null Beeld

Oek de Jong - Het visioen aan de binnenbaai

Je kunt Oek de Jong veel aanwrijven, maar niet dat hij overhaast te werk gaat. 64 is de Nederlandse auteur er nu, en de romanteller staat nog steeds ‘maar’ op vier. Over zijn laatste, ‘Pier en oceaan’, deed De Jong acht jaar – een sprintje, toch in vergelijking met zijn vorige roman, ‘Hokwerda’s kind’, die pas na zeventien moeizame jaren het levenslicht zag.

De Jong is een schrijver van de trage rijping, de gedisciplineerde afzondering en de zorgvuldige woordkeuze. Eentje van de oude stempel – om het oneerbiedig uit te drukken – voor wie het schrijverschap nog écht een ambacht is. ‘Pier en oceaan’ was het voorlopige zenit van dat ambacht: groots van omvang en opzet, klassiek van opbouw, allesomvattend en toch dicht op de huid van de schrijver. Een monument van een roman, die in 2012 met de belangrijkste literaire prijzen ging lopen, waaronder de Gouden Boekenuil. Sindsdien zit er voor De Jong-fans niets anders op dan geduldig te wachten en zich in stilte bezig te houden. Met ‘Het visioen aan de binnenbaai’, bijvoorbeeld, een bundeling van De Jongs recentste essays en (auto)biografische verhalen.

De Jong toont zich in ‘Het visioen aan de binnenbaai’ een erudiete en toch amusante verteller – wie van de Julian Barnes van ‘In ogenschouw’ hield, zal ook als een blok voor de essayist Oek de Jong vallen. Want net als bij Barnes gaan de beschouwingen van De Jong nooit in het ijle zweven, ze bewandelen precies die dunne grens tussen leerrijk en toegankelijk. Zijn vertelstijl is daarbij glashelder, op het aforistische af (over succes: ‘een onophoudelijke confrontatie met het monster van ijdelheid’, over zijn ambacht: ‘romanschrijvers maken liefde mogelijk door te zien en niets onopgemerkt te laten’), terwijl zijn fijn gevoel voor humor de boel verteerbaar houdt (‘een matig beschreven auto-ongeluk op de snelweg staat me minder tegen dan een matig beschreven vrijpartij’). De schrijver heeft bovendien een neus voor interessante onderwerpen. In ‘Juichend jeugdvlees’ houdt hij een overtuigend pleidooi voor meer seks in de romankunst, een hiaat dat hij zelf al probeerde op te vullen met de pittige seksscènes in ‘Hokwerda’s kind’. In ‘God stierf in 1839’, over het ontstaan van de fotografie, fantaseert hij dan weer over afdrukken uit de prefotografische wereld – Socrates op zijn sterfbed in de Atheense gevangenis, Mozart aan de pianoforte, een vermoeide Napoleon na een veldslag. Het zijn vaak niet meer dan bedenkingen, beknopt uitgewerkt op enkele bladzijden, maar ze prikkelen de verbeelding.

Toch zijn het vooral de lijvige stukken in ‘Het visioen aan de binnenbaai’ die bijblijven, omdat daarin de auteur én de mens Oek de Jong nadrukkelijker voor het voetlicht treedt. In de bundel zijn twee uitgebreide in memoriams opgenomen voor bevriende schrijvers. Eentje is voor Arie Visser, de zonderlinge Nederlandse dichter die jaren met een heroïneverslaving worstelde en prachtige, uitgebeende poëzie schreef. In de secuur uitgekozen woorden van De Jong komt Visser naar voren als een uitzonderlijk talent en een prachtige mens. Het mooiste monument, ‘Twee eenlingen’, is voor zijn vriend Frans Kellendonk, de auteur van ‘Mystiek lichaam’ die veel te vroeg aan aids overleed. De Jong heeft het over hun complexe vriendschap, de laatste, ondraaglijke maanden van Kellendonks ziekte en de troost die hij nu nog steeds vindt in zijn nagelaten werk. Die stukken geven een directe en ongefilterde inkijk in de innerlijke behuizing van een topauteur – en óf het fijn binnenkijken is.

‘De weg van de schrijver’, De Jongs voorwoord op de jubileumeditie van ‘Opwaaiende zomerjurken’, is in dat opzicht het onthullendste verhaal. De Jongs debuut zette eind jaren 70 de Nederlandse letteren in vuur en vlam, en is ondertussen uitgegroeid tot een standaardwerk in de literatuurcanon. ’t Is een wrange speling van het lot dat net die romans die ooit baanbrekend waren, door volgende generaties wantrouwend worden bekeken. De Jong herkent het zelf ook, wanneer hij bekent dat hij ‘De avonden’ van Gerard Reve als 18-jarige simpelweg niet kon vatten. Maar met ‘Opwaaiende zomerjurken’, zijn eigen ‘De avonden’, is De Jong ondertussen in het reine. De voorbije jaren hebben zijn blik op de intrinsieke waarde ervan scherpgesteld, net als zijn verhouding tot het controversiële hoofdpersonage Edo Mesch: ‘Zelfhaat is misschien wel de meest bepalende factor in mijn verhouding tot dit alter ego.’

‘Het visioen aan de binnenbaai’ is een fijne aanvulling bij het verhalende oeuvre van Oek de Jong, niet het minst omdat de romanschrijver ook een begenadigd essayist blijkt. Maar vooral: omdat tussen de regels van zijn essays en verhalen broodkruimels te vinden zijn die tot de kern van zijn schrijverschap leiden. In die zin doen ze nog meer hunkeren naar een nieuwe roman. Nog een jaartje of vier, Oek?

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234