Nashville: tussen cool en kitsch

Ryan Adams die het integrale ‘1989’ van Taylor Swift covert, de ster van de countrypop? In Nashville, de hoofdstad van de country, ontmoeten die uitersten elkaar constant. En dat is al zo sinds Johnny Cash samenwerkte met Bob Dylan. Een trip door Nashville, op zoek naar de roots van die dubbele identiteit.

'Het etaleren van rijkdom, vaak op niet al te smaakvolle wijze: ook dat is het hart van de country'

Een bloedhete dag in juni. Ik sta op het grasveld voor de Country Music Hall of Fame tussen drie bejaarde vrouwen in bermuda’s en T-shirts van Loretta Lynn. Eén van hen duwt een kinderwagen voort met daarin een yorkshireterriër. De drie vrouwen worden extatisch als er een golfkarretje komt aangesnord: de caddy stopt bij het podium voor onze neus, en Loretta Lynn (83, foto rechtsonder) stapt uit. ‘There she is!’ zegt de ene bermudavrouw. ‘The guy in the suit next to her, that’s the other one,’ merkt een andere droog op.

‘Die andere’ is Jack White: zowel Lynn als White worden hier vandaag ingehuldigd in de Country Music Hall of Fame. Geen toeval: Jack White producete in 2004 ‘Van Lear Rose’, de comebackplaat van Loretta Lynn, én hij vestigde z’n Third Man Records enkele jaren geleden in Nashville. White is het gezicht van het nieuwe, alternatieve Nashville. Een gezicht dat de vrouwen naast me niks zegt. Net zoals de Humo-lezer die van de alt.country van Bright Eyes of Ryan Adams houdt, wellicht nog nooit van Eric Church of Zac Brown heeft gehoord: ultragladde en ultrapatriottische countryzangers die razend populair zijn in de VS. En wat was Taylor Swift meer voor u dan dat snoezige snoetje op de cover van de Joepie, tot Ryan Adams haar plaat ‘1989’ coverde?

Het lijken twee verschillende werelden, maar de alternatieve garde is altijd gefascineerd geweest door de gladde, commerciële country. Hét icoon van de alt.country, Humo-held Gram Parsons, dweepte met rednecks als George Jones en Merle Haggard – omdat ze goeie songs hadden. Ik deel die merkwaardige fascinatie, anders stond ik hier niet tussen de bermudavrouwen in Loretta Lynn-shirts. Nashville, stad met twee gezichten. Wat ik nodig heb, is een betrouwbare gids. En wie is er beter te vertrouwen dan een muziekjournalist?


Country & pannenkoeken

Flauw grapje, maar Bill DeMain schreef voor Mojo en beweert op zijn website Walkin’ Nashville dat hij ‘Nashville’s coolest walking tour’ aanbiedt. Mijn gids wacht me onder zijn stetson op aan het standbeeld van Chet Atkins, in het hartje van de stad. We nemen samen meteen een sprong in de tijd: 1956, en country zat in de problemen. Drie jaar eerder was boegbeeld Hank Williams gestorven, en wat verderop, in Memphis, weerklonk een nieuw geluid.

Bill DeMain (foto links) «Roy Orbison, Johnny Cash, Carl Perkins en Elvis: tieners uit The South die waren opgegroeid met country, maar die hun hormonale energie in een nieuw genre pompten – rockabilly. De oudere artiesten hier in Nashville, zoals Ernest Tubb en Red Foley, speelden opeens voor halflege zalen. Eind 1956 heerste hier totale paniek: ‘We worden opgegeten door de rock-’n-roll!’»

Gitarist Chet Atkins, de man van het standbeeld achter ons, bracht redding: in november 1956 kreeg hij de sleutels van de gloednieuwe RCA Studio B toegestopt.

DeMain «‘Buddy, see what you can do ’bout saving country music,’ kreeg hij te horen. De volgende twee jaren legde Chet als producer de basis van de zogenaamde Nashville-sound. Hij was zo slim om country te mengen met rock-’n-roll en introduceerde ook dansbare backbeats, elektrische gitaren, piano’s, strijkers... De hillbilly-elementen – de banjo’s, de fiddles en de steelguitars – schoof hij naar de achtergrond. Een heel pak nieuwe artiesten – The Everly Brothers, Patsy Cline – had binnen het jaar hits in de country charts én de pop charts. Atkins had in z’n eentje de country uit z’n bestofte overall gehesen en in een driedelig pak gestoken.»

