo?’ Een gelouterd crimineel zou normaal gezien de luwte opzoeken, maar de journaliste maakte me meteen duidelijk dat deze narcistische man geen kans onbenut liet om in de media te verschijnen. Meer nog, de persmap bewees dat zijn buitensporige behoefte aan belangstelling ook werd bevredigd. Hij zocht wanhopig de aandacht op met de meest fabelachtige verhalen, wilde beroemd worden en op de cover van magazines belanden.

8ste wereldwonder

Uit het niets bereikte mij na enkele maanden een mail van Piet Van Haut. Door zijn verblijf in het buitenland, schreef hij, was het niet mogelijk om eerder met mij in contact te komen. Maar nu was hij voor een korte periode terug in ­België. Zijn enigszins plechtstatige bericht, gestoffeerd met woorden als ‘teneinde’ en ‘thans’, drong aan op een spoedige bijeenkomst. ‘Want dit verhaal is er één uit duizend,’ zei Piet tijdens onze allereerste ontmoeting. Met een bolle buik en de dommige grijns van een wereldwijze idioot zat hij voor mij. Hij had een braaf en vriendelijk gezicht dat van dik rubber leek gemaakt. Ik had meer dan twee uur op de meesteroplichter zitten wachten vooraleer hij op onze afspraak kwam opdagen, zwaar hijgend, buiten adem. Om het kwartier had ik een berichtje of telefoontje gekregen dat hij nu echt in de buurt was. Later zou ik leren dat hij schaamteloos op het laatste nippertje afspraken verplaatste, of gemaakte beloftes liet verdagen.

Het was het begin van de zomer van 2016. Zijn ranke jongenslijf dat ik van de oude nieuwsfoto’s kende, was in de loop der jaren beginnen zwellen, alsof zijn lichaam zich gelijk met zijn eigenliefde was gaan vermeerderen. Hij was 47 jaar oud, ik 28. In beide handen hield hij een telefoon vast, die hij als in een opbod naast mijn opnameapparaat op tafel legde.

null Beeld Joost De Bock
Beeld Joost De Bock

‘Weet u al hoeveel pagina’s uw boek over mij zal tellen?’ stak hij van wal. ‘Dit is een verkennend gesprek,’ antwoordde ik. Er stond nog geen letter op papier. Hij liet er echter geen enkele twijfel over bestaan dat er geen excuses bestonden om zijn verhaal niet neer te schrijven. ‘Ligt uw boek over mij dan in elke boekhandel te koop?’ vroeg hij. ‘Ja.’ ‘Als het boek verschijnt, dan k-k-k-k-kom ik toch op televisie?’ Hij stotterde en maakte onbeheerste gebaren. De cola die ik voor hem had besteld, slobberde hij in drie slokken op. ‘Of u op televisie te zien zal zijn, heb ik niet in de hand,’ zei ik. ‘Ik kan u meedelen dat een boek met mijn gezicht op de cover minstens honderdduizend exemplaren zal verkopen.’ Ik wist zeker dat ik nooit honderdduizend exemplaren zou verkopen, maar Piet Van Haut voelde perfect aan waar de zwakke plek lag in het ijs van mijn zelfzekerheid. Ik beken: ook ik hoopte ooit een bestseller te scoren.

‘Al wat ik u vertel, is echt gebeurd,’ drukte hij mij op het hart. ‘Men moet pas oppassen wanneer ik vloeiend spreek, want als ik stotter, spreek ik de waarheid.’ Hij stotterde evenveel als dat hij vloeiend sprak. ‘Ik b-b-b-ben dan ook zeer taalvaardig met de gekende gevolgen van dien,’ vervolgde hij zonder blikken of blozen. ‘Laat mij een uur met iemand praten. Ik zeg u, binnen een halfuur krijg ik van die persoon 25.000 euro. Ik zal daarom niet te veel van uw tijd rekken.’ Hij giechelde en hij maakte mij ook aan het lachen. Ik vond hem er helemaal niet gevaarlijk uitzien, zoals sommige bronnen me wilden doen geloven. Eerder aandoenlijk. Ik kon niet geloven dat hij een IQ van 35 had, zoals hij beweerde, hier was iets anders aan de hand.

