'Nu jij weer, Luk Alloo' Dwarskijker over 'Alloo bij de lokale politie', 'De recherche' en 'Hoeveel ben je waard?'

Ondertussen zat de diender aan de keukentafel een saai formulier aangaande domiciliëring in te vullen, in plaats van met z'n Smith & Wesson lekker enkele gaten in het verlaagd plafond met inbouwspotjes te schieten.

'Target sprak Nederlands met het accent dat een matige cabaretier zich aanmeet als hij zich om één of andere reden vrolijk wil maken over een willekeurige inwoner van het voormalige Oostblok'


Alloo bij de lokale politie

VTM – 26 november

De recherche

VIER – 30 november

In andere tijden, toen iedereen haast vanzelf links was of zich links voordeed omdat rechts uit de mode was, behoorde het begrip ‘politiestaat’ tot het courante taalgebruik. Werd je in je dorp wegens een onklare fietslamp op een schemeravond bekeurd door de veldwachter, dan voelde je niet zelden de aandrang om hardop de politiestaat te verfoeien die zo te zien imminent was. J’accuse! Laat ik zeggen dat dienders niet erg gezien waren in mijn kennissenkring, zeker niet in de herfstige schemering van 1971, het Jaar van het Varken volgens de Chinese astrologie. Toevallig is pig een Amerikaans slangwoord dat politieman betekent. Alles staat met alles in verband of het scheelt niet veel.

De tijden veranderen aan één stuk door, en ondertussen schijnt het me toe dat de gemiddelde smeris heden nog het liefst als een soort hulpverlener bekend wil staan, maar dan voorzien van een Smith & Wesson. Een goed gesprek is meestal ontoereikend tijdens een vuurgevecht. In ‘Alloo bij de lokale politie’ werpt Luk Alloo, criminoloog van opleiding, zich op als bemiddelaar tussen de lokale politie en mensen die met zulke ordehandhavers in aanraking komen, zowel ten goede als ten kwade. De lokale politie noemt zulke mensen zonder onderscheid des persoons ‘personen’. Luk Alloo, al bij al ook een persoon, lijkt te willen aantonen dat een beetje lokale diender doorgaans wel iets anders te doen heeft dan driemaal daags z’n dienstpistool schoon te zitten likken tijdens de kantooruren. Soms moeten ze bijvoorbeeld officieel het domicilie van een persoon gaan vaststellen. Bij zo’n gelegenheid kwam Luk Alloo in een samengesteld gezin terecht, waarvan de echtgenote bepaald kittig was – ik durf zelfs, zij het met enige schroom, te schrijven dat ze, zodra ze de glazige blik van de camera voelde, bijna onuitstaanbaar begon te lonken. Haar nieuwe partner gaf dan ook grif toe dat Kim, zo heette ze, de vrouw van zijn leven was. Waarna Luk Alloo, die human interest gewaarwerd, het gesprek op scheidingen en nieuwe liefdes in Vlaamse verkavelingen bracht. Ondertussen zat de diender aan de keukentafel een saai formulier aangaande domiciliëring in te vullen, in plaats van met z’n Smith & Wesson lekker enkele gaten in het verlaagd plafond met inbouwspotjes te schieten. Of Kim even speels de handboeien om te doen. En passant wees oom agent er één van de kinderen uit het samengestelde gezin op dat je nooit, nóóit een speelgoedpistool op een persoon mag richten.

Soms buigt Luk Alloo dit programma mogelijk onbedoeld om naar comedy op de openbare weg. Twee motoragenten hielden een persoon staande die zich op een scooter voortbewoog. Hij zou een zwalpende rijstijl vertoond hebben, waardoor ze hem nagenoeg uit de bocht zagen gaan. Meteen dachten ze aan een ontoelaatbaar promille bij klaarlichte dag. Een blaastest wees uit dat de man nuchter was. Luk Alloo, die per se een reconstructie van het verdachte bochtenwerk van die man wilde filmen, noemde een scooter voor alle duidelijkheid een motortoestel. Ik weet niet zeker of hij dat met humoristisch oogmerk deed. Best mogelijk dat het taaltje waarin dienders processen-verbaal opmaken hem al onherstelbaar had aangestoken.