Chet Atkins was ook de eerste die rassengelijkheid promootte in country, een hardnekkig blank genre. Hij bezorgde country z’n eerste zwarte superster: Charley Pride. Die trok in 1965 naar Nashville, in de naïeve overtuiging dat hij het als zwarte kon maken in de country. Pride ontmoette er gelukkig Chet Atkins, die een idee had.

DeMain «Chet ging met Charley in een beroemde diner ontbijten: Pancake Pantry. Een zwarte en een blanke die samen ontbeten, dat was een ongewoon zicht in het Nashville van 1965. De mensen fluisterden... Maar Chet wou gezien worden, hij zorgde ervoor dat hij met zijn arm rond Charley werd gefotografeerd. De volgende dag stond die foto in de krant The Tennessean: Charley versierde optredens en een platencontract... Allemaal omdat Chet pannenkoeken met hem had gegeten!»

'Tot op vandaag kom je hier mensen tegen die zeggen dat ze bijklussen als ober, maar eigenlijk songwriter zijn'

HUMO Over pannenkoeken gesproken: wat hebben countrysterren met etenswaren? George Jones zaliger verkoopt postuum ontbijtworstjes. Van Loretta Lynn kun je het kookboek ‘You’re Cookin’ It Country’ kopen...

DeMain «Je vergeet Conway Twitty en z’n Twitty Burger. Hij is mijn favoriete wandelende ramp in de countrymuziek, alleen al vanwege zijn pompadoerkapsel en die bakkebaarden in de vorm van de Italiaanse laars. Er is een gezegde in Nashville: ‘Je hebt geen countrybakkebaarden als ze niet de vorm van Italië of Florida hebben!’ (lacht) In 1969 startte Conway een restaurantketen: The Twitty Burger. Die serveerde Twitty Burgers met een schijf gehakt, kaas, gerookt spek en... een ananasbeignet. Te avontuurlijk voor de consument van 1969, want na zeven maanden was The Twitty Burger al failliet. Conway zat in de schulden en begon met zijn belastingaangifte te prutsen. In 1971 moest hij voor de rechter verschijnen. De gevangenis lonkte, but he lucked out: de rechter bleek een enorme Conway Twitty-fan te zijn. Hij liet hem gaan én op het einde van het proces haalde hij zijn gitaar boven, om voor de hele zaal een zelfgeschreven song te zingen: ‘Ode to Conway Twitty’.

»Alles wat je over Nashville moet weten, zit in die ene anekdote. Je komt hier mensen tegen die zeggen dat ze bijklussen als ober, maar eigenlijk songwriter zijn. Het is natuurlijk omgekeerd: ze hebben een gewone job en dromen van een doorbraak in de muziek. Zo ook die rechter: hij is zijn songs bij Conway blijven pitchen, maar die heeft er geen enkele van opgenomen (lacht).»

Geen antwoord op mijn vraag, maar wel een antwoord op de vraag der vragen: waarom komt iemand in Nashville wonen? Zoals iedereen in Hollywood acteur wil worden, zo wil iedereen muzikant worden in Nashville, Music City USA. Ook mijn gids: Bill DeMain is journalist, maar ook songwriter, onder andere in het groepje Swan Dive. Dat het eerste beroep geen vetpot meer is, weet ik uit ervaring. Muzikaal gidsen in eigen stad: de toekomst van de noodlijdende rockjournalist?


Het spook van Printer’s Alley

Onze volgende stop is Printer’s Alley (foto onder), de charmantste plek van downtown Nashville. Tegenwoordig een donkere steeg met gesloten kelderbars, in de jaren 20 de rosse buurt van de stad.

DeMain «Nashville in de vroege 20ste eeuw was pretty wild: binnen de vierkante mijl van Printer’s Alley tot aan de Cumberland-rivier, telde je honderdvijftig saloons en zeventig goktenten en bordelen. Pal in het midden bevonden zich vreemd genoeg drie christelijke uitgeverijen. Vandaar Printer’s Alley: na het werk zochten veel drukkers hier vertier.»

