Met Pascal Plovie, ex-voetballer en materiaalman van Club Brugge, naar Manchester

Club Brugge is naar Manchester getrokken met veertien grote aluminium bagagekisten. De man die ze heeft gevuld met uitrustingen en trainingsmateriaal is Pascal Plovie, ex-voetballer van Club en al zestien jaar in dienst als materiaalman.

Een redder uit ‘Baywatch’ had hij kunnen zijn, of een ijskoude Scandinavische moordmachine in één of andere actiefilm, maar de man met het witblonde haar, de staalblauwe ogen, de kaak van graniet en het bodybuilderslijf die me staat op te wachten, is gewoon Pascal Plovie, een voetballer op rust die voor de kost T-shirts plooit en kousen klaarlegt en door iedereen bij Club Brugge ‘broere’ wordt genoemd. Al jaren loopt hij hier rond. Je ziet hem sleuren met dozen, kisten of zakken, vroeger zag je hem ook nog het gras van de oefenterreinen afrijden. En bijna altijd met een glimlach. Trainers, spelers, voorzitters en managers zag je hier vollopen met glorie en weer verschrompelen van stress, en allemaal zijn ze vertrokken. De enige die is gebleven en altijd zichzelf is kunnen blijven, is een man die zijn ambities van vroeger – beter, sneller, sterker – heeft opgeborgen en alleen nog droomt van een loopbaan zo vlak als een pas gemaaid veld. ‘Alle dagen op de club mogen zijn en nog betaald worden ook: wat wil je nog meer? En nu, tegen Manchester United, moat! En ik ben er gewoon bij. Dat is toch fantastisch?’

'Als je ziet hoe professioneel het nu is, dan moet je bijna zeggen dat het Brugge van mijn tijd een veredelde caféploeg was'

‘Kom,’ zegt Pascal Plovie, ‘we gaan naar de bunker,’ en hij trekt zich op gang. Manken doet hij niet, maar je ziet zijn benen tegenwerken. Ze plooien moeilijk en lijken aan de grond te blijven plakken. Omdat hij zich van die hinder niks aantrekt, helt zijn imposante torso licht voorover: de bovenkant wil sneller vooruit dan de onderkant kan.

‘Mijn knieën zijn compleet kapot. Dertien keer geopereerd tussen mijn 15de en mijn 30ste. Al van mijn 20ste heb ik elke dag pijn. Eigenlijk moet ik prothesen laten steken, maar ik wil niet. Ik rij nog te graag met de koersvelo en met die plastieken knieën krijg je het grote blad niet goed meer rond. Dus doe ik voort, tot ze helemaal naar de knoppen zijn.’ Hij lacht ermee alsof het een goeie grap is en stapt verder naar ‘de bunker’.

De bunker is het magazijn waar hij werkt. Hij ligt net onder de tribunes en bestaat uit drie kamers. Eerst een hok met een stuk of tien wasmachines die net als Plovie aan bodybuilding hebben gedaan, vervolgens een ruimte met een berg aluminium kisten en dan zijn heiligdom: een smalle pijp vol wandrekken, waarin een volledige sportwinkel ligt. Honderden shirts, broekjes en trainingspakken, allemaal op schappen gerangschikt als boeken in een bib. Elke dag is hij ermee bezig van ’s ochtends acht uur tot ’s avonds zes, zeven uur. Zeven dagen op zeven, en vakantie heeft hij nog minder dan een voetballer: twee keer een week en af en toe eens een snipperdag. Plooien, klaarleggen, bedrukken, flocken, in reiskisten stoppen, in kleedkamers leggen: altijd glijdt er van die gladde kunststof door zijn vingers. Van de buitenwereld ziet hij weinig, hij leeft onder die schuin aflopende tribune waar het krioelt van de verwarmings- en verluchtingsbuizen en het ruikt naar verdampend vocht. ‘Het regent hier binnen. Langs de tribunes spijpelt het door, soms staat de hele vloer blank.’ Ook daarmee lacht Plovie alsof het een goeie grap is. ‘Maar ik zit hier goed. Laat ze boven maar stressen, ik ben hier op mijn gemak.’


