null Beeld

Odo (75), de laatste broer van Hugo Claus

Hugo Claus had drie broers, en van die drie leeft er nog één: Odo Claus, als prematuurtje geboren in 1935, zes jaar na de Meester. Tegenwoordig brengt de krasse zeventiger elk weekend door in Bachte-Maria-Leerne, een deelgemeente van Deinze. Hij helpt er graag een handje in het restaurant van zijn zoon Karl, in een paradijselijke bocht van de Leie. Daar schudden we elkaar de hand, waarna hij ons met precies dezelfde glimlach als Hugo opwarmt voor een Opzienbarende Onthulling: 'Ik zal voor een bommetje zorgen!' Maar eerst moeten we braaf zijn en goed luisteren.

undefined

«Hij is altijd een speciale geweest. Altijd met zijn gedachten elders. Hij leefde niet, hij zwééfde. Hij was constant bezig: schrijven, schilderen, theatertje spelen... Als hij kwaad was, sabelde hij je met een paar giftige zinnen neer - als kind al. Soms maakten mijn ouders zich daar zorgen over: zou het wel goed komen met hem? Zou hij met zijn twee linkerhanden wel aan werk raken? Of aan een vrouw? Nee, ze zagen geen rooskleurige toekomst voor Hugo. En zie! En zie!»

«Nonnen zijn een speciaal soort mensen. Je hebt niet geleefd als je geen twee nonnen met elkaar hebt zien vechten. Amai, ga dan maar uit de weg! Ik heb het meegemaakt: ze krabben, slaan, spuwen, stampen en trekken mekaars habijt aan stukken. Geen wonder dat ze zoveel weesgegroetjes moeten bidden.»

«Soms zetten we de tafel opzij en knutselden we een boksring in elkaar, met bel en al. Eén keer heb ik tegen Karel Appel gebokst, ergens in de jaren zestig. 'Nounou, dat kereltje krijg ik er wel onder,' blufte hij tegen Hugo. Ik was toen dol op Appels werk, en ik wou voor een zacht prijsje een schilderij van hem kopen. Ik dacht: 'Ik laat hem winnen en achteraf, bij een dubbele whisky, begin ik diplomatisch te zeuren over een schilderij.' Bon, we boksten. Appel gaf me een mep, maar ik ving die mooi op. Nog eens. Nog eens. Nog eens. 'Verdomme, dat begint me hier te vervelen,' dacht ik. En ik sloeg. Zachtjes voor mijn doen, maar hij zakte in elkaar: knock-out. We dachten dat hij dood was! We trokken aan zijn haar, gaven hem klappen in het gezicht, maar hij verroerde geen vin. Hugo - die niet van de dappersten was - vloog tegen mij uit: 'Waarom heb je godverdomme zo hard geslagen? Nu zitten we met een lijk opgescheept. Wat doen we? De ambulance bellen? Zeggen dat je de grote schilder hebt doodgeslagen? Moeten we je dan in de gevangenis gaan bezoeken?' Enfin, complete paniek. Tot ik een emmer koud water over Appels hoofd en hij weer bijkwam. Over dat schilderij heb ik maar gezwegen (lacht)

«Het meest hou ik van zijn gedichten. Ik weet wel dat iedereen dat zegt, maar Hugo was in de eerste plaats een dichter. Als kind liep hij al constant met zijn kop in de wolken. Zijn allermooiste gedicht is 'Broer' (geschreven naar aanleiding van de dood van zijn broer Guido, red.). Ik heb het hem nooit horen voordragen - hij kreeg het niet over zijn lippen. Telkens als ik het lees, stort ik in. Het beschrijft hoe diep hij van ons hield... (lange stilte) En wij van hem.»

U leest het volledige interview met Odo Claus in Humo 3631 van dinsdag 6 april 2010.


Broer (Hugo Claus)

'Het is hard,' zei hij, 'godverdomme hard.
En onrechtvaardig, voor het eerst word ik mager.'

Nog de herfst buiten, een maïsveld tot de einder,
het woord valt, einder, eindig.
Dan geen woord meer van hem.

In zijn slokdarm de plastic slang.
Hij hikt uren lang. Kan niet slikken.

Nog beweging in de rechterhand
die de linker draagt als een vette lelie.
De hand steekt zijn duim omhoog.
Hij blijft seinen tot in zijn laatste verval.

Hij heeft wit kindervel gekregen.
Hij knijpt in mijn angstige hand.

Ik zoek nog naar een gelijkenis, de onze,
de onrust van haar,
het ongeduld van hem (geen tijd voor tijd),
en ik beland in ons eerste verleden,
dat van een wereld als een weide met kikkers,
als een sloot met paling
en later weddenschappen, tafeltennis,
huishoudelijke wetten, de 52 kaarten,
de drie dobbelstenen
en aldoor de tomeloze honger.
(Ik word oud in plaats van jou.
Ik eet fazant en ruik het bos.)

Nu is zijn behuizing afgemeten.
De machine ademt voor hem.
Slijm wordt weggezogen.
Een ratel uit zijn middenrif,
en dan zijn laatste beweging, een lome knipoog.

Zielsverhuizing. Een ordening. Een portie afgesneden.
Het lijf nog verminderend
en dan plots in zijn gezicht dat dood was
een frons en een kramp
en dan een gesperde, woeste blik,
ondraaglijk helder, de woede en schrik
van een tiran. Wat ziet hij? Mij, een man
die zich afwendt, laf verbaasd over zijn tranen?
Dan is het morgen en maakt men de riemen los.
En hij dan voorgoed

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234