Er was natuurlijk ook muziek. De meest notoire club was Skull’s Rainbow Room, en die club beleeft vanavond z’n plechtige heropening. Skull’s Rainbow Room was de muziekclub van David ‘Skull’ Schulman, in de sixties een illustere figuur in het plaatselijke nachtleven.

DeMain «Ik ontmoette Skull voor het eerst in 1989. Hij zat buiten voor zijn club op een koningstroon, met rond zijn middel een worstelaarsriem met een schedel als gesp. Aan weerszijden van de troon zijn poedeltjes: de linkse was felroze geverfd, de rechtse paars. Op de achterkant van zijn stoel stond ‘Many a star has started here’. Geen leugen: in de vroege jaren 60 gaf Skull Willie Nelson en Dolly Parton hier hun eerste optredens.»

Skull Schulman werd in 1998 vermoord tijdens een roofoverval. De 80-jarige Skull verzette zich, maar werd neergestoken – hij overleed in het ziekenhuis. Zijn geest waart hier evenwel nog rond.

DeMain «Twee jaar na de dood van Skull huurde een andere bar de leegstaande Rainbow Room als stockageruimte. Tot er spooky dingen gebeurden: serveersters hoorden gefluister, barmannen voelden onzichtbare handen op hun schouders... Het huurcontract werd opgezegd en dertien jaar lang is hier niks gebeurd, tot men twee jaar geleden besloot het pand te renoveren. Ik denk wel dat de geest van Skull blij is dat zijn club weer opengaat (lacht).»

De renovatie van de Rainbow Room zette spijtig genoeg geen trend in gang: de laatste maanden zijn alle resterende clubs hier één voor één gesloten. Reden: begin 2015 streek een bouwontwikkelaar neer in Nashville. Hij heeft alle clubs opgekocht, en binnenkort worden ze omgebouwd tot één groot hotel.

DeMain «Tot twee maanden geleden zat hier Fiddle & Steel, waar Rascal Flatts vijftien jaar geleden is begonnen. Ook pas gesloten is Lonnie’s Western Room, de club waar Tammy Wynette haar eerste optredens heeft gegeven. Er gaat een hele muziekgeschiedenis schuil achter deze neongevels – eentje waarin zelfs Jimi Hendrix voorkomt.»

Weinig mensen weten dit, maar Jimi Hendrix, geboren in Seattle, zetten z’n eerste stappen inderdaad in de clubs van Printer’s Alley, als gitarist van The King Casuals.

DeMain «Hendrix woonde in Jefferson Street, boven een schoonheidssalon, Joyce’s House of Glamour, en mensen die hem toen hebben gekend, vertellen dat hij overal zijn gitaar mee naartoe nam. Zelfs als hij een wandelingetje maakte of naar de film ging, had hij zijn Stratocaster bij zich (lacht).»

HUMO Is het niet onbegrijpelijk dat een roemruchte buurt als Printer’s Alley niet wordt beschermd?

DeMain «Er is protest geweest, maar helaas. Nu, de gouden tijd van Printer’s Alley, van de jaren 40 tot de jaren 70, ligt sowieso ver achter ons. Nashville leed in de seventies zwaar onder de economische crisis: toeristen bleven weg, clubs sloten de deuren, de criminaliteit steeg. De hoogdagen van toen zijn nooit teruggekomen, maar Nashville beleeft nu wél een tourist boom. Door de tv-serie ‘Nashville’ en doordat Vanity Fair over Nashville heeft geschreven als een ‘It city’. Vandaar die rush om hotels te bouwen. De stad wil zogezegd dingen bewaren, maar het échte geld gaat naar hotels. Deze plek was ideaal: een verlopen buurt die wel wat ‘heropwaardering’ kon gebruiken – it was a loophole shaped like a dollar sign (zucht).»

HUMO Mocht je jezelf met een teletijdmachine kunnen terugflitsen, welke dag uit het verleden van Printer’s Alley zou je dan uitkiezen?

DeMain «7 juni 1969, de dag van de allereerste opname van ‘The Johnny Cash Show’. De tv-opnames vonden plaats in het Ryman Auditorium, maar na de show bracht Cash z’n gasten naar Skull’s Rainbow Room. En die gasten waren Bob Dylan, Joni Mitchell en Graham Nash. Ze hebben toen ook samen op het podium gezongen, maar helaas bestaan daar geen opnames van. Hadden ze maar smartphones gehad in de sixties!»