Meesteroplichter Piet Van Haut bij zijn privéjet voor vertrek naar Auckland (Nieuw-Zeeland). Beeld RV
Meesteroplichter Piet Van Haut bij zijn privéjet voor vertrek naar Auckland (Nieuw-Zeeland).Beeld RV

‘Wat denkt u van ‘Het ­mirakel van België’ als titel?’ vroeg hij. Ik vond het een protserige titel. ‘Waarom beschouwt u zichzelf als een mirakel?’ vroeg ik. ‘Omdat de stunts die ik heb gerealiseerd thuishoren in sprookjes en films,’ zei hij. ‘Ik ben het achtste wereldwonder.’ Af en toe ontgrendelde hij één van zijn iPhones om met beeldmateriaal zijn verhalen kracht bij te zetten. Hij liet foto’s zien van hotelkamers, autoshows, restaurantbezoeken. Steeds met zijn gezette lichaam pontificaal in beeld. Zijn wijsvinger pookte ongeduldig op het scherm om de stroom foto’s en filmpjes te versnellen. ‘Ik slaap alle dagen op hotel, wilt u daar bewijzen van zien?’ Hij toonde foto’s van zijn verblijven in het Ritz in Parijs. Piet in de Ritz-bar. Piet bij het Ritz-zwembad. Piet in het Ritz-toilet met de gouden Ritz-toiletborstel.

Ik zat nog met veel twijfels omtrent de haalbaarheid van mijn project, maar ik had er zin in. Ik huurde een kantoortje in het centrum van ­Antwerpen, en worstelde me door de eerste duizend pagina’s aan politieverhoren, bewijsstukken en arresten die hij me gestuurd had.

Verkeerd verbonden

In België en Nederland opende Piet Van Haut bij verschillende grootbanken tientallen ­zichtrekeningen, waarna hij in het ­buitenland het maximumbedrag op krediet opnam. Hij ­leefde zich uit in Benidorm, Madrid, ­Barcelona, Alicante en Malaga. Pas een maand na zijn transacties werden de banken op de hoogte gebracht van de enorme ­geldafname en werden de rekeningen geblokkeerd. Bij verschillende spaarbanken ging hij met vervalste gegevens persoonlijke leningen aan voor een totaal van 800.000 frank, las ik in de vonnissen. Dikwijls ging hij op dezelfde manier te werk zoals hij zich in de cockpit van vliegtuigen wurmde: hij deed zich voor als een belangrijke klant van de bank. Nadat hij was nagegaan wie er in de raad van bestuur van de bank zat, liet hij bij Belgacom, de nationale dienst telefonie, het nummer van één van de leden doorschakelen naar zijn draagbaar telefoontoestel en vervolgens belde hij naar een plaatselijk kantoor waar ze dachten een belangrijk iemand aan de lijn te hebben, namelijk een lid van de raad van bestuur die een lening probeerde te regelen voor zijn vriend Piet Van Haut, die om een erfenis vrij te krijgen dringend geld nodig had voor de betaling van registratierechten, successierechten, patatie, patata, en zou de bankdirecteur zo vriendelijk willen zijn om te kijken of meneer Van Haut in aanmerking kwam voor een krediet van 30.000 euro – hij vroeg nooit meer, want dan moest de hoofdzetel in Brussel betrokken worden – en jazeker, het vermeende lid van de raad van bestuur stuurde zijn goede klant meneer Van Haut vandaag nog langs voor het tekenen van de contracten, waarna Piet met zijn wagen zo snel mogelijk naar het kantoor reed waar ze dat geld in voorraad hadden. Eén keer deed hij zich succesvol voor als de zoon van Frank ­Swaelen, naast minister van staat toen ook voorzitter bij de bank ­Gemeentekrediet, en kon Piet 25.000 euro ophalen. ‘Zo deed ik dat,’ vertelde Piet mij. ‘De pak-de-poenshow.’