In dit programma had ik vaker de indruk dat lokaal politiewerk een smoes was om het over iets anders te kunnen hebben. Bijvoorbeeld over een persoon die meneer Somja heette, een man op jaren. Deze zelfverklaarde Waal die minder komisch Nederlands sprak dan Charles Michel, beschikte over een jachtgeweer waarmee hij, in geval van nood, zichzelf wilde verdedigen. Boven op een klerenkast lag het stof te vergaren. Zonder vergunning laat de wet geen wapenbezit toe, en ‘jezelf willen verdedigen’ is nog geen reden om een vergunning te krijgen. Dat moest de buurtinspecteur even komen uitleggen. Het duurde niet lang of meneer Somja gooide er ongevraagd zijn hele leven uit – je krijgt niet elke dag een tv-ploeg over de vloer. ‘In ’44 heb ik een baksteen naar een Duits kanon gegooid,’ klonk het. En nu jij weer, Luk Alloo. Voorts was meneer Somja 29 jaar lang officier bij de NAVO geweest. En met dat jachtgeweer had hij – ik citeer hem even – crapuul verjaagd dat het om schimmige redenen op zijn zoon had gemunt. En ook nog ander crapuul – illegaal crapuul dan nog wel – dat het in zijn buurt van nachtlawaai en gestolen auto’s moest hebben. ‘Je gaat me toch niet vertellen dat de mensen veilig zijn hier in België,’ riep hij ook nog uit, maar zelf voelde hij zich anders wel behoorlijk beschut. Meneer Somja was vooral een bezienswaardig ouderdomsverschijnsel dat z’n angsten op haast olijke toon probeerde te overroepen.

We kregen voorts ook enkele routinecontroles te zien. Politiemannen met drugshond die, weer of geen weer, op zoek gingen naar plukjes wiet in handschoenenkastjes. Uit de torso van één van de gecontroleerde chauffeurs bleek overdreven zelfontwikkeling, waardoor Luk Alloo in een terzijde een praatje over bodybuilding met hem aanging. Dat was lichtelijk interessanter dan de routinecontrole zelf.

‘De hele dag door kun je verdachte personen aantreffen,’ zei een lokale politieman, ‘en het gespuis, als ik ze zo mag noemen, moet van de straat worden gehaald.’ Vandaar dat de politie om zes uur ’s ochtends ook wel eens een hijgerige drugshond in een stadsbus vol mogelijk gespuis liet rondsnuffelen, een stemmig tafereeltje waarbij het woord ‘politiestaat’ me uit een ver verleden tegemoet woei. Alsof het gisteren was.

Bij VIER mogen we in de tweede serie van ‘De recherche’ wederom meelopen met enkele speurders in Gent. Zij vinden een gebruiker van Facebook meteen interessant als hij foto’s post waarop hij met één of ander wapen poseert. Vanaf dat moment noemen ze zo’n persoon target en omdat nagenoeg iedereen in hoge mate natrekbaar is, lopen ze weldra even bij hem aan. Eén van die targets zei met een vervormde stem en een vermozaïekte kop dat het wapen in kwestie een vriend toebehoorde, zo te horen een vaag iemand ‘uit Brussel’. Target sprak Nederlands met het accent dat een matige cabaretier zich aanmeet als hij zich om één of andere reden vrolijk wil maken over een willekeurige inwoner van het voormalige Oostblok. Het blijft me een raadsel waarom de fieselemie van de rechercheurs in dit programma niet geblurd is – wat is er in godsnaam van de goeie ouwe stille geworden die in z’n regenjas van onbestemde kleur spoorloos in het straatbeeld kon oplossen? Zijn echtgenote wist vaak niet eens dat ze met hem getrouwd was.