Jack White vs. ‘Nashville’

In 1966 was Dylan al naar Nashville getrokken om er ‘Blonde on Blonde’ op te nemen, en Cash had een jaar eerder met zijn vrouw June Carter Dylans ‘It Ain’t Me Babe’ gecoverd. Dylan en Cash waren fans van elkaar en zetten een wisselwerking in gang tussen rock, country en het singer-songwritergenre, waaraan de Country Music Hall of Fame nu een volledige tentoonstelling wijdt: ‘Dylan, Cash and the Nashville Cats’.

Mijn gids en ik bezoeken die expo, die behalve bekende countrified rockers als The Byrds en Gram Parsons ook de minder bekende exploten van rockers in Nashville belicht. Die van een ex-Beatle bijvoorbeeld: in 1974 kwam Paul McCartney hier een paar maanden wonen.

DeMain «Paul en Linda huurden een boerderij en kwamen overal: ze ontbeten in het Loveless Cafe en gingen naar de drive-inbioscoop (lacht). McCartney schreef de song ‘Junior’s Farm’ over hun huisbaas, Curly Putman Jr. Eén van onze grootste nog levende songschrijvers, de auteur van ‘Green, Green Grass of Home’ van Porter Wagoner

De geschiedenis herhaalt zich, want er is nóg een reden waarom Nashville tegenwoordig een It city is, en die heeft niks te maken met de glossy tv-serie ‘Nashville’. Jack White (foto links), Dan Auerbach van The Black Keys en ook Brittany Howard van Alabama Shakes hebben zich de afgelopen jaren in de stad gevestigd. Weliswaar in de hippe east side, die als het Brooklyn van Nashville geldt.

DeMain «Jonge muzikanten blikken terug op Loretta Lynn en Johnny Cash en laten country weer als country klinken. Het is een tegenbeweging, die zich afzet tegen de commerciële country. Want het is niet omdat countrysterren als Carrie Underwood, Jason Aldean of Luke Bryan soms een pedal steel bovenhalen of over kleine stadjes in het zuiden zingen, dat ik hun muziek nog country moet vinden. Het is pop.»

'Ik ben blij dat Jack White en Dan Auerbach in de stad wonen: dat heeft de muziekbusiness hier weer wat met z'n voeten naar de grond getrokken'

Grappig: in de vitrinekasten links en rechts zie ik tussen de glitterende rhinestonekostuums en gitaren van countrylegendes ook ‘de laptop van Taylor Swift’ liggen.

HUMO Maar die cross-over, met artiesten als Lady Antebellum en Taylor Swift, die nu hits hebben in de country én de pop charts, is in 1956 begonnen met Chet Atkins?

DeMain «Klopt. Als Chet de Nashville-sound niet had uitgevonden, dan was country nu een bevroren genre geweest – ouderwetse muziek voor een kleine groep aficionado’s, zoals pakweg swing. Het is dankzij de cross-over dat country zo groot is geworden, maar we zijn intussen te ver van het hart ervan afgedwaald.

»Eén van mijn favoriete nieuwe countryartiesten, Margo Price, speelt vanavond in de Basement East-club in de east side – zeker gaan kijken.»


Het Ryman Auditorium en ‘Grand Ole Opry’

Intussen staan we voor het Ryman Auditorium, de concertzaal waar de uitzendingen van ‘Grand Ole Opry’ plaatsvonden, de radioshow die country beroemd heeft gemaakt. In 1943 streek de show hier neer, maar ‘Grand Ole Opry’ bestaat al sinds 1925. Allemaal dankzij een verzekeringsmaatschappij: The National Life and Accident Insurance Company richtte in 1925 de radiozender WSM op, een afkorting voor We Shield Millions, alleen maar om z’n verzekeringen aan de man te brengen. Het draaide evenwel anders uit.

DeMain «Al in de jaren 20 werkten er zoveel muziekliefhebbers bij die nieuwe radio, dat die in geen tijd een muziekzender werd. De populairste show was ‘National Barn Dance’. Op een avond werd het programma uitgezonden na een operaprogramma, en de presentator zei iets als: ‘Folks, you’ve been listening to some of that grand opera, now stay tuned for ‘The Saturday Night Barn Dance’ and it’s grand ole opry!’ Een ingeving van het moment, maar een nieuwe naam was geboren.»

