Miles Davis voor jazzgroentjes: een fenomeen verfilmd

Miles Davis is in 1991 doodgegaan, en bijgevolg zal zijn trompet op 26 mei 2016 geen 90 kaarsjes uitblazen. Gevierd wordt er wel, met de biopic ‘Miles Ahead’: bij vlot verkeer draait die vanaf 25 mei in a theatre near you.


Diz en Bird

Het uitstekende ‘Miles: de autobiografie’ begint als volgt: ‘Luister. Het meest fantastische gevoel dat ik ooit – met mijn kleren aan – heb gehad, was in 1944, toen ik voor het eerst Diz en Bird hoorde samenspelen in St. Louis, Missouri.’



Miles Davis is dan 17. Hij mag in zijn thuisstad zelfs mééspelen met trompettist Dizzy Gillespie en altsaxofonist Charlie ‘Bird’ Parker. Hij herinnert zich dat muzikanten vergeten op tijd in te vallen omdat ze met open mond naar Bird en Diz staan te luisteren. Andere indrukken van die avond: ‘Dat was pas swingen’ en ‘Ik besloot ter plekke om in New York City te gaan wonen.’

Miles – van hier af zeggen we Miles – lobbyt bij zijn ouders tot hij zich mag inschrijven aan de befaamde New Yorkse Juilliard School of Music. Het is een voorwendsel om zo dicht mogelijk bij Diz en Bird te zijn, en ondertussen alles over bebop te leren wat er over bebop te leren valt. De sien roert zich rond Minton’s Playhouse, een club in Harlem, en in 52nd Street – dat op straat ‘De Straat’ wordt genoemd. Het is vooral in Minton dat je een reputatie opbouwt bij muzikanten. Diz heeft hij vrij snel gevonden, de ontmoeting met Bird laat lang op zich wachten en vindt plaats voor de deur van een club: Bird is high van de heroïne, zijn gezicht is pafferig, zijn ogen zijn opgezwollen, zijn pak hangt hem zo flodderig om het lijf dat hij erin lijkt te hebben geslapen. Miles is nog nat achter de oren als het om drugs en vrouwen gaat. Hij legt zijn idool te logeren in zijn studentenappartement. De volgende dag heeft Bird zijn bezittingen verpand om drugs te scoren.

In de clubs is Miles een spons die elke dag nieuwe technieken opslorpt – als hij Thelonious Monk piano hoort spelen, denkt hij vanzelf na over intervallen. In het blanke symfonieorkest van Juilliard voelt hij zich meer een figurant. In de les muziekgeschiedenis vertelt iemand dat zwarten de blues spelen omdat ze arm waren, katoen moesten plukken en daarom treurig zijn. Miles staat op: ‘Mijn vader is rijk, hij is tandarts, hij heeft nooit katoen geplukt. Ik ben vanochtend niet treurig opgestaan, en toch speel ik de blues.’

Diz is het junkiegedrag van Bird beu, en verlaat Charlie Parkers groep. Miles neemt zijn plaats in aan de trompet. Hij besluit van school af te gaan en z’n doctorstitel bebop te halen aan de Universiteit van Minton, in Harlem. Zijn vader geeft ’m wat geld en zijn zegen, maar zegt ook: ‘Hoor je die vogel, buiten? Dat is een spotvogel. Hij kan geen eigen geluid voortbrengen, hij doet het geluid na van andere vogels. Dat wil jij niet. Je wil een eigen geluid.’

En inderdaad, hoe hard Miles ook probeert, hij blijft als Diz klinken.


Cool jazz

Enter de blanke Gil Evans, met wie hij een nonet samenstelt om een bigbandgeluid te benaderen. De opnames vinden in 1949 en 1950 plaats, maar lang niet alles wordt in die jaren uitgebracht – het gangbare formaat van 10 inches en 78 toeren wringt zelfs de jazz in een drieminutenkeurslijf. De opnamen zien als geheel pas in 1957 het daglicht, de lp heet dan ‘Birth of the Cool’. Vijf andere blazers begeleiden. De arrangementen zijn níét van Miles, de songs – anderhalve uitzondering daargelaten – evenmin. Toch maakt de wereld kennis met de eerste Milepaal, omdat Miles soleert zoals hij het diep vanbinnen hoort. De ladders van de bebop zijn beklommen, en hij trapt ze onder zich weg, klinkt langzamer, minder vurig, laat alleen de belangrijkste noten van een akkoord horen, en grijpt ongewild terug naar iets meeneuriebaars van Duke Ellington. Toptrack om de geboorte van de cool jazz mee te vieren: ‘Budo’.