Broekje trek

Tenzij hij zelf aan het stressen gaat, natuurlijk. Vandaag is hij bezig met de uitrustingen voor de wedstrijden tegen Manchester. Daar moet het Champions League-logo op. Voor hij het gerief in de kisten stopt, zal hij alles twee keer hebben geteld. En in zijn hoofd zal hij dat nog een paar keer overdoen. Hij wil het geen tweede keer meemaken dat hij iets vergeet, zoals die keer in 2011, voor de wedstrijd tegen Maribor. Toen had hij de broekjes op zijn tafel in de bunker laten liggen. In een Sloveense sportwinkel was hij in alle rapte broekjes van Puma gaan kopen. ‘Dany Verlinden (toen nog keeperstrainer) en ik hebben toen sjablonen van cijfers gesneden uit stukken karton en daarmee op al die broekjes een nummer gezet, met een alcoholstift. Uren zijn we bezig geweest. En proper werk, want niemand heeft het ooit geweten. Maar ik heb toen toch serieus gezweet.’

'Voor een wedstrijd tegen Maribor hebben Dany Verlinden en ik eens alle broekjes met een alcoholstift een nummer gegeven. Ik was onze officiële broekjes thuis vergeten.'

Zenuwen, Plovie kent er alles van. Ook op de bank: acht jaar mag hij nu al mee in de dug-out en elke keer opnieuw prent hij zichzelf in: ‘Hou het kalm.’ Maar dat lukt niet altijd even goed, ook al valt dat nooit op. Behalve die ene keer, begin deze maand, toen Brugge tegen Panathinaikos speelde: toen gingen beelden van Plovies witte kop via het internet de hele wereld rond. ‘Ik weet nog altijd niet waarom ik dat gedaan heb,’ zegt hij nu, ‘ik die altijd tegen iedereen zeg dat je in discussies je handen moet thuishouden!’ Het was Marcus Berg, de spits van Panathinaikos, die na een tackle van Brandon Mechele de bal wilde ingooien. Die bal was bij Plovie beland en die had hem teruggegooid. Berg maakte toen een gefrustreerde beweging, alsof hij de bal terug naar Plovie ging trappen. Keeperstrainer Jan Van Steenberghe maakte daar een opmerking over, Berg antwoordde met ‘fuck you’, de scheidsrechter kwam erbij en voor Plovie het goed en wel besefte, deed zijn hand wat hij elke dag tientallen keren doet: hij greep naar een broekje. Dat van Marcus Berg, die ondertussen met zijn rug naar hem stond. Een klein rukje, zodat je een streep zwarte onderbroek kon zien. Berg meteen in alle staten, maar de scheidsrechter zag het niet en ook UEFA heeft de zaak achteraf blauwblauw gelaten. ‘Ik heb chance gehad,’ zegt Plovie, met de ernst alsof hij met moord is weggekomen.

Plovie is nooit vies geweest van dat soort grapjes. Toen de buren van Cercle Brugge een paar jaar geleden de derby wilden voorbereiden, had Thibaut Van Acker, die nog bij Club gespeeld had, Plovie om tien wedstrijdballen gevraagd, om te trainen. Toen ze het netje leegden, viel er één bal uit waarop met alcoholstift 5-0 was geschreven. Trainer Bob Peeters kon er maar groen mee lachen.

Pascal Plovie háát groen. Voor de derby tegen Cercle reed hij altijd nog een keer extra het gras af. Hoe minder er van die kleur te zien was, hoe beter. Toen zijn goeie maat Lorenzo Staelens in 2008 als assistent naar Cercle trok, hebben ze ruzie gemaakt. En toch is die haat vooral een spelletje dat hij cultiveert. Dat Cercle dit seizoen in tweede klasse speelt, moet hem pijn doen, want nu is hij die derby’s kwijt. ‘Natuurlijk doet dat pijn,’ zegt hij. ‘Dat is één thuiswedstrijd én zes punten minder, hahaha. Maar weet je waar ik écht kwaad om ben? Dat wij door Cercle nog altijd geen nieuw stadion hebben kunnen zetten. Dat neem ik ze kwalijk.’