Martines cabrio

In het voorjaar van 1992 verzamelde de volledige cast van de soap ‘Familie’ zich in een Mazda-garage voor het liefdadigheidsevenement Levenslijn, ten voordele van patiënten met multiple sclerose, las ik in een roddelblaadje uit die tijd. De titel van het stuk luidde ‘Ik ben bang, ja. Heel erg zelfs’. Het ging om een interview met actrice Martine ­Jonckheere, ze speelde sinds de allereerste aflevering op 30 december 1991 in de nieuwe soap. In de paar maanden dat ‘­Familie’ werd uitgezonden op VTM, waren de acteurs en ­actrices absolute vedetten geworden. Ik probeerde mij zo goed mogelijk voor te stellen hoe het er begin jaren 90 op dit evenement aan toeging. Na de handtekeningsessie werd Martine ­Jonckheere voor een verrassing op het podium geroepen. ‘Dames en heren,’ stuntelde de garagist en initiatiefnemer van het evenement. ‘Wij hebben melding gekregen dat er in het publiek een stille bewonde­raar van ons Martine zit.’ ‘Oeoeoeoeoe,’ joelden de aanwezigen als dronken duiven, terwijl Martine het uit bierbakken geknutselde podium beklom. ‘Dames en heren, we moeten hier te maken hebben met een wereldster. Want onze stille bewonderaar schenkt ­Martine een wagen uit de zaak!’ riep de garagist. ‘En wel een chique cabrio! De opbrengst gaat naar Levenslijn!’ Het publiek ging uit zijn dak, dit soort decadentie hadden ze nog niet veel meegemaakt. De garagist drukte een autosleutel in Martines handen. ‘Daar staat hij,’ zei hij tegen haar. De hoofden van het publiek draaiden in de richting van de cabrio, met ernaast een jonge man, van top tot teen in Armani gekleed: Piet Van Haut. ‘Ik kan dit niet accepteren,’ legde de actrice onmiddellijk uit toen ze het podium had verlaten en kennis had gemaakt met de gulle schenker. ‘Maar de auto is g-g-g-g-gratis,’ stotterde Piet. ‘En toch kan ik zo’n groot cadeau niet aannemen.’ Piet drong aan om de auto te accepteren, ze hoefde enkel de sleutel in het contact te steken en weg te rijden.

Van Haut heeft actrice Martine Jonckheere een tijdlang telefonisch belaagd. Hij was op de hoogte van haar hele privéleven, en zelfs de stand van haar bank­rekening. Beeld VTM
Van Haut heeft actrice Martine Jonckheere een tijdlang telefonisch belaagd. Hij was op de hoogte van haar hele privéleven, en zelfs de stand van haar bank­rekening.Beeld VTM

Hij was een zakenman, legde hij uit, die er warmpjes bij zat en iets wilde teruggeven aan zijn lievelingsactrice van zijn favoriete televisieprogramma. ‘Om heel eerlijk te zijn vind ik het niet de mooiste auto,’ zei Martine. Ze loog, maar probeerde zich er op die manier uit te praten. ‘Geen probleem,’ lachte Piet monter. ‘Dan kiezen we een andere voor jou.’ Hij troonde haar mee langs het wagenpark van de Mazda-garage. Ze hielden halt bij één van de duurste wagens met ebbenhouten binnenafwerking. ‘Ik moet toegeven dat ik dit wel een knappe auto vind,’ gaf de actrice toe. Piet liet terstond de verkoper aanrukken en tekende het verkoopcontract op de motorkap.