Drugspauze

Na een reeks bejubelde concerten in Parijs doet een coup de foudre met de actrice Juliette Gréco hem diep nadenken: dit zijn de heroïnejaren 1950-54, die van depressie, controleverlies, pooierschap, ergernis omdat zijn pionierende cool jazz door blanken wordt gejat, lijf en embouchure die uit vorm geraken, ruzies en zelfs vechtpartijen met collega’s. Het staat allemaal in Miles’ autobiografie, en het staat er kurkdroog en zonder veel zelfbeklag.

'Zijn vader zei tegen Miles: 'Hoor je die vogel, buiten? Dat is een spotvogel. Hij kan geen eigen geluid voortbrengen, hij doet het geluid na van andere vogels. Dat wil jij niet. Je wil een eigen geluid'


Newport

‘Round Midnight’ is een song die hij in de preheroïnejaren ontelbaar veel met Thelonious Monk heeft ingeoefend. Als Miles ’m toen vroeg of het goed was, zag hij altijd die vermoeide blik in Monks ogen. Monk is de spil van de groep waarmee hij in 1955 op het Newport Jazz Festival voor tienduizend mensen optreedt. Het leidt tot een staande ovatie en een contract bij Columbia Records. Zijn idool Bird is pas begraven, de verslaving net gecoldturkeyd: er lijkt veel tegelijk verwerkt te worden. Wij zoeken verder naar een straffere lezing van ‘Round Midnight’, maar voorlopig geen spoor.


De hoogdagen

Zowat iedereen situeert het absolute hoogtepunt in de carrière van Bob Dylan zonder verpinken in 1965-1966, de jaren van ‘Bringing It All Back Home’, ‘Highway 61 Revisited’ en ‘Blonde on Blonde’. Over de periode waarin Miles op de top van zijn kunnen en zijn willen is, bestaat ook een zekere consensus: van 1957 tot 1960. Zes meesterwerken tellen we daar.


1. ‘Ascenseur pour l’échafaud’ (1957)

Miles wordt gevraagd voor de soundtrack bij Louis Malles debuutfilm. Wij hebben gekeken en weten nu waarom er tracks bij zijn die ‘De moord op Carala’ en ‘Bij de fotograaf van het motel’ heten. Het moet toen ook wat geweest zijn in de lichtstad: in een zwart-witdecor op café gaan met Jean-Paul Sartre. Maar dit vingergeknip in slow motion wint met voorsprong.


2. ‘Milestones’ (1958)

Nog niet definitief out: vanuit een vast akkoordenpatroon improviseren. Volledig nieuw: modale jazz, met nadruk op melodie en sfeer. Voor we u nog meer dingen vertellen waar wij volstrekt niks van begrijpen: de titeltrack zou de eerste modale jazztrack uit de geschiedenis zijn. We horen ‘Milestones’ van kort aangebonden en toch elastisch swingend naar los maar blueserig slingeren, van fris naar geavanceerd, en van de alt van Cannonball Adderly naar de tenor van John Coltrane.


3. ‘Kind of Blue’ (1959)

De rapper Q-Tip zegt: ‘De plaat klinkt als de Bijbel, je moet er één in huis hebben.’ Opener ‘So What’ begint in de mist, niemand lijkt te weten waar naartoe, piano en bas raken verwikkeld in een verkennend gesprek en de prachtig geblazen trompet (die volgens sommigen ‘So What’ zegt) dubbelt de piano. Als de solo’s op het punt staan te beginnen, slaat Jimmy Cobb harder op het cimbaal dan bedoeld. We zijn vertrokken voor nog 41 briljante minuten.


4. ‘Miles Ahead’ (1957)

De eerste van een drie-op-een-rij met het overzicht van Gil Evans, die Miles al zoveel keer heeft gezegd dat hij er meer bovenuit moet komen. Evans luistert naar klassieke muziek, organiseert bij hem thuis geregeld salongesprekken over the shape of jazz things to come, en is een briljant arrangeur. Op ‘Miles Ahead’ is Miles op bugel de enige solist tussen de kopers en houtblazers.


