'Niet onhoffelijker dan gemiddeld' Dwarskijker over 'Fintro Literatuurprijs', 'Mijn Pop-uprestaurant'

Morele winnaars grijpen helaas altijd naast de poet.


Fintro Literatuurprijs

Canvas – 5 juni

Lieven Van Gils zal al weleens te onzer attentie met een bestseller hebben gezwaaid in zijn praatprogramma, maar over het algemeen heeft de openbare televisie in het Tochtgat aan de Noordzee geen noemenswaardige belangstelling voor literatuur, of er moet al een wedstrijd mee gemoeid zijn. Laatst was het ons vergund op gepaste afstand de uitreiking van de Fintro Literatuurprijs bij te wonen, die zich dit jaar in NTGent ontrolde, een luisterrijke locatie waar ik weleens theatervoorstellingen meemaak als er niets van mijn gading op de televisie is. Zaalshots onthulden nagenoeg het hele personeelsbestand van het boekenvak in de Lage Landen, een mensendrom die geletterd het lopend buffet leek af te wachten. Er tekenden zich onder de genodigden vast ook wel managertypes uit het bankwezen af, maar die laat ik uit liefde voor de literatuur gaarne buiten beschouwing, wat overigens vaker zou moeten gebeuren, en niet alleen uit liefde voor de literatuur.

De sympathieke cineast Adil El Arbi, grof geschat de Slimste Mens ter Wereld, mocht op die prijsuitreiking de honneurs waarnemen namens het lezerspubliek en de publieksjury. Voor het echte werk moest Kathleen Cools dan weer een zondagsdienst draaien. Adil, die bij het iets te ruime publiek erg geliefd is wegens zijn te gekke straattaal – Murks? – stak het kunstwerk op dat de laureaat van de Fintro Literatuurprijs boven het hoofd hing. ‘Als ik het laat vallen,’ sprak Adil, ‘dan is ’t naar de kloten.’ ‘Dat was de enige vloekwoord van de avond,’ voegde hij er meteen aan toe, alsof hij zijn bewonderaars willens en wetens wilde teleurstellen. Het geval wilde dat ik niet eens een vloekwoord had gehoord, maar wel een verrassende geslachtsverandering van het woord ‘vloekwoord’, dat nog niet zo lang geleden een onmiskenbaar het-woord was. Nu men hem toch voor een literaire avond had laten opdraven, herinnerde Adil er het geletterde publiek fijntjes aan dat taal een levend organisme is. Mogelijk is zijn lingo overmorgen al de standaardtaal du jour.

De uitreiking van de Fintro Literatuurprijs moest nog goed en wel beginnen of ik vroeg me al af of ze wel in extenso diende te worden uitgezonden. Kon de VRT niet even de reguliere programmering gedurende vijf minuten onderbreken voor het moment suprême en daarna snel weer tot de gebruikelijke orde van een zondagavond op Canvas overgaan? Neen, dat was kennelijk te veel gevraagd.

'Mevrouw Palmen, die vermoedelijk graag op de televisie komt, deinsde er niet voor terug om voor krengetje te spelen'

