Naema Tahir: 'Moeten allochtonen extra bescheiden zijn?'

Ik liep door een volle treincoupé op zoek naar een zitplaats, en voorbij de glazen deuren, in de belendende coupé, zag ik de ideale stoel nog vrij. U kent dat wel. Die ene resterende zitplaats. Vrijstaand. Naast je geen mensen. Tegenover je geen mensen. En achter je een muur die je scheidt van de andere mensen. De troon in de trein. De eersteklassestoel in tweede klasse. De stoel die ik altijd het eerst poog te spotten. En samen met mij vele reizigers.

Die stoel zag ik dus een stuk verderop. Maar tegelijkertijd zag ik in de verte tegenover mij een andere vrouw komen aanracen, die hem ook had gezien. Ze had een kleine voorsprong, want ze was al in de coupé waar de stoel stond. Maar ze sjouwde een enorme koffer mee en kon – de stakker – geen snelheid maken. Eerlijk is eerlijk: zij was het eerst ter hoogte van de stoel, maar mijn tas was het eerste wat op de zitting belandde. Dat is het onuitgesproken signaal dat je recht hebt op een stoel: als jij of iets van jou de stoel het eerst aanraakt. ‘Sorry,’ fluisterde ik. Ik draaide de vrouw de rug toe, deed mijn jas uit en nam plaats. De vrouw bleef even onbeweeglijk staan, blik strak op mij gericht, en droop toen af naar een andere stoel naast een meneer, stond na twee seconden weer op, duidelijk niet tevreden en sleepte haar koffer naar een plek verderop. In de verte kon ik haar zien en zij mij. Ik vermeed haar blik. Ik voelde geen enkele triomf. Ik schaamde me juist. Heel diep. In de trein geldt de regel: wie het eerst komt, het eerst maalt. Ik mocht doen wat ik had gedaan. Maar ik schaamde me tóch. Waarom had ik haar die stoel niet gewoon gegund, spookte het door mijn hoofd. Nu had ze een negatief gevoel over mij.

‘Geef nooit iemand de gelegenheid om slecht over je te denken,’ is een oude wijsheid van mijn moeder. Mijn vader deed er nog een flink schepje bovenop: ‘Als je een ander slecht behandelt, dan geef je Pakistan een slechte naam!’ Ja-ja. In zijn collectivistische geest ben ik een vertegenwoordiger van mijn oude vaderland: elke handeling, elke actie straalt af op Pakistan. Een vriendin van mij denkt in soortgelijke termen. Ze draagt een hoofddoek en is dus zichtbaar moslim. Als ze op straat een bedelaar ziet, of een collectant, geeft ze altijd geld. Want dat straalt op alle moslims af.

Zowel de vrouw als ik hadden recht op de stoel. Maar je kunt er niet met zijn tweeën op zitten. Ik heb mijn recht opgeëist, met als gevolg een rotgevoel. Als mens die een ander mens beter had kunnen behandelen. Maar ook als allochtoon en als kleurling. Als ik wit was geweest, had de vrouw misschien gedacht: ‘Wat een voordringer.’ En meer niet. Maar nu heeft ze misschien ook wel gedacht: ‘Weer zo’n bruine, natuurlijk.’

Natuurlijk, iedereen is gelijk. En ik ben graag gelijk aan de ander. Maar ik merk toch de lading die zo’n situatie, zo’n kleine confrontatie heeft. Heb ik als allochtoon de plicht om me extra bescheiden op te stellen? Het voelt wel zo aan.

Naema Tahir is een Nederlandse schrijfster van Pakistaanse afkomst.

Volgende week: Heleen Debruyne, schrijfster en chef vrouwenzaken.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle verhalen van de Humo rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234