HUMO Door de crisis is het geen schande meer dat zelfs alternatieve muzikanten zich laten sponsoren door merken. Maar country heeft altijd een nauwe band gehad met de commercie: ‘Grand Ole Opry’ werd al in 1948 gesponsord door Martha White Flour.

DeMain «En Goody’s Headache Powder. En Chesterfield Cigarettes. Dat is heel dubbel: country is een genre waarin authenticiteit belangrijk is. Veel artiesten kwamen uit arme gezinnen en zongen over het harde labeur. Maar tezelfdertijd zat er achter iedere grote countryster een commerciële machine. Hank Williams wordt beschouwd als de meest authentieke countryster ooit. Wel, in 1951 had hij al een radioshow van een kwartier op WSM, gesponsord door Mother’s Best, ook een merk van bakmeel. En occasioneel werd zijn show gesponsord door Stephens Play Clothes, een jeansmerk.»

HUMO Was het niet net dóór de armtierige afkomst dat zelfs al de vroegste countrysterren niet vies waren van wat commercialiteit? Eindelijk konden ze geld verdienen.

DeMain «Absoluut. De ouders van Johnny Cash waren dirt poor. Hank Williams kwam uit een gebroken gezin. Als er dan een aanbod komt om geld te verdienen, is dat vreselijk aantrekkelijk. En vaak waren ze zo naïef! Waarom heeft Elvis dat wurgcontract met Colonel Parker getekend? Onvoorstelbaar: 50 procent van al zijn verdiensten moest hij aan zijn manager afgeven! En Graceland, met die luipaardhuiden en dat velours: dat is een poor boy’s versie van rijkdom. Dit waren mensen die in armoede waren opgegroeid, ineens geld verdienden en zichzelf wilden uitdrukken. Dat etaleren van rijkdom, vaak op niet al te smaakvolle wijze: ook dat is het hart van de country.»

HUMO Net als big hair en veel make-up bij de vrouwen, Dolly Parton op kop.

DeMain «Dolly (foto links) is een klassevrouw. Toen ze solo ging (Parton en Porter Wagoner waren lang een muzikaal duo, red.), was Porter razend, maar zij schreef als antwoord ‘I Will Always Love You’. Ze richtte in 1974 ook haar eigen publishing company op: haar hits, die ze vaak zelf schreef, waren volledig van haar. Toen Elvis ‘I Will Always Love You’ wou opnemen, belde Colonel Parker: ‘Als Elvis een song opneemt, dan moet die voor de helft onze eigendom worden.’ Dolly: ‘There’s no way in hell I’m giving up my publishing!’ Iedereen verklaarde haar gek, Elvis heeft haar song niet opgenomen, maar Dolly vertelde me: ‘Het was de slimste beslissing die ik ooit genomen heb.’ Want ‘I Will Always Love You’ heeft haar meer royalty’s opgebracht dan om het even welke van haar songs. Dolly: de vrouw die Colonel Parker het nakijken gaf!»


Johnny Cash & Ryan Adams

We staan nog steeds voor het Ryman. Eén artiest werd ooit officieel verbannen uit ‘Grand Ole Opry’: Johnny Cash. Op een zaterdagavond in 1965 probeerde hij z’n microfoon uit de standaard te halen, maar die raakte niet los, waarop Cash de standaard opnam en als een golfclub gebruikte: één voor één sloeg hij de voetlichten kapot.

DeMain «Dat moet zo’n schok voor het publiek geweest zijn. Toen Cash van het podium wandelde, wachtte de Opry-manager hem op: ‘John, that’s it – can’t use you anymore.’ Het waren de amfetamines die Cash zo onvoorspelbaar maakten.»