De genomineerden schuifelden één voor één het toneel op, waar ze beurt om beurt door Stoomboot zouden worden toegezongen. Stoomboot is een neokleinkunstcombo waaruit bleek dat Buurman, een ander neokleinkunstcombo, school had gemaakt: een plaatselijke muzikale ontwikkeling waarop ik, die nog kleinkunst heb verdragen in de vroege jaren 70, nooit heb aangedrongen. Kathleen Cools zei dat Stoomboot telkens weer een ‘impressie’ van de uitverkoren romans zou zingen, boeken die stuk voor stuk veelgelaagd waren. De genomineerde schrijvers, die niet onhoffelijker waren dan gemiddeld, probeerden niet te balen, en zelfs iets aardigs te stamelen nadat ze die doorleefde en fronsend gezongen impressie voor hun kiezen hadden gekregen. Kathleen Cools, die als beëdigde omroepjournaliste uiteraard heel anders waarneemt dan ik, vond zelfs dat sommige schrijvers tekenen van ontroering vertoonden. ‘Het swingt,’ sprak Connie Palmen nadat Stoomboot felbewogen over haar roman heen was gegaan. Ze zei het op een toon van: ‘Iets anders kan ik er met de beste wil van de wereld niet over beweren in het openbaar.’ Mevrouw Palmen, die vermoedelijk graag op de televisie komt, deinsde er niet voor terug om voor krengetje te spelen, en bijvoorbeeld Kathleen Cools lekker dwars te zitten. Cools: ‘U zegt in uw roman ‘Jij zegt het’ dat Ted Hughes niet verantwoordelijk was voor de zelfmoord van zijn vrouw Sylvia Plath.’ ‘Neen, dat zeg ik niet,’ repliceerde mevrouw Palmen terstond, met een malicieus glimlachje. Daarna was er gelukkig geen tijd meer voor een avondvullend exposé over het mijnenveld tussen realiteit en fictie. Een gezant van de publieksjury vroeg zich daarna met een iets te zorgelijke gezichtsuitdrukking af of ‘Jij zegt het’, een roman die zijdelings op het leven van Ted Hughes en Sylvia Plath teert, alles welbeschouwd wel fictie was. Die vraag was al wel zo’n duizend keer gesteld, ook over eerdere romans van mevrouw Palmen, maar het was volgens de gevierde schrijfster wel dé vraag. Desgewenst zou ze er oeverloos op kunnen ingaan, maar zover kwam het gelukkig niet, die zondagavond in NTGent.

Onpartijdig als steeds vond ik dat P.F. Thomése, een schrijver die ik oprecht bewonder, moest winnen. Naar mijn smaak was hij ook de morele winnaar van de Libris. Nu ja, morele winnaars grijpen helaas altijd naast de poet, waardoor ze in de ogen van het iets te ruime publiek vooral verliezers zijn. P.F. Thomése – connaisseurs noemen hem op de man af Frans Thomése – won met ‘De onderwaterzwemmer’ de publieksprijs: een vulpen van Montblanc in 2.500 euro gewikkeld. Kathleen Cools stelde de meest plebejische vraag die je maar kunt stellen aan iemand die genoegen moet nemen met een troostprijs en met de illusie dat het lezerspubliek van zijn werk houdt: ‘Wat gaat u doen met dat geld?’ Laat ik voor de aardigheid even citeren uit een auto-interviewtje dat P.F. Thomése in ‘Verzameld nachtwerk’ heeft opgenomen, zijn jongste boek: ‘Ik weet dat veel mensen tegenwoordig geilen op beroemd zijn, ik weet er alles van, ik wil het ook best wel, maar liever nog zou ik willen dat iemand anders het vuile werk voor mij zou opknappen. Een stand-in die exact op mij lijkt, terwijl ik thuis zit en in stilte geniet van de successen die mij in de buitenwereld ten deel vallen.’

Hagar Peeters won met haar roman ‘Malva’ de Fintro Literatuurprijs 2016 ten bedrage van 25.000 euro, waardoor Marc Peeters, geen familie en dan ook CEO van Fintro, er gemakshalve van uitging dat hij het hoogtepunt van de avond was. Kathleen Cools vroeg hem of zijn nobele bankinstelling in de literatuur zal blijven investeren. De CEO zag meteen zijn kans schoon om op eigen kracht een dieper verband tussen de letteren en het bankwezen bloot te leggen: hij was erachter gekomen dat romans, tussen ons gezegd en gezwegen, nogal eens over menselijke relaties durven te gaan, waarna hij iets riep over zijn bank die ‘dicht bij de mensen stond’. Die zat. Op dat moment was ik mijn ontroering niet meer meester. Ik hoorde de aimabele Adil er nog een weelde aan onbegrijpelijke taalverrijkingen uitslaan, waardoor de hele hood het ongetwijfeld nog diezelfde avond op een verwoed lezen zal hebben gezet. ‘Zo, dat hebben we ook weer gehad,’ dacht ik ongevleugeld. Ooit, en wellicht sneller dan verwacht, zal ik de berusting in persoon zijn.