Bij thuiskomst belde ­Martine Jonckheere naar de autodealer om de gift alsnog te weigeren. De garage begreep haar terughoudendheid en annuleerde zonder morren de verkoop. Nadat ze de volgende dag de auto had teruggebracht naar de garage, hing Piet aan de telefoon. Hij was woedend. ‘Waarom wilt u niets van mij aanvaarden,’ zei hij kwaad. ‘Weet u wel wie ik ben?’ ‘Hoe komt u aan mijn telefoonnummer?’ vroeg Martine. ‘Ik weet álles van u,’ antwoordde hij. ‘Zelfs hoeveel geld er op uw rekening staat.’ Hij vertelde haar het saldo van haar rekening, correct tot op de cent na de komma. Er schroeide een draadje door in het hoofd van de actrice. Behalve haar financiële toestand deed de stalker ook haar hele jeugd uit de doeken, verhalen over vriendjes die met haar hadden schoolgelopen, privézaken, ze panikeerde. ‘Ik wil dat u mij nooit meer terugbelt.’ Toen zei Piet aan welk raam ze stond te telefoneren. ‘Kunt u mij zien dan?’ riep ze uit. ‘U staat nu naast de spiegel.’ Piet was in een boom geklommen om in haar slaapkamer te kunnen kijken. ‘U draagt een beige blouse.’ ‘Ga weg.’ ‘­Martine,’ zei hij, ‘vergeet niet dat ik een multimiljonair ben. Voor mij gaan alle ­deuren open.’ ‘Ga weg!’ smeekte ­Martine tegen de zwarte vlek in haar tuin. De actrice ­zette een stap achteruit en zocht met haar hand de lichtschakelaar om zichzelf in het donker te verhullen. In haar oor klonk de pieptoon van een onderbroken telefoonlijn. De stem was weg. Martine deed de deuren op slot en controleerde de ramen van de oude hoeve te midden van de velden.

Vanaf dat moment belde Piet de actrice wekelijks op de meest ongelegen momenten. Hij drong aan om haar geld te mogen schenken. Toen ze bleef weigeren, slaagde de oplichter erin om het medisch dossier van haar ongeneeslijk zieke zus bij de dokter te ontfutselen. Hij dreigde ermee om pikante details openbaar te maken, net als het bestaan van haar zwarte rekening. In een doktersverslag las ik dat Piet besefte dat hij op die manier iemand ‘psychisch kon vermoorden’ of ‘uitpersen als een citroen’. Door ziekenhuizen, politiediensten en banken telefonisch te misleiden of te betalen wist de stalker intieme gegevens uit het privéleven van zijn slachtoffers te verzamelen om ze onder druk te zetten. Hij gaf zich uit voor bijvoorbeeld procureur des Konings om op die manier iemands volledige achtergrond en identiteitsgegevens te bekomen, maar ik kreeg ook weet van rijkswachters en verkeersagenten die in de problemen kwamen omdat ze tegen betaling voor Piet een nummerplaat natrokken of gegevens opsnorden. ‘Als u weigert iets van mij aan te nemen,’ zei Piet aan de telefoon, ‘laat me dan op zijn minst uw zuster helpen.’ ‘Mijn zus is ziek,’ zei Martine. ‘Laat haar met rust.’ ‘Ik wil haar behandeling betalen,’ zei Piet. ‘Met mijn geld kan ze de beste dokters zien. Ik kan u meedelen, ik heb uitstekende contacten in ­Duitsland. Vertrouw mij.’ Martine ­Jonckheere vertelde later tegen de politie dat ze zich maandenlang liet meeslepen door het verhaal van de excentrieke weldoener die haar familie wilde helpen. Stel dat het waar was, dat Piet echt een wonderdokter in Duitsland wilde betalen? Hij had op een griezelige manier bewezen hoeveel macht hij had. Een kans om haar zus te redden kon ze toch niet laten liggen? Ze zwichtte en regelde een ontmoeting met haar zus, een afspraak die Piet op het laatste nippertje afbelde. Wanneer Martine hem nadien probeerde te telefoneren, zei een Duitstalig bandje dat de abonnee onbereikbaar was. Er was geen spoor meer van hem.