Het werd hét grote keerpunt in Cash z’n carrière. Het zou hem twee jaar kosten om af te kicken en terug te keren naar het Ryman, waar hij z’n televisieprogramma ‘The Johnny Cash Show’ opnam. Maar al snel ging het bergaf met het Ryman. De belangrijkste reden voor de eerder genoemde crisis in het midden van de jaren 70 was dat ‘Grand Ole Opry’ in 1974 wegtrok uit het Ryman Auditorium. De radioshow verhuisde naar het nieuwe Opryland buiten de stad, een echt countrypretpark, en de toeristen volgden. Tegen 1978 was downtown Nashville leeggebloed en waren er geen optredens meer in het Ryman. De stad besloot het gebouw neer te halen – de sloopkranen stonden al klaar toen enkele countrysterren zich tegen de afbraak verzetten.

DeMain «Kris Kristofferson, Emmylou Harris, John Hartford en andere artiesten hebben toen een menselijke ketting gevormd, die het Ryman heeft gered. Vandaag is het weer een glorierijke concertzaal. En ‘Grand Ole Opry’ wordt er weer opgenomen, zij het alleen in de wintermaanden.»

Eén artiest heeft sindsdien een toeschouwer uit het Ryman laten zetten: Ryan Adams (foto rechts). Jawel, om de verboden Bryan Adams-grap!

DeMain «Twaalf jaar geleden was dat, ik was erbij. ‘‘Summer of ’69’!’ riep iemand uit het publiek. Ryan stapte op die kerel af, smeet hem 30 dollar toe en riep: ‘Get out!’ Vorige maand, clean en sober, speelde hij in het Ryman, en voor de bisronde kwam hij op met een akoestische gitaar en speelde ‘Summer of ’69’. Mooi en respectvol gedaan – full circle.»

Ook de toer is rond, Bill en ik nemen afscheid. De nacht lonkt, en vertier is hier letterlijk om de hoek.


Avond op The Strip, Nacht in the east side

Willie Nelson zei ooit: ‘Het is 37 stappen van het Ryman tot in Tootsie’s, en 74 stappen terug.’ Het soort mop waarmee de barmannen van Tootsie’s Orchid Lounge, de bekendste muziekbar op Broadway in Nashville, hun fooi opdrijven. Maar Willie Nelson heeft zich ook vaak genoeg bezat in Tootsie’s, dat z’n naam dankt aan de allang overleden eigenares Hattie Louise ‘Tootsie’ Bess. Het was Tootsie Bess die de jonge Willie Nelson in 1961 z’n eerste kans gaf: ze betaalde de demo van z’n song ‘Crazy’ en stopte hem in haar jukebox. Toen de echtgenoot van Patsy Cline die demo voor het eerst hoorde, maakte hij nog diezelfde nacht z’n vrouw wakker met de mededeling dat ze dat nummer moest opnemen. Het werd één van haar ontroerendste songs, Nelson zag z’n carrière een vliegende start nemen, en tot vandaag dromen honderden countryzangers ervan hier in Tootsie’s Orchid Lounge ontdekt te worden. Het groepje dat ik vanavond zie spelen, mag die droom alvast opbergen – dat maakt hun erbarmelijke cover van ‘Cocaine Blues’ van Johnny Cash snel duidelijk.

Ik wil weg van de linedancende en shots achteroverslaande toeristen in de karaokebars op The Strip (foto links) en neem een taxi naar de east side. The Basement East blijkt een zaal ver van de bewoonde wereld te zijn, waar jongeren in vintage kleren uit de jaren 70 rondhangen. Margo Price speelt er met haar bandje The Pricetags, in kanten jurk en met cowboylaarzen aan. Akoestische gitaar, mooie stem. Het grote gebaar laat ze achterwege, dat past niet bij die nieuwe authenticiteit. Maar ik bedenk dat het net dat grote gebaar is – inclusief the big hair, de luipaardhuiden en de Twitty-burgers – dat de oude Nashville-country vaak zo onweerstaanbaar maakt. Zo onweerstaanbaar tragisch. Alleen is ‘groot’ intussen wellicht ‘te groot’ geworden? Ik moet denken aan iets wat Bill me deze middag zei.

DeMain «The city fathers sell us out. Ze gooien historische gebouwen plat om er condo’s neer te planten. Ik ben blij dat Jack White en Dan Auerbach in de stad wonen: dat heeft de muziekbusiness hier weer wat met z’n voeten naar de grond getrokken. Want Nashville heeft te veel last van big city envy – we willen te veel New York zijn, of LA. Maar dat zijn we niet, we zijn een kleine stad – een muziekstad.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234