'Sergio Herman klonk erg nep, alsof hij via een oortje een stagiair van het productiebedrijf napraatte die buiten beeld ook maar wat uit z'n nek stond te lullen'


Mijn pop-uprestaurant

VTM – 7 & 9 juni

Soms gebruik ik de televisie als drug, of toch als venster waarlangs ik aan de wereld probeer te ontsnappen. Ik zit graag lumineus te suffen voor het breedbeeldscherm. Waarom zou ik anders niet één aflevering van ‘Mijn pop-uprestaurant’ hebben overgeslagen? Terwijl ik nu ook weer niet zóveel belangstelling heb voor het wedervaren van aankomende horecakoningen, die in het kader van hun vorming educatief uitgefoeterd worden door een principieel chagrijnige Sergio Herman, een vakman van wereldklasse, maar evengoed een niet door fucking manieren gehinderde fucker. Laatst hield ik me voor enige tijd in een bevriende natie op waar citroenen zomaar aan de bomen groeiden, en waar Rooms klokgebeier niet van de lucht was: gebimbam dat ik daar wo die Zitronen blühen uitstekend kan verdragen. Ik hoefde er, al zeg ik het zelf, met mijn kop van tegenwoordig ook niet onder te doen voor de meer pittoreske dorpelingen. Dat ik uitgerekend in dat prachtige mediterrane wijnland, waar ik met mijn eigen ogen en van dichtbij ‘La Primavera’ van Botticelli heb gezien, de aandrang voelde om op mijn iPad naar ‘Mijn pop-uprestaurant’ te kijken – dienstige app van de VTM – wijst mogelijk op een zekere verslaving. Daar komt nog bij dat ik ‘Mijn pop-uprestaurant’ geen seconde serieus neem. Kortom: alweer niets om trots op te zijn.

De eindstrijd tussen Jalapeño Loco en Strombowli nam vier afleveringen geleden een aanvang. Sergio Herman sloeg om één of andere reden een onheilszwangere toon aan. ‘Het draait nu om: wie is de beste,’ zei hij bloedserieus, alsof hij ervan overtuigd was dat de kijkers niet wisten dat er een wedstrijd gaande was. Daarna begon hij de zogeheten Boxy’s op te pijpen, cateraars uit Kortrijk, die de kandidaten nog eens gingen beoordelen. ‘De Boxy’s zullen een mening hebben,’ sprak Sergio op een toon die ik veeleer met een donkere Schriftlezing associeer – duidelijk het Oude Testament. ‘Maar die mening is wel belangrijk,’ voegde hij eraan toe, ‘de kijker kijkt daarnaar, en die gaat er ook iets mee dóén. Uiteindelijk gaat de kijker straks wel stemmen, dus: de mening van de Boxy’s is heel belangrijk.’ Ik sidder nog na van Sergio’s woorden. Even quasi ernstig nu: Sergio Herman klonk erg nep, alsof hij via een oortje een stagiair van het productiebedrijf napraatte die buiten beeld ook maar wat uit z’n nek stond te lullen.

'Italiaanse meisjes hebben een wit voetje bij mij, maar een sterk argument zou ik dat niet noemen'


Daarnet hadden we het over de zogeheten Boxy’s: dit eensluidende tweetal kun je, als je er in de stemming voor bent, ook als komisch duo opvatten, of gewoon als twee Kortrijkzanen in merkkleding. Volgens een plaatselijke legende was er oorspronkelijk maar één Boxy, aan wie zijn naaste omgeving ruimschoots genoeg had. Na een blikseminslag was die enkeling eensklaps met z’n tweeën. Tot zover die legende. Deze eeneiige gourmets, jamais étonnés de se retrouver ensemble, bleken nog net iets meer belangstelling te hebben voor de blote schouders en de gestifte lippen van Miette dan voor de gerechten op hun bord. En Miette had, om de Boxy’s te behagen, uit gastronomische overwegingen een bloot zomerjurkje aangetrokken. Noem het ondernemingszin. Nu ja, eten is uiteindelijk bijzaak in dit programma, hooguit een smoes om het over human interest te kunnen hebben, behalve misschien voor jurylid Gert Verhulst, die ik in zijn hoedanigheid van grote eter dé revelatie van ‘Mijn pop-uprestaurant 2016’ vond. Zodra hij zich aan de dis had gezet, leek hij op slag te vergeten dat een financieel directeur Studio 100 voor miljoenen euro’s had getild. Met een kritische gezichtsuitdrukking, alsof het hem nu ook weer niet zó goed smaakte, douwde Gert Verhulst gestadig vijf gangen naar binnen, of twaalf taco’s. Het scheelde niet veel of hij had met diezelfde expressie ook nog eens zijn bord schoongelikt. Vlot overschakelend van het Antwerps naar het Nederlands en weer terug, formuleerde hij tot slot een oordeel waaruit ook voor niet-ingewijden deskundigheid moest blijken: dat de fraîcheur niet je dat was, bijvoorbeeld, of dat de zoet-zuurbalans te wensen overliet. Voor hetzelfde geld had hij het ook over een schromelijk ontbrekend krokantje kunnen hebben. Ter afronding liet hij na een alles samenvattende boer te laten: ook daar hoorden we de professionele grote eter aan te herkennen, en alle fraîcheur van dien.