‘Overal waar Van Haut kwam, liet de menselijke tornado een spoor van onbetaalde rekeningen na. Op één proces werden wel minstens zestig verschillende misdaden behandeld.’ Beeld Lieven Van Assche
‘Overal waar Van Haut kwam, liet de menselijke tornado een spoor van onbetaalde rekeningen na. Op één proces werden wel minstens zestig verschillende misdaden behandeld.’Beeld Lieven Van Assche

Toen ik Piet Van Haut confronteerde met het verhaal van Martine Jonckheere, begon hij enthousiast over een aantal andere bekende actrices en zangeressen die hij op krek dezelfde wijze had belaagd.

In de strop

Ik bestudeerde de vonnissen verder en las dat Piet in de jaren 90 gebruikmaakte van de verzonnen namen Palms, De Coeck en De ­Plekker en verdacht werd van storend telefoonverkeer en uitgifte van ongedekte cheques. Overal waar hij kwam, liet de menselijke tornado een spoor van onbetaalde rekeningen na. Op één proces werden wel minstens zestig verschillende misdaden behandeld. Een bloemenwinkel uit ­Maldegem stuurde in opdracht van een zekere dokter Van Haut zijn volledige stock naar het nabijgelegen ziekenhuis. In totaal stal hij bij minstens vijf verschillende bloemenzaken voor in totaal 146.265 frank aan bloemen, waaronder tien rouwkransen. Twee restaurants klaagden hem aan als tafelschuimer voor een rekening van 120.000 frank. Met een ongedekte kredietkaart ging hij voor 16.000 frank kinderkleding kopen, een paar dagen later probeerde hij het opnieuw in een elektrozaak. Volgens het proces-­verbaal droeg hij een roze hemd met een blauwe das en een pilotenvest en wilde hij met een identiteitskaart op de naam van Jan Hoet, de legendarische museumdirecteur, een stereo-installatie en vijftien telefoonkaarten kopen. Een meubelzaak in Antwerpen bestelde voor meer dan twee miljoen frank aan salons, tafels en lampen, een ander bedrijf deed hem hengelgerief aan de hand. Hij slaagde erin om zonder betalen een winkel te verlaten met dertien paar schoenen, twee boekentassen en een ongekend aantal kousen ter waarde van 80.000 frank, door zich voor te stellen als een advocaat. Aan de kassa deed hij alsof hij telefonisch zijn bank de betaalopdracht gaf. Een snelle rekensom leerde mij dat de burgerlijke partijen hem voor minstens 4 miljoen frank aanklaagden, in die tijd de prijs van een huis, plus nog eens vijf wagens op de oprit. Het gerecht liep echter hopeloos achter op de feiten. Hij was nog maar net begonnen.

‘Staat er al in uw boek dat ik in de gevangenis de huishoudster heb opgelicht die tien jaar lang bij ons werkte?’ vroeg hij. Piet had de huishoudster naar de gevangenis gelokt met de belofte van een royale schenking om haar te bedanken voor de steun tijdens zijn jeugd. ‘Maar daarvoor had ik eerst 20.000 euro nodig om de bankkosten te dekken,’ vervolgde hij. Hij was er bovenmatig trots op dat de zoon van de huishoudster een persoonlijke kredietlening aanging. Er volgde nooit een schenking aan de huishoudster: hij had haar genadeloos bedrogen. Hij had volstrekt geen baat bij het geld en kon het niet bijhouden in de gevangenis, dus de enige reden die ik kon bedenken was dat hij verslaafd was aan de daad van het oplichten, uit eenzaamheid.

null Beeld Das Mag
Beeld Das Mag

‘Heb je geen gewetenswroeging dat je zoveel mensen hebt bestolen?’ vroeg ik aan Piet. ‘Ik heb de mensen nooit hun geld afhandig gemaakt. Ze hebben het mij gegeven,’ antwoordde hij. ‘Heb je daar geen schuldbesef over?’ ‘Nee, ik ben daar heel fier op,’ zei Piet giechelend. ‘Want ik licht enkel mensen op die de bedoeling hebben om zelf rijker te worden van mij.’