Ik merk dat de makers van ‘De recherche’ de straten waar targets wonen vaag in beeld proberen te brengen, maar dan weer net niet wazig genoeg opdat ik de onafhankelijke boekhandel in mijn buurt niet zou herkennen, een beschaafde nering waar ik één keer per week op zoek ga naar een vluchtplaats van papier. Ik vernam dat zich in die omgeving een target had opgehouden dat met een gebruiksklaar stroomstootwapen op zak boodschappen ging doen. Het was de recherche ter ore gekomen dat die man een plannetje had, waarover hij in de kroeg niet had kunnen zwijgen: eerst wilde hij de wijkagente haar dienstpistool afhandig maken, en vervolgens zou hij er op straat mee in de rondte beginnen te schieten, in de hoop dat de politie hem ten slotte uit veiligheidsoverwegingen voorgoed zou uitschakelen. Kortom, zelfmoord met hulpkrachten en veel theater. In zijn woning vond de politie een lugubere intentieverklaring en twee afscheidsbrieven. In de sinistere verhoorkamer werd al snel duidelijk dat hij een treurig en betreurenswaardig geval was: een verslaafde eenzaat die kon terugblikken op een spoor van vernieling. Die brieven beweerde hij in het holst van de nacht geschreven te hebben, toen hij als gewoonlijk starnakel zat was. Behept met een kwalijke verbeelding hoef ik niet veel moeite te doen om me zo’n onwerkelijke nacht te kunnen voorstellen: een doorwaakte koortsdroom. Hij had zo graag eens zijn dochter teruggezien die hij door zijn levenswandel lang geleden al uit het oog had verloren. Ze was 15 nu. We vernamen dat hij ondertussen ontoerekeningsvatbaar was verklaard.

Soms neemt het noodlot de gedaante van een eenzame en dolgedraaide man aan, die zich voorneemt in het openbaar te sterven nadat hij eerst met het dienstpistool van de wijkagente het startschot van zijn grote finale heeft gegeven. Het hoeven niet altijd moslimterroristen te zijn die verrassend uit de hoek komen. Een zeker fatalisme is zo kwaad nog niet als je je dan toch onder de mensen waagt.

Zou ‘De recherche’, waarin je nadrukkelijk kunt zien dat de opsporingsdienst niet stilzit, bijdragen tot het algemene veiligheidsgevoel of net niet? Ik vroeg het me af, waarna ik me voornam om na gedane arbeid, vooralsnog ongewapend, even te gaan kijken welke nieuwigheden de dichtstbijzijnde onafhankelijke boekhandel zoal te bieden had.

'Als je zegt dat je liever van een diepspoeltoilet gebruikmaakt, schenken ze je niet zelden een beate maar evengoed meewarige glimlach, waaruit hun idee van morele superioriteit spreekt'


Hoeveel ben je waard?

VIER – 2 december

Luidens Evy Gruyaert of haar tekstschrijver is openlijk over je inkomen praten ‘het laatste taboe’. Ik wist niet eens dat het taboe was. Het geval wil dat ik nooit over geld spreek, tenzij een doodenkele keer in heel algemene termen, al was het maar omdat ik de goede omgangsvormen in acht probeer te nemen. Voor het overige vind ik ook niet dat álle taboes uit de taboesfeer moeten worden getrokken, vooral niet door commerciële televisiemakers. Ik kan me wel voorstellen dat aanhoudende krapte of regelrechte armoede wél aanvaardbare redenen zijn om het hardop over geld te hebben. Voor de rest hoort geld geen gespreksonderwerp voor lady’s en gentlemen te zijn, maar dat slag volk behoort natuurlijk niet tot het doelpubliek van VIER dat tijdens ‘Komen eten’ vermoedelijk op z’n breedst is. Het komt me voor dat dit programma vooral mikt op mensen die zich bij het zien van buurmans nieuwe, maar daarom niet minder lelijke veranda afvragen: ‘Waar doet hij het van?’

Goede omgangsvormen: Evy Gruyaert, een bijdehante jonge vrouw, zegt in ‘Hoeveel ben je waard?’ weleens ‘Piep!’ als ze ergens binnenkomt. En als ze bij een glazenwasser terechtkomt van wie ze wil weten hoeveel hij waard is, begint ze spontaan ramen te lappen. Bij de illusionistische clown Papa Chico – ‘Zeg maar Chico’ – zweefde ze weldra als goochelaarsassistente horizontaal boven de begane grond tijdens een kinderfeest. De glazenwasser bleek uiteindelijk, in euro uitgedrukt, niets waard te zijn, en zelfs nog minder, want zijn saldo was zorgwekkend negatief. Hij leek zich dat niet erg aan te trekken en ik van de weeromstuit ook niet. Papa Chico was dan weer een opgevoerde middenstander met een kluwen van bedrijfjes, die volgens de fiscale experte van dit programma een hoop geld waard was. Ik nam daar kennis van en hoopte ondertussen zoals steeds op iets interessants. Tussendoor flitsen er in dit programma statistiekjes voorbij: ’70 procent van de Vlamingen is gelukkig met z’n job.’ Ongetwijfeld was één van hen een Antwerpse vastgoedkoning die het in een eerdere aflevering van dit programma uitstekend met zichzelf getroffen bleek te hebben, ook al had hij in zijn jeugd vaak te horen gekregen dat hij geen knip voor de neus waard was. Volgens de vastgoedkoning kon je alleen maar rijk worden door in drugs of in vastgoed te handelen. Hij beweerde in de Antwerpse binnenstad alle huizen te hebben verkocht, behalve het stadhuis en de kathedraal. ‘Om het eens met een zwans te zeggen,’ voegde hij eraan toe. Je kon in ieder geval horen dat hij die tekst al vaker had gelanceerd tijdens feesten en partijen. Zijn kneep was: ‘Iets aankopen voor een lage prijs en het verkopen tegen een hogere prijs.’ Daar zou ik, verstoken van handelsgeest, nooit op eigen kracht op komen.