Drie titels, drie bekers

En dus zit Plovie nog altijd in de vochtige bunker onder de tribunes van het Jan Breydelstadion, tussen zijn shirts en zijn flock- en drukmachines. Als Club Brugge straks nog een nieuwe speler koopt, mag hij weer aan de slag. Elke speler heeft 12 truien, 12 broeken, 5 trainingspakken, 5 korte en 5 lange trainingsbroeken, 5 trainingsshirts, 5 onderbroeken, 5 onderlijven en 1 regenjas. Op al die stukken moet een nummer en soms ook een naam, een logo en reclame. ‘En dan komt zo’n speler ’s anderendaags zijn gerief ophalen, past hij iets en zegt hij: ‘Ik had toch liever een medium gehad in plaats van een large.’

Spelers die voor het eerst in de bunker komen, moeten blind zijn om niet door te hebben dat de materiaalmeester ooit zelf heeft gevoetbald. Overal hangen foto’s en onder het glas op een lange tafel waarop hij truitjes plooit, ligt een collage van knipsels die zijn verleden bij Club Brugge en de Rode Duivels navertelt. Als hij spelers die nog nooit een prijs hebben gewonnen, wil plagen – en zo zijn er bij Brugge de laatste jaren veel – dan steekt Plovie zijn armen omhoog en toont hij drie vingers aan elke hand. ‘Drie titels, drie bekers.’

En toch zal je Plovie nooit horen beweren dat zijn generatie beter was. ‘Dat zijn de toppers die dat zeggen, omdat ze zich alleen maar herinneren hoe goed ze zelf waren. Maar gewone spelers zoals ik, die zien het verschil wel. Voetbal is mooier geworden, en moeilijker, want het is tactisch véél verfijnder en het gaat ook allemaal drie, vier keer rapper. Hadden wij honderd meter moeten sprinten tegen die gasten van nu, moh vint, we kwamen allemaal drie meter achter. We trainden toen wel keihard, maar dat was één keer op een dag anderhalf uur alles geven en dan zat het erop. Nu zijn die jongens bijna de hele dag op de club, die moeten veel meer werken dan wij én ze worden veel meer gecontroleerd. Als je ziet hoe professioneel het nu is geworden, dan moet je bijna zeggen dat het Club Brugge van mijn tijd een veredelde caféploeg was. Het is allemaal zo veranderd. En dan heb ik het nog niet eens over het geld dat er nu in omloop is.’

‘Weet je wat Vadis Odjidja zei toen ik hem uitlegde wat ik met die drie vingers aan elke hand bedoelde? ‘Maar gij werkt nog en ik ben binnen. Dáár gaat het om.’ Plovie lacht erom, want het was plagerij, maar dan beseft hij plots dat die opmerking ook wel iets over de jonge speler vertelde. ‘Die drang om er alles aan te doen, die had Odjidja niet, hè? Spijtig, want die jongen had talent, die had echt top kunnen worden. Hij miste alleen het vuur.’

Als speler had Plovie wél vuur. Hij speelde ook vaak met vuur, met die beenhouwerstackles waarvoor hij berucht en geducht was. ‘Vuur’ staat nu in het Chinees op zijn rechterpols getatoeëerd, omdat een leven zonder in zijn ogen geen adem waard is. Op de andere kant van de pols staat ‘vriendschap’, ook in het Chinees. En in het Arabisch heeft hij op zijn brede onderarm de namen van zijn kinderen en ‘respect’ laten zetten. ‘Dit jaar nog maar, op mijn 50ste. Mijn kinderen lachen me een beetje uit, omdat ik al zo oud ben, en de voetballers lachen omdat ze zo’n kleine tattoo’s voor janetten vinden, maar ik trek mij daar niets van aan. Ik ga er zelfs nog één laten bijzetten, iets met Club Brugge, maar ik weet nog niet wat.’