Naar het einde toe zat ‘Mijn pop-uprestaurant’ steeds meer om gebeurtenisjes verlegen. Op de duur was een discussie over de uitspraak van de naam Jaro, de winnaar van een vorige editie, al voldoende om er een scènetje aan te wijden: was het nu Jaro of Jarno? Of Jroa? Aorj misschien? Vreemd om aan het begin van de zomer ineens aan een wel erg lange winteravond te moeten denken. Als attractie mochten de partners van de juryleden zich ook met ‘Mijn pop-uprestaurant’ bemoeien, wat vooral de primaire nieuwsgierigheid van het ruime publiek bevredigde. Farshad, de levensgezel van Sepideh Sedaghatnia, leek mij een weemoedig type dat aan tafel weleens in een smartelijk Perzisch lied van 28 coupletten zou kunnen uitbarsten, zichzelf begeleidend met twee lepels en een olie-en-azijnstel, maar zo mooi werd het niet.

Voor de slotavond daagden ook de minst nijdige afgewezen deelnemers aan ‘Mijn pop-uprestaurant’ in het nederige vissersplaatsje Knokke op. Zij mochten op aansporing van Evi Hanssen allemaal staande houden dat ze sportievere verliezers waren dan ik zou denken. Zoals in alle realityprogramma’s had ik ook in ‘Mijn pop-uprestaurant’ aanhoudend het gevoel dat ik met niet-aflatende ijver gemanipuleerd werd: de jongste weken moesten we ineens en masse vinden dat Miette en Willem de taco, die niets anders dan een Mexicaanse snelle hap hoort te zijn, op een hoger plan hadden gebracht. Waardoor dit stelletje, dat eruitziet alsof het in een reclamebureau is ontwikkeld, ineens een bedreiging moest vormen voor de gezusters Strombowli, die op het oog veel meer kwaliteit, stijl en culinair raffinement in huis hadden. Ik weet natuurlijk niet of mijn bewering waar is, want evenals het overgrote deel van de kijkers heb ik geen significant idee van de cuisine van Strombowli, en al evenmin van het opgewaardeerde straatvoer van Jalapeño Loco. Het komt niet in me op om in een noodwoning in Knokke, waar een cameraploeg mijn uitzicht belemmert en aan mijn privacy morrelt, uit eten te gaan nadat ik er eerst door een golfkar ben aangereden. De kittige Evi Hanssen, die in de loop van de slotavond steeds meer onder invloed van cava leek te mousseren, slaakte herhaaldelijk kreten als: ‘Het is niet de mening van de jury die telt, maar úw mening!’ Een kanttekeningetje bij dat soort democratie plaatsen lijkt me gezond voor de democratie. Langs digitale weg riep een massa onbevoegden, die zich louter door uiterlijkheden en sym- en antipathieën liet leiden, Strombowli uit tot winnaar van ‘Mijn pop-uprestaurant 2016’. Toevallig kwam me dat goed uit: Italiaanse meisjes hebben een wit voetje bij mij, maar een sterk argument zou ik dat niet noemen. Alle verhoudingen in acht genomen, begin ik stilaan de dag te vrezen dat de Koningin Elisabethwedstrijd aan de digitale volkswil zal worden overgelaten.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234