De vastgoedkoning riep ook nog: ‘Als ze allemaal zo hard gewerkt hadden als ik, dan had iedereen evenveel gehad.’ Waarom gaan sommigen ervan uit dat hard werken een vanzelfsprekende verdienste is? Hieromtrent tast ik even in het duister.

Het valt mij in dit programma op dat poenige lieden altijd volhouden dat ze vooral van de ‘eenvoudige dingen des levens’ houden. Die bescheidenheid uitte zich ook in hun weelderige interieurs, die vooral geen verband tussen een hoop geld en enige goede smaak verrieden. Hun huizen kregen we van boven tot onder te zien, want op last van de programmamakers liep er zowel een vastgoedcoach als een zogenaamde inboedelexpert in rond die met luide stem de prijs noemde van alles wat hij zag. Alsof hij voorbereidend werk voor een rondtrekkende inbrekersbende aan het doen was.

Ik zag in dit programma ook een man die zich principieel van geld had afgekeerd. Een ex-bankdirecteur, die ooit 15.000 euro per maand had verdiend, was nu een bewust sjofele hippie die namens een vzw één dag per week folkconcerten hielp opzetten. Daarvoor beurde hij 563 euro per maand, waarmee hij zich wist te bedruipen. Ver van de digitale snelweg betrok hij een slecht onderhouden houten huisje in een bos. In het kader van de algehele wereldverbetering redde hij het zonder warm leidingwater. Zijn gevoeg deed hij op een nu ook weer niet zo idyllische kakdoos die voor de gelegenheid composttoilet heette. Kleding haalde hij bij de weggeefwinkel waar hij ook vrijwilligerswerk deed. Op zoveel voortreffelijkheid valt altijd wel iets af te dingen: fanatiek terug naar af vind ik niet meteen een hele vooruitgang. Ik ken zijn type wel: als je zegt dat je liever van een diepspoeltoilet gebruikmaakt, schenken ze je niet zelden een beate maar evengoed meewarige glimlach, waaruit hun idee van morele superioriteit spreekt. Met z’n 563 euro per maand hoefde hij gelukkig geen gezin te onderhouden.

De alleenstaande moeder van drie kinderen die in haar eentje een ijssalon dreef, zette me meer aan het denken. ’s Winters, als de vraag naar ijsjes in het Tochtgat aan de Noordzee gevoelig daalt, moest ze zo nu en dan een beroep doen op het OCMW, maar ze hield zich groot. En als ze al eens volschoot, vatte ze snel weer moed. Heldendom als dagelijks werk, het soort heroïek waar de helden in kwestie nooit mee uitpakken.

Dat Herman De Croo, de eigenzinnige taalgebruiker uit Brakel, er warmpjes in zit, verbaasde me allerminst. De liefhebbers van trivia vernamen dat hij een ’ekel aan scheefzittende stropdassen ’ad, en een eendere ’ekel aan korte sokken, en dat hij nog geen banaan kon pellen. Zoals menigeen in zijn inkomensklasse is hij voornamelijk bescheiden gebleven, ook al permitteert hij zich op gezette tijden een aardigheidje. ‘Ik houd van zijden onderlijfjes,’ flapte hij er ineens uit, ‘zo sympathiek, zo zacht.’ Ik, een liefhebber van goede omgangsvormen, hoorde mezelf ‘Gedraag u, meneer De Croo!’ naar mijn flatscreen roepen.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234