Mijn oorspronkelijke fascinatie voor het lef en het talent van de meesteroplichter veranderde naar weerzin om zijn verhaal te vertellen. Ik was de nachtelijke telefoontjes beu waarin hij op geen enkele vraag antwoord gaf, de legpuzzel van zijn leven waarin de stukjes nooit pasten, zijn gezwets en patserige gedrag, zijn manische buien waarin hij op hyperactieve toon allerlei onzin in mijn oor ­tetterde en wilde horen dat wat hij had meegemaakt toch ongelooflijk was. Piet voedde mij om de paar maanden nieuwe gerechtsdocumenten, spraakmakende brieven en zelfs waarachtige bekentenissen. Ik kreeg het benauwd nu ik me realiseerde hoe hij erin was geslaagd bij mij eenzelfde gevoel op te wekken als bij zijn andere slachtoffers. Ik dacht uitverkoren te zijn en sloofde me uit om zijn vertrouwen te winnen. Ik was geen geld aan hem verloren, maar stilaan wel enkele jaren aan tijd. Ik wist dat ik geen haar beter was dan die hebzuchtige mensen die aan hem dachten te verdienen, ik wilde een goed verhaal oogsten, en inmiddels had ik al zoveel energie in zijn biografie belegd dat ik niet meer kon terugkrabbelen. Dit is wat ze in het oplichtersjargon een strop noemen, ik hing al enige tijd te bungelen en zou niet meer weglopen.

Superverspreider

Toen corona toesloeg, dacht ik dat Piet door de quarantaine geen kant meer op zou kunnen, maar hij vlinderde nog altijd even vrolijk rond. Hoewel hij een zwaar astmalijder was, zei hij niet bang te zijn voor het longvirus. Als hij het onbewust onder de leden had, was hij een superverspreider. Op 30 april 2020 spraken we af op luchthaven ­Schiphol omdat hij had beloofd mij te tonen waar hij ooit had gewerkt.

We reden naar de Haarlemmerstraat en waren nog maar amper uitgestapt of hij sprak al een dame aan die met een fietskar bloemen rondbracht. Piet stelde zichzelf met veel poeha voor als de eigenaar van het farmaceutische bedrijf Johnson & Johnson, de firma die medische apparatuur en farmaceutische producten fabriceert. ‘Wij zijn een vaccin aan het ontwikkelen om het coronavirus te verslaan,’ zei hij zonder blikken of blozen. Hij sprak corona consequent verkeerd uit als carona maar verder liftte de oplichter perfect mee met de actualiteit. ‘Ik heb het gelezen in de krant,’ antwoordde de vrouw. ‘In mijn onderneming in Beerse, in België, heb ik 150 directeuren die ik aan het werk heb gezet teneinde heel spoedig een vaccin te ontwikkelen. Dat is één van mijn topprioriteiten.’ ‘Daarin steun ik u.’ ‘Wij sponsoren ook heel vaak goede doelen, stichtingen en horeca­bedrijven,’ zei hij achteloos. ‘Als u ooit een keer 100.000 euro nodig hebt?’ ‘Graag,’ zei de vrouw gretig. Ik wilde haar waarschuwen, maar hield me afzijdig. Wanneer ze 100.000 euro vroeg, zou Piet haar eerst 20.000 euro vragen om de onkosten te dekken. Ik moest mijn ogen openhouden, ik had Piet verschillende keren voorgesteld zijn handel en wandel als meesteroplichter te mogen volgen en vandaag was het zover. Piet en de vrouw wisselenden telefoonnummers uit. ‘Bel mij en we regelen het.’ Sprakeloos liep ik achter hem aan richting het Singel. ‘Denk je dat ze zal bellen?’ vroeg ik aan Piet. ‘Dat zal wel zijn,’ zei hij. ‘Honderdduizend procent.’ Zonder mijn aanwezigheid had hij misschien nooit die vrouw aangesproken en geronseld als een nieuw slachtoffer. Hij deed het alleen om indruk op mij te maken. Ik kon mezelf niet meer uitgummen als een deelnemer aan zijn biografie. Misschien was dat zo slecht nog niet. Dichter kan een schrijver toch niet bij zijn onderwerp komen dan door als een medeplichtige in diens biografie op te duiken?