5. ‘Porgy and Bess’ (1958)

Een selectie uit de opera van George Gershwin. Bewust niet uitgenodigd: Trane en Cannon, omdat die – aldus Miles – ‘in de saxofoonsectie teveel zouden hebben overheerst’. Quote vanuit een andere hoek: ‘Ik wilde alleen de kale tonen hebben.’ Bill Evans gebruikt hij ook niet, ‘want we hadden geen piano nodig’. De moeilijkheidsgraad is hoog: ‘In sommige passages moest ik het menselijke stemgeluid benaderen. Het is me gelukt.’


6. ‘Sketches of Spain’ (1960)

Mét het adagio uit het ‘Concierto de Aranjuez’ (voor de mijnwerkers: ‘Concierto d’Orange Juice’ uit ‘Brassed Off’) van Joaquín Rodrigo: terwijl het orkest noten leest, neemt Miles zijn tijd voor elke geïmproviseerde ademstoot. Verderop hoort hij Moren en zwartere Afrikanen in Andalusische folk. De perfectionist Evans doet twee weken over acht maten, dus moet Miles het muziekpapier letterlijk van ’m afpakken. Bizarre fanreactie: een gepensioneerde toreador die weigert te geloven dat een zwarte Amerikaan de Spaanse cultuur kan vatten, gaat er één keer voor zitten, en is zo overweldigd dat hij zijn vechterskostuum aantrekt en voor het eerst sinds zijn pensionering een stier doodt. Wij laten ook een toevallig passerende Italiaan aan het woord: ‘Se non è vero, è ben trovato’.

'Op 28 oktober 1967 speelt Miles Davis in de Koningin Elisabethzaal in Antwerpen. 'Live in Europe' staat vol BRT-opnamen van dat concert'


Antwerpen

Na ‘Sketches of Spain’ is Miles zo leeg als Dylan na ‘Blonde on Blonde’. Hij moet Trane, Cannonball en Bill Evans laten gaan omdat die hun eigen troepen willen aanvoeren, en steekt enorm veel tijd in talent scouting. Het leidt tot een piepjong, gulzig, meer dan eens van het pad af solerend wolvenkwintet. Miles: ‘Ik voorzag toen vooral een hoop Tony’s en Waynes en Herbies van ideeën.’ Worden bedoeld: Tony Williams, Wayne Shorter en Herbie Hancock, die er ook bij zijn op 28 oktober 1967 in de Koningin Elisabethzaal in Antwerpen. ‘Live in Europe’ staat vol BRT-opnamen van dat concert. Overigens, u bent toevallig naarstig op zoek naar achtergrondmuziek bij een dinnerdate? ’t Is níét langs hier! Probeer de speciaal daarvoor gesneden koek ‘Kind of Blue’.


Jimi

Een paar van Miles’ vrouwen belanden op platenhoezen: Frances Taylor een paar keer, Cicely Tyson op ‘Sorcerer’. Via de Betty Mabry die ons vanop ‘Filles de Kilimanjaro’ aankijkt, leert hij Jimi Hendrix kennen. Net op tijd, want Miles vindt zijn kwintet te abstract en hoort voorlopig niks in freejazz (‘Noten ter wille van de noten’, ‘Blanke critici prijzen het met opzet aan om populaire zwarten te kortwieken’). Hij begint zijn trompet af te zetten tegen elektrische bas, gitaar en Fender Rhodes. ‘In a Silent Way’ (1968) klinkt nog als nachtelijke fluistergesprekken die de artiest met zichzelf voert (Miles: ‘Als je stil bent, kan je veel gedachten horen, en soms bevechten die gedachten elkaar, als in een oorlog’), maar vanaf ‘Bitches Brew’ (1969) wordt een funk- én rockbeest losgelaten.