Van Basten slaat door

Een man van vijftig die een tattoo van Club Brugge wil laten zetten: dat is Pascal Plovie. Bezeten van de club die zijn hele leven heeft bepaald. Als achtste kind van een beroepsmilitair annex café-uitbater groeide hij op in de schaduw van ‘De Klokke’, het oude stadion van Club Brugge. ‘De Driehoek’ was het supporterslokaal van achtereenvolgens Erwin Vandendaele, Edi Krieger, Walter Meeuws en Laszlo Balint: allemaal libero’s. Met zijn maatje Pascal De Wilde, die met KV Mechelen nog Europacup II zou winnen, klom hij vaak over de muur van het stadion om er te gaan shotten, tot de conciërge ze er uitgooide. Hij werd jeugdspeler van Club – libero, natuurlijk – en een hevig supporter. De school kon de pot op toen Brugge op verplaatsing trok naar Hamburg of Mönchengladbach: Plovie ging mee. Ook naar Wembley, waar Brugge in 1978 de finale van Europacup I speelde, tegen Liverpool. Zes jaar later, hij was 19, mocht hij zijn eerste profcontract tekenen. ‘Als ik tien keer het wedstrijdblad haalde, kreeg ik een serieuze premie. Je mag twee keer raden hoeveel keer ik op dat blad heb gestaan. Negen keer, natuurlijk, hahaha. Als je geen supertalent was, zoals Marc Degryse, dan was dat standaard.’ Plovie werd uitgeleend aan Antwerp en keerde na twee seizoenen terug. Hij werd een vaste waarde en maakte gouden tijden mee onder Henk Houwaart, Georges Leekens en Hugo Broos. Van Guy Thijs mocht hij in 1990 mee naar het WK in Italië.

Het jaar erop speelde Brugge Europees tegen AC Milan en beleefde Plovie zijn grootste moment de gloire. Niemand minder dan Marco Van Basten sloeg hem met een elleboog twee tanden uit en brak in één moeite ook zijn oogkas en zijn kaakbeen. De foto van Plovie – die gewoon doorspeelde – ging net als zijn broekje-trek van 25 jaar later de wereld rond. Na de wedstrijd zei hij: ‘Van Basten deed dat niet opzettelijk.’ Zo was Plovie: hij deelde zelf flink uit, dus deed hij niet flauw als hij er ook eens van langs kreeg. Maar niet iederen was even vergevingsgezind. ‘Georges Leekens vond dat ik schadevergoeding moest eisen, en hij had gelijk: ik heb drie maanden niet kunnen spelen. Maar het bestuur heeft ons overtuigd om dat niet toe doen: ‘We gaan AC Milan vragen om in ruil op de Brugse Metten te komen spelen.’’ Milan is nooit gekomen, Van Basten heeft zich nooit zelfs maar verontschuldigd. Plovie kan het allang niets meer schelen, voor hem is het alleen maar een goeie herinnering, misschien wel zijn mooiste: ‘Van Basten was toen de beste spits van de wereld en ik heb het hem één wedstrijd zo lastig gemaakt dat hij is doorgeslagen. Daar ben ik fier op.’

'Als Club kampioen wordt – en dat gaat maximum nog drie jaar duren – dan gaat de voorzitter op zijn knieën zitten bleiten, dat weet ik nu al. Dat is nog een échte Club-man, gelijk ik'


Grote mannen

Vijf jaar later was het met de carrière van Plovie gedaan. Die knieën. Het was Antoine Vanhove – de legendarische manager met het duivenmelkershoedje – die hem de job van assistent-materiaalmeester aanbood. Heel veel werk was er toen nog niet, dus werd hij ook verantwoordelijke voor de reclameborden op het veld, maaide hij het gras en was hij chauffeur voor Michel D’Hooghe toen die voorzitter was. ‘Je zou het misschien niet zeggen, maar dat is een heel aangename man. Een beetje gelijk onze voorzitter nu, je moet hem leren kennen. Ik heb altijd veel respect gehad voor mijn bazen. Ik kijk naar hen op. Ze doen het toch maar, hè? Ik hoop dat Bart Verhaeghe hier nog lang blijft, want als hij stopt, zou het weleens kunnen dat buitenlandse cowboys het hier overnemen. Er zijn nu veel mensen die lachen met Marc Coucke, maar waarom? We mogen in ons handjes wrijven dat mensen zoals hij hun geld in ons voetbal willen investeren. Het is gemakkelijk om daar altijd maar kritiek op te hebben. Voor mij zijn dat grote mannen. Als mijnheer Verhaeghe me iets opdraagt, dan doe ik dat zonder nadenken, zonder tegenpruttelen. Hij vraagt veel van ons – er moet altijd een tandje bijgestoken worden, ook van Vincent Mannaert en Michel Preud’homme – maar voor hen doe ik dat met plezier. Zij hebben maar één doel: vooruitgaan met de Club. Daar zijn ze dag en nacht mee bezig, dat zie ik. En als Club kampioen wordt – en dat gaat maximum nog drie jaar duren – dan gaat de voorzitter op zijn knieën zitten bleiten, dat weet ik nu al. Dat is nog een échte Club-man, gelijk ik, van kleinsaf. Ik ga ook bleiten, maar niemand zal het zien. Ik ga dat wegsteken en twee dagen met mijn maten op de lappen gaan.’


Het gras van Stoica

Lange dagen, weinig vakantie, een donkere werkplek en toch die eeuwige glimlach. Zou er dan geen enkel kantje aan Plovies job zitten dat níét leuk is?

'Toen Alin Stoica wegging, moest ik het gras in zijn tuin gaan afrijden. Het stond een meter hoog, de huisbaas ging een tuinman laten komen en dat vond de club te duur'


‘Een materiaalmeester moet altijd geven. Dan staan ze hier en willen ze een nieuwe uitrusting. Van elk truitje krijgen ze er zes per seizoen. Hebben ze er te veel gewisseld met tegenstanders, dan moeten ze betalen voor de nieuwe. En daar proberen sommigen onderuit te geraken. Hoeveel keer ik hier niet met Ryan Donk heb staan ruziemaken! En met Nabil Dirar! Schitterende gasten, maar ze konden het bloed van onder mijn nagels krijgen. Want er zitten kerels tussen, hè. Toen Alin Stoica wegging, moest ik het gras in zijn tuin gaan afrijden. Het stond een meter hoog, de huisbaas ging een tuinman laten komen en dat vond de club te duur. Een dag zijn we ermee bezig geweest.

Maar dat zijn kleine ergernissen. Plovie houdt van zijn spelers, dat merk je aan alles. Aan zijn heilige geloof in Björn Engels, die hij op zijn 13de al ging scouten in Lierse, aan zijn mateloze bewondering voor Timmy Simons, die in zijn dromen ooit trainer van Club wordt, aan zijn trots op de carriere van Carlos Bacca, voor wie hij in zijn vrije tijd ooit 200 afgedankte shirts heeft geflockt om naar Colombia te sturen, aan de dankbaarheid voor de vriendschap van Joseph Akpala, één van de weinige buitenlanders met wie hij contact bleef hebben, aan het verdriet om betreurde François Sterchele.

In zijn bunker poseert Plovie naast een glazen etagèrekastje, dat hij als herdenkingsschrijn voor de veel te jong gestorven spits heeft ingericht. Een trui met het nummer 23, twee paar schoenen, een stapeltje broeken en trainingsvesten, het doodsprentje, een muts, een kaars. Elke dag loopt hij er een keer of twintig langs. Sterchele verongelukte op 8 mei 2008, een dag na Plovies verjaardag. Het doet hem nog altijd veel, maar hij kan er nog altijd weinig over zeggen.

‘Je moet gelukkig zijn met wat je hebt. Dat is de les van ’t leven. En ik bén gelukkig. Mijn kinderen en vrouw zijn gezond, mijn knieën zijn om zeep maar ik kan nog met de velo rijden en ik mag alle dagen op de Club zijn. Waarom zou ik méér willen?’

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234