Sterrenrestaurant

Mijn beste vriend zei dat ik veel te roekeloos was toen ik hem vertelde over mijn relatie met Piet. Hij raadde me aan om een jaar zonder telefoon in een schuilhuis op het platteland te gaan wonen om van hem af te raken. ‘Maar hoe gevaarlijker, hoe beter het verhaal,’ gaf hij toe. Ik had mijn vriend al enkele weken niet meer gehoord, mijn blikveld vernauwde zich steeds meer tot de ­research voor mijn boek. Ik had de indruk dat meer en meer mensen me meden, of spendeerde ik al mijn tijd aan de meesteroplichter?

Van Haut beweerde dat hij de naam van auteur Maarten Inghels (foto) had aan­genomen. ‘Het zou me niet verbazen als hij ergens als Maarten Inghels strafbare feiten pleegt.’ Beeld Joris Casaer
Van Haut beweerde dat hij de naam van auteur Maarten Inghels (foto) had aan­genomen. ‘Het zou me niet verbazen als hij ergens als Maarten Inghels strafbare feiten pleegt.’Beeld Joris Casaer

‘Hallo, met Maarten ­Inghels,’ zei ik bij het opnemen van de telefoon. ‘Goedemorgen, u spreekt met de heer Maarten Inghels,’ hoorde ik Piet Van Haut zeggen. Hij had alweer een nieuw telefoonnummer. Ik lachte nerveus. Het was weer enkele weken geleden dat ik hem had gehoord. ‘Ik heb mijn naam laten veranderen in Maarten Inghels,’ zei hij. ‘U gelooft het of gelooft het niet, maar in het rijksregister sta ik voortaan vermeld als ­Maarten Inghels.’ Tot mijn spijt spelde hij mijn naam nu wel correct. Het was niet zozeer een probleem dat hij beweerde zich als mij voor te doen, maar wel dat hij in staat was om effectief het rijksregister aan te passen. ‘Wel, Piet, ik stel voor dat jij mijn boek schrijft dan,’ zei ik. ‘Heb je mij trouwens ooit proberen op te lichten?’

Een paar dagen later belde Piet mij op om te zeggen dat hij als Maarten Inghels in een sterrenzaak zat te eten. Voortaan reserveerde hij overal onder mijn naam. In het restaurant kon je normaal enkel een menu van vier gangen bestellen, maar hij had er tien afgedwongen. Ik kon er de humor nog van inzien. Ik geloofde dat een identiteitsverwisseling een spannend element kon zijn in mijn boek. Waar was hij allemaal in mijn naam geweest? In welke hotels had ik onwetend geslapen? Welke rekeningen zou ik nog ontvangen? Met veel plezier had Piet me een keer verteld over de man wiens naam hij veelvoudig had misbruikt bij het bestelen van banken en die sindsdien nooit meer een lening kon afsluiten. Voor mijn roman waren dit soort gesprekken goud waard, in mijn echte leven ­vormde zich een probleem. Het zou me niet verbazen als hij ergens als Maarten Inghels ­strafbare feiten pleegde. Meer zelfs, ik begon er rekening mee te ­houden.

Maarten Inghels, ‘Het mirakel van België’, Das Mag.

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234