'Nadat hij Jimi Hendrix ontmoet had, begon Davis zijn trompet af te zetten tegen elektrische bas, gitaar en Fender Rhodes'

‘Bitches’ is een regelrechte fusionbom. Het is spelen op één akkoord en dat laten klinken alsof het er een heleboel zijn. Er zijn twee elektrische piano’s. De trompet zit vol echo en is meer Jimi Hendrix dan de gitaar van de jonge, blanke Brit John McLaughlin, die zijn naam prompt een songtitel ziet worden. Of de plaat los of strak zit, dan wel slordig of alert klinkt, wij hebben er nog steeds geen gedacht van, mede omdat alles als improvisatie aanvoelt, maar er – zeker naar jazznormen – ontzettend veel is geëdit. Mooie sample: op de B-kant ‘Kinetic’ bewerkt Radiohead de drum van ‘Miles Runs the Voodoo Down’ op z’n DJ Shadows.

De groep gaat serieus elektrisch in de grote rockzalen, en overdrijft zelfs op het Isle Of Wight-festival met gefreak op speeltjes ver beyond het Orff-instrumentarium. Na Wight wordt met Jimi Hendrix een studioafspraak gemaakt die tot niks leidt. Als een tweede gaatje in de agenda’s wordt geprikt, heeft Jimi het te druk met stikken in zijn eigen braaksel.

Miles ziet niet om en verbijstert met ‘On the Corner’. De inspiratie: James Brown, Ornette Coleman en Karlheinz Stockhausen. Het resultaat: repeterende motieven, kernritmes opgetekend in de machinekamer van de funk, de trompet hoger en scheller dan elders.


Tweede drugspauze

Cocaïne, dit keer. De junk met de Ferrari en een groot, in de vloer verzonken bad in zijn penthouse, laat zijn crib smerig en somber als een kerker worden.

'Ik denk dat Prince als hij vrijt drums hoort en geen Ravel. Dus is hij geen blanke' Miles Davis


Prince

Miles luistert een tijdlang naar niemand anders, en hoort in Princes korte gitaarfrasen de pecking-techniek van Sonny Rollins. Optelsom van rechts naar links: ‘Prince = James Brown + Marvin Gaye + Jimi Hendrix + Sly Stone + Duke Ellington + Charlie Chaplin’. Ook goed: ‘Ik denk dat Prince als hij vrijt drums hoort en geen Ravel. Dus is hij geen blanke.’

Kijk, de covers van ‘Time after Time’ van Cyndi Lauper en ‘Human Nature’ van Michael Jackson zijn onderhoudend, en in ‘Tutu’ uit 1986 zitten zoveel Princen en Grace Jonesen – ja zelfs een paar Sly’s, Robbies, Scritti’s en Politti’s – dat we vandaag geen betere jaren 80-synthese kunnen bedenken; de trompet lijkt zelfs van vintage kunststof gemaakt. Toch zijn wij niet wild van Miles’ laatste platen. Ook niet van de jam met Prince op 31-12-1987 in Paisley Park die wij onlangs voor het eerst hoorden via YouTube: Miles lijkt de cues bewust te negeren, of hij is gewoon te oud voor deze verknipte, kale, jongekonijnenfunk. Maar een door Prince voor Miles geschreven ‘Penetration’, live in Parijs, dik twee maanden voor zijn dood in 1991, doet ons in die mate iets dat we onszelf beloven opnieuw absolute beginners te worden.


Doo-bop

2016. De ‘Miles Ahead’-soundtrack is een uitstekende introductie. Robert Glasper, die ook met Kendrick Lamar werkt, levert daarnaast de hiphopplaat ‘Everything’s Beautiful’: gebricoleerd vanuit Miles’ visie, trompetspel, stem, composities, invloed én swag, en met ondermeer Bilal, Erykah Badu en Stevie Wonder. ’t Is heel andere hiphop dan die van Miles’ allerlaatste, onvoltooide cd ‘Doo-Bop’. Producer Easy Mo Bee’s korte uitleg daarover: ‘Not doo-wop, but bebop mixed with hiphop.’ Hé, alle respect voor een artiest die tot zijn laatste snik heeft geweigerd om een museumstuk te worden.


Blue in Green

De gloednieuwe hiphopsong ‘Violets’ bevat een sample van de overbekende ballad ‘Blue in Green’. In ‘Life’ van J Dilla zit ook zo’n stukje piano van Bill Evans: zelfde track, gewoon 17 seconden terugspoelen. Wij zwerven graag rond in dit microland, nieuwsgierig naar wie wie samplet, en waar. Maar in het universum van Miles hoor je meer als je niet